Bijlage 2 bij RV d.d. 26 oktober 2021 Verordening Jeugdhulp Oegstgeest 2022 Z-21-145660 Oegstgeest
Tekst van het document
Verwijzing naar jeugdhulp door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de door de gemeente georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de huisarts, medisch specialist en jeugdarts kunnen verwijzen naar de jeugdhulp. Dit laatste geldt zowel voor de vrijtoegankelijke voorzieningen als de individuele (niet vrij-toegankelijke) voorzieningen. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zijn die na de verwijzing beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de jeugdige of ouder daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen. De verwijzing van de huisarts, medisch specialist of jeugdarts geeft dus rechtstreeks toegang tot de jeugdhulp. Er zal geen beschikking volgen van de gemeente. De gemeente moet wel zorgen dat er voldoende zorg beschikbaar is. Als de jeugdige en/of ouders het niet eens kunnen worden, kan de jeugdhulpaanbieder de jeugdige en- of ouders erop wijzen dat zij een aanvraag voor jeugdhulp kunnen indienen bij het Jeugdteam. Het is van belang dat de verwijzing goed verloopt.
De gemeente zal daarom afspraken maken met artsen en aanbieders over de verwijzing naar jeugdhulp. Dit wordt benoemd in artikel 23 van deze verordening. De Leidse regio heeft de ambitie om de beweging naar voren te maken (voorveld) en om (opvoed)vragen minder te verwijzen naar specialistische jeugdhulp. Daarom wordt, naast het maken van afspraken, extra geïnvesteerd op de samenwerking met de huisartsen. Zo kan de medewerker van het Jeugdteam de rol van praktijkondersteuner jeugd (POH-J) vervullen.
19
Afhankelijk van de lokale situatie kan bijvoorbeeld ook de POH GGZ, die in de meeste praktijken reeds werkzaam is, worden ingezet wanneer de POH GGZ ook over de specialisatie ‘jeugd’ beschikt (of deze wil behalen). Ongeacht wie deze ondersteuning van de huisarts uitvoert, deze taak is voor ons een van de prioriteiten en wij vinden het van belang dat er aan de voorkant een brede vraagverheldering is, gaan wij ervan uit dat in een vroegtijdig stadium passende hulp kan worden geboden. Artikel 16. Jeugdhulp bij kinderbeschermingsmaatregel en jeugdreclassering Het artikel gaat over de verplichtingen die de gemeente heeft als er een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering is opgelegd door de rechter. Zowel de kinderbeschermingsmaatregel als de jeugdreclassering worden uitgevoerd door een gecertificeerde instelling. De jeugdbeschermer en jeugdreclassering mogen in het kader van de maatregel, besluiten tot inzet van jeugdhulp. Dat de jeugdbeschermer en de jeugdreclasseerder deze bevoegdheid hebben staat in artikel 3.5 van de Jeugdwet In het eerste lid wordt verwoord dat de gemeente zorg draagt voor een toereikend aanbod van jeugdhulpvoorzieningen, zodat de uitspraak van de rechter (of een andere instantie) kan worden uitgevoerd. Hiervoor verstrekt het college geen beschikking als bedoeld in artikel 12. Artikel 17.
Jeugdhulp in crisisgeval In dit artikel staat dat het college in crisisgevallen een tijdelijke voorziening kan treffen. Dit is het geval als een spoedmachtiging is afgegeven door de rechter (of andere instantie) omdat onmiddellijke verlening van jeugdhulp noodzakelijk is en de reguliere machtiging niet kan worden afgewacht. De Jeugdwet noemt de inzet jeugdhulp in crisisgevallen in artikel 6.1.3 en 6.1.8. In dit artikel wordt specifiek genoemd dat het college dit besluit neemt in afwijking van artikel 11 en 12. Het kan zijn dat vanwege de crisis er nog geen goed gemotiveerde aanvraag is en dat nog niet echt duidelijk is of aan de voorwaarden voor een individuele voorziening is voldaan. Na het treffen van een tijdelijke voorziening zal daarin later worden voorzien. Hoofdstuk 7. Overige bepalingen Artikel 18. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering Volgens de wet is een jeugdige en/of de ouders verplicht mede te delen wanneer er zich nieuwe feiten en omstandigheden voordoen waarvan men redelijkerwijs kan verwachten dat die van invloed op de individuele jeugdhulpvoorziening kunnen zijn. Dit wordt benadrukt in lid 1.
In lid 2 wordt aangegeven dat de gemeente ook zelf de situatie kan bekijken en kan besluiten om een beslissing over individuele jeugdhulpvoorziening te herzien, in te trekken of terug te vorderen en onder welke omstandigheden de gemeente dit mag doen. Lid 3 regelt dat als door de jeugdige en/of de ouders onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt die bij volledigheid en/of juistheid tot een andere beslissing hadden geleid, het pgb of de geldswaarde van de voorziening (de daadwerkelijke kosten van de voorziening) kunnen worden teruggevorderd. Lid 4 geeft aan dat als een pgb na een jaar nog niet is gebruikt voor het doel waarvoor het is verstrekt het besluit kan worden ingetrokken.
20
Artikel 20. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering In artikel 2.12 van de Jeugdwet staat omschreven dat de gemeente in de verordening moet regelen dat het college hierover afspraken moet maken. Via dit artikel voldoet de gemeente hieraan en geeft de raad deze opdracht aan het college. Naast de in dit artikel genoemde aspecten kunnen ook andere zaken in overweging genomen worden, zoals de NZA-richtlijnen (Nederlandse Zorgautoriteit) voor prijzen van jeugdhulp. Artikel 21. Vertrouwenspersoon De vertrouwenspersoon wordt landelijk geregeld. Gemeenten hebben er gezamenlijk voor gekozen dat de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) dit namens alle gemeenten inkoopt bij het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ), een stichting die op dit moment ook het vertrouwenswerk voor de jeugdzorg uitvoert. Artikel 22. Inspraak en medezeggenschap In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over inspraak en medezeggenschap bij de gemeente. De mogelijkheid tot inspraak en medezeggenschap tegenover de aanbieder is al geregeld in artikel 4.2.4 en verder van de wet. Opgemerkt wordt dat regeling van de inspraak en medezeggenschap in artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015, op grond van artikel 2.10 van de Jeugdwet van overeenkomstige toepassing wordt verklaard.
Dit leidt ertoe dat bij verordening moet worden bepaald op welke wijze ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van deze wet. In lid 1 van dit artikel verwijst naar de regelgeving van artikel 150 van de Gemeentewet. Lid 2 waarborgt dat er wordt dat voor het jeugdhulpbeleid een zelfde inspraakprocedure geldt als voor andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. Lid 3 regelt dat inwoners van de jeugdhulpregio Holland Rijnland kunnen deelnemen aan een regulier overleg. Inwoners van de jeugdhulpregioHollandRijnland kunnen onderwerpen aandragen voor dit overleg en ondersteuning krijgen. In lid 4 wordt het aan het college de mogelijkheid geboden om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven. Artikel 23. Klachtregeling Deze bepaling is aanvullend op de klachtregeling uit artikel 4.2.1 van de Jeugdwet en hoofdstuk 9 Klachtenbehandeling van de Algemene wet bestuursrecht. Het is zo dat de aanbieder in eerste instantie zal (moeten) worden aangesproken bij klachten van jeugdigen en/of ouders over de behandeling. Het Beleidsplan Hart voor de jeugd zegt daarover “Het effectief en laagdrempelig bemiddelen bij en afhandelen van klachten van cliënten is een verantwoordelijkheid van de jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen”.
Artikel 24. Toepassen verordening en stellen nadere regels Omdat de interpretatie van de verordening tot misverstanden kan leiden is in lid 1 van dit artikel geregeld dat bij dergelijke misverstanden moet worden teruggegrepen naar de Jeugdwet (inclusief memorie van toelichting). Zo kan worden achterhaald wat er precies met een bepaald woord of bepaalde term wordt bedoeld. In lid 2 geeft de raad aan het college de bevoegdheid om nadere regels te stellen ten behoeve van de uitvoering van deze verordening. In lid 3 geeft de raad aan het college de bevoegdheid om grenzen te stellen aan de duur en de omvang van individuele jeugdhulpvoorzieningen.
21
Lid 6 regelt dat het college met huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen afspraken zal maken over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing zoals bedoeld in artikel 15 in de verordening plaatsvindt. Dit komt overeen met artikel 2.7, lid 4 van de Jeugdwet. Waarschijnlijk zullen deze afspraken regionaal of op landelijk niveau worden gemaakt en worden daarna lokaal onder regie van de gemeente uitgewerkt. Artikel 25. Hardheidsclausule Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om van deze verordening af te wijken in zeer schrijnende gevallen waarvoor geen passende voorziening volgens de regelgeving mogelijk is. De hardheidsclausule kan dan door het college ingezet worden bij uitzonderingsgevallen. Artikel 26. Overgangsrecht Dit artikel regelt dat jeugdigen die al aanspraak maken op jeugdhulp, deze jeugdhulp kunnen blijven houden tot uiterlijk 1 januari 2023. De bedoeling daarvan is dat deze jeugdigen een overgangsperiode krijgen waarin er voor hen niets verandert en zij zich kunnen instellen op de nieuwe situatie. De overgangsperiode verschilt naar gelang de resterende looptijd van het indicatiebesluit, maar eindigt in elk geval een jaar na inwerkingtreding van deze Verordening.
Voor pleegzorg en perspectief biedende kleinschalige woonvormen is een uitzondering gemaakt en is er geen einddatum indien vóór de inwerkingtreding van deze Verordening een indicatiebesluit is afgegeven waarin is vastgesteld dat de jeugdige is aangewezen op pleegzorg en bovengenoemde kleinschalige woonvormen. Artikel 27. Intrekking en inwerkingtreding Dit artikel regelt het intrekken van de verordening uit 2015 en de inwerkingtreding van de nieuwe verordening per 1 januari 2022. Artikel 28. Citeertitel Dit artikel geeft de officiële benaming weer. De verordening zal via deze naam zijn terug te vinden (conform de wet elektronische bekendmaking).
22