CConstaterende datOegstgeest
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 bij RM d.d. 16 maart 2021 voorontwerpbestemmingsplan Nieuw-Rijnvaert, gemeente Oegstgeest Z-21-141032

Oordeelsvorming Ruimte 13 april 2021, gemeente OegstgeestBij agendapunt: Voorontwerpbestemmingsplan “Nieuw Rijnvaert, gemeente Oegstgeest”21.518 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Toekomstige inrichting kruising Rijnsburgerweg/Langenakker (bron: Goudappel Coffeng

4.4.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Gemeentelijk beleid De gemeente Oegstgeest heeft haar parkeerbeleid vastgelegd in de Parkeernotitie Oegstgeest (vastgesteld op 22 april 2002, gewijzigd op 28 oktober 2004). Het beleid is om de parkeerkencijfers van het CROW voor

47

woningbouw en andere specifieke functies te hanteren als uitgangspunt voor bestaande en nieuwe situaties. Als de normen van het CROW wijzigingen zullen deze wijzigingen worden gevolgd. Planspecifiek Voor het bepalen van de parkeerbehoefte worden de parkeerkencijfers uit CROW-publicatie 381 gevolgd. Volgens dezelfde systematiek die in toelichting paragraaf 4.4.1 is gehanteerd is de parkeerbehoefte van het plan in de navolgende tabel uiteengezet. Omdat sprake is van een integraal plan waarbij de totale parkeerbehoefte binnen het plangebied van Nieuw Rijnvaert opgelost moet worden, is uitgegaan van het totale plan Nieuw Rijnvaert. Functie CROWpublicatie 381 koop, huis, vrijstaand koop, huis, tweeonder-een-kap koop, koop, tussen/hoek koop, appartement, midden (gemiddeld) huur, huis, sociale huur totaal

Gehanteerde parkeernorm (aantal parkeerplaatsen per woning 2,2

Aantal woningen Nieuw Rijnvaert

Parkeerbehoefte (aantal parkeerplaatsen)

24-28

52,8-61,6

2,1

52-66

109,2-138,6

1,9

86-97

163,4-184,3

1,9

38-42

72,2-79,8

1,6

67-78

107,2-124,8

267-311

504,8-589,1

De totale berekende parkeerbehoefte van het indicatieve woningbouwprogramma bedraagt 504,8-589,1 parkeerplaatsen. Daarbij dient opgemerkt te worden dat het waarschijnlijk is dat de totale parkeerbehoefte tussen 520-535 parkeerplaatsen zal zijn. De reden hiervoor is dat de ruimte die het plan biedt voor parkeerplaatsen een beperkende factor is voor het woningbouwprogramma dat gerealiseerd kan worden. Woningtypen waarmee een hogere woningdichtheid gerealiseerd kan worden (rij- en hoekwoningen en appartementen) vragen om meer parkeerplaatsen in de openbare ruimte. Het gevolg zal zijn dat er een balans ontstaat tussen het woningaantal dat daadwerkelijk gerealiseerd kan worden en de beschikbare ruimte voor (openbare) parkeerplaatsen. Bij vrijstaande woningen en twee-onder-een-kapwoningen worden twee parkeerplaatsen per woning op eigen terrein gerealiseerd, die als 1,7 parkeerplaatsen worden gerekend. Bij rij- en hoekwoningen wordt de parkeerbehoefte volledig in de openbare ruimte (binnen het plangebied) opgelost. De parkeerplaatsen bestaan uit langsparkeerplaatsen aan de wegen, die onderbroken worden door bomen, en groen omzoomde parkeerkoffers. Bij het appartementengebouw aan de westzijde van de entree worden ondergrondse parkeervoorzieningen gerealiseerd.

Om aan te tonen dat het plan uitvoerbaar is voor het aspect parkeren is er een parkeerbalans opgesteld voor een situatie met 281 woningen, verdeeld over 24 vrijstaande woningen, 52 twee-onder-eenkapwoningen, 96 rij- en hoekwoningen, 38 appartementen en 71 sociale huurwoningen, gerealiseerd worden. De totale parkeerbehoefte hiervan is 530,2 parkeerplaatsen. In deze situatie met 281 woningen is er ruimte voor 536,6 parkeerplaatsen binnen het plangebied, waarmee een overschot van 6,4 parkeerplaatsen is. Gelijk aan het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren' (vastgesteld op 21 juni 2018) is in de planregels een bepaling over parkeren opgenomen, waarin wordt verwezen naar het gemeentelijke parkeerbeleid. De verplichting tot het realiseren en in stand houden van voldoende parkeerplaatsen is hiermee geborgd in de planregels. Gezien het voorgaande is het plan uitvoerbaar vanuit het aspect parkeren.

48

4.5 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek Soortenbescherming Er is een oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna (Blom Ecologie, nr. BE/2019/177/r, d.d. 19 augustus 2020, zie bijlagen bij toelichting) uitgevoerd. Hieruit blijkt dat in het plangebied en de directe omgeving daarvan beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voorkomen. Het plangebied en de daarin aanwezige kassen hebben geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels. Hieruit blijkt dat in het plangebied of de directe omgeving daarvan beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voorkomen. De te slopen bebouwing biedt mogelijk verblijfplaatsen voor vleermuizen. Ten aanzien van vleermuizen dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden voordat de bebouwing gesloopt wordt. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en locatie betreffende Natura 2000 of het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 1,7 km ligt het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide.

De planlocatie ligt op een afstand van circa 720 m ten noordwesten van het Natuurnetwerk Nederland, op 2 km van een belangrijk weidevogelgebied en op 9,3 km van een strategische reservering natuur. Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Voor effecten op Natura 2000-gebieden (trillingen, geluid, optische verstoring, etc.) geldt, met uitzondering van stikstofdepositie, dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden voldoende is om effecten uit te kunnen sluiten. Om aan te tonen wat de mogelijke effecten van het voorgenomen plan op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden zijn, is een onderzoek naar stikstofdepositie (Langelaar milieuadvies, nr. 20077/02, d.d. 31 augustus 2020, zie bijlagen bij toelichting) uitgevoerd. Het voorgenomen plan in de gemeente Oegstgeest leidt in de gebruiksfase tot een stikstofemissie op Natura 2000-gebieden van 0,00 mol/ha/j. In de aanlegfase bedraagt de stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide maximaal 0,01 mol/ha/j. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

49

Conclusie De werkzaamheden leiden niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wet-Nb, andere soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkelingen (vrijstellingsbesluit). De conclusie is dan ook dat de ontwikkeling uitvoerbaar is. Er dienen de volgende maatregelen met betrekking tot foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels getroffen te worden:

•

De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur minimaal verlichten en hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel) en de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes).

•

De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van een deskundige. Indien dit niet mogelijk is, dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

4.6 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek Op de archeologische verwachtings(waarden)kaart en beleidskaart van de gemeenten Katwijk, Noordwijk, Noordwijkerhout, Lisse, Teylingen en Hillegom uit 2015 zijn de archeologische verwachtingswaarden van het deel van Nieuw Rijnvaert in de gemeente Katwijk weergegeven. Voor het deel van de gemeente Oegstgeest kan uitgegaan worden van de archeologische waardenkaart Oegstgeest (vastgesteld op 23 oktober 2008).

De gronden in het Katwijkse deel van het plangebied zijn aangeduid als 'categorie 2' (westelijk deel) en 'categorie 5'. Ter plaatse geldt een onderzoekplicht bij bodemingepen dieper dan 30 cm -Mv en groter dan respectievelijk 100 en 250 m². De gronden in het Oegstgeestse deel van het plangebied hebben deels een hoge archeologische verwachting en deels een gematigde archeologische verwachting. Ter plaatse geldt een onderzoekplicht bij bodemingepen dieper dan 50 cm -Mv en groter dan respectievelijk 100 en 250 m². Aangezien de bodemingrepen die nodig zijn om het voorgenomen plan te kunnen realiseren ruimschoots dieper en groter dan de vrijstellingsgrenzen is archeologisch vereist. 1Arch en Hazenberg hebben een Programma van Eisen voor een proefsleuvenonderzoek opgesteld. Het bevoegd gezag heeft de versie d.d. 6 februari 2019 goedgekeurd.

50

In afwachting van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek zijn aan de gronden in het voorliggende bestemmingsplan de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3' toegekend. De begrenzing en de vrijstellingsgrenzen van deze dubbelbestemmingen zijn in overeenstemming met de archeologische waardenkaart van de gemeente Oegstgeest. Het dient de aanbeveling om de initiatiefnemer erop te wijzen dat, op het moment dat tijdens graafwerkzaamheden archeologische zaken worden aangetroffen, er een wettelijke plicht geldt deze vondsten te melden bij de bevoegde overheid (Erfgoedwet, artikel 5.10 lid 1).

4.7 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek In het plangebied zijn geen rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten aanwezig. De rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten in de omgeving worden niet negatief beïnvloed door het plan. Er zijn geen cultuurhistorisch waardevolle (landschaps)elementen aanwezig in of nabij het plangebied. Er dient geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit het aspect cultuurhistorie.

4.8 Duurzaamheid Nederland in 2050 vrij van aardgas Maar liefst 95% van de 7,7 miljoen huishoudens in Nederland gebruikt aardgas voor verwarming, warm water en om op te koken. Stoppen met het gebruik van aardgas zorgt dus voor een flinke afname van onze CO2-uitstoot. En hoe minder CO2 in de lucht, hoe beter dat is voor het klimaat en de biodiversiteit Door de toenemende onzekerheid over het aardgas, de effecten van aardgaswinning in Groningen, de toenemende afhankelijkheid van geïmporteerd aardgas en de klimaatdiscussie kiezen projectontwikkelaars, overheden en netbeheerders vaker voor wijken en andere ontwikkelingen zonder gasleidingen. Gasleidingen gaan ongeveer 45 jaar mee, daarna zijn ze verouderd en minder veilig. Elk jaar zijn er dan ook grote stukken van het gasnet die aan vervanging toe zijn. Er kan in dit geval ook gekozen worden om de leidingen te verwijderen. De keuze om ze te verwijderen of te vervangen hangt vooral af van de plannen om aardgas in het gebied te behouden of niet. Energiebesparing en duurzame energiebronnen Vanaf 2021 moeten gebouwen en woningen aan een EPC van 0 voldoen. Dit zijn zogenaamde 'energie nul'woningen en -gebouwen die aan de BENG-eisen (bijna energieneutraal gebouw) voldoen. Strategisch gezien is het raadzaam om energieneutraal te bouwen. Indien dit niet haalbaar is wordt aangeraden om aan de BENG-eisen te voldoen. Deze eisen zijn: 1. 2.

3.

de maximale energiebehoefte is 25 kWh/m² bvo; het maximale primaire energieverbruik is 25 kWh/m² bvo; het minimale aandeel van 50 % hernieuwbare energie.

Om aan deze eisen te voldoen kan gebruik gemaakt worden van een warmtepomp, zonnecollector en PVpanelen.

51

Gemeentelijk beleid De gemeente Oegstgeest heeft haar beleid met betrekking tot duurzaam bouwen verwoord in het beleidsdocument 'De toekomst is nu; duurzaam Oegstgeest' (vastgesteld op 1 juni 2017) en de uitvoeringsagenda 'Impuls Duurzaam Oegstgeest' (vastgesteld op 18 december 2018). In het beleidsdocument is aandacht voor op ontwikkelingen waarmee de gemeente te maken heeft en krijgt. Dit zijn ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving, zoals klimaatverandering, energietransitie en circulaire economie, en ontwikkelingen in de relatie tussen gemeenten in de omgeving. Voor haar toekomstbestendigheid heeft de gemeente de volgende ambities:

• •

Energietransitie: in 2050 is Oegstgeest als gemeenschap energieneutraal.

•

Circulaire economie: de gemeente streeft een economie na waarbij beschikbare grondstoffen zo lang mogelijk in de keten blijven en reststromen zo hoogwaardig mogelijk worden hergebruikt.

Klimaatadaptatie: vanaf 2020 werkt Oegstgeest klimaatbestendig. Vanaf 2050 is Oegstgeest een klimaatbestendig dorp en voldoende waterrobuust.

De ambities worden uitgewerkt en geconcretiseerd in de uitvoeringsagenda. Planspecifiek Het voorgenomen plan heeft verschillende raakvlakken met de duurzaamheidsambities van de gemeente Oegstgeest. Navolgend is per ambitie aandacht voor deze relatie:

•

Energietransitie: de beoogde woningen worden volgens de wettelijke duurzaamheidseisen gebouwd en daarmee niet aangesloten op het gasnet. Er wordt gebruikt gemaakt van duurzame energiebronnen, zoals warmtepompen, warmteterugwinning en PV-panelen. Met extra isolatie en door om een slimme manier gebruik te maken van bezonning kan energie bespaard worden. De ligging nabij een belangrijke fietsverbinding, de Valkenburgerweg, stimuleert duurzame vormen van mobiliteit.

•

Klimaatadaptie: bij de inrichting van de openbare ruimte is aandacht voor klimaatadaptie. Door meer groen en water en minder verharding en bebouwing toe te passen wordt hittestress beperkt. Groen en water hebben waterbergend vermogen en maken het gebied beter in staat om neerslagpieken op te vangen. Verder zijn er mogelijkheden om natuurinclusief te bouwen.

•

Circulaire economie: het gebruik van duurzame materialen bij de bouw van de woningen en de inrichting van de openbare ruimte draagt bij aan een circulaire economie. Bij de inzameling van afval is het beleid van de gemeente leidend. Hierin is opgenomen dat het doel is vanaf 2023 minimaal 75% van het aangeboden afval gescheiden in te zamelen en vanaf 2023 de hoeveelheid restafval te reduceren tot maximaal 100 kg per inwoner per jaar.

52

5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

5.3 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk 2 geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk 3 geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk 2. Ten slotte regelt hoofdstuk 4 de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:

• • • • • • •

bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

53

5.4 Wijze van bestemmen Navolgend worden per artikel de belangrijkste aspecten beschreven. Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Artikel 2 Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Hiervoor is aangesloten bij de SVBP 2012. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Artikel 3 - Agrarisch - 2 De bestemming 'Agrarisch - 2' is toegekend aan de gronden die in het geldende bestemmingsplan de bestemming 'Verkeer' hebben. Hiermee wordt de ontsluitingsweg, die aansluit op de Rijnsburgerweg, nabij de entree van het plangebied in planologische zin verplaatst. De gronden met de bestemming 'Agrarisch - 2' zijn bestemd voor agrarische activiteiten en bij deze bestemming behorende voorzieningen. In de bouwregels is opgenomen dat er uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen worden gebouwd.

Artikel 4 Groen De bestemming 'Groen' is toegekend aan de openbare groenvoorzieningen die het belangrijkst zijn voor groenstructuur. Deze groenvoorzieningen bevinden zich met name rondom de centrale watergang en nabij de entree van Nieuw Rijnvaert. Binnen deze bestemming zijn groen, water, voet- en fietspaden en bij deze bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen zoals straatmeubilair, waterhuishoudkundige voorzieningen, speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen en (ondergrondse) afvalinzamelpunten toegelaten. In de bouwregels is opgenomen dat er geen gebouwen gebouwd mogen worden. Verder is de maximale bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, vastgelegd. Artikel 5 Verkeer - Verblijfsgebied De bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' is toegekend aan de gronden waar wegen, bruggen, fiets- en voetpaden, in- en uitritten, parkeervoorzieningen en fietsenstallingen zijn beoogd. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van deze bestemming worden gebouwd. Ter plaatse van de aanduiding 'brug', die is opgenomen voor de bruggen over de centrale watergangen, dient de doorvaarhoogte minimaal 1,60 m en de doorvaarbreedte minimaal 4 m te zijn. Hiermee is het mogelijk dat pleziervaartuigen in westelijke richting naar Rijnvaert en de Oude Rijn kunnen varen.

Artikel 6 Water De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor water, waterhuishoudkundige voorzieningen, waterberging, bruggen en bijbehorende voorzieningen. Op de gronden met de bestemming 'Water' mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van deze bestemming worden gebouwd. Steigers zijn niet toegestaan. Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen niet hoger zijn dan 1,5 m. Artikel 7 Wonen De bestemming 'Wonen' is toegekend aan de woonvelden. Binnen deze woonvelden zijn woningen en bij deze bestemming behorende voorzieningen toegestaan, maar ook parkeervoorzieningen en groen. Dit biedt de mogelijkheid om enigszins flexibel om te gaan met de invulling van de woonvelden.

54

Het totaal aantal woningen mag niet meer bedragen dan 142. Hoofdgebouwen mogen binnen het bouwvlak gebouwd worden. De voorgevel moet in of ten hoogste 3 m achter de op de verbeelding aangegeven 'gevellijn' worden gebouwd, waarmee het gevelbeeld aan de openbare ruimte en de oriëntatie daarop is vastgelegd. De maximale diepte van hoofdgebouwen is geregeld in de bouwregels. Met aanduidingen op de verbeelding zijn de toegestane woningtypen aangegeven. De hoofdregel is dat er diverse typen grondgebonden woningen (vrijstaande, twee-aaneen gebouwde en aaneengebouwde woningen) mogen worden gebouwd. Uitzondering hierop vormen de woningen aan de Valkenburgerweg, waar uitsluitend vrijstaande en twee-aaneen gebouwde woningen zijn toegestaan, en de locatie waar de appartementengebouwen zijn voorzien. De hoofdregel is dat de maximale goot- en bouwhoogte van grondgebonden woningen respectievelijk 7 m en 11 m bedraagt. Voor de woonvelden die grenzen aan de Valkenburgerweg mag niet afgeweken worden van deze hoofdregel. Hiervoor is de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1' opgenomen. In het deelgebied 'Woonstraten' dat niet direct grenst aan de singel mag ten hoogste 1/3 van hoofgebouwen, gemeten naar de breedte van hoofdgebouwen in en achter de gevellijn, zonder kap en met een bouwhoogte van ten hoogste 11 m worden gebouwd.

Hiervoor is de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 2' opgenomen. In de deelgebieden 'Singel' en 'Nieuwe Vliet' mag ten hoogste 1/4 van hoofgebouwen, zonder kap en met een bouwhoogte van ten hoogste 14 m worden gebouwd. Hiervoor is de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 3' opgenomen. De maximale bouwhoogte van de appartementengebouwen (17 m) is aangeduid op de verbeelding. Bijbehorende bouwwerken mogen in het achtererfgebied worden gebouwd. Onder voorwaarden mogen erkers en ingangspartijen in het voorerfgebied worden gebouwd. Artikel 8 Waarde - Archeologie 2 en artikel 9 Waarde - Archeologie 3 De dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3' zijn opgenomen voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden. Archeologisch onderzoek is vereist bij bodemingrepen dieper dan 50 cm en over een oppervlakte groter dan respectievelijk 100 m² en 250 m². Hoofdstuk 3: Algemene regels Artikel 10 Antidubbeltelregel Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 11 Algemene bouwregels In dit artikel zijn algemene bepalingen over bouwen opgenomen.

Deze bepalingen hebben betrekking op bestaande afwijkende maatvoeringen en overschrijden van bouwgrenzen. Artikel 12 Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van strijdig gebruik opgenomen. Artikel 13 Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen om af te wijken van hetgeen is bepaald in het bestemmingsplan. Artikel 14 Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een mogelijkheid opgenomen om de ligging van grenzen van bestemmingsvlakken te wijzigen. Artikel 15 Overige regels In dit artikel is bepaald dat in voldoende parkeergelegenheid voorzien moet worden, waarbij wordt verwezen naar het gemeentelijk parkeerbeleid (Parkeernotitie Oegstgeest of de opvolger daarvan).

55

Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Artikel 16 Overgangsrecht In deze regels wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik. Artikel 17 Slotregel Als laatste wordt de slotregeling opgenomen. Deze regeling bevat zowel de titel van het plan als de vaststellingsregeling.

56

6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6, lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van een ruimtelijk plan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

•

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;

•

het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;

•

het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek Dit bestemmingsplan heeft gelet op artikel 6.2.1 van het Bro betrekking op een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan. Er worden immers woningen gebouwd. De gemeente heeft ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een overeenkomst gesloten. In deze overeenkomst worden het gemeentelijk kostenverhaal en de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de planschade, die het nieuwe planologische kader kan veroorzaken, geregeld. De overige kosten worden door middel van leges op de initiatiefnemer verhaald. Het bestemmingsplan is hierdoor financieel uitvoerbaar.

57

7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerp bestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Participatie Op 23 januari 2019 heeft een participatieavond plaatsgevonden voor omwonenden, waarbij circa 150 personen aanwezig waren. Tijdens de avond hebben de aanwezigen kennis kunnen nemen van de plannen. Hierbij heeft iedereen de gelegenheid gekregen om vragen te stellen, te discussiëren en zijn of haar standpunt kenbaar te maken. Daarnaast waren er formulieren aanwezig waarop men opmerkingen, vragen, wensen of ideeën kenbaar kon maken. De belangrijkste aandachtspunten die naar voren zijn gekomen zijn:

• • • • •

verkeerssituatie Valkenburgerweg; verkeerssituatie Rijnsburgerweg; aanpak en opwaardering bestaande watergang en beschoeiing; locatie en bouwhoogte van de appartementengebouwen; bouwhoogte van de woningen.

De ingediende schriftelijke reacties zijn individueel beantwoord. Een deel van deze zaken worden in het voorliggende bestemmingsplan vastgelegd en toegelicht. Een ander deel zal bij de nadere uitwerking vorm krijgen.

7.2 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg en inspraak In deze paragraaf, of in een separate bijlage, worden te zijner tijd de resultaten van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro en de inspraak, met de gemeentelijke reactie daarop, opgenomen.

7.3 Verslag zienswijzen In deze paragraaf, of in een separate bijlage, worden te zijner tijd de zienswijzen op het ontwerp bestemmingsplan en de gemeentelijke reactie hierop opgenomen.

58

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9903122/1