CConstaterende datOegstgeest
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 bij RV 5 oktober 2021 Verordening fysieke leefomgeving Oegstgeest Z-21-146019 Oegstgeest

Besluitvormende raadsbijeenkomst 16 december 2021, gemeente OegstgeestBij agendapunt: Verordening fysieke leefomgeving Oegstgeest15.685 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

BIJLAGE 1 bij Raadsvoorstel VERORDENING VAN DE GEMEENTERAAD VAN DE GEMEENTE OEGSTGEEST HOUDENDE REGELS OMTRENT DE FYSIEKE LEEFOMGEVING (VERORDENING FYSIEKE LEEFOMGEVING OEGSTGEEST)

De raad van de gemeente Oegstgeest; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van (…) 2021), (nummer); gelet op de artikelen 147, 149 en 154 van de Gemeentewet, de artikelen 3.16 en 9.1 van de Erfgoedwet in samenhang met de artikelen 12, 15 en 38 van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet, de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de artikelen 8.42b en 10.23 tot en met 10.26 van de Wet milieubeheer, artikel 8 van de Woningwet en de artikelen 2.18, vijfde lid, 2.21 en 3.148, tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer; besluit de volgende verordening vast te stellen:

Verordening fysieke leefomgeving Oegstgeest

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1.1 (begripsbepalingen) Bijlage I bij deze verordening bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen. Artikel 1.2 (toepassingsbereik) 1. Deze verordening gaat over: a. de fysieke leefomgeving; en b. activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. 2. De fysieke leefomgeving omvat in ieder geval: a. bouwwerken; b. infrastructuur; c. watersystemen; d. water; e. bodem; f. lucht; g. landschappen; h. natuur; i. cultureel erfgoed; j. werelderfgoed. 3. Als gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden in ieder geval aangemerkt gevolgen die kunnen voortvloeien uit: a. het wijzigen van onderdelen van de fysieke leefomgeving of het gebruik daarvan; b. het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; c. activiteiten waardoor emissies, hinder of risico’s worden veroorzaakt; d. het nalaten van activiteiten. 4. Als gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden ook aangemerkt gevolgen voor de mens, voor zover deze wordt, of kan worden beïnvloed door of via onderdelen van de fysieke leefomgeving. Artikel 1.3 (doelen van de verordening)

Deze verordening is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van de gemeente en de bescherming en verbetering van het leefmilieu gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur; en b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Artikel 1.4 (verhouding tot andere regelgeving) Deze verordening is niet van toepassing op onderwerpen met betrekking tot de fysieke leefomgeving of onderdelen daarvan, die bij of krachtens een wet, een algemene maatregel van bestuur, een ministeriële regeling of provinciale verordening uitputtend zijn geregeld, tenzij uit de bepalingen van deze verordening anders blijkt.

HOOFDSTUK 2 AANWIJZINGEN IN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING AFDELING 2.1 CULTUREEL ERFGOED § 2.1.1 Gemeentelijk erfgoedregister Artikel 2.1 (gemeentelijk erfgoedregister) 1. Er is een gemeentelijk erfgoedregister. 2. Het register wordt beheerd door het college. 3. Het register is voor een ieder toegankelijk. 4. Het register bevat: a. de krachtens artikel 2.2 aangewezen beschermde gemeentelijke monumenten; b. gegevens over de inschrijving en identificatie van de aangewezen beschermde gemeentelijke monumenten; c. afschriften als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister; d. de krachtens artikel 2.5 aangewezen beschermde gemeentelijke dorpsgezichten; en e. de krachtens artikel 3 van de Erfgoedverordening Oegstgeest 2021 aangewezen cultuurgoederen en verzamelingen. 5. De gegevens, bedoeld in het vierde lid, onder a, b en d, worden onverwijld na het onherroepelijk worden van een besluit tot aanwijzing opgenomen in het register. § 2.1.2 Beschermde gemeentelijke monumenten Artikel 2.2. (aanwijzing beschermde gemeentelijke monumenten) 1. Het college kan een monument en een archeologisch monument aanwijzen als beschermd gemeentelijk monument. 2.

Voor een aanwijzing komen in aanmerking monumenten en archeologische monumenten die van bijzonder belang zijn voor de gemeente vanwege hun schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde. 3. Van het voornemen om een monument of een archeologisch monument aan te wijzen als beschermd gemeentelijk monument, stelt het college de zakelijk gerechtigden schriftelijk in kennis. 4. De zakelijk gerechtigden zijn degenen die volgens de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet, een zakelijk recht hebben op het monument, het archeologisch monument of de onroerende zaak waarop of waarin zich het monument of archeologisch monument bevindt. 5. Het college kan toepassing van het derde lid achterwege laten voor zover de vereiste spoed zich daartegen verzet. In dat geval vervalt de aanwijzing na 26 weken, tenzij het college voor het verstrijken van die termijn een besluit tot aanwijzing met toepassing van het derde lid heeft genomen.

6. Het eerste en vijfde lid zijn niet van toepassing op: a. rijksmonumenten als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; en b. monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen in het provinciaal erfgoedregister, bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet. 7. Voordat een kerkelijk monument wordt aangewezen, voert het college overleg over het voornemen met de eigenaar. Artikel 2.3 (beslistermijn, inhoud en bekendmaking) 1. Het college beslist binnen 26 weken: a. na ontvangst van een aanvraag om een aanwijzing als bedoeld in artikel 2.2; of b. na het in kennis stellen van het voornemen, bedoeld in artikel 2.2, derde lid. 2. Het besluit tot aanwijzing vermeldt in ieder geval: a. de plaatselijke aanduiding van het beschermd gemeentelijk monument; b. de datum van het besluit; c. de kadastrale aanduiding van het monument; en d. een beschrijving van het gemeentelijke monument. 3. Het besluit wordt bekendgemaakt door toezending of uitreiking aan de aanvrager en de zakelijk gerechtigden, bedoeld in artikel 2.2, vierde lid. Artikel 2.4 (wijzigen en vervallen van een aanwijzing) 1. De artikelen 2.2 en 2.3 zijn van overeenkomstige toepassing op het vervallen of wijzigen van een aanwijzing, tenzij het monument of archeologisch monument is tenietgegaan. 2.

Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het aangewezen monument of archeologisch monument is ingeschreven in het rijksmonumentenregister, bedoeld in artikel 3.3 van de Erfgoedwet, of het provinciaal erfgoedregister, bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van die wet. § 2.1.3 Beschermde gemeentelijke dorpsgezichten Artikel 2.5 (aanwijzing beschermde dorpsgezichten) 1. De gemeenteraad kan op voorstel van het college een dorpsgezicht aanwijzen als beschermd gemeentelijk dorpsgezicht. 2. Voor een aanwijzing komen in aanmerking dorpsgezichten die van bijzonder belang zijn voor de gemeente vanwege hun schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang of wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op rijksbeschermde en provinciaal beschermde dorpsgezichten. Artikel 2.6 (beslistermijn) De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het voorstel van het college. Artikel 2.7 (beschermende regels in het bestemmingsplan) 1. De gemeenteraad stelt regels in het van toepassing zijnde bestemmingsplan ter bescherming van een beschermd gemeentelijk dorpsgezicht. Bij het besluit tot aanwijzing kan hiertoe een termijn worden gesteld. 2. Bij het besluit tot aanwijzing wordt bepaald of en in hoeverre bestaande regels in het van toepassing zijnde bestemmingsplan voldoende bescherming bieden.

Artikel 2.8 (wijzigen en vervallen van een aanwijzing) 1. De artikelen 2.5 en 2.6 zijn van overeenkomstige toepassing op het vervallen of wijzigen van een aanwijzing, tenzij: a. het dorpsgezicht is tenietgegaan; of b. het gaat om een wijziging van ondergeschikte betekenis. 2. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het aangewezen dorpsgezicht wordt aangewezen als rijksbeschermd of provinciaal beschermd dorpsgezicht.

AFDELING 2.2 AFVALBEHEER Artikel 2.9 (aanwijzing inzamelplaats huishoudelijke afvalstoffen) Het college wijst een inzamelplaats aan binnen de gemeente waar in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om huishoudelijke afvalstoffen, met inbegrip van grof huishoudelijk afval, achter te laten.

AFDELING 2.3 INFRASTRUCTUUR EN OPENBARE RUIMTE

Artikel 2.10 (vaste standplaatsen) Als locaties voor vaste standplaatsen worden aangewezen: a. De Kempenaerstraat, hoek Koninginnelaan (K1); b. Marktterrein Lijtweg bij winkelcentrum Lange Voort 1; c. Marktterrein Lijtweg bij winkelcentrum Lange Voort 2; d. Irislaan (winkelcentrum Lange Voort 3); e. Boerhaaveplein; f. Klinkenbergerplas; en g. Nieuw-Rhijngeest. Artikel 2.11 (tijdelijke standplaatsen) Als locaties voor tijdelijke standplaatsen worden aangewezen: a. de parkeerplaats naast Lijtweg 4 (apotheek); b. de parkeerplaats Lijtweg (het markt en evenemententerrein); en c. Klinkenbergerplas.

AFDELING 2.4 HOUTOPSTANDEN Artikel 2.12 (groene kaart en bomenlijst) 1. Het college stelt voor een periode van vijf jaar een groene kaart en een bomenlijst vast. 2. De groene kaart bevat een samenhangend geheel van boomgebieden met houtopstanden. 3. De bomenlijst bevat monumentale en waardevolle houtopstanden. HOOFDSTUK 3 ACTIVITEITEN IN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING AFDELING 3.1 INLEIDENDE BEPALINGEN Artikel 3.1 (toepassingsbereik) 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving en die zijn aangewezen in dit hoofdstuk. 2. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op activiteiten die door of vanwege de gemeente Oegstgeest worden verricht voor de uitoefening van een publiekrechtelijke taak, tenzij in deze verordening anders bepaald. Artikel 3.2 (normadressaat) Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij in deze verordening anders bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 3.3 (specifieke zorgplicht) Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 3.1 verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen met het oog waarop de regels over die activiteit zijn gesteld, is verplicht:

a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Artikel 3.4 (ontheffing en aanwijzing) 1. Van een verbod in dit hoofdstuk kan ontheffing worden verleend. 2. Het eerste lid is niet van toepassing als het is verboden zonder vergunning of aanwijzing een activiteit te verrichten. 3. Op de aanvraag om een aanwijzing als bedoeld in artikel 3.34, tweede lid, een ontheffing en een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. 4. In afwijking van het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht wel van toepassing op ontheffingen als bedoeld in de artikelen 3.61, tweede lid, en 3.63, eerste en tweede lid, en vergunningen als bedoeld in de artikelen 3.43 en 3.54. Artikel 3.5 (bevoegd gezag en beslistermijn) 1. Het college is het bevoegd gezag: a. waaraan een melding wordt gedaan; b. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; c. dat beslist op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen; d.

dat een vergunning of ontheffing op grond van dit hoofdstuk verleent, weigert en intrekt; en e. dat de tenaamstelling van een vergunning of ontheffing kan wijzigen. 2. Het college beslist binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag om een besluit als bedoeld in het eerste lid, onder b, c of d, tenzij in deze verordening anders is bepaald. 3. Het college kan de termijn met ten hoogste acht weken verlengen. Artikel 3.6 (voorschriften en beperkingen) 1. Aan een vergunning, ontheffing en aanwijzing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. 2. De voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van de belangen met het oog waarop de vergunning, ontheffing of aanwijzing verplicht is gesteld. 3. Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift of beperking van een vergunning, ontheffing of aanwijzing. Artikel 3.7 (persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing) Een vergunning of ontheffing geldt alleen voor degene aan wie zij is verleend, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel 3.8 (intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing) Een vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. de verlening van de vergunning of ontheffing berust op onjuiste of onvolledige gegevens en de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zouden hebben geleid; b.

door een verandering van omstandigheden of inzichten na het verlenen van de vergunning of ontheffing, dat noodzakelijk is vanwege de belangen met het oog waarop de vergunning of ontheffing verplicht is gesteld; c. in strijd is gehandeld met deze verordening of een voorschrift of beperking van een vergunning of ontheffing; d. daarvan geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn of, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; e. dat noodzakelijk is vanwege het verrichten van een werk; of f. de houder dit verzoekt. Artikel 3.9 (termijn vergunning en ontheffing) 1. Een vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij:

a. in deze verordening anders is bepaald; of b. de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als: a. het aantal vergunningen of ontheffingen dat wordt verleend is beperkt; en b. het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel 3.10 (algemene beoordelingsregels) 1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd vanwege de belangen met het oog waarop de vergunning of ontheffing verplicht is gesteld. 2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag minder dan drie weken voor de beoogde datum van het begin van de activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Artikel 3.11 (maatwerkvoorschriften) 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over dit hoofdstuk. 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in dit hoofdstuk, met uitzondering van de artikelen 3.3, 3.33, 3.42, 3.53, 3.84 en 3.91. 3. Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen waarop de artikelen in dit hoofdstuk zijn gesteld. 4. Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een vergunning kan worden verbonden. Artikel 3.12 (ongewoon voorval) 1.

Het college wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval. 2. Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een ongewoon voorval als bedoeld in artikel 17.1 van de Wet milieubeheer.

AFDELING 3.2 BOUWACTIVITEITEN § 3.2.1 Algemeen Artikel 3.13 (oogmerken) De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. de bescherming van de gezondheid; c. de bescherming van de bodem; d. de bescherming van bomen; e. de bescherming van archeologische waarden; f. het voorkomen en beperken van gevaar, schade en hinder; g. de verkeersveiligheid en een goede doorstroming van het verkeer; h. de bescherming van in de grond aanwezige leidingen en werken; en i. de doelmatige verdeling van de ondergrondse ruimte. § 3.2.2 Bouwen op verontreinigde bodem

Artikel 3.14 (aanwijzing activiteiten) 1. Als activiteit als bedoeld in artikel 3.1 wordt aangewezen het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie waarvoor een omgevingsvergunning verplicht is, met uitzondering van de activiteiten die naar aard en omvang gelijk zijn aan de activiteiten, bedoeld in artikel 2 of 3 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht. 2. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan: a. een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn; of b. een woonschip of woonwagen. 3. Als bodemgevoelige locaties worden in ieder geval beschouwd: a. de locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een bestemmingsplan, een beheersverordening of een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; b. een onmiddellijk aan een gebouw als bedoeld onder a grenzende aaneengesloten tuin of een daaraan grenzend aaneengesloten terrein; of c. een onmiddellijk aan een op grond van een bestemmingsplan, een beheersverordening of een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht toegelaten woonschip of woonwagen grenzende tuin of grenzend terrein. Artikel 3.15 (aanvraagvereisten) 1.

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een onderzoeksrapport naar verontreiniging van de bodem; en b. als op de locatie waar de bouwactiviteit plaatsvindt sprake is van een geval van ernstige verontreiniging als bedoeld in de Wet bodembescherming: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen. 2. Een sanerende of andere beschermende maatregel als bedoel in het eerste lid, onder b, is in ieder geval een sanering overeenkomstig: a. het Besluit uniforme saneringen; of b. een saneringsplan als bedoeld in artikel 39 van de Wet bodembescherming waarmee het bevoegd gezag heeft ingestemd. 3. In afwijking van het eerste lid, onder a, hoeft geen onderzoeksrapport te worden verstrekt als: a. voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht het college al beschikt over resultaten van een verricht bodemonderzoek die voor de beoordeling, bedoeld in artikel 3.16, voldoende actueel en bruikbaar zijn; of b. het gaat om een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 1.1 van het Bouwbesluit 2012 en uit het vooronderzoek, bedoeld in NEN 5725, uitgave 2009, blijkt dat de locatie onverdacht is. 4. Het onderzoekrapport is gebaseerd op: a.

de resultaten van een recent verricht bodemonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009; en b. als er op basis van het vooronderzoek aanleiding is om te veronderstellen dat asbest, met inbegrip van asbestvezels, asbestdeeltjes of asbeststof, in de bodem aanwezig is: de resultaten van recent verricht onderzoek volgens NEN 5707, uitgave 2017. 5. Als voor het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, op de locatie eerst sloopactiviteiten moeten worden verricht, vindt het bodemonderzoek, bedoeld in het vierde lid, onder a, plaats na het beëindigen van die sloopactiviteiten. Artikel 3.16 (specifieke beoordelingsregel) Een omgevingsvergunning voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, wordt alleen verleend als: a. op de locatie waar de bouwactiviteit plaatsvindt geen sprake is van een geval van ernstige verontreiniging als bedoeld in de Wet bodembescherming; of b. als er wel sprake is van een geval van ernstige verontreiniging: als het aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregel als bedoeld in artikel 3.15, tweede lid, wordt getroffen.

Artikel 3.17 (vergunningvoorschriften) Aan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 3.16, aanhef en onder b, worden in ieder geval voorschriften verbonden die inhouden dat: a. het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat sanerende of andere beschermende maatregelen als bedoeld in artikel 3.15, tweede lid, zijn getroffen; en b. het college voor het in gebruik nemen wordt geïnformeerd over de wijze waarop die sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen.

AFDELING 3.3 MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN § 3.3.1 Algemeen Artikel 3.24 (oogmerken) De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; en c. het beschermen van het milieu, voor zover het gaat om: 1°. het beschermen tegen milieuverontreiniging; 2°. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; 3°. het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; 4°. een doelmatig beheer van afvalstoffen; 5°. het voorkomen of beperken van geluidhinder, trillinghinder, lichthinder en geurhinder; 6°. het beperken van de kans op en het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan; 7°. het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater; 8°. het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; of 9°. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen. § 3.3.2 Geluidhinder en lichthinder door festiviteiten Artikel 3.25 (aanwijzing activiteiten) Als activiteit als bedoeld in artikel 3.1 wordt aangewezen het vieren van festiviteiten. Artikel 3.26 (aanwijzing collectieve festiviteiten) 1.

De geluidwaarden, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, en de verplichting om de verlichting bij een gelegenheid voor sportbeoefening in de buitenlucht uit te schakelen, bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van dat besluit, zijn niet van toepassing op de dagen of dagdelen in verband met de viering van festiviteiten die niet aan een inrichting of een klein aantal inrichtingen zijn verbonden en die door het college zijn aangewezen. 2. In de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid: a. kunnen delen van de gemeente worden aangewezen waarvoor de uitzondering geldt; b. kan het tijdstip worden vermeld tot wanneer de uitzondering geldt; c. kunnen de maximaal toelaatbare geluidniveaus worden opgenomen, die niet hoger zijn dan 70 dB(A) en 82 dB(C), gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen; en d. is het equivalente geluidniveau Leq,T, veroorzaakt door de festiviteit niet meer dan 55 dB(A) in een geluidgevoelige ruimte van een woning van derden, bij gesloten ramen en deuren. 3. Wanneer een festiviteit redelijkerwijs niet was te voorzien, kan het college een festiviteit terstond aanwijzen. 4. Muziek wordt uitsluitend in een gebouw met gesloten deuren en ramen ten gehore gebracht. Een deur of raam is alleen geopend tijdens het doorlaten van personen of goederen en niet langer dan daarvoor nodig is.

Artikel 3.27 (kennisgeving incidentele festiviteiten) 1. Per kalenderjaar kan tijdens ten hoogste zes festiviteiten die aan een inrichting of een klein aantal inrichtingen is verbonden, worden afgeweken van: a. de geluidwaarden, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer; en b. de verplichting om de verlichting bij een gelegenheid voor sportbeoefening in de buitenlucht uit te schakelen, bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. 2. Van een festiviteit als bedoeld in het eerste lid: a. wordt het college ten minste twee weken voor het begin ervan in kennis gesteld met een door het college vastgesteld formulier; en b. worden omwonenden binnen een straal van 50 m ten minste 48 uur voor het begin ervan in kennis gesteld volgens de wijze die is aangegeven op het formulier, bedoeld onder a. 3. Het tweede lid is niet van toepassing als het college een festiviteit die redelijkerwijs niet was te voorzien terstond heeft toegestaan 4. Het equivalente geluidsniveau Leq,T veroorzaakt door de festiviteit, is niet meer dan: a. 70 dB(A) en 82 dB(C), gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen; en b. 55 dB(A) in een geluidgevoelige ruimte van een woning van derden, bij gesloten ramen en deuren. 5. Het eerste lid, onder a, is niet van toepassing: a. op zondag tot en met donderdag na 23.59 uur; b.

in de nacht van vrijdag op zaterdag na 01.00 uur; en c. in de nacht van zaterdag op zondag na 01.00 uur. 6. Muziek wordt uitsluitend in een gebouw met gesloten deuren en ramen ten gehore gebracht. Een deur of raam is alleen geopend tijdens het doorlaten van personen of goederen en niet langer dan daarvoor nodig is. 7. Het eerste lid, onder b, is niet van toepassing na 23.59 uur. 8. Een aanwezige omroepinstallatie wordt alleen gebruikt voor het aankondigen van het starten en beëindigen van wedstrijd- of feestonderdelen. Artikel 3.28 (wijze van geluidmeten) 1. Metingen en berekeningen ter controle van de geluidniveaus, bedoeld in de artikelen 3.26 en 3.27, worden verricht volgens de Handleiding meten en rekenen industrielawaai, van het ministerie van VROM, uitgave 1999. 2. In afwijking van de handleiding, bedoeld in het eerste lid: a. worden op het gemeten signaal in dB(A) of dB(C) geen correcties meer toegepast; en b. is het toegestaan metingen te verrichten met een geluidniveaumeter volgens de specificaties van IEC-publicatie 60651, type 2. 3. Metingen in de buitenlucht worden verricht op een hoogte van ten minste 1,5 m en ten hoogste 2,0 mr boven het plaatselijke maaiveld. 4. Metingen in een geluidgevoelige ruimte worden verricht op een afstand van ten minste 1,5 m boven de vloer, 1,5 m van ramen en 1,0 m van muren. 5.

Als het geluidniveau op de gevel van een geluidgevoelig gebouw wordt vastgesteld, wordt de gevel op de begane grond ook als gevel van het geluidgevoelig gebouw gezien als geluidgevoelige ruimten alleen op de hoger gelegen etages aanwezig zijn. § 3.3.3 Geluidhinder door toestellen of geluidsapparaten en laden en lossen Artikel 3.29 (aanwijzing activiteiten) 1. Als activiteiten als bedoeld in artikel 3.1 worden aangewezen: a. het gebruiken van toestellen of geluidsapparaten waardoor geluidhinder wordt veroorzaakt; en b. het laden en lossen. 2. Onder de aanwijzing vallen niet activiteiten in een inrichting. Artikel 3.30 (geluidhinder door toestellen of geluidsapparaten)

Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 3.29, eerste lid, aanhef en onder a, te verrichten. Artikel 3.31 (geluidhinder door laden en lossen) 1. De activiteit, bedoeld in artikel 3.29, eerste lid, aanhef en onder b, wordt niet verricht tussen 23:00 uur en 07:00 uur. 2. Het eerste lid is niet van toepassing als de activiteit wordt verricht op een markt op een dag waarop die markt wordt gehouden. § 3.3.4 Afvalbeheer Artikel 3.32 (aanwijzing activiteiten) 1. Als activiteiten als bedoeld in artikel 3.1 worden aangewezen: a. het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen; b. het ter inzameling aanbieden, overdragen en achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen; c. andere activiteiten met afvalstoffen, met uitzondering van activiteiten in een inrichting; en d. activiteiten waardoor zwerfafval kan ontstaan. 2. In afwijking van artikel 3.1, tweede lid, zijn de regels in deze paragraaf ook van toepassing op het inzamelen van afvalstoffen dat wordt verricht door of vanwege de gemeente Oegstgeest voor de uitoefening van een publiekrechtelijke taak. Artikel 3.33 (specifieke zorgplicht) De zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3, houdt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.32 in ieder geval in dat: a. geen hinder of verontreiniging van het milieu of een weg wordt veroorzaakt door een afvalstof: 1°.

op of in de bodem of op een weg te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins daar te plaatsen; of 2°. te vervoeren of te laden of te lossen; b. het ontstaan van zwerfafval wordt voorkomen door: 1°. op of bij een locatie waar eet- of drinkwaren worden verkocht, die ter plaatse kunnen worden genuttigd, een voor het publiek toegankelijke afvalbak beschikbaar te hebben en door deze tijdig te legen; 2°. etenswaren, verpakkingen, afval en andere materialen, afkomstig van een locatie als bedoeld onder 1°, binnen een straal van 25 m van die locatie zo vaak als nodig te verwijderen; 3°. huishoudelijke afvalstoffen van beperkte omvang en gewicht niet achter te laten in de openbare ruimte, anders dan in daartoe bestemde afvalbakken of andere middelen ter inzameling van die afvalstoffen; 4°. drukwerk, inclusief de verpakking, dat onder het publiek wordt verspreid en in de openbare ruimte wordt achtergelaten, onverwijld op te ruimen; 5°. afvalstoffen of inzamelmiddelen met afvalstoffen die klaar staan voor inzameling niet te doorzoeken, te verspreiden, te stoten, te schoppen of omver te stoten; c. als verontreiniging van het milieu of een weg is ontstaan door het verrichten van een activiteit, alle maatregelen worden getroffen om die verontreiniging ongedaan te maken of zoveel mogelijk te beperken; d.

geen afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht worden opgeslagen, tenzij dat opslaan in overeenstemming is met de regels in deze verordening en de daarvoor geldende rijksregels; e. autowrakken niet worden achtergelaten maar worden afgegeven aan: 1°. een autodemontagebedrijf als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer; 2°. degene die een inrichting drijft waar onderhoud en reparatie van motorvoertuigen plaatsvindt als bedoeld in categorie 28.10 van bijlage I, onder C, bij het Besluit omgevingsrecht; of 3°. degene die in een ander land dan Nederland is gevestigd en die overeenkomstig de EGverordening overbrenging van afvalstoffen en titel 10.7 van de Wet milieubeheer het autowrak naar dat land brengt;

f. ongeadresseerd reclamedrukwerk alleen wordt bezorgd als de ontvanger kenbaar heeft gemaakt daar prijs op te stellen; en g. geen huis-aan-huisblad wordt bezorgd als de ontvanger kenbaar heeft gemaakt daar geen prijs op te stellen. Artikel 3.34 (inzamelen huishoudelijke afvalstoffen) 1. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen. 2. Het verbod is niet van toepassing op: a. de inzameldienst die door het college is aangewezen voor het inzamelen; en b. een andere inzamelaar dan de inzameldienst: 1°. die door het college is aangewezen voor het inzamelen; 2°. die op grond van nadere regels van het college is vrijgesteld van het verbod; of 3°. die op grond van artikel 9.5.2, derde lid, aanhef en onder b, of vierde lid, van de Wet milieubeheer verplicht is tot inname van de huishoudelijke afvalstoffen. 3. Het college kan nadere regels stellen over: a. het aanwijzen van de inzameldienst en een inzamelaar; en b. de wijze van inzamelen. Artikel 3.35 (aanbieden, overdragen en achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen) Met het oog op het beschermen tegen milieuverontreiniging en een doelmatig beheer van afvalstoffen worden huishoudelijke afvalstoffen alleen: a. ter inzameling aangeboden of overgedragen aan de inzameldienst, bedoeld in artikel 3.34, tweede lid, onder a, of een andere inzamelaar als bedoeld in artikel 3.34, tweede lid, onder b; of b.

achter gelaten op de door het college aangewezen inzamelplaats, bedoeld in artikel 2.9. Artikel 3.36 (gescheiden inzamelen en aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen) 1. Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen worden de volgende bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen afzonderlijk ingezameld: a. groente-, fruit- en tuinafval; b. papier en karton; c. glas; d. textiel; e. elektrische of elektronische apparatuur; f. klein chemisch afval; en g. andere door het college aangewezen bestanddelen. 2. De volgende bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen worden na inzameling machinaal gescheiden om nuttige toepassing mogelijk te maken: a. kunststof; b. metaal; en c. drankenkartons. 3. De bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in het eerste lid, worden afzonderlijk ter inzameling aangeboden of overgedragen of achtergelaten. 4. Het college stelt regels over de frequentie van inzameling van de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in het eerste lid, en over de locaties van inzameling bij of nabij elk perceel. 5. Het college kan met nadere regels bepalen dat het eerste of derde lid niet geldt voor: a. bepaalde bestanddelen; of b. bepaalde categorieën van gevallen of personen. Artikel 3.37 (plaats, dag en tijdstip van aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen) 1.

Met het oog op het beschermen tegen milieuverontreiniging en een doelmatig beheer van afvalstoffen worden huishoudelijke afvalstoffen alleen ter inzameling aangeboden op de door het college aangewezen plaatsen, dagen en tijdstippen. 2. De plaatsen, dagen en tijdstippen kunnen voor de verschillende bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen verschillen.

Artikel 3.38 (inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen) 1. Met het oog op het beschermen tegen milieuverontreiniging en een doelmatig beheer van afvalstoffen worden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aangeboden volgens de door het college gestelde regels over het gebruik van inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen. 2. Een inzamelmiddel wordt alleen op de dagen en tijdstippen, bedoeld in artikel 3.37, eerste lid, in de openbare ruimte geplaatst. 3. Bij de regels, bedoeld in het eerste lid, kan worden afgeweken van het tweede lid. Artikel 3.39 (aanbieden, overdragen en achterlaten van bedrijfsafvalstoffen) 1. Met het oog op het beschermen tegen milieuverontreiniging en een doelmatig beheer van afvalstoffen worden bedrijfsafvalstoffen alleen ter inzameling aangeboden of overgedragen aan de inzameldienst, bedoeld in artikel 3.34, tweede lid, onder a, of achter gelaten op de door het college aangewezen inzamelplaats, bedoeld in artikel 2.9, als het gaat om bestanddelen van bedrijfsafvalstoffen die door het college zijn aangewezen. 2. Bedrijfsafvalstoffen worden alleen ter inzameling aangeboden op de door het college: a. bepaalde dagen en tijden; b. bepaalde wijze; en c. aangewezen plaatsen. 3. Het college kan nadere regels stellen over het aanbieden of overdragen van bedrijfsafvalstoffen.

AFDELING 3.4 ACTIVITEITEN IN DE OPENBARE RUIMTE § 3.4.1 Algemeen Artikel 3.40 (oogmerken) 1. De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het behoeden van de staat en werking van wegen en openbare wateren voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die wegen of wateren; b. het behouden en bevorderen van de verkeersveiligheid; c. het behouden en bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte; d. het beperken van hinder; en e. het beschermen van het aanzien van de openbare ruimte. 2. De regels over uitritten in paragraaf 3.4.4 zijn ook gesteld met het oog op de bescherming van het openbaar groen. 3. De regels over standplaatsen in paragraaf 3.4.6 zijn ook gesteld met het oog op: a. het beschermen van het milieu, voor zover het gaat om: 1°. het beschermen tegen milieuverontreiniging; 2°. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; 3°. een doelmatig beheer van afvalwater en afvalstoffen; en 4°. het voorkomen of beperken van geluidhinder en geurhinder; en b. het behoud van een goed woon- en leefklimaat. § 3.4.2 Gebruiken van de weg Artikel 3.41 (aanwijzing activiteiten) 1. Als activiteit als bedoeld in artikel 3.1 wordt aangewezen het gebruiken van de weg. 2. Onder de aanwijzing valt niet het gebruiken van de weg voor: a.

een evenement als bedoeld in artikel 2:24 van de Algemene plaatselijke verordening Oegstgeest 2020; b. het parkeren van voertuigen op de weg, bedoeld in paragraaf 3.4.5; c. het innemen van een standplaats als bedoeld in paragraaf 3.4.6; of d. het exploiteren van een terras als bedoeld in paragraaf 3.4.7.

Artikel 3.42 (specifieke zorgplicht) 1. De zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3, houdt voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.41, in ieder geval in dat: a. geen gevaar ontstaat voor de veiligheid op de weg; b. geen hinder of schade wordt veroorzaakt; c. voldoende vrije doorgang voor hulpdiensten overblijft; d. voldoende vrije doorgang op voetpaden overblijft; e. de vrije toegang tot straatkolken, rioolputten, brandkranen en andere afsluitingen voor openbare nutsvoorzieningen is gewaarborgd; f. als objecten worden geplaatst: die objecten voldoende zichtbaar zijn, stabiel worden geplaatst, in deugdelijke staat van onderhoud verkeren en een verzorgde aanblik bieden; g. geen schade wordt toegebracht aan de weg; h. het beheer en onderhoud van de weg niet wordt belemmerd; en i. winkelwagentjes na gebruik niet onbeheerd worden achtergelaten in de openbare ruimte. 2. Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt: a. voorziet de winkelwagentjes van de naam van de winkel of een ander herkenningsteken; en b. verwijderd onbeheerd achtergelaten winkelwagentjes uit de omgeving van de winkel. Artikel 3.43 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) 1. Het is verboden zonder vergunning de weg anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 2. Het verbod is niet van toepassing op: a.

het gebruiken van de weg met een mobiele kraan die ten hoogste een dagdeel op de weg wordt geplaatst en waarbij geen wegafsluiting noodzakelijk is; of b. het plaatsen van voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard. 3. Het verbod is ook niet van toepassing op het plaatsen van: a. uitstallingen, als wordt voldaan aan artikel 3.45; b. objecten voor bouwactiviteiten, als wordt voldaan aan de artikelen 3.46 en 3.47; c. spandoeken, als wordt voldaan aan artikel 3.48; d. objecten met reclame bij een rotonde, als wordt voldaan aan artikel 3.49; e. trotters en tekstkarren, als wordt voldaan aan artikel 3.50; of f. kerstbomen, als wordt voldaan aan artikel 3.51. Artikel 3.44 (beoordelingsregels vergunning) 1. Onverminderd artikel 3.10 kan de vergunning worden geweigerd als: a. het beoogde gebruik, op zichzelf of in verband met de omgeving, niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand; of b. dat nodig is om overlast voor gebruikers van een nabij gelegen onroerende zaak te voorkomen of te beperken. 2. Een vergunning voor het plaatsen van objecten met reclame of reclameborden kan worden geweigerd als het object of bord: a. wordt geplaatst op een afstand van minder dan 25 m van een ander object met reclame of reclamebord; b. wordt geplaatst binnen 5 m van een bocht, kruising of splitsing; c. boven de rijbaan wordt geplaatst; d.

de verkeersfunctie van de berm of het trottoir wordt beperkt of belemmerd; of e. niet wordt geplaatst bij een doorgaande hoofdroute. Artikel 3.45 (algemene regels: plaatsen uitstallingen) 1. Dit artikel is van toepassing op het plaatsen op de weg van reclameborden, uitstallingsmaterialen, uitstallingsstellages, voorwerpen en stoffen die behoren tot het reguliere assortiment van een winkel, speelattracties en andere uitstallingen voor een pand waarin een onderneming is gevestigd, waarvoor geen vergunning is vereist als bedoeld in artikel 3.43, derde lid, onder a. 2. Met het oog op het behouden en bevorderen van de verkeersveiligheid en de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte is een uitstalling:

a. binnen 1 m van de gevel geplaatst; en b. uitsluitend aanwezig tijdens de openingstijden van de onderneming. 3. Na plaatsing van een uitstalling is: a. de resterende vrije ruimte of stoepruimte ten minste 1,5 m; b. in een voetgangersgebied de resterende vrije ruimte ten minste 3,5 m voor het ongehinderd passeren van het alarmverkeer; en c. de blindengeleidestrook en de ruimte tot ten minste 0,5 m daarnaast, vrij van obstakels. 4. Er wordt ten hoogste één reclamebord per onderneming met een formaat van ten hoogste A0 geplaatst. 5. De afstanden, bedoeld in het tweede lid, onder a, en derde lid, onder a en b, worden haaks op de gevel van de winkel of het pand waar de uitstalling bij hoort gemeten. Artikel 3.46 (algemene regels: plaatsen objecten voor bouwactiviteiten) 1. Dit artikel is van toepassing op het plaatsen op de weg van containers, bouwketen, mobiele toiletcabines, steigers, mobiele liften, pompen, hekwerken, reclameborden over werk in uitvoering en andere objecten voor het verrichten van bouwactiviteiten, waarvoor geen vergunning is vereist als bedoeld in artikel 3.43, derde lid, onder b. 2. Met het oog op het behouden en bevorderen van de verkeersveiligheid en de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte wordt een object alleen op de weg geplaatst als plaatsing op het perceel waar de bouwactiviteiten worden verricht redelijkerwijs niet kan worden gevergd. 3.

Een object: a. is geplaatst binnen een afstand van 150 m van het perceel waar de bouwactiviteiten worden verricht; b. bevindt zich op een parkeerhaven of parkeerstrook als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of, als dit redelijkerwijs niet mogelijk is, op de stoep waarbij de vrij te laten stoepruimte ten minste 1,5 m is; c. neemt niet meer dan 15 m2 aan oppervlakte in beslag; d. wordt niet langer dan 60 dagen of, als het gaat om een object in het winkelgebied in en rondom De Kempenaerstraat, de Lange Voort, het Boerhaaveplein of het centrumgebied NieuwRhijngeest, niet langer dan 30 dagen geplaatst; en e. wordt niet geplaatst op: 1°. een locatie die wordt gebruikt als een evenemententerrein als bedoeld in artikel 2:24, derde lid, van de Algemene plaatselijke verordening Oegstgeest 2O2O; 2°. een standplaats als bedoeld in paragraaf 3.4.6; of 3°. het terrein van een jaarmarkt of gewone markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder g, van de Gemeentewet. 4. Een open container wordt niet geplaatst in de periode van 23 december tot en met 2 januari. 5. Een mobiele toiletcabine wordt niet geplaatst in het winkelgebied in en rondom De Kempenaerstraat, de Lange Voort, het Boerhaaveplein en het centrumgebied NieuwRhijngeest. 6.

Een reclamebord over werk in uitvoering wordt, onverminderd het tweede lid, in de onmiddellijke nabijheid van het werk geplaatst en direct na afronding van het werk verwijderd. Artikel 3.47 (gegevens en bescheiden: plaatsen objecten voor bouwactiviteiten) Ten minste vijf werkdagen voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.46, worden aan het college gegevens verstrekt over de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan. Artikel 3.48 (algemene regels: plaatsen spandoeken) 1. Dit artikel is van toepassing op het plaatsen op, bij of boven de weg van spandoeken, waarvoor geen vergunning is vereist als bedoeld in artikel 3.43, derde lid, onder c. 2. Met het oog op het behouden en bevorderen van de verkeersveiligheid, de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte en het beschermen van het aanzien van de openbare ruimte vindt het plaatsen van een spandoek alleen plaats op de volgende locaties: a. rotonde bij de Hofdijck op de Laan van Oud Poelgeest;

b. Rijnzichtweg ter hoogte van het Apolloplein; c. kruising van de Haaswijklaan met de Haarlemmerstraatweg; d. Nieuw-Rhijngeest ter hoogte van het Rustenburgerpad; en e. Poelgeest ter hoogte van de kruising Lange Voort en Hugo de Vrieslaan tegen het hek van de jachthaven. 3. Op een locatie zijn ten hoogste twee spandoeken geplaatst. 4. Een spandoek met een aankondiging van een evenement wordt niet eerder dan twee weken voor het evenement geplaatst en wordt uiterlijk de dag na het evenement verwijderd. 5. Een spandoek is in het belang van de inwoners van Oegstgeest en bevat geen reclame voor producten of bedrijven. Artikel 3.49 (algemene regels: plaatsen objecten met reclame bij een rotonde) 1. Dit artikel is van toepassing op het plaatsen op de weg van objecten met reclame bij een rotonde, waarvoor geen vergunning is vereist als bedoeld in artikel 3.43, derde lid, onder d. 2. Met het oog op het behouden en bevorderen van de verkeersveiligheid, de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte en het beschermen van het aanzien van de openbare ruimte wordt een object met reclame alleen geplaatst op de rotonde bij de Laan van Oud Poelgeest/Oegstgeesterweg/Hofdijck, de Lange Voort/Abtspoelweg en de Geversstraat/Rhijnzichtweg/Rhijngeesterstraatweg. Artikel 3.50 (algemene regels: plaatsen trotters en tekstkarren) 1.

Dit artikel is van toepassing op het plaatsen op de weg van trotters en tekstkarren, waarvoor geen vergunning is vereist als bedoeld in artikel 3.43, derde lid, onder e. 2. Met het oog op het behouden en bevorderen van de verkeersveiligheid en de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte wordt een trotter of tekstkar op een niet tot de rijbaan behorend weggedeelte geplaatst. Artikel 3.51 (algemene regels: plaatsen kerstbomen) 1. Dit artikel is van toepassing op het plaatsen op de weg van kerstbomen, waarvoor geen vergunning is vereist als bedoeld in artikel 3.43, derde lid, onder f. 2. Met het oog op het behouden en bevorderen van de verkeersveiligheid en de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte wordt een kerstboom geplaatst: a. in de periode van 1 december tot 7 januari; b. door of namens ondernemers; en c. op een afstand van meer dan 1 m vanaf de gevel van een bouwwerk. 3. Na plaatsing van een kerstboom is: a. de resterende vrije ruimte of stoepruimte ten minste 1,5 m; en b. in een voetgangersgebied de resterende vrije ruimte ten minste 3,5 m voor het ongehinderd passeren van het alarmverkeer. § 3.4.3 Veranderen van de weg Artikel 3.52 (aanwijzing activiteiten) Als activiteiten als bedoeld in artikel 3.1 worden aangewezen het aanleggen, beschadigen en veranderen van de weg of het veranderen van de omgeving van de weg.

Artikel 3.53 (specifieke zorgplicht) De zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3, houdt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.52, in ieder geval in dat voor het wegverkeer: a. geen hinder of gevaar ontstaat; b. het vrije uitzicht niet wordt belemmerd; en c. de vrije doorgang niet wordt belemmerd. Artikel 3.54 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) Het is verboden zonder vergunning: a. een weg aan te leggen;

b. de verharding van een weg op te breken; c. in een weg te graven of te spitten; d. de aard of breedte van een wegverharding te veranderen; of e. anderszins verandering te brengen in een weg. Artikel 3.55 (beoordelingsregel vergunning) Onverminderd artikel 3.10 kan de vergunning worden geweigerd als dat nodig is om overlast voor gebruikers van een nabij gelegen onroerende zaak te voorkomen of te beperken. § 3.4.4 Uitrit aanleggen of veranderen Artikel 3.56 (aanwijzing activiteiten) Als activiteiten als bedoeld in artikel 3.1 worden aangewezen het aanleggen en veranderen van een uitrit naar de weg. Artikel 3.57 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) Het is verboden zonder vergunning een uitrit naar de weg aan te leggen of te veranderen. Artikel 3.58 (beoordelingsregels vergunning) Onverminderd artikel 3.10 wordt de vergunning alleen geweigerd als: a. de aanleg of verandering van de uitrit ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; of b. het perceel al door een andere uitrit wordt ontsloten, en de aanleg of verandering van de tweede uitrit ten koste gaat van het openbaar groen. § 3.4.5 Parkeerexcessen Artikel 3.59 (aanwijzing activiteiten) Als activiteit als bedoeld in artikel 3.1 wordt aangewezen het parkeren van voertuigen op de weg. Artikel 3.60 (bedrijfsmatig parkeren) 1. Dit artikel is van toepassing op degene die bedrijfsmatig: a. rijlessen verzorgt; b.

personen tegen betaling vervoert; of c. voertuigen stalt, verhuurt, verhandelt, sloopt, onderhoudt of herstelt. 2. Het is verboden de weg te gebruiken: a. als werkplaats voor voertuigen; of b. voor het parkeren van meer dan twee voertuigen binnen een cirkel met een straal van 25 m met als middelpunt een van deze voertuigen. 3. Het tweede lid is niet van toepassing op een voertuig: a. dat persoonlijk door degene als bedoeld in het eerste lid, wordt gebruikt; of b. waaraan onderhouds- of herstelwerkzaamheden worden verricht die niet meer dan een uur vergen. Artikel 3.61 (te koop aanbieden en voertuigen met reclame) 1. Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. 2. Het is verboden op de weg een voertuig dat is voorzien van reclame te plaatsen. Artikel 3.62 (voertuigen met gebreken of verlopen APK en wrakken) 1. Een voertuig waarmee niet kan of mag worden gereden door andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken, wordt niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg geparkeerd. 2. Een voertuig wordt niet op de weg geparkeerd als: a. de Algemene Periodieke Keuring daarvoor ten minste een maand is verlopen; of b. het rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in verwaarloosde toestand verkeert. Artikel 3.63 (parkeren recreatieve en grote voertuigen en overig)

1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt, langer dan drie achtereenvolgende dagen te parkeren op een door het college aangewezen weg. 2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, langer is dan 6 m of hoger is dan 2,40 m te parkeren op een door het college aangewezen weg. 3. Het tweede lid geldt niet: a. voor een voertuig dat is bedoeld voor recreatie; of b. op werkdagen van 08:00 tot 18:00 uur. Artikel 3.64 (hinderlijk parkeren) 1. Een voertuig dat, met inbegrip van de lading, langer is dan 6 m of hoger is dan 2,40 m, wordt niet op een zodanige wijze geparkeerd dat het uitzicht van bewoners of gebruikers van een gebouw onevenredig wordt belemmerd of voor hen op een andere manier hinder of overlast wordt veroorzaakt. 2. Het eerste lid is niet van toepassing als het parkeren plaatsvindt voor werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig nodig is. Artikel 3.65 (voertuigen parkeren buiten rijbaan) Een voertuig wordt niet geparkeerd op een door het college aangewezen weggedeelte dat niet tot de rijbaan behoort. Artikel 3.66 (verkeer in groenvoorzieningen) 1. Het is verboden een voertuig aanwezig te hebben in een park, plantsoen of groenstrook van de gemeente. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. een weg; en b.

een locatie waar een standplaats wordt ingenomen als bedoeld in pararagraaf 3.4.6. Artikel 3.67 (hinderlijke plaatsing van fietsen) Met het oog op het behouden en bevorderen van de verkeersveiligheid en toegankelijkheid van de openbare buitenruimte, het beschermen van het aanzien van de openbare ruimte en het voorkomen van hinder worden fietsen, bromfietsen of scooters: a. niet onbeheerd achtergelaten op de weg; b. alleen geplaatst op een daarvoor bedoelde plaats of in een daarvoor bedoelde ruimte of rek; of c. die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in verwaarloosde toestand verkeren niet op de weg geplaatst. § 3.4.6 Standplaatsen Artikel 3.68 (aanwijzing activiteiten) 1. Als activiteit als bedoeld in artikel 3.1 wordt aangewezen het innemen van een standplaats in de openlucht voor het te koop aanbieden of leveren van goederen of diensten. 2. Onder de aanwijzing vallen niet: a. het innemen van een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet; en b. het innemen van een vaste plaats tijdens een evenement op een evenemententerrein als bedoeld in artikel 2.24, derde lid, van de Algemene plaatselijke verordening Oegstgeest 2020.

Artikel 3.69 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) Het is verboden zonder vergunning een standplaats in de openlucht in te nemen voor het te koop aanbieden of leveren van goederen of diensten. Artikel 3.70 (bijzondere aanvraagvereisten vergunning) Bij een aanvraag om een vergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een aanduiding van de locatie waarop de standplaats wordt ingenomen;

b. een aanduiding van de oppervlakte van de standplaats in vierkante meters; c. een aanduiding, foto of tekening van de fysieke middelen waarvan gebruik wordt gemaakt op de standplaats; d. de afmetingen van de fysieke middelen, bedoeld onder c, in centimeters van de lengte, breedte en hoogte; e. een aanduiding van de goederen of diensten die te koop worden aangeboden of geleverd; f. de dagen en tijdstippen waarop de standplaats wordt ingenomen; g. een afschrift van een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht; en g. een uittreksel van de Kamer van Koophandel. Artikel 3.71 (beoordelingsregels vergunning) 1. Onverminderd artikel 3.10 wordt de vergunning geweigerd: a. als de activiteit in strijd is met het van toepassing zijnde bestemmingsplan van de gemeente Oegstgeest; b. als de aanvrager een geldige vergunning voor het innemen van een standplaats heeft of een zodanige vergunning heeft aangevraagd en het college daarop nog geen besluit heeft genomen, tenzij artikel 3.72, vierde lid, van toepassing is; c. als de aanvrager niet is vermeld in de basisregistratie personen, bedoeld in artikel 1.2 van de Wet basisregistratie personen; of d. als de aanvrager niet een handelingsbekwaam natuurlijk persoon is. 2. De vergunning kan in ieder geval worden geweigerd als: a.

de fysieke middelen op de standplaats niet voldoen aan redelijke eisen van welstand, tenzij de standplaats wordt ingenomen met een bouwwerk; of b. een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang; 3. Het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing als voor de activiteit een omgevingsvergunning voor een project als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend. 4. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het derde lid is ingediend, houdt het college de aanvraag om de vergunning voor het innemen van de standplaats aan totdat op de aanvraag om de omgevingsvergunning een besluit is genomen. 5. Als niet binnen acht weken nadat de aanvrager door het college in kennis is gesteld van de mogelijkheid van het derde lid, een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend, wordt de vergunning voor het innemen van de standplaats geweigerd. Artikel 3.72 (wachtlijst voor vaste standplaatsen) 1. De aanvrager om een vergunning voor het innemen van een standplaats op een locatie voor vaste standplaatsen als bedoeld in artikel 2.10 wordt op een wachtlijst geplaatst. 2. De plaatsing op de wachtlijst vervalt: a. op verzoek van de aanvrager; b.

als het college een besluit op de aanvraag heeft genomen; c. als de aanvrager overlijdt of onder curatele is gesteld; of d. als de aanvrager niet voor 1 januari een verzoek om verlenging van plaatsing op de wachtlijst heeft ingediend. 3. Aanvragen om vergunningen worden behandeld in volgorde van ontvangst van de aanvraag. Artikel 3.5, tweede lid, is niet van toepassing. 4. Ten hoogste een jaar voor het verstrijken van de periode waarvoor de vergunning is verleend, kan voor de daarop volgende periode een vergunning worden aangevraagd. Op de aanvraag zijn het eerste tot en met het derde lid van overeenkomstige toepassing. Artikel 3.73 (voorschriften en beperkingen) 1. Een vergunning voor het innemen van een standplaats op een locatie voor vaste standplaatsen als bedoeld in artikel 2.10, wordt verleend: a. voor een periode van vijf jaar;

b. voor een vaste dag per week; en c. aan een natuurlijk persoon. 2. Een vergunning voor het innemen van een standplaats op een locatie voor tijdelijke standplaatsen als bedoeld in artikel 2.11, wordt verleend aan een natuurlijk persoon voor ten hoogste dertig aaneengesloten dagen. 3. Aan een vergunning kunnen in ieder geval voorschriften worden verbonden over: a. de afmeting van de standplaats en de openingstijden; b. de afstanden tot gebouwen, plaatsen en objecten die in acht moeten worden genomen; c. het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van verontreiniging van de openbare ruimte, geurhinder, geluidhinder, trillinghinder en brandgevaar; d. het laden en lossen en het opbouwen van kramen; e. het waarborgen van de veiligheid van omwonenden, bezoekers en andere standplaatshouders; f. het voorkomen, ongedaan maken of vergoeden van schade aan derden, het openbaar groen, fiets- en voetpaden en de weg; g. het doelmatig beheer van afvalstoffen en het lozen van afvalwater; en h. het gebruik van toestellen en apparaten. 4. Het college kan afwijken van het eerste lid, aanhef en onder b, en het tweede lid, als er sprake is van een bijzondere omstandigheid. 5. Bij het verlenen van een vergunning kan het college rekening houden met het belang van een gevarieerd aanbod van goederen en diensten. Artikel 3.74 (wijziging vergunninghouder) 1.

Op aanvraag kan de vergunning, in afwijking van artikel 3.7, op naam worden gesteld van een ander dan degene aan wie zij is verleend. 2. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid kan worden ingediend door: a. de vergunninghouder; b. de erfgenaam van de vergunninghouder als de vergunninghouder is overleden; of c. de curator van de vergunninghouder als de vergunninghouder onder curatele is gesteld. 3. De vergunning kan alleen op naam worden gesteld van: a. de echtgenoot of geregistreerde partner van de vergunninghouder; b. een kind van de vergunninghouder; c. een werknemer van de vergunninghouder die ten minste drie jaren in loondienst is geweest bij de vergunninghouder; of d. degene die ten minste drie jaren mede-eigenaar is van het bedrijf van de vergunninghouder. Artikel 3.75 (persoonsgebonden en tijdelijke vervanging) 1. Een standplaats wordt door de vergunninghouder persoonlijk ingenomen. 2. Op verzoek van de vergunninghouder kan het college toestemming verlenen dat een ander dan de vergunninghouder de standplaats tijdelijk inneemt. 3. Er wordt alleen toestemming verleent als de vergunninghouder door ziekte of vakantie niet in staat is de standplaats in te nemen. 4. Bij ziekte van de vergunninghouder wordt voor ten hoogste zes maanden toestemming verleend. 5. Bij vakantie van de vergunninghouder wordt voor ten hoogste zes weken toestemming verleend.

Artikel 3.76 (intrekking of wijziging van vergunning) Onverminderd artikel 3.8 kan de vergunning worden ingetrokken of gewijzigd als: a. door infrastructurele-, herinrichtings- of reconstructiewerkzaamheden aan de weg of in de openbare ruimte geen gebruik meer kan worden gemaakt van de vergunning; b. de vergunninghouder gedurende drie aaneengesloten maanden geen gebruik maakt van de vergunning, zonder toestemming van de gemeente; c. de vergunninghouder de leges, precario of vergoeding voor stroomgebruik niet binnen de gestelde termijn heeft voldaan; of d. zich een geval als bedoeld in artikel 3.71, eerste of tweede lid voordoet.

§ 3.4.7 Exploiteren van een terras Artikel 3.77 (aanwijzing activiteiten) Als activiteit als bedoeld in artikel 3.1 wordt aangewezen het exploiteren van een terras waar tegen vergoeding eten of drinken kan worden genuttigd. Artikel 3.78 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) Het is verboden zonder vergunning een terras te exploiteren waar tegen vergoeding eten of drinken kan worden genuttigd . Artikel 3.78a (bijzondere aanvraagvereisten vergunning) Bij een aanvraag om een vergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een aanduiding van de locatie waarop het terras wordt geëxploiteerd; b. een aanduiding van de oppervlakte van het terras in vierkante meters; c. een foto of tekening met een aanduiding van de afmetingen en situering van het terras ten opzichte van: 1°. de omgeving; en 2°. als het gaat om een terras bij een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:27 van de Algemene plaatselijke verordening Oegstgeest 2020: die openbare inrichting; d. een uittreksel van de Kamer van Koophandel; en e. een aanduiding en beschrijving van de overkappingen, afscheidingen, parasols, zonneschermen, windschermen, meubelen en andere voorzieningen en objecten die aanwezig zijn op of bij het terras. Artikel 3.79 (beoordelingsregel vergunning) 1. Onverminderd artikel 3.10 wordt de vergunning geweigerd als de activiteit: a.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10900809/1