Tkn Woo GPS-gronden Juridisch advies externe saldering (geanonimiseerd)
Tekst van het document
Hekkelman Advocaten N. V. Prins Bernhardstraat 1 6521 AA Nijmegen www. hekkelman. nl
Postbus 1094 6501 BB Nijmegen T 024 - 582 835 84
advocatuur @hekkelman.nl
m Geme t. a. v. Markt 1 8071 GJ
d
nn
(geanonimiseerd) NUNSPEET
(geanonimiseerJd ) Merens
Per e-mail
cer.
Nijmegen , 31 januari 2021 Ons kenmerk
Telefoonnummer
Nunspeet / Ontwikkeling stationsomgeving 20201612 2032651/1 -
(geanonimiseerdJ ) -
HW/mm
E-mail (geanonimiseerd)
(geanonimiseerd) Lel
ar (geanonimiserd) gti (geanonimiseerd5 )
Betreft
Bevindingen
advies
U hebt mij verzocht om advies gelet op de stikstofproblematiek die speelt bij de voorgenomen ontwikkeling van de stationsomgeving in Nunspeet. Hiervoor wordt een bestemmingsplan voorbereid. U wenst met name een antwoord op de vraag hoe de procedure gelet op de huidige rekenresultaten (forse depositie) thans het beste kan worden ingestoken.
Hierbij ontvangt u mijn bevindingen , waarin ik een voorstel doe voor de in te steken procedure. Bij deze brief hoort een uitgebreider advies dat de nadere verantwoording (incl. verwijzingen naar rechtspraak) bevat. Dat advies van 30 januari 2021 is separaat als bijlage bij deze brief aan u toegezonden. 1. Stikstof problematiek In het Stikstofonderzoek van DGMR is de stikstofproblematiek inzichtelijk gemaakt. Er wordt een (forse) depositie berekend voor de gebruiksfase op stikstofgevoelig habitat mol N/ha/jaar). In de aanlegfase is deze nog veel groter (max 1701 mol (max. 407 , , N/ha/jaar). Het effectgebied waar de depositie neerslaat is ook omvangrijk. Dat effectgebied zal voor de gebruiksfase nog veel groter zijn , indien gelet op de uitspraak ABRS 20 januari 2021 , ECLI:NL:RVS:2021:102 de depositie van motorvoertuigbewegingen niet meer wordt afgekapt na 5 kilometer , maar de stikstof met OPS ook na 5 kilometer zou worden doorgerekend in de stikstofdepositieberekening. Om de stikstofproblematiek ieder geval een berekening Hekkelman Hekkelman
advocaten Notarissen
en
NV.
en
met
mogelijke oplossingen nader inzichtelijk te maken mogelijke reductie nodig. Daarbij verdient het
is de handelsnaam waaronder Hekkelman Advocaten NV. (KvK nr. 09170462) en 09170507) , beide statutair gevestigd te Nijmegen , ieder voor eigen rekening werken toepassing de algemene voorwaarden (zie www. hekkelman. nl) waarin onder andere een
notarissen
(KvK
is in
nr.
Op onze dienstverlening zijn van beperking van de aansprakelijkheid
is opgenomen
| notarissen
Pagina
2/8
aanbeveling om allereerst te kijken naar eventueel mogelijke bronmaatregelen (inrichtingsvarianten) , waarbij de verkeersstromen op wegen langs de Veluwe (iets) opschuiven naar het noorden. U hebt mij evenwel bericht dat dit indruist tegen het probleemoplossend vermogen waarvoor de herinrichting wordt uitgevoerd (weren van het verkeer in het centrum). Indien dit geen optie zal op andere wijze de depositie naar beneden moeten worden gebracht. De huidige depositieresultaten kunnen ook gereduceerd worden door rekening te houden met het beëindigen van het feitelijk gebruik in het project/plangebied. De beëindiging van dat gebruik kan als rechtstreeks gevolg van de ontwikkeling van de stationsomgeving worden beschouwd. Onder voorwaarden (zie hierna in paragraaf 2) kan met de beëindiging van dat gebruik als interne salderingsmaatregel rekening worden gehouden in de voortoets. De berekende stikstoftoename zal echter niet door uitsluitend te treffen bronmaatregelen (of maatregelen die uitsluitend betrokken mogen worden in een voortoets) kunnen worden weggenomen. Daarvoor zijn de resultaten te hoog , is het verspreidingsgebied te groot en is het feitelijk bestaande gebruik te beperkt. Dit betekent dat een passende beoordeling moet worden opgesteld. In paragraaf 2 wordt nader ingegaan op de mitigerende maatregelen die betrokken kunnen worden in een passende beoordeling.
Nu een passende beoordeling nodig is , staat ook vast dat naast het bestemmingsplan in ieder geval een natuurvergunning nodig zal zijn. Beide besluiten zijn nodig voordat gestart kan worden met de feitelijke aanleg van de gebiedsontwikkeling. Dit is relevant voor de in te steken vervolgprocedure. Daarbij adviseer ik om één ecologische toets voor wat betreft stikstof op te stellen (voortoets en passende beoordeling) die gebruikt kan worden voor zowel het bestemmingsplan als de natuurvergunning. Hierbij merk ik op dat er ook een aanzienlijke stikstofreductie moet plaatsvinden om het bestemmingsplan en de natuurvergunning vast te kunnen stellen. Reden om binnen de kaders die de rechtspraak en het wettelijk kader biedt de (juridische) mogelijkheden voor de inzet van salderingsmaatregelen in dit advies op hoofdlijnen alvast nader te verkennen. Scenario’s in de ecologische toets om het bestemmingsplan als natuurvergunning te verkrijgen In beide benodigde besluiten – de natuurvergunning als het bestemmingsplan – speelt het Natura 2000-beschermingsregime een belangrijke rol. Voor het bestemmingsplan dient de plantoets te worden doorlopen (artikel 2. 7 lid 1 ev Wnb). Voor de natuurvergunning moet de projecttoets worden doorlopen (artikel 2. 7 lid 2 ev Wnb).
Beide toetsingen bestaan in beginsel uit het doorlopen van een voortoets , een passende beoordeling en tot slot (als uitzondering) de zogenaamde ADC-toets. 2.
In de voortoets wordt beoordeeld of gelet op (de negatieve effecten van stikstof) ‘significante gevolgen’ kunnen optreden. In een voortoets mag rekening worden gehouden met de beëindiging van bestaand gebruik als interne salderingsmaatregelen 2032651/1
,
k j il
e w u o r tr e v
Pagina
3/8
dit gebruik onderdeel uitmaakt van de referentiesituatie. Indien in de uitgesloten dat significante gevolgen kunnen optreden , moet een passende beoordeling worden gemaakt. In een passende beoordeling wordt beoordeeld of met zekerheid kan worden uitgesloten dat de stikstofdepositie niet de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden aantast. In een passende beoordeling mag naast interne salderingsmaatregelen , ook rekening worden gehouden met mitigerende maatregelen (waaronder externe salderingsmaatregelen). Indien in de passende beoordeling niet kan worden uitgesloten dat de natuurlijke kenmerken worden aangetast kan in de projecttoets als de plantoets nog de ADC-toets worden doorlopen. Het is relevant om de plantoets goed te onderscheiden van de projecttoets. Dit komt allereerst nu in beide toetsingen een verschillende referentiesituatie geldt. Dit betreft de situatie ten opzichte waarvan de effecten moeten worden beoordeeld. Dit onderscheid is met name relevant voor de voortoets. Daarnaast is het onderscheid tussen de projecttoets en de plantoets van belang , nu getoetst moet worden aan verschillende wettelijke kaders. Ook voor het beoordelen of rekening kan worden met de inzet van salderingsmaatregelen. Voor het bestemmingsplan volgen de voorwaarden uit (uitsluitend) de rechtspraak.
Voor de natuurvergunning is relevant dat aanvullende regels zijn opgenomen in de provinciale Beleidsregels. Nu beide besluiten (bestemmingsplan als natuurvergunning) benodigd zijn , zal de onderbouwing moeten voldoen aan zowel de regels die gelden voor de projecttoets als de plantoets. voorzover
voortoets niet kan worden
2. 1. Scenario 1: Voortoets Voor zowel het bestemmingsplan als de benodigde natuurvergunning kan in dit geval gelet op de stikstofdepositieresultaten niet worden volstaan met het doorlopen van uitsluitend een voortoets. De berekende depositie is daarvoor te fors en het effectgebied is te groot waardoor de inzet van bronmaatregelen en interne salderingsmaatregelen naar mijn inschatting onvoldoende soelaas zullen bieden. Op voorhand zal niet kunnen worden uitgesloten dat significante gevolgen niet kunnen optreden. Een passende beoordeling is dan voor beide besluiten vereist. Dit komt ook nu voor bestemmingsplannen een afwijkende referentiesituatie geldt. Voor de natuurvergunning geldt in beginsel de vergunde situatie als referentie. Voor het bestemmingsplan bestaat de referentiesituatie uit de ‘feitelijke , planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan’. Dit betekent dat in de voortoets voor het bestemmingsplan geen rekening mag worden gehouden met onbenutte planologische mogelijkheden. De feitelijke situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan is relevant. 2. 2. Scenario 2: Passende beoordeling Ik adviseer om in dit geval één passende beoordeling op te stellen. Die passende beoordeling dient dan als onderbouwing voor zowel de plantoets (bestemmingsplan) als de projecttoets (natuurvergunning).
In de passende beoordeling kan rekening worden gehouden met maatregelen die in een voortoets mogen worden betrokken én met mitigerende maatregelen. Dit biedt meer mogelijkheden om rekening te houden met de 2032651/1
k j il
e w u o r tr e v
Pagina
4/8
positieve gevolgen van de beëindiging van bedrijfsactiviteiten. Zowel in het plan- en projectgebied als daarbuiten (externe salderingsmaatregel). In paragraaf 2. 1 en 2. 2. 2 van het advies (bijlage) zijn de voorwaarden voor de inzet van deze maatregelen in een passende beoordeling voor de natuurvergunning respectievelijk het bestemmingsplan nader verwoord. In paragraaf 2. 4 van het advies (bijlage) is dit vertaald naar de (mogelijke) concrete maatregelen waar in het ecologisch onderzoek voor de ontwikkeling stationsomgeving rekening mee kan worden gehouden. Meer concreet is in paragraaf 2. 4 ingegaan op de volgende maatregelen: 1. Restaurant Joris , dit pand en de gronden zijn reeds in eigendom van de gemeente. De opstallen zijn nog aanwezig en in gebruik. 2. Het pand aan het Stationsplein dat gebruikt wordt door de VVV. Nog niet in eigendom , wel in gebruik. 3. Het oude pand waar voorheen de MT was gevestigd. Dit pand is in eigendom van Jumbo. Jumbo gebruikt dit pand thans voor opslag. Voormalig pannenkoekenrestaurant Stroopstok. De opstallen en gronden zijn 4. met het oog op de ontwikkeling van de stationsomgeving in 2017 verworven door de gemeente. Het gebruik is reeds enige tijd gestaakt. Het pand is in december 2020 gesloopt. 5. Ook is met u besproken de eventuele mogelijkheid om extern te salderen.
U hebt aangegeven dat in de omgeving bedrijvigheid aanwezig is die mogelijk als externe salderingsmaatregel kan worden ingezet. Daar wordt thans nader onderzoek naar verricht. Kort samengevat zijn er met name enkele kanttekening en risico’s te plaatsen wanneer in het ecologisch onderzoek rekening zou worden gehouden met de positieve gevolgen van de bedrijfsbeëindiging onder 3 als supermarkt (beëindiging als opslag lijkt mij niet direct bezwaarlijk). Ook zijn er enkele juridische risico’s indien rekening wordt gehouden met de beëindiging van het pannenkoekenrestaurant genoemd onder punt 4. Evenwel is in het advies voor beide een juridisch verdedigbare redeneerlijn bedacht (waarbij de kans van slagen ook afhankelijk is van de beschikbare milieutoestemmingen. Een nadere toetsing kan plaatsvinden wanneer de relevante milieutoestemmingen (milieuvergunningen of meldingen) op en sinds 24 maart 2000 zijn achterhaald. Wanneer uitsluitend rekening wordt gehouden met de positieve gevolgen van de beëindiging van het gebruik onder 1 t/m 4 zal waarschijnlijk niet de stikstofdepositie toereikend kunnen worden gereduceerd. Zoals reeds verwoord kan in een passende beoordeling rekening worden gehouden met externe saldering. Daarmee doel ik op de intrekking van een milieutoestemming die ziet op de beëindiging van (agrarische) bedrijven gelegen buiten het project/plangebied.
Daarmee kan onder voorwaarden rekening worden gehouden. Een belangrijke voorwaarde is dat directe samenhang moet bestaan tussen de (gedeeltelijke) intrekking van de milieutoestemming of melding bedrijfsbeëindiging en de voorgenomen ontwikkeling. Die samenhang kan blijken uit een overeenkomst waarin stikstofrechten worden overgenomen en/of uit het intrekkingsbesluit van de milieuvergunning. Ook moet rekening worden gehouden met artikel 6 lid 13 Beleidsregels. Daaruit volgt dat in Gelderland niet een natuurvergunning wordt verleend , indien in de passende beoordeling extern gesaldeerd is met agrarische 2032651/1
k j il
e w u o r tr e v
Pagina
5/8
bedrijven die beschikken over dier- of fosfaatrechten. Dit betekent dat niet met een pluimveehouderij kan worden gesaldeerd , maar bijvoorbeeld wel met een manege of bijvoorbeeld een slachterij. Voorts volgt uit de beleidsregels dat rekening kan worden gehouden met een afroming van 30 procent. In de passende beoordeling wordt beoordeeld of , rekening houdend met de hiervoor genoemde (interne en mitigerende) maatregelen , met zekerheid kan worden uitgesloten dat de stikstofdepositie niet de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden aantast. Bij een bevestigend antwoord kan de natuurvergunning en het bestemmingsplan in overeenstemming met de Wnb worden vastgesteld. 2. 2. 1. Geen plan-mer nodig; Wro-coördinatieregeling en plan-mer-beoordeling Uit artikel 7. 2a lid 1 Wm volgt dat wanneer een passende beoordeling voor een bestemmingsplan nodig is , er in beginsel een verplichting geldt om voor het bestemmingsplan een plan-MER op te stellen en de daarbij behorende uitgebreide merprocedure te doorlopen. Nu de plan-mer-procedure nog niet is opgestart , zou dit een aanzienlijke vertraging betekenen. Naast het opstellen van het MER , dient immers ook beschikt te worden over een toetsingsadvies van de Commissie voor de milieueffectrapportage. Gerekend moet worden op ten minste een (extra) doorlooptijd van een jaar. In paragraaf 2.
2 van de bijlage zijn de mogelijkheden en voorwaarden opgesomd waarmee - ondanks de passende beoordeling – er voor zorg wordt gedragen dat voor het bestemmingsplan geen plan-m. e. r. hoeft te worden doorlopen. Daarvoor is het nodig dat de natuurvergunning op basis van de passende beoordeling wordt verleend , voordat het plan wordt vastgesteld. Deze natuurvergunning kan vervolgens één-op-één worden ingepast in het bestemmingsplan. In het kader van het bestemmingsplan kan dan een beroep worden gedaan op de uitzondering om een nogmaals voor het plan een passende beoordeling te doorlopen. Die volgt uit artikel 2. 8 lid 2 Wnb. Wanneer een passende beoordeling niet nodig is voor het bestemmingsplan , geldt in zoverre ook geen verplichting om een plan-mer te doorlopen vanwege artikel 7. 2a Wm. De natuurvergunning moet in beginsel wel onherroepelijk zijn vóór de vaststelling van het bestemmingsplan. Dit betreft een voorwaarde uit de rechtspraak om een beroep te doen op de uitzondering uit artikel 2. 8 lid 2 Wnb. Uit die rechtspraak volgt ook dat wanneer de vergunning echter onherroepelijk is voordat de bestuursrechter op een beroep tegen bestemmingsplan heeft beslist , het bestemmingsplan niet wordt vernietigd. Om dit procedureel te regelen kan de Wro-coördinatieregeling worden toegepast op (in ieder geval) het bestemmingsplan en de natuurvergunning.
Daarbij is dan relevant dat de natuurvergunning als het bestemmingsplan gelijktijdig bekend worden gemaakt. In beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak worden deze besluiten dan gelijktijdig behandeld , zodat de Afdeling kan beslissen op zowel de natuurvergunning als vervolgens 2032651/1
k j il
e w u o r tr e v
Pagina
6/8
het bestemmingsplan (die de natuurvergunning 1-op-1 inpast). Daarmee wordt een planMER vanwege artikel 7. 2a Wm voorkomen. Aanvullend beveel ik aan om in het kader van het bestemmingsplan een plan-merbeoordeling op te stellen. In uw geval biedt dit de mogelijkheid om aanvullend een goede juridische redeneerlijn te hebben waarom een plan-MER vanwege artikel 7. 2a lid 1 Wm niet nodig is. Voor de ontwikkeling van de stationsomgeving kan namelijk een beroep worden gedaan op de sinds 15 december 2020 geldende wettelijke uitzondering neergelegd in artikel 3 lid 1 Besluit mer. Een plan-m. e. r. vanwege artikel 7. 2a Wm is gelet op dit artikel niet nodig , indien sprake is van een plan dat het gebruik bepaalt van ‘kleine gebieden’. Om te bepalen of sprake is van een klein gebied , dient de omvang van het (bestemmingsplan)gebied tot het totale grondgebied van de gemeente Nunspeet in ogenschouw te worden genomen (artikel 3 lid 1 sub 2 Besluit mer). Dit zal percentueel zeer gering zijn. Gelet op de rechtspraak van het Hof van Justitie kan daarmee gemotiveerd worden gesteld dat in dit geval sprake is van een ‘klein gebied’. Te meer nu uit die rechtspraak volgt dat (eventuele) milieueffecten geen rol spelen bij het beoordelen of sprake is van een klein gebied.
Door de Wro-coördinatieregeling toe te passen en een plan-mer-beoordeling op te stellen worden procedureel voldoende mogelijkheden gecreëerd om ondanks artikel 7. 2a lid 1 in dit geval voor het bestemmingsplan geen plan-mer te doorlopen vanwege de stikstofproblematiek. 2. 3. Scenario 3: ADC-toets Wanneer ondanks de inzet van interne- en mitigerende maatregelen uit de passende beoordeling niet volgt dat verzekerd is dat de natuurlijke kenmerken niet worden aangetast , kan het bestemmingsplan en de benodigde natuurvergunning niet worden vastgesteld. Hierop geldt een uitzondering indien voldaan is aan de ADC-criteria. Die houden kort gezegd in: ontstentenis van alternatieve oplossingen (A) , dwingende redenen van groot openbaar belang (D) en compensatie van de ecologische schade (C). Zie artikel 2. 8 lid 4 ev. Wnb. Ik acht het niet ondenkbaar dat de ontwikkeling stationsomgeving Nunspeet aan deze voorwaarden kan voldoen. Desondanks is in dit advies nog niet concreet aan de ADCcriteria getoetst. Redenen zijn de volgende. 1. Het betreft allereerst een uitzondering. Sowieso dient eerst een passende beoordeling te worden opgesteld alvorens (in overleg met het bevoegd gezag) de ADC-toets kan worden doorlopen. In die zin betreft een terugvalscenario , wanneer scenario 2 geen soelaas biedt. 2. Het betreft daarnaast niet een voorkeursscenario.
Het doorlopen van de ADCtoets vergt veel tijd en extra benodigd onderzoek. Dit komt met name nu in dit scenario voor diverse habitats er natuurcompensatie moet plaatsvinden. Denk daarbij aan de aanleg van natuur of het treffen van extra kwaliteitsmaatregelen ten opzichte van de maatregelen die reeds plaatsvinden in het kader van het Beheerplan en/of de Gebiedsanalyse. Niet alleen vergt dit 2032651/1
k j il
e w u o r tr e v
Pagina
7/8
onderzoek naar de hoeveelheid te compenseren areaal of inzet van mogelijke maatregelen. Maar ook zullen er afspraken moeten worden gemaakt met de natuurbeheerders over de uitvoering en borging van de maatregelen waarmee rekening wordt gehouden. Denk bijvoorbeeld aan de specifieke locatie waar de compenserende maatregelen worden uitgevoerd. 3. Wanneer de ADC-toets wordt doorlopen , zal mijns inziens ook een plan-m. e. r. moeten worden doorlopen voor het bestemmingsplan. Niet volstaan zal dan kunnen worden met een plan-m. e. r. -beoordeling. 3. Bouw- en aanlegfase Uit het Stikstofonderzoek volgt dat de bouw- en aanlegfase zorgdraagt voor een nog forsere (max 171, mol N/ha/jaar) stikstofdepositie dan de gebruiksfase. Die depositie slaat neer in een zeer ruim effectgebied. Desondanks betreffen dit tijdelijke effecten waarvoor in de bijlage diverse mogelijkheden zijn uitgewerkt , waardoor dit niet in de weg hoeft te staan aan verlening van de natuurvergunning of vaststelling van het bestemmingsplan. Mits een passende beoordeling wordt doorlopen. De volgende aanbevelingen worden gelet op de depositieberekeningen voor de bouw- en aanlegfase gedaan om rekening mee te houden in de passende beoordeling: onderzoek emmissiebeperkende maatregelen uit het Stikstofonderzoek p. 16; rekening houden met de salderingsmaatregelen als beschreven in scenario 2 van deze bevindingen.
Dit betreft het rekening houden met het gebruik dat valt binnen de referentiesituaties als met mogelijke mitigerende maatregelen (externe salderingsmaatregelen); eventueel ter nadere inperking van het effectgebied en de uitkomsten: onderzoek naar mogelijke verleas-constructies waarbij tijdelijk emissie wordt overgenomen (als nadere tijdelijke externe salderingsmaatregel). De Beleidsregels staat deze vorm van tijdelijk extern salderen (voor de bouw- en aanlegfase) ook expliciet toe. Ook indien het gaat om agrarische bedrijven die beschikken over dier- of fosfaatrechten; in de passende beoordeling gebruik maken van de mogelijkheden en onderbouwing uit de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) en het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn). Na inwerkingtreding voorzien voor de zomer 2021- mogen door GS tijdelijke depositie-effecten in de bouw- en aanlegfase niet meer worden betrokken bij het verlenen van een natuurvergunning. Daarbij geldt ook geen ondergrens. Nu de passende beoordeling ook nodig is voor het bestemmingsplan , dienen de effecten wel inzichtelijk te worden gemaakt. In de effectbeoordeling kan dan gebruik worden gemaakt van de (algemene) onderbouwing bij de Wsn en Bsn voor de tijdelijke depositie-effecten.
In de bijlage zijn bij die onderbouwing wel kanttekeningen geplaatst en aanbevolen om de restdepositie wel op ecologische effecten nader te beoordelen. Door concreet de tijdelijkheid van de deposities te betrekken op de gevolgen voor de specifieke habitats waarop een restdepositie (ondanks saldering) blijft bestaan in de bouw- en aanlegfase.
2032651/1
k j il
e w u o r tr e v
Hekkel man , Pagina
8/8
Vervolg en afsluitend Het lijkt mij goed om aan de hand
van
dit advies
de
procedure
uit te zetten.
Dit betekent
dat:
de gemeentelijke Wro-coördinatieprocedure kan worden ingezet (waarvoor overleg nodig is met gedeputeerde staten). Nader specifiek onderzoek doen naar en het doorrekenen van de voorgestelde
-
-
(interne en mitigerende) maatregelen. Vervolgens kan in één ecologisch onderzoek voor stikstof (als passende beoordeling , inclusief voortoets) de resultaten worden gepresenteerd. Wanneer daaruit volgt dat de natuurlijke kenmerken niet worden aangetast , kan: 1. de aanvraag om natuurvergunning in zoverre worden ingediend. 2. kan de plan-m. e. r. -beoordelingsnotitie (ook voor wat betreft stikstof) afgerond
-_
-
worden. Het
ontwerpbestemmingsplan wordt dan tezamen met het ontwerp van de natuurvergunning ter inzage gelegd en verder in procedure gebracht.
-
Mocht
u
nog
vragen
hebben , dan
Met vriendelijke groet , Hekkelman Advocaten
weet
N. V.
(geanonimiseerd) advocaat
Bijlage:
advies d. d.
2032651/1
30 januari
2021
u
mij
tot
beantwoording
daarvan
bereid.
Toelichting grondslagen In dit document kunt u secties vinden die onleesbaar zijn gemaakt. Deze informatie is achterwege gelaten op basis van de Wet open overheid (Woo). De letter die hierbij is vermeld correspondeert met de bijbehorende grondslag in onderstaand overzicht.
J Art. 5. 1 lid 2 sub e Het belang van de openbaarmaking van deze informatie weegt niet op tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen