Schriftelijk De heer J. Bouw - WENR-rapport 3185 Totaal LR definitief
Tekst van het document
Haalbaarheid van context-afhankelijke richtlijnen ter preventie van concurrentie tussen wilde en gehouden bijensoorten op basis van risicoschattingen Arjen de Groot en Ivo Roessink
Haalbaarheid van context-afhankelijke richtlijnen ter preventie van concurrentie tussen wilde en gehouden bijensoorten op basis van risicoschattingen
Arjen de Groot en Ivo Roessink – Wageningen Environmental Research
Met medewerking van: Marten Schoonman – Naturalis Biodiversity Center John Smit en Theo Zeegers – EIS Kennicentrum Insecten Tjeerd Blacquière – Bijen@WUR, Wageningen Plant Research David Kleijn en Jeroen Scheper – Wageningen University
Dit onderzoek is uitgevoerd door Wageningen Environmental Research en gesubsidieerd door het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, in het kader van het Beleidsondersteunend onderzoekthema ‘Kennisimpuls Bestuivers’ (projectnummer BO-43-101-02.002). Wageningen Environmental Research Wageningen, augustus 2022
Gereviewd door: Dianne Sanders, onderzoeker Entomologie (WENR) Akkoord voor publicatie: Marion Kluivers-Poodt, teamleider Dierecologie (WENR)
Rapport 3185 ISSN 1566-7197 ISBN 978-94-6447-321-6
De Groot, A., I. Roessink, 2022. Haalbaarheid van context-afhankelijke richtlijnen ter preventie van concurrentie tussen wilde en gehouden bijensoorten op basis van risicoschattingen. Wageningen, Wageningen Environmental Research, Rapport 3185. 54 blz.; 10 fig.; 2 tab.; 79 ref. In Nederland zien we dat honingbijen steeds vaker geweerd worden uit beschermde (natuur)gebieden. Het argument hierbij is veelal dat er concurrentie voor voedselbronnen optreedt tussen honingbijen en wilde bijen. De aanname is dat de wilde bij in deze concurrentiestrijd negatief beïnvloed wordt en daarom concurrentie voorkomen moet worden. Echter deze interactie is doorgaans gecompliceerder dan concurrentie op voedselbronnen alleen. Wat het uiteindelijke gevolg van de interactie is, is in belangrijke mate afhankelijk van het landschap waarin deze optreedt. Deze rapportage over de haalbaarheid van context-afhankelijke richtlijnen ter preventie van concurrentie tussen honingbijen en wilde bijen is opgesteld als onderdeel van onderzoeksprogramma Kennisimpuls Bestuivers.
Het betreft een compilatie van wetenschappelijke bevindingen, verzameld en geïntegreerd door Wageningen Environmental Research, op basis van zowel literatuuronderzoek als diverse brainstormsessies met onderzoekers van andere wetenschappelijke instituten die zich bezighouden met bestuivende insecten en die tevens deelnemen in de Kennisimpuls Bestuivers: Wageningen Universiteit, Bijen@WUR, Naturalis Biodiversity Center en EIS Kenniscentrum Insecten. Honeybees are more and more banned from protected (nature) areas in The Netherlands. The argument often used is that the presence of honeys results in food competion with wild bees. As wild bees are believed to be the ones being negatively impacted in this interaction, food competition should be avoided at all costs. However, interactions between wild bees and honeybees are usually more complex than food competition alone. What the ultimate outcome of such interaction is, is heavily impacted by the context, i.e. landscape, in which it occurs. This report on the feasibility of context-depended guidelines to prevent competition between wild bees and honeybees is part of the research program ‘Kennisimpuls Bestuivers’.
It is compiled by Wageningen Environmental research and comprises a combination of reviews of scientific literature and several brainstorm sessions with researchers from other scientific institutes involved in pollinator research and which are part of the national ‘Kennisimpuls Bestuivers’ project, e.g. Wageningen University, Bees@WUR, Naturalis Biodiversity Center and EIS Kenniscentrum Insecten. Trefwoorden: bestuivers, concurrentie, honingbij, wilde bijen, context-afhankelijke richtlijn, risicoschatting Dit rapport is gratis te downloaden van https://doi.org/10.18174/574230 of op www.wur.nl/environmentalresearch (ga naar ‘Wageningen Environmental Research’ in de grijze balk onderaan). Wageningen Environmental Research verstrekt geen gedrukte exemplaren van rapporten. 2022 Wageningen Environmental Research (instituut binnen de rechtspersoon Stichting Wageningen Research), Postbus 47, 6700 AA Wageningen, T 0317 48 07 00, www.wur.nl/environmental-research. Wageningen Environmental Research is onderdeel van Wageningen University & Research. • Overname, verveelvoudiging of openbaarmaking van deze uitgave is toegestaan mits met duidelijke bronvermelding. • Overname, verveelvoudiging of openbaarmaking is niet toegestaan voor commerciële doeleinden en/of geldelijk gewin.
• Overname, verveelvoudiging of openbaarmaking is niet toegestaan voor die gedeelten van deze uitgave waarvan duidelijk is dat de auteursrechten liggen bij derden en/of zijn voorbehouden. Wageningen Environmental Research aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen. Wageningen Environmental Research werkt sinds 2003 met een ISO 9001 gecertificeerd kwaliteitsmanagementsysteem. In 2006 heeft Wageningen Environmental Research een milieuzorgsysteem geïmplementeerd, gecertificeerd volgens de norm ISO 14001. Wageningen Environmental Research geeft via ISO 26000 invulling aan haar maatschappelijke verantwoordelijkheid. Wageningen Environmental Research Rapport 3185 | ISSN 1566-7197 | ISBN 978-94-6447-321-6 Foto omslag: Een honingbij (Apis mellifera; onder) en twee akkerhommels (Bombus pascuorum) maken gelijktijdig gebruik van een zonnebloem. Foto: Jeroen Scheper, Wageningen UR.
Inhoud
Verantwoording
5
Woord vooraf
7
Samenvatting
9
1
Inleiding en probleemstelling
13
1.1
De Nationale Bijenstrategie en draagkracht
13
1.2
2
Bijen: gehouden en wild
14
1.2.1 Honingbijen
14
1.2.2 Wilde bijen
15
1.3
Interacties tussen honingbijen en wilde bijen
17
1.4
Context-afhankelijkheid
17
1.5
Doelstelling en werkwijze: haalbaarheid van context- afhankelijke richtlijnen
18
Potentiële oplossingsrichtingen
20
2.1
Risicovermijding via vaste maatstaven voor maximale dichtheden (volken/opp.)
21
2.2
Risicovermijding via bufferzones ten opzichte van kwetsbare plekken
23
2.3
Risicospreiding via verdeling van volken op basis van ruimtelijke verschillen in voedselaanbod
2.4 2.5 3
4
Literatuur
Risicospreiding via verdeling van volken op basis van voedselaanbod en waarde voor wilde bijensoorten
25
Kwantificeren van risico’s via mechanistische modelberekening
26
Beschikbaarheid van informatie
27
3.1
Een breed scala aan onderliggende factoren
27
3.2
Voedselaanbod
29
3.2.1 Samenstelling en hoeveelheid bloemaanbod
29
3.2.2 Voedselaanbod per plantensoort
30
3.3
Ecologie van honingbijen
31
3.4
Ecologie van wilde bijensoorten
34
3.5
Lokale omstandigheden
40
3.6
Dichtheid-afhankelijkheid van interacties
42
Kansen per oplossingsrichting
43
4.1
Risicovermijding via vaste maatstaven voor maximale dichtheden (volken/opp.)
43
4.2
Risicovermijding via bufferzones ten opzichte van kwetsbare plekken
43
4.3
Risicospreiding via verdeling van volken op basis van ruimtelijke verschillen in
4.4 5
24
voedselaanbod en/of waarde voor wilde bijen
44
Kwantificeren van risico’s via mechanistische modelberekening
45
Conclusies en aanbevelingen
47
5.1
Korte termijn
47
5.2
Lange termijn
48 50
Verantwoording
Rapport: 3185 Projectnummer: 5200047525
Wageningen Environmental Research (WENR) hecht grote waarde aan de kwaliteit van zijn eindproducten. Een review van de rapporten op wetenschappelijke kwaliteit door een referent maakt standaard onderdeel uit van ons kwaliteitsbeleid.
Akkoord Referent die het rapport heeft beoordeeld, functie:
Onderzoeker Entomologie
naam:
Dianne Sanders
datum:
18 juli 2022
Akkoord teamleider voor de inhoud, naam:
Marion Kluivers-Poodt
datum:
21 juli 2022
Wageningen Environmental Research Rapport 3185
|5
6 | Wageningen Environmental Research Rapport 3185
Woord vooraf
In Nederland zien we dat honingbijen steeds vaker geweerd worden uit beschermde (natuur)gebieden. Het argument hierbij is veelal dat er concurrentie voor voedselbronnen optreedt tussen honingbijen en wilde bijen. De aanname is dat de wilde bij in deze concurrentiestrijd negatief beïnvloed wordt en daarom concurrentie voorkomen moet worden. Het is inderdaad mogelijk dat honingbijen bij hoge dichtheden een negatieve impact hebben op wilde bijenpopulaties, alleen is de interactie doorgaans gecompliceerder dan concurrentie op voedselbronnen alleen. Wat het uiteindelijke gevolg van de interactie is, is in belangrijke mate afhankelijk van het landschap waarin deze optreedt. De kennis die de basis moet zijn voor de discussie en beslissing of honingbijen geweerd moeten worden, is op dit moment nog incompleet. Dit kan resulteren in een vastlopende discussie tussen betrokken partijen, zoals (honing)bijenhouders en terreinbeherende organisaties. Het doel van deze rapportage is om beter in beeld te krijgen hoe de verschillende puzzelstukjes van deze problematiek geduid moeten worden en op basis daarvan op een rij te zeten welke oplossingsrichtingen mogelijk zijn. Hierbij is erop ingezet om met betrokken partijen te komen tot oplossingen waar de behoeften en eigenschappen van de verschillende bijen (zowel de gehouden als de wilde soorten) en de aanwezige landschappen meegenomen zijn.
Tevens is – waar mogelijk – aangegeven op welke onderwerpen al wetenschappelijke onderbouwing bestaat of wat nog nodig is om die onderbouwing mogelijk te maken. Dit helpt om de discussie op een inhoudelijke basis te kunnen voeren, zowel over de mate waarin een concurrentieprobleem optreedt als hoe dat beperkt zou kunnen worden. Met andere woorden, het voorliggende rapport probeert – op basis van wetenschappelijke bevindingen – te schetsen welke oplossingsrichtingen denkbaar zijn en wat nog nodig zou zijn om deze te implementeren. Daarmee vormt het een basis voor zowel nader overleg tussen de betrokken stakeholders, als voor nader onderzoek. Dit rapport geeft nadrukkelijk geen uitsluitsel over de mate waarin op specifieke locaties of momenten concurrentie bestaat en geeft geen oordeel over de mate waarin op specifieke locaties of momenten honingbijenvolken zouden moeten worden toegelaten. Deze rapportage is opgesteld als onderdeel van onderzoeksprogramma Kennisimpuls Bestuivers. Dit programma, dat loopt sinds 2017 en wordt gesubsidieerd door het Ministerie van LNV, heeft als doel het ontwikkelen en delen van kennis over bestuivende insecten, om initiatiefnemers van maatregelen om bestuivers en bestuivingsdiensten te behouden en te bevorderen de mogelijkheid te geven hun acties zo effectief mogelijk uit te voeren.
Het betreft een compilatie van wetenschappelijke bevindingen, verzameld en geïntegreerd door Wageningen Environmental Research, op basis van zowel literatuuronderzoek als diverse brainstormsessies met onderzoekers van andere wetenschappelijke instituten die zich bezighouden met bestuivende insecten en die tevens deelnemen in de Kennisimpuls Bestuivers: Wageningen Universiteit, Bijen@WUR, Naturalis Biodiversity Center en EIS Kenniscentrum Insecten.
De auteurs
Wageningen Environmental Research Rapport 3185
|7
8 | Wageningen Environmental Research Rapport 3185
Samenvatting
Aanleiding en doelstelling Al een aantal jaren is het duidelijk dat actie nodig is om de Nederlandse bijen en andere bestuivende insecten te beschermen. Een kernthema in de meeste initiatieven in binnen- en buitenland ter behoud en bevordering van bestuivende insecten is het zorg dragen voor voldoende habitat. Dit betreft de beschikbaarheid van zowel voldoende nestelplekken als van voldoende voedselbronnen en het streven naar een beperkte afstand tussen deze twee elementen. Niet voor niets kreeg de Nederlandse Bijenstrategie de ondertitel “Bed and Breakfast for Bees” mee. Zowel gehouden honingbijen als wilde bijen maken gebruik van (deels) dezelfde nectar- en stuifmeelbronnen en beïnvloeden elkaar ook op andere vlakken wanneer ze gedwongen worden in elkaars nabijheid te foerageren. Waar dit in de vorige eeuw nog geen reden tot zorg gaf, is de context, te weten het Nederlandse landschap en het gebruik daarvan, sindsdien sterk veranderd. De draagkracht van het landschap (de hoeveelheid bloemen en daarmee de hoeveelheid voedselaanbod) is in de volle breedte beperkter geworden. Daardoor ontstaat het risico dat ook op plekken waar nog veel bloemen staan, deze draagkracht wordt overschreden en bijensoorten met elkaar gaan concurreren om dezelfde voedselbron.
Het is evident dat de ultieme oplossing voor het concurrentieprobleem zit in het verhogen van de draagkracht van het landschap door de beschikbaarheid van voedselbronnen en nestelplekken weer terug op peil te brengen. Ervaring in de praktijk leert echter dat dit een lange adem vergt. Sociale en ecologische veranderingen in het landschap kosten tijd, en in de tussentijd is het zaak om te zorgen dat zo veel mogelijk wilde soorten worden behouden en dus (te) sterke negatieve interacties tussen honingbijen en wilde bijen worden voorkomen. Duidelijk is wel dat dergelijke negatieve interacties niet altijd en overal optreden. Dit komt doordat de interacties tussen bijensoorten zeer context-afhankelijk zijn: of een bepaalde hoeveelheid bloemen op een bepaalde plek toereikend is, hangt onder meer af van het aantal bijensoorten, de voedselvoorkeur van deze soorten, het palet aan aanwezige bloemsoorten en interacties met weersomstandigheden. Andere factoren die het welzijn van populaties kunnen beïnvloeden, zoals de beschikbaarheid van nestgelegenheid, de aanwezigheid van parasieten of ziekten of het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, hebben op hun beurt weer invloed op de mate waarin voedselconcurrentie de overleving van populaties in gevaar kan brengen.
Al met al zijn deze relaties zodanig complex, dat een eenduidig oordeel over het effect van een bepaald aantal honingbijenvolken op een bepaalde locatie niet zomaar te geven is. Het gevolg van die onzekerheid is dat momenteel door verschillende betrokkenen verschillende handelingsperspectieven worden genomen en/of voorgesteld. Dit wordt het duidelijkst tijdens de massale bloei van bijvoorbeeld heidevelden in natuurgebieden. Veel bijenhouders zouden hier graag hun volken plaatsen, omdat het een van de plaatsen is waar voor de honingbijen het meeste voedsel te vinden is. Sommige beheerders hanteren echter een voorzorgsprincipe, waarbij geen plaats is voor gehouden honingbijen in hun natuurgebieden, omdat deze terreinen bij uitstek ook de laatste populaties herbergen van kwetsbare wilde soorten. De sterke context-afhankelijkheid van risico’s op concurrentie maakt het opstellen van vaste landelijke richtlijnen voor het plaatsen van honingbijenvolken, die recht doen aan de behoeften van alle betrokken partijen, zeer lastig. Evident is dat op sommige plekken meer honingbijenvolken kunnen staan dan op andere plekken. Idealiter wordt dus gestreefd naar maatwerk: richtlijnen die zijn afgestemd op de lokale situatie, op basis van een risicoschatting.
De sleutel voor het maken van een dergelijke risicoschatting zit echter in de beschikbaarheid van voldoende informatie, op het juiste detailniveau. Daarbij geldt: hoe gedetailleerder het beoogde maatwerk, hoe gedetailleerder de informatiebehoefte. Dit betreft zowel informatie over de exacte situatie ter plaatse (parameters, zoals voedselaanbod) als wetenschappelijke kennis over de relaties tussen deze parameters. De vraag is hoe ver we hierin kunnen en willen gaan. Het voorliggende rapport betreft een verkennende studie van de haalbaarheid van verschillende oplossingsrichtingen voor het definiëren van context-afhankelijke richtlijnen.
Wageningen Environmental Research Rapport 3185
|9
Mogelijke oplossingsrichtingen Een simpele aanpak betreft het vermijden van risico’s door het vaststellen van maximale dichtheden honingbijenvolken per oppervlakte. Dit kan een standaardmaximumwaarde zijn op landelijke of regionale schaal, maar maatwerk is mogelijk voor verschillende landgebruikstypen, of zelfs locaties met verschillende typen massale dracht. De conservatiefste vorm van risicovermijding is het besluit om honingbijen in een bepaald gebied in het geheel niet toe te laten. Hoewel dit voorzorgsprincipe in eerste instantie een effectieve methode lijkt, zijn de betreffende terreinen in het Nederlandse landschap veelal dusdanig klein en de foerageerafstand die honingbijen kunnen afleggen dusdanig groot, dat bij massale plaatsing van bijenvolken net buiten het betreffende gebied de effectiviteit van deze maatregel alsnog beperkt kan zijn. Een afgeleide aanpak die wat meer ruimte voor maatwerk biedt, maar waarbij indien gewenst het voorzorgsprincipe voor de kwetsbaarste soorten of habitats kan worden behouden, maakt gebruik van een schatting van de invloedsfeer per honingbijenvolk. Hoewel honingbijen ver kunnen vliegen, zullen ze uit energetisch oogpunt bij voorkeur hun voedsel dichter bij de kast zoeken en neemt de invloed die een honingbijenvolk heeft op wilde bijen af met afstand tot de kast.
Deze geschatte invloedsfeer kan gebruikt worden om een bufferzone om een kast in te stellen, die niet mag overlappen met bepaalde locaties die men wil beschermen, omdat er bijvoorbeeld een kwetsbare soort is waargenomen of er een habitat aanwezig is die men wil ‘reserveren’ voor gebruik door kwetsbare bijensoorten. Voordeel van deze aanpak is dat men de buffer kan vergroten indien meerdere kasten geclusterd worden geplaatst, waarbij dit cluster zich dus op grotere afstand van de kwetsbare locatie moet bevinden. Om tot breed gedragen oplossingen te komen, kan ook worden gedacht aan een benadering waarbij de bovengenoemde route gericht op risicovermijding (concurrentie uitsluiten) wordt vervangen door een route gericht op risicospreiding. In deze benadering wordt getracht te komen tot een verdeling van bijenvolken over het landschap die past bij de ruimtelijke verschillen in voedselaanbod en zo per locatie het risico op concurrentie minimaliseert. Risicospreiding is met name interessant op grotere schaalniveaus, zoals grotere natuurgebieden of complete regio’s bestaande uit een combinatie van landgebruikstypen.
Het achterliggende idee is een verdeling van het landschap in gridcellen (bijvoorbeeld kilometerhokken of uurhokken), waarbij per cel de draagkracht wordt bepaald en vervolgens honingbijkasten zodanig worden verdeeld dat ze deze ruimtelijke verschillen in draagkracht volgen. Deze werkwijze kan in theorie verder worden verfijnd door ook rekening te houden met ruimtelijke verschillen in de aanwezigheid van wilde bijensoorten. Op basis van deze aanwezigheid kan per gridcel een wegingsfactor worden ingesteld, waarbij een bepaald percentage van de lokale draagkracht wordt gereserveerd voor wilde bijen. Een derde benadering, die de meeste flexibiliteit biedt in het maken van keuzes, is een mechanistische modelaanpak, die concrete voorspellingen doet over de resultaten van interacties tussen honingbijen en wilde bijen in verschillende situaties. In een mechanistisch model worden (zo veel mogelijk) interacties tussen wilde bijen, honingbijen, het voedselaanbod en omgevingsfactoren expliciet gekwantificeerd en met elkaar verbonden. Het ultieme resultaat zou een model zijn dat per locatie berekent hoeveel volken kunnen worden geplaatst zonder dat negatieve effecten optreden bij de lokale wilde bijenfauna.
Van theorie naar praktijk: wat is haalbaar op basis van de beschikbare kennis? De discussie omtrent de concurrentie tussen bijensoorten is altijd sterk beïnvloed door de hoeveelheid informatie die er in de loop der tijd beschikbaar was. Waar in eerste instantie zeer weinig informatie beschikbaar was over het voorkomen van wilde bijensoorten en hun behoeften, was ook de noodzaak niet duidelijk om rekening te houden met eventuele negatieve interacties. Hierdoor werd de discussie eind twintigste eeuw puur gevoerd op het gebruik van drachtgebieden door honingbijen en de maximumaantallen kasten die daar geplaatst konden worden zonder de honingoogst nadelig te beïnvloeden. De eerder gestelde richtlijnen voor het vermijden van concurrentie van honingbijen onderling, gebaseerd op maximumaantallen bijenkasten per hectare bloeiende dracht, werden na het verschijnen van de Rode Lijst van wilde bijensoorten in 2010 bijgesteld. Hoewel er hierin al een eerste melding gemaakt werd van ruimtelijke componenten die van belang zijn voor het voorkomen van wilde bijen, werden deze nog niet heel expliciet gemaakt.
10 | Wageningen Environmental Research Rapport 3185
Het beschikbaar komen van meer informatie resulteerde in de wens om tot een betere afstemming te komen tussen het gebruik van de beschikbare ruimte/voedselbronnen van honingbijen en wilde bijen. Zodra men deze wens wil omzetten in concrete vuistregels, blijkt echter hoe weinig we nog altijd weten over vrij basale onderwerpen, zoals de exacte kwantitatieve en kwalitatieve voedselbehoeften per (wilde) bijensoort. Hoofdstuk 3 van het voorliggende rapport beschrijft per oplossingsrichting welke kennis nodig is om deze aanpak praktisch te kunnen implementeren en in hoeverre deze kennis reeds beschikbaar is. Op basis daarvan wordt aangegeven welke (combinaties van) oplossingen haalbaar zouden kunnen zijn en wat nog nodig is om dat te realiseren. Daarbij maken we onderscheid tussen een relatief pragmatische aanpak die op korte termijn werkbaar is te maken en een aanpak die op lange termijn werkbaar is. Pragmatische oplossingen op (relatief) korte termijn Op korte termijn zouden op zowel lokaal als landelijk schaalniveau, inclusief agrarisch gebied en de daar voorkomende (nu nog) algemene soorten, flexibele richtlijnen kunnen worden geformuleerd op basis van een risicospreidingsmodel. Dit zou een doorontwikkeling kunnen betreffen van een relatieve benadering die gedeeltelijk al is ontwikkeld in project Beespot, op basis van ruimtelijke kaarten met een vast grid (GISgebaseerd).
Deze basale methode voor risicospreiding geeft bijenhouders de mogelijkheid om zelf in onderling overleg te sturen en zo te komen tot een zo gunstig mogelijke verdeling van kasten over gridcellen. Wel is het aan te bevelen om aanvullend ook een maximum per cel of per regio in te stellen, om te voorkomen dat de verdeling weliswaar de verschillen in draagkracht volgt, maar alsnog de totale draagkracht overschrijdt. Hierbij kan een bepaald percentage van het voedselaanbod worden ‘gereserveerd’ voor wilde bijen en is dit percentage eventueel te schalen op basis van de waarde van het lokale landschap voor wilde bijensoorten. Het verdient aanbeveling om deze waarde niet slechts te baseren op de daadwerkelijk aangetroffen soorten, maar op een inschatting van de soortenrijkdom die er in potentie zou kunnen voorkomen. Dit biedt ruimte voor de gewenste uitbreiding van thans bedreigde soorten naar nieuwe geschikte plekken, zonder dat deze ruimte al bij voorbaat gereserveerd is voor honingbijen. Onder andere de ‘species distribution models’ – zoals ontwikkeld door Naturalis – kunnen hiervoor een basis vormen. In bredere zin kunnen per regio bestuurlijke afwegingen worden gemaakt in het percentage voedselaanbod dat wordt gereserveerd voor bijen, op basis van een gekozen ambitieniveau voor behoud en bevordering van wilde bestuivers.
Dat kan ertoe leiden dat uit voorzorg alle aanbod beschikbaar wordt gehouden voor wilde bestuivers, of dat juist veel ruimte wordt geboden aan honingbijen en slechts een beperkt aanbod voor een gericht aantal doelsoorten wordt gereserveerd. Uiteindelijk betreft dit een maatschappelijke en politieke keuze, waarbij het risicospreidingsmodel een tool vormt voor implementatie van de gekozen strategie. Het toevoegen van een registratiesysteem voor aantallen en locaties van honingbijenvolken per bijenhouder maakt het mogelijk om henzelf te laten sturen en plekken te selecteren waar zij het liefst hun kasten plaatsen. Omdat het voedselaanbod op een locatie sterk fluctueert gedurende het jaar, wordt idealiter gewerkt met meerdere tijdsperiodes in het jaar, waarbij per periode een nieuwe verdeling wordt gemaakt op basis van een voor die periode relevante voedselkaart. Hiermee wordt automatisch ook rekening gehouden met massale bloei in een bepaalde periode. Aanvullend op deze basismethode kan worden gewerkt met bufferzones rond bijenkasten, die niet mogen overlappen met als (te) kwetsbaar beoordeelde bijenhabitats (waardevolle landschapselementen of plekken met bekende populaties van kwetsbare soorten) en waarvan de grootte afhankelijk is van het aantal geplaatste honingbijenvolken. Deze methode maakt nadere sturing mogelijk ter bescherming van specifieke natuurwaarden.
Hiermee blijft tot op zekere hoogte een voorzorgsprincipe gelden, waarbij bijenkasten op een gepaste afstand dienen te blijven om een negatieve interactie tussen honingbijen en wilde bijen te voorkomen. De omvang van bufferzones kan worden aangepast aan het gewenste ambitieniveau met betrekking tot bescherming van wilde soorten, maar dient ten minste te schalen met het totaalaantal geplaatste kasten. Naar meer mechanistisch begrip in de toekomst Op de langere termijn kan gewerkt worden aan een nadere uitwerking van een mechanistische modelaanpak. De hoeveelheid informatie die nodig is om een dergelijke modelaanpak werkbaar te maken met een betrouwbaarheid die het meerwaarde geeft ten opzichte van de hierboven beschreven pragmatische aanpak, is enorm. Het beschikbaar maken van die informatie vereist nog een hoop aanvullend onderzoek, bijvoorbeeld naar de exacte behoeften per bijensoort, de minimale levensvatbare populatieomvang per bijensoort en de wijze waarop bepaalde omgevingsfactoren elkaars effect beïnvloeden.
Wageningen Environmental Research Rapport 3185
| 11
Vooralsnog schatten wij de informatiebeschikbaarheid voor het werkbaar maken van deze tool in als zodanig ontoereikend dat dit zou leiden tot te grote onzekerheden. Het best haalbare binnen enkele jaren lijkt een model dat zich baseert op een selectie van modelsoorten (indicatorsoorten, bijvoorbeeld op basis van de recentelijk opgestelde ‘ecoprofielen’ voor bestuivers). De inzet van een model als ‘decision support’-tool, waarin de exacte effecten van interacties tussen honingbijen en wilde bijen worden voorspeld voor een specifiek beheerscenario, lijkt vooralsnog niet realistisch. Tegelijkertijd neemt de beschikbaarheid van informatie, en methoden om deze snel en gericht te vergaren, in rap tempo toe en sluiten we niet uit dat deze balans in de toekomst verschuift. Daarnaast biedt een mechanistische modelaanpak wel waardevolle ondersteuning voor het formuleren voor hypotheses voor nader onderzoek en voor globale adviezen (o.a. scherper stellen van gebruikte waarden voor bed & breakfast gebieden et cetera). Ook kan een versimpelde versie van een dergelijk model in de vorm van een onlinespel een belangrijk instrument zijn voor de vergroting van de bewustwording van het publiek voor deze problematiek en voor het vergroten van draagkracht.
Het lijkt dan ook wel degelijk waardevol om deze route nader te verkennen, mits de juiste voorbehouden voor toepassing ervan in acht worden genomen.
12 | Wageningen Environmental Research Rapport 3185
1
Inleiding en probleemstelling
1.1
De Nationale Bijenstrategie en draagkracht
Al een aantal jaren is het duidelijk dat actie nodig is om de Nederlandse bijen en andere bestuivende insecten te beschermen. Waar eerst een focus lag op het wel en wee van de honingbij, bijvoorbeeld in het Actieprogramma Bijengezondheid (Rottenberg, 2013), richt sinds 2017 de Nationale Bijenstrategie zich op alle ‘bestuivers’, in het bijzonder de vele wilde bijensoorten (LNV, 2018). Deze focus is aangebracht, omdat meer dan de helft van de ongeveer 360 wilde bijensoorten die in Nederland voorkomen op de Rode Lijst staat, wat aangeeft dat er zorg is over hun voortbestaan in Nederland (Reemer, 2018). Het hoofddoel van de Nationale Bijenstrategie is om dit te veranderen: ingezet wordt op het duurzaam behouden en bevorderen van populaties van bestuivers, met de meetbare doelstelling om in 2030 50% minder soorten met negatieve trend en 50% meer soorten met positieve trend te hebben ten opzichte van de situatie in 2012 (LNV, 2018). Om dit te bewerkstelligen, zijn er binnen de Nationale Bijenstrategie verschillende thema’s benoemd: 1) biodiversiteit, 2) wisselwerking landbouw en natuur en 3) honingbij. Onder deze thema’s hangen verschillende initiatieven die door de maatschappelijke partners van de strategie zijn aangedragen en worden uitgevoerd.
Tevens is er – naast de Nationale bijenstrategie – een onderzoeksprogramma opgestart genaamd ‘Kennisimpuls Bestuivers’ (looptijd 2017-2022), waarbinnen de kennisinstituten Wageningen UR, Naturalis Biodiversity Center en Stichting EIS Kenniscentrum Insecten wetenschappelijke ondersteuning van de Nationale bijenstrategie en haar onderliggende initiatieven leveren. Een kernthema in zowel de Bijenstrategie als in overige initiatieven in binnen- en buitenland ter behoud en bevordering van bestuivende insecten is het zorg dragen voor voldoende habitat. Dit betreft de beschikbaarheid van zowel voldoende nestelplekken als van voldoende voedselbronnen en het streven naar een beperkte afstand tussen deze twee elementen. Niet voor niets kreeg de Bijenstrategie de ondertitel “Bed and Breakfast for Bees” mee (LNV, 2018). Behoefte aan nestelplekken in het landschap speelt vooral een rol bij de wilde bijen, aangezien honingbijenvolken in de praktijk worden gehouden in door de mens gemaakte bijenkasten. Zowel honingbijen als wilde bijen hebben echter behoefte aan voldoende voedselaanbod gedurende hun gehele vliegseizoen, in de vorm van een diverse bloemdragende vegetatie. In deze context wordt wel gesproken over de ‘draagkracht van het landschap’ voor het in stand houden van bijenpopulaties.
In recente jaren is dit onderwerp eens te meer belangrijk geworden vanwege een opkomende discussie over het gebruik van de beschikbare voedselbronnen door zowel honingbijen als wilde bijen. Deze discussie kwam in de zomer van 2019 tot een hoogtepunt door het in groten getale plaatsen van honingbijkasten rondom Nationaal Park de Biesbosch, om daar gebruik te maken van de massale bloei van de reuzenbalsemien (Impatiens glandulifera). Aan het daaropvolgende conflict tussen voor- en tegenstanders van dit bijplaatsen van kasten ontsproot een discussie in het parlement over de bescherming van onze nationale biodiversiteit, specifiek de diverse bedreigde wilde bijensoorten, die in natuurgebieden zoals de Biesbosch een laatste refugium hebben gevonden. Zowel gehouden honingbijen als wilde bijen maken gebruik van (grotendeels) dezelfde nectar- en stuifmeelbronnen en beïnvloeden elkaar ook op andere vlakken wanneer ze gedwongen worden in elkaars nabijheid te foerageren. Waar dit vorige eeuw nog geen reden tot zorg gaf, is de context, te weten het Nederlandse landschap en het gebruik daarvan, sterk veranderd. De draagkracht van het landschap in termen van bloemaanbod is in de volle breedte beperkter geworden, waardoor het risico ontstaat dat ook op plekken waar nog veel bloemen staan, deze draagkracht wordt overschreden en bijensoorten met elkaar gaan concurreren om dezelfde voedselbron.
Onder wetenschappers, natuurbeschermers en bijenhouders bestaat dan ook een brede consensus dat het verhogen van de draagkracht uiteindelijk de beste manier is om zowel de imkerij als de wilde bijenpopulaties duurzaam naast elkaar te laten bestaan (Kleijn et al., 2018). Daarbij gaat het zowel om het op peil houden van een jaarrond en divers bloemaanbod in natuurgebieden als om het vergroten van het bloemaanbod in het agrarisch gebied en de openbare ruimte. Dit kost echter de nodige tijd en moeite en ondanks de vele
Wageningen Environmental Research Rapport 3185
| 13
lopende initiatieven op dit thema voor allerlei terreintypen, is het weer volledig op peil brengen van de draagkracht een kwestie van de lange adem. Tot dat dit gerealiseerd is, is het daarom relevant om na te denken over keuzes waar voorheen geen noodzaak toe was: hoe verdelen we de beschikbare draagkracht? In de recentelijk gepubliceerde Theory of Change (ToC 2020) stellen de partners van de Bijenstrategie dat het voor het halen van de doelen onder meer van belang is dat op regionaal niveau beleid wordt ontwikkeld gericht op spreiding van honingbijenvolken en dat imkersverenigingen en terreinbeherende organisaties gezamenlijk beheerrichtlijnen maken voor specifieke gebieden om te zorgen dat plaatsing van honingbijenvolken aldaar geen schade toebrengt aan het lokale ecosysteem. Gezien de tegengestelde belangen van verschillende partijen en de emotioneel geladen discussies die daarvan het gevolg zijn, is het van belang om dergelijke afwegingen te maken op basis van feiten, zodat transparante conclusies kunnen worden getrokken die voor alle partijen inzichtelijk zijn. Om hieraan bij te dragen, is binnen het onderzoeksprogramma Kennisimpuls Bestuivers ruimte gemaakt voor nader onderzoek naar de relatie tussen de draagkracht van het landschap en de kans op concurrentie tussen honingbijen en wilde bijen en oplossingsrichtingen om deze concurrentie te beperken.
Het voorliggende rapport vormt hiertoe een eerste verkenning, waarin verschillende bestaande en toekomstige oplossingsrichtingen worden geëvalueerd op basis van de beschikbaarheid van de wetenschappelijke kennis die nodig is om oplossingen in de praktijk handen en voeten te geven. Uiteraard maken ook andere insecten, zoals zweefvliegen en vlinders, gebruik van deels dezelfde voedselbronnen als de bijen. Om de complexiteit te beperken, is ervoor gekozen om deze verkennende studie toe te spitsen op de interactie tussen honingbijen en wilde bijen.
1.2
Bijen: gehouden en wild
1.2.1
Honingbijen
Van alle bijen die in Nederland voorkomen, worden alleen honingbijen (Apis mellifera spp) gehouden door bijenhouders, ook wel imkers genoemd. Het overgrote deel van de ca. 10.000 Nederlandse bijenhouders doet dit hobbymatig (Tom en Cornelissen, 2020) en er is maar een zeer gering aantal beroepsimkers in Nederland actief. De Beroeps Vereniging Nederlandse Imkers telt zo’n 16 praktiserende leden op haar website (www.beroepsimkers.nl). Breeze et al. (2019) becijferden op basis van getallen uit tien EU-landen, waaronder Nederland, dat een beroepsimker gemiddeld 95,5 volken beheert, tegenover gemiddeld 11,7 volken per hobbyimker. Hoewel de huidige waarden in Nederland mogelijk iets afwijken, is duidelijk dat in ons land het totaal aantal hobbymatig gehouden volken vele malen groter is dan het aantal beroepsmatig gehouden volken. Honingbijen zijn volledig afhankelijk van planten voor hun voedsel: uit de bloemen winnen ze zowel nectar als stuifmeel (ook wel ‘pollen’ genoemd, maar om verwarring te voorkomen, spreken we hier consequent over stuifmeel). Het foerageergedrag en de voorkeur voor welke bloemen bezocht worden, hangt af van de behoefte in het volk en de aantrekkelijkheid van de nectar- en stuifmeelbron. Het foerageergedrag wordt voortdurend aangepast aan de beschikbare dracht en de behoeften van het bijenvolk.
Honingbijen overwinteren als volk en leggen voorraden aan om de koude wintermaanden door te komen. Met veel dracht en genoeg fysieke opslagruimte, worden deze voorraden gemaximaliseerd, wat onder andere het oogsten van honing mogelijk maakt. Van nature hebben bijna alle bestuivende insecten een lokale basis. Vanuit één vast punt, het nest/de bijenkast, wordt een omliggend areaal benut voor het verwerven van voedsel (nectar, honingdauw, stuifmeel), nestmateriaal (harsen) en water. In het wild vestigt een bijenvolk zich na het zogenaamde zwermen op een gunstige locatie en opereert daarna jarenlang vanuit die vaste basis. Omdat de honingbijenvolken tegenwoordig door imkers beheerd worden, vindt het zwermen op grote schaal niet meer plaats en bepaalt de imker de locatie van het bijenvolk in het landschap. Doorgaans is dit een vaste plek (bijenstand), maar door met bijenvolken te reizen, kan het evenwicht van de bijenkast met de lokale basis door imkers worden doorbroken, waardoor honingbijen ‘opeens’ aanwezig kunnen zijn in een landschap waar ze van tevoren ontbraken of in veel lagere aantallen voorkwamen.
14 | Wageningen Environmental Research Rapport 3185
Verplaatsing van honingbijkasten vindt bijvoorbeeld op grote schaal plaats ten behoeve van bestuiving van landbouwgewassen. Daarbij worden kasten tijdens de gewasbloei tijdelijk in boomgaarden, akkers of tuinderijen geplaatst om daar bij te dragen aan de bestuiving (Figuur 1). Ook buiten de bloeiperiode van deze gewassen heeft het honingbijenvolk echter behoefte aan nectar en stuifmeel. Veel imkers verhuizen daarom hun volken graag in de loop van het seizoen naar andere locaties met een massale bloemdracht, zoals bloeiende heidevelden. Ongeveer 49% van de imkers verplaatst kasten op jaarlijkse basis (Breeze et al., 2019). Daarbij betreft het ongeveer 87% van de beroepsimkers en 45% van de hobbymatige imkers. Op basis van de bovengenoemde geschatte aantallen volken, betekent dit dat jaarlijks tienduizenden kasten worden verplaatst door hobbyimkers, tegenover een ruime 1000 kasten door beroepsimkers.
Figuur 1
Honingbij op aardbei. Honingbijen zijn belangrijke bestuivers van landbouwgewassen.
Foto: Wim Dimmers, Wageningen UR.
1.2.2
Wilde bijen
Hoewel de honingbij de bekendste bij is bij het grote publiek, komen er nog veel meer bijensoorten in Nederland voor. Omdat deze niet gehouden worden door bijenhouders, spreken we daarmee van ‘wilde bijen’. Hoewel het op basis van de naamgeving wellicht niet meteen helder is, worden onder deze term ook de hommels gerekend. Ons land kent circa 360 soorten wilde bijen, waarvan een groot deel op de Rode Lijst staat, wat aangeeft dat het in ons land niet goed gaat met de populaties van die betreffende soorten (Reemer, 2018). De meeste van de 29 hommelsoorten in Nederland zijn, net als honingbijen, sociaal georganiseerd in een volk onder leiding van een koningin. In deze volken zijn het niet de individuele werksters, maar de koningin die de reproductie verzorgt. De meeste andere wilde bijensoorten leven echter solitair, al dan niet in een aggregatie van meerdere zelfstandige individuen, en alle vrouwelijke exemplaren doen mee aan de reproductie (Peeters et al., 2012). Hoewel wilde bijen, net als honingbijen, ook afhankelijk zijn van bloemen voor nectar en stuifmeel, is er binnen deze groep een veel grotere mate van specialisatie aanwezig. Er zijn soorten (waaronder enkele algemene hommels zoals de aardhommel (Bombus terrestris)) die net als honingbijen redelijk opportunistisch zijn in hun voedselkeuze. Er zijn echter ook soorten die veel verder gespecialiseerd zijn in
Wageningen Environmental Research Rapport 3185
| 15
het type bloem dat ze bezoeken en soms maar op enkele of maar één voedselplant(en) vliegen (Peeters et al., 2012). Ook is de actieradius van veel wilde bijen een stuk kleiner dan die van honingbijen. Dit betreft met name de solitaire bijen, waarvan veel soorten zich normaliter maar binnen een straal van enkele honderden meters van hun nestelplek bewegen (Peeters et al., 2012). Een ander groot verschil met honingbijen is dat de periode waarin wilde bijen gedurende het seizoen in het veld aanwezig zijn doorgaans korter is. Het grootste deel van het jaar brengt de wilde bij door in een larvaal of popstadium en heeft het dier geen interactie met andere soorten bijen. Deze interactie vindt doorgaans alleen plaats in de korte periode waarin het dier aanwezig is als volwassen bij (imago) en rondvliegt op zoek naar stuifmeel en nectar. Deze afgebakende vliegperiode is onder natuurlijke omstandigheden afgestemd op de bloei van hun specifieke drachtplanten, waarbij sommige soorten jaarlijks één generatie doormaken en andere soorten twee generaties, resulterend in twee vliegperioden per jaar met soms verschillende drachtplanten. Doordat de vliegperiode doorgaans relatief kort is, kan een verstoring in bijvoorbeeld het verzamelen van genoeg stuifmeel voor de nieuwe generatie niet op een later tijdstip gecompenseerd worden.
Doordat het Nederlandse landschap en het gebruik ervan veranderd is, zijn veel populaties van wilde bijen in het reguliere landschap sterk achteruitgegaan of zelfs verdwenen (Reemer, 2018). Met name de meer zeldzame soorten komen tegenwoordig vooral nog voor in geïsoleerde natuurgebieden.
Figuur 2
Een aardhommel (Bombus terrestris) op winterheide (Erica carnea), een tuinplant die van
oorsprong uit Midden- en Zuid-Europa komt, maar in het vroege voorjaar door zowel hommels als honingbijen graag wordt bezocht. Foto: Arjen de Groot, Wageningen UR.
16 | Wageningen Environmental Research Rapport 3185
1.3
Interacties tussen honingbijen en wilde bijen
Uit wetenschappelijke studies, zoals samengevat in de review van Mallinger en collega’s (Mallinger et al., 2017), blijkt dat – afhankelijk van de landschappelijke context – er weliswaar studies zijn waar geen negatief effect van de aanwezigheid van honingbijkasten op lokale populaties van bestuivers wordt waargenomen, maar dat er een groter aantal studies is waar wel een negatief effect wordt gevonden. Een zeer recent voorbeeld is het onderzoek op Tenerife (Valido et al., 2019), waar op basis van een 3-jarige studie werd aangetoond dat de introductie van honingbijen in een voorheen honingbij-vrije omgeving leidde tot een vermindering van het aantal wilde bijensoorten. In tegenstelling tot het onderzoek op Tenerife waar bijen actief werden bijgeplaatst op plekken waar deze eerst niet voorkwamen, is de honingbij in het Nederlandse landschap een bestaande component van de gemeenschap van bestuivers (Moritz et al., 2005). Echter wat de Tenerife-studie goed aangeeft, is dat honingbijen een deel van de draagkracht van een systeem benutten dat anders door andere bijen gebruikt wordt.
Onderzoek in het Verenigd Koninkrijk (Goulson en Sparrow, 2009) liet zien dat hoewel de aanwezigheid van honingbijen de lokale hommelpopulaties binnen een straal van 100 m van het bijenvolk niet deed verdwijnen, de lichaamsgrootte van de hommels afnam, wat als een verminderde vitaliteit van deze populaties mag worden beschouwd. Een recente studie van Henry en Rodet (2018) laat zien dat een te hoge dichtheid van honingbijen binnen een afstand van 600 tot 1100 m om het bijenvolk niet alleen wilde bijen negatief beïnvloedt, maar ook de honingbijen zelf benadeelt, omdat hun foerageerefficiëntie op stuifmeel en nectar sterk afneemt.
1.4
Context-afhankelijkheid
Duidelijk is wel dat dergelijke negatieve effecten niet altijd en overal optreden. Negatieve effecten zijn vooral te verwachten als de draagkracht van het systeem onvoldoende is. Daarbij gaat het om de hoeveelheid bloemen, maar ook om de lokale diversiteit van het aanbod (o.a. Herbertsson et al., 2016). Hoeveel bestuivers een landschap van voedsel kan voorzien zonder dat verdringing optreedt, hangt af van de totale hoeveelheid bloemen en welke soorten planten en bestuivers er lokaal aanwezig zijn. Op basis van de huidige kennis is het echter lastig om precies per locatie en tijd van het jaar aan te geven wat de draagkracht van een gebied is. Als gevolg hiervan worden er door de verschillende betrokkenen verschillende handelingsperspectieven gehanteerd. Sommige terreinbeheerders houden aan dat er in principe geen plaats is voor gehouden honingbijen in natuurgebieden, vanwege de mogelijk negatieve effecten op de kwetsbare flora en fauna. Dit voorzorgsprincipe komt voort uit het feit dat veel Rode Lijstsoorten (circa 55% van de wilde bijen) grotendeels afhankelijk zijn van de kleine natuurgebieden die we nog hebben en hier zo veel mogelijk ongestoord moeten blijven om nog een redelijke kans te hebben om in Nederland te overleven. Bijenhouders daarentegen zoeken tijdens de massale bloei van bijvoorbeeld de heidevelden in natuurgebieden juist graag deze arealen op.
Een door imkers opgestelde richtlijn hierbij is dat in het geval van massale dracht in natuurgebieden aangeraden wordt niet meer dan drie volken per hectare te plaatsen (Cornelissen en Visser, 2011). De crux lijkt te zitten in de vraag wat op een bepaald moment in het seizoen de draagkracht van het landschap in kwestie is en welke hoeveelheid bestuivers, waaronder zowel wilde bijen als honingbijen, nog door deze draagkracht kan worden ondersteund. Daar dit van veel factoren afhankelijk is, is daarover op dit moment nog geen generiek beeld te schetsen. De reden dat negatieve effecten niet altijd optreden, is dat de interactie tussen honingbijen en wilde bijen sterk context-afhankelijk is. Als in het ene landschap een bepaalde aantalsverhouding tussen honingbijen en wilde bijen niet tot negatieve effecten leidt (zoals o.a. gevonden door Steffan-Dewenter en Tscharntke, 2000), hoeft dat niet te betekenen dat deze zelfde aantalsverhouding in andere landschappen ook niet voor problemen zorgt. Dit is afhankelijk van het voedselaanbod in het landschap, maar daarnaast ook van de exacte combinatie van bijensoorten die ter plaatse voorkomt en het type voedselbronnen dat zij nodig hebben. Zeer belangrijk is hierbij ook dat, zelfs als deze relaties bekend zijn, deze niet constant blijven, omdat ze onder invloed van omgevingsfactoren weer kunnen veranderen.
Zo hebben weersomstandigheden grote invloed op de beschikbare voedselhoeveelheid, waarbij er bijvoorbeeld in een zeer droog jaar minder
Wageningen Environmental Research Rapport 3185
| 17
bloei is. Naast de hoeveelheid beschikbare bloei is ook het ruimtelijke aspect hiervan belangrijk. Omdat de bloei van relevante planten doorgaans niet homogeen over een gebied verdeeld is, is zeer lokale beschikbaarheid van bloemen rond het nest voor wilde bijen veel belangrijker dan voor honingbijen. Daarnaast hebben weerscondities ook een rechtstreeks effect op de vitaliteit, bijvoorbeeld via een gedwongen verkorting van de vliegduur bij slecht weer. Omgevingsfactoren fungeren in potentie als een snelkookpan, waarbij situaties die normaliter geen negatieve interactie tussen honingbijen en wilde bijen zouden opleveren, toch suboptimaal kunnen worden. Zoals weergegeven in Figuur 3, hangen deze vier hoofdfactoren (voedselaanbod, ecologie van honingbijen, ecologie van wilde bijen en lokale condities) sterk met elkaar samen. Hun exacte onderlinge dynamiek en de gevolgen daarvan in termen van overlevingskans voor wilde bijen hangt sterk af van een groot aantal onderliggende factoren. Deze onderliggende factoren en de mate waarin deze wetenschappelijk zijn onderzocht, worden in Hoofdstuk 3 nader uitgewerkt.
Figuur 3
Schematische weergave van de verschillende invloeden op de interactie tussen wilde bijen en
honingbijen.
1.5
Doelstelling en werkwijze: haalbaarheid van contextafhankelijke richtlijnen
De sterke context-afhankelijkheid van risico’s op concurrentie maakt het opstellen van vaste, landelijke richtlijnen voor het plaatsen van honingbijenvolken, die recht doen aan de behoeften van alle betrokken partijen, zeer lastig. Evident is dat op sommige plekken meer honingbijenvolken kunnen staan dan op andere plekken. Idealiter wordt dus gestreefd naar maatwerk: richtlijnen die zijn afgestemd op de lokale situatie. In de Theory of Change van de Nationale Bijenstrategie (https://www.bestuivers.nl/nationalebijenstrategie), die
18 | Wageningen Environmental Research Rapport 3185
in 2020 werd opgesteld om in beeld te brengen welke combinatie van acties nodig is voor het bepalen van de gestelde doelen, wordt dan ook voorgesorteerd op een regionale aanpak: voedselconcurrentie kan worden voorkomen via beleid op gemeentelijk niveau en beheerrichtlijnen opgesteld door imkerverenigingen en terreinbeherende organisaties (idealiter in onderlinge samenwerking). Idealiter wordt voor een begrensd gebied of regio een risico-inschatting gemaakt, die wordt getoetst tegen lokale beheerdoelstellingen, om te komen tot een richtlijn voor plaatsing van kasten die past bij het geaccepteerde risiconiveau. De sleutel voor het maken van een dergelijke risicoschatting zit echter in de beschikbaarheid van voldoende informatie, op het juiste detailniveau. Daarbij geldt: hoe gedetailleerder het beoogde maatwerk, hoe gedetailleerder de informatiebehoefte. Dit betreft zowel informatie over de exacte situatie ter plaatse (parameters, zoals voedselaanbod) als wetenschappelijke kennis over de relaties tussen deze parameters. De vraag is hoe ver we hierin kunnen en willen gaan. Het voorliggende rapport betreft een verkennende studie van de haalbaarheid van verschillende oplossingsrichtingen voor het definiëren van context-afhankelijke richtlijnen. Daartoe zetten we allereerst verschillende potentiële oplossingsrichtingen op een rij, inclusief hun informatiebehoefte (Hoofdstuk 2).
Vervolgens onderzoeken we de informatiebeschikbaarheid op verschillende deelonderwerpen (Hoofdstuk 3), waarna we per oplossingsrichting een balans opmaken van de praktische haalbaarheid (Hoofdstuk 4). Dit resulteert in een aantal aanbevelingen voor haalbare vervolgstappen op korte en lange termijn (Hoofdstuk 5). Naast wilde bijensoorten komen in Nederland ook ruim 350 wilde soorten zweefvliegen voor, die eveneens een belangrijke bijdrage leveren aan de bestuiving van zowel voedselgewassen als natuurlijke vegetatie. Ook veel van deze zweefvliegsoorten staan onder druk. In de Bijenstrategie wordt dan ook weliswaar gesproken over ‘wilde bijen’, maar wordt benadrukt dat hiermee in feite alle belangrijke wilde bestuivers, waaronder zweefvliegen, worden bedoeld. In het voorliggende rapport is echter wel gekozen voor een focus op de relaties tussen honingbijen en wilde bijen (hommels en solitaire bijen), om twee redenen. Ten eerste geldt dat de meeste zweefvliegsoorten grotere afstanden kunnen afleggen en minder kieskeurig zijn in hun voedselkeuze dan wilde bijensoorten, waarmee de kans op negatieve invloed door honingbijen vermoedelijk kleiner is. Ten tweede geldt dat detailinformatie over de exacte behoeften van specifieke zweefvliegsoorten (nog) vele male kleiner is dan het geval is voor wilde bijensoorten.
Een pragmatische aanpak om toch oplossingsrichtingen te kunnen uitwerken en beoordelen, is daarom om deze te baseren op de wilde bijen en de aanname te doen dat de meeste zweefvliegen hier afdoende van zullen meeprofiteren. Daarbij moet meteen worden benadrukt dat het belangrijk is om in een vervolgstadium, bij de uitwerking van een specifieke oplossingsrichting, alsnog te toetsen of deze aanpak ook voor zweefvliegen afdoende bescherming biedt.
Wageningen Environmental Research Rapport 3185
| 19
2
Potentiële oplossingsrichtingen
Dat er een mogelijke overexploitatie door honingbijen van een voedselbron kan optreden, is een feit dat al langer wordt onderkend. In eerste instantie werd deze discussie eind jaren negentig van de vorige eeuw voornamelijk onder imkers zelf gevoerd, nadat er situaties ontstonden waarbij er dusdanig veel honingbijenvolken naast velden met rijke dracht werden geplaatst dat zelfs daar de honingoogst achteruitliep (Kuypers, 1997). Hierop werden per veelvoorkomende drachten aanbevelingen gedaan voor het maximumaantal volken voor een aanvaardbare honingopbrengst (Kuypers, 1997). Hierbij wordt eventuele overexploitatie voorkomen door vooraf vastgestelde maximale dichtheden aan te houden. In 2010 werd deze discussie breder getrokken naar de interactie tussen honingbijen en wilde insecten in natuurterreinen en werden de eerdergenoemde maxima naar beneden bijgesteld (Van der Spek, 2010). Deze aanpak werd in 2019 verder verfijnd in de voorgestelde (voorlopige) richtlijnen van Slikboer en Smit (2019) en Slikboer et al. (2019). De conservatiefste vorm van het stellen van maximale dichtheden is het besluit om honingbijen in het geheel niet toe te laten. Dit strikte voorzorgsprincipe wordt door sommige beheerders van natuurgebieden gehanteerd, mede vanwege een gebrek aan (algemeen beschikbare) kennis over hoe de interactie tussen honingbijen en wilde bijen precies in elkaar steekt.
Omdat daardoor niet kan worden nagegaan wanneer er een grens wordt overschreden, tracht men de kwetsbaarste groep (in dit geval de wilde bijen) in bescherming te nemen. Hoewel dit voorzorgsprincipe in eerste instantie een effectieve methode lijkt, zijn de betreffende terreinen in het Nederlandse landschap veelal dusdanig klein en de foerageerafstand die honingbijen kunnen afleggen dusdanig groot, dat bij massale plaatsing van bijenvolken net buiten het betreffende gebied de effectiviteit van deze maatregel mogelijk beperkt kan zijn. Een methode die ook op regionaal niveau werkt kan daarmee waardevol zijn, maar op dit schaalniveau is het volledig uitsluiten van honingbijen minder wenselijk en haalbaar. Om tot breed gedragen oplossingen te komen, kan worden gedacht aan een benadering waarbij de bovengenoemde routes gericht op risicovermijding (concurrentie uitsluiten) worden vervangen door een route gericht op risicospreiding. In deze benadering wordt getracht te komen tot een verdeling van bijenvolken over het landschap die per locatie het risico op concurrentie minimaliseert. Dat kan door gebruik te maken van ruimtelijke informatiebestanden (GIS-kaarten) met daarin data over de aanwezigheid van drachtplanten, honingbijenkasten en (potentiële) aanwezigheid van wilde bijensoorten of waardevolle habitat voor wilde bijen.
Risicospreiding is met name interessant op grotere schaalniveaus, zoals grotere natuurgebieden of complete regio’s bestaande uit een combinatie van landgebruikstypen. Een derde benadering, die de meeste flexibiliteit biedt in het maken van keuzes, is een mechanistische modelaanpak, die concrete voorspellingen doet over de resultaten van interacties tussen honingbijen en wilde bijen in verschillende situaties. In een mechanistisch model worden interacties tussen wilde bijen, honingbijen, het voedselaanbod en omgevingsfactoren expliciet gekwantificeerd en met elkaar verbonden. Het einddoel is om op basis van enkele ingevoerde kengetallen voor bijvoorbeeld beschikbare voedselhoeveelheid en aantal bijenvolken, het model te laten berekenen of geen negatieve effecten optreden op populaties wilde bijen (of andersom, op de geplaatste honingbijenvolken). Hiermee ontstaat in feite een ‘decision support tool’, die inzicht geeft in de effecten van specifieke beheerscenario’s en die de resultaten toetst tegen bepaalde doelstellingen (welke risico’s worden als aanvaardbaar beschouwd). Hieronder wordt de redenering achter elk van deze drie oplossingsrichtingen nader toegelicht, waarbij tevens benoemd wordt welk type informatie nodig is om deze oplossing toe te passen. Een inschatting van informatiebeschikbaarheid en praktische haalbaarheid volgt in Hoofdstuk 3 en 4.
20 | Wageningen Environmental Research Rapport 3185
2.1
Risicovermijding via vaste maatstaven voor maximale dichtheden (volken/opp.)
Een aanpak op basis van vaste maximale dichtheden per oppervlakte is per definitie vrij statisch, met alle voordelen (duidelijkheid bieden) en nadelen (gebrek aan flexibiliteit) van dien. Deels is dit te ondervangen door een onderscheid te maken tussen een aantal typen situaties, zoals massale drachten (al dan niet uitgesplitst voor verschillende plantensoorten) en gebieden zonder massale dracht. Massale drachten Doordat er op locaties met massale drachten zo veel bijenkasten geplaatst werden dat de honingopbrengst per kast achteruitliep, leidde dit tot discussie onder imkers over druk op drachtgebieden en de overbelasting van drachtweiden. In het maandblad voor imkers is hierop een discussiestuk geplaatst met daarin een tabel met een maximumaantal volken per ha voor een acceptabele honingopbrengst (zie Tabel 1).
Tabel 1
Maximumaantal volken per ha voor een aanvaardbare honingopbrengst (Kuypers, 1997).
Drachtplant
m2 per volk
Volken/ha
Linde, grote bomen
1.600
6
Koolzaad, aaneengesloten gezaaid
2.000
5
Witte klaver, aaneengesloten gezaaid
2.500
4
Phacelia, aaneengesloten gezaaid
2.500
4
Wilgenkatjes
3.300
3
Acacia
3.300
3
Prunus
3.300
3
Witte klaver, massaal tussen gras
5.000
2
Distel, massaal tussen jonge aanplant
5.000
2
Distel met koolz. tussen jonge aanplant
5.000
2
Fruitbomen
5.000
2
Struikheide
5.000
2
Distel, wilgenroosjes tussen jonge aanplant
10.000
1
Dopheide
10.000
1
Bosbessen
10.000
1
Distel, wilgenr. tussen jonge bomen
20.000
0.5
Bos met rest distel, wilgenr. klaver
100.000
0.1
Woonwijk rijtjes huizen met tuinen
100.000
0.1
Villawijk
70.000
0.14
Ouder bos met restjes dracht
500.000
0.02
Hoewel hier het mogelijk optreden van concurrentie tussen honingbijen en andere insecten al aangestipt werd, is dit verder niet expliciet meegenomen in de bovenstaande tabel. Hier is voornamelijk gekeken naar concurrentie van honingbijenvolken onderling. In de benadering van Van der Spek (2010) wordt voor natuurterreinen wel een deel van de beschikbare nectar expliciet voor wilde insecten gereserveerd. In de benadering van Van der Spek, die in beginsel gebaseerd is op die van Kuypers (1997), wordt verondersteld dat gedurende de looptijd van een dracht een rijk drachtveld 110 kg honing/ha kan leveren. Een bijenvolk dat op dat veld 25 kg honing haalt, gebruikt hiervan 50% voor het operationele onderhoud en van de resterende 12,5 kg wordt 80% daadwerkelijk omgezet in oogstbare honing, wat de imker derhalve 10 kg honing zou opleveren. Op 1 ha kunnen daarmee dus vier bijenvolken geplaatst worden. Om ook een significant deel te reserveren voor wilde insecten, wordt door Van der Spek voorgesteld om maar 25% van het maximumaantal kasten dat geplaatst kan worden zonder concurrentie tussen honingbijen onderling toe te staan (zie Tabel 2).
Wageningen Environmental Research Rapport 3185
| 21
Ook worden hier enkele additionele suggesties gedaan ter bescherming van wilde insecten. Zo wordt opgeroepen om: • Plaatsing van honingbijen alleen in gebieden toe te staan waar dit in het verleden ook plaatsvond en daarmee tot een stukje cultuurhistorie behoort. • Plaatsing alleen tijdens de hoofdbloei van massaal voorkomende drachtplanten, en dus niet al vanaf het begin van de bloei of nog wanneer al veel planten zijn uitgebloeid. • Plaatsing aan één (korte) zijde van het gebied, ver van nestgelegenheid voor solitaire bijen, of aan de zijde waar de meeste kasten op aangrenzend terrein staan. De oppervlakte moet zo groot zijn dat een belangrijk gedeelte van het gebied verder dan 1000 m van de standplaats van de honingbijen af ligt. • Geen plaatsing in jaren met een beperkte bloei, door bijvoorbeeld aantasting van heidehaantje in struikhei. Deze benadering is uiteraard naar wens nader te specificeren door onderscheid te maken tussen gebieden met verschillende typen beleidsdoelstellingen. Voor natuurgebieden met een specifieke natuurinstandhoudingsdoelstelling (zoals o.a. Natura 2000-gebieden, maar ook bijvoorbeeld defensieterreinen), kunnen nog strengere eisen worden gesteld.
Slikboer en Smit (2019) stelden een voorlopige richtlijn op voor heideterreinen van defensie, waarin zij adviseerden om voor die terreinen de getallen van Van der Spek (2010) met een factor 3 te verkleinen en tevens afhankelijk te maken van onder andere het type massale dracht dat op een bepaald moment bloeit, aangezien verschillende drachtplanten voor verschillende (meer of minder gevoelige) wilde soorten van belang zijn en daarmee verschillen in kans op negatieve interacties tussen honingbijen en wilde soorten. In de voorlopige richtlijn van Slikboer en Smit (2019) resulteerde dit in de conservatievere waarden in de tweede kolom in Tabel 2. Echter, in de definitieve richtlijn zoals gepresenteerd door Smit et al. (2021) zijn deze verschillende maximumwaarden per type massale dracht weer losgelaten en vervangen door een algemene maximumwaarde per ha bloeiende heide, die gebaseerd is op de invloedsfeer van een bijenkast en schaalt met de totale oppervlakte van het heideterrein. Dit resulteert in een waarde van 0,19 volken/ha voor heidevelden van 1600 ha, maar slechts 0,03 volken/ha voor heidevelden van 100 ha. Belangrijk is ook het dringende advies om per terrein alle volken geclusterd op één locatie te plaatsen, om zo de totale oppervlakte die onder invloed van honingbijen staat te verkleinen. Bovengenoemde waarden gaan uit van toepassing van dat advies.