CConstaterende datNunspeet
Koppel je AI →
Document · PDF

AP 9. St.t.i. Ruimtelijke onderbouwing Bergakkerweg 22-24

Raadsvergadering 24 februari 2022, gemeente NunspeetBij agendapunt: Afgifte (ontwerp) Verklaring van geen bedenkingen Bergakkerweg 22-24 / Kerkendriest (hamer-stuk).14.201 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgesteld in: • • •

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Het transporteren van stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2

Situatie in en bij het projectgebied

Aan hand van de Risicokaart (risicokaart.nl) is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

‘Bergakkerweg 22-24, Nunspeet’ Ruimtelijke onderbouwing dertien soorten rampen weergegeven. In figuur 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart ter plaatse van het projectgebied en de omgeving weergegeven.

Figuur 5.1 Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)

Uit de inventarisatie blijkt dat het projectgebied: • • • •

5.4.3

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

‘Bergakkerweg 22-24, Nunspeet’ Ruimtelijke onderbouwing •

het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2

Gebiedstypen

Afstemming van bestaande en nieuwe functies gebeurt door het aanhouden van zogenaamde richtafstanden. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’. Bij deze richtafstanden wordt rekening gehouden met de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar zoals gesteld in de ‘Staat van bedrijfsactiviteiten’. Hierbij wordt uitgegaan van het principe van functiescheiding, waarbij twee gebiedstypen te onderscheiden zijn, namelijk: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Het projectgebied is gelegen in het centrum van Nunspeet, in een gebied dat wordt gekenmerkt door diverse centrumfuncties. Horeca, detailhandel, kleinschalige bedrijfsfuncties, wonen en maatschappelijke voorzieningen komen naast elkaar voor. In dit gebied wordt bewust functiemenging nagestreefd om de levendigheid te creëren. Door deze functiemenging is het projectgebied aan te merken als omgevingstype ‘gemengd gebied’. Voor gebieden waar in enige vorm sprake is van functiemenging, of in gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd (bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen), kunnen de gebieden worden aangemerkt als ‘functiemengingsgebied’.

Bij ‘functiemengingsgebieden’ moet gedacht worden aan: • stadscentra, dorpskernen en winkelcentra; • horecaconcentratiegebieden; • zones met functiemenging langs stedelijke toegangswegen en in lintbebouwingen; • (delen van) woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid. Zoals in de VNG-publicatie is aangegeven kan, vanwege de bijzondere kenmerken van gebieden met enige vorm van functiemenging, niet worden gewerkt met een systematiek van richtafstanden en afstandsstappen: vanwege de zeer korte afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies is een dergelijke systematiek niet geschikt voor functiemengingsgebieden. De ‘Staat van Bedrijven (SvB) - functiemenging’ bevat geen richtafstanden, maar categorieën A, B en C, die aangeven onder welke omstandigheden activiteiten inpasbaar zijn. De toelaatbaarheid van milieubelastende functies in gebieden met functiemenging wordt beoordeeld aan de hand van de volgende drie ruimtelijke relevante milieucategorieën: Categorie A: Activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze inpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend. Categorie B:

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

‘Bergakkerweg 22-24, Nunspeet’ Ruimtelijke onderbouwing Activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden. Categorie C: De activiteiten zoals genoemd onder B, waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen. 5.5.3

Situatie projectgebied

5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. 2.

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ is niet milieubelastend voor de omgeving. Er is geen sprake van aantasting van het woonen leefklimaat van omwonenden. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe woningen hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Autobedrijf (Bergakkerweg 28) De dichtstbijzijnde milieubelastende functie betreft het westelijk gelegen pand. Het pand heeft een bedrijfsbestemming. In het pand was voormalig een autobedrijf (Bergakkerweg 28) gevestigd. Voor deze locatie is echter reeds een ontwikkelingsplan voor circa vijftien appartementen en twee grondgebonden woningen. Het autobedrijf (voormalige Garage Vierhout) zal dan gesloopt worden, waarmee een bedrijfsfunctie verdwijnt uit een woongebied. Een en ander in overweging nemende geeft dat niet aan deze bedrijfsbestemming getoetst wordt in het kader van de ‘interne werking’. Administratiekantoor (Bergakkerweg 11a) Daarnaast is er aan de Bergakkerweg 11a een administratiekantoor gevestigd, binnen de bestemming gemengd.

Dit bedrijf kan worden gekwalificeerd als een ‘Bedrijfs- en werknemersorganisaties (kantoren)’ waarvoor een grootste richtafstand van 10 meter geldt voor het aspect ‘geluid’. Binnen een gemengd gebied kan deze afstand eenmalig worden verlaagd tot 0 meter, de nieuwe ontwikkeling is gelegen op circa 35 meter afstand, waarmee ruimschoots aan de richtafstand wordt voldaan. Parkeerterrein (Kerkendriest) Tot slot kan het nabijgelegen parkeerterrein voor geluidsbelasting zorgen. Ten westen van het projectgebied zijn parkeerplaatsen aanwezig. Er is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd ten behoeve van de geplande nieuwbouw van appartementen aan de Driestweg 6-8 te Nunspeet. Omdat deze ontwikkeling zeer nabij de Bergakkerweg 22-24 is gelegen, en de (in dit bestemmingsplan besloten) ontwikkeling naar aard en omvang hieraan (ontwikkeling Driestweg 6-8) gelijk is te stellen, wordt hierna op BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

‘Bergakkerweg 22-24, Nunspeet’ Ruimtelijke onderbouwing de belangrijkste resultaten uit het onderzoek ingegaan. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 3 bij dit bestemmingsplan. Resultaten De optredende maximale geluidniveaus ter plaatse van de beoogde appartementsgebouwen respecteren niet de richtwaarden uit stap 2 van de VNG-publicatie. De hogere geluidniveaus zijn in de concrete situatie acceptabel aangezien: • Bij beoordeling aan de richtwaarden uit stap 3 van de VNG-publicatie worden piekniveaus vanwege aan- en afrijdend verkeer buiten beschouwing gelaten. Onder aan- en afrijdend verkeer worden ook aanverwante piekgeluiden zoals het dichtslaan van portieren verstaan. Geconcludeerd wordt dat hiermee wel wordt voldaan aan de richtwaarden uit stap 3 van de VNG-publicatie. • Overdrachtsmaatregelen in de vorm van geluidschermen zijn niet wenselijk. • Het betreft een omgevingseigen geluidbron. In de omgeving vinden al vergelijkbare activiteiten plaats. • Het aantal parkeerbewegingen in de nachtperiode zal beperkt zijn. • Het betreft gebruik van een, ook voor de bewoners van het appartementsgebouw te gebruiken, parkeerterrein.

• De geluidbelaste gevels van de nieuwe appartementen dienen conform het Bouwbesluit uitgevoerd te worden met een geluidwering van minimaal 20 dB(A) waardoor binnen geluidsgevoelige ruimten een maximale geluidniveau (LAmax) van ten hoogste 55 dB(A) in de dag-, 50 dB(A) in de avond- en 45 dB(A) in de nachtperiode wordt gewaarborgd. In de dagperiode bedraagt het maximale geluidniveau ten hoogste 74 dB(A). Daarmee wordt, uitgaande van een minimale geluidwering van 20 dB(A), een binnenniveau van 55 dB(A) gewaarborgd. In de avond- en nachtperiode bedraagt het maximale geluidniveau ten hoogste 74 dB(A). Daarmee wordt, uitgaande van een minimale geluidwering van 20 dB(A), een binnenniveau van 50 dB(A) in de avond- en 45 dB(A) in de nachtperiode niet gewaarborgd. Om dit binnenniveau te waarborgen dient middels een aanvullend onderzoek naar de geluidwering van de gevels te worden aangetoond dat deze binnenniveaus worden gewaarborgd. 5.5.4

Conclusie milieuzonering

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend initiatief.

5.6

Ecologie

5.6.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuur Netwerk Nederland (in Gelderland Gelders Natuurnetwerk GNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.6.2

Gebiedsbescherming

5.6.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

‘Bergakkerweg 22-24, Nunspeet’ Ruimtelijke onderbouwing In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het projectgebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ ligt op circa 500 meter afstand van het projectgebied. In dit geval is er door BJZ.nu een stikstofonderzoek uitgevoerd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 4 van dit bestemmingsplan. Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.6.2.2 Gelders Natuurnetwerk (GNN) Het Gelders Natuurnetwerk (GNN), is als onderdeel van het Nederlands Natuurnetwerk (NNN) de kern van het Nederlandse natuurbeleid.

Het GNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het GNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als GNN is gelegen op minimaal 500 meter afstand. Gezien de onderlinge afstand, de aard en omvang van de ontwikkeling en de invulling van het tussenliggende gebied met infrastructuur en bebouwing (barrièrewerking), wordt gesteld dat er geen sprake is van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN. In figuur 5.2 is de ligging van het projectgebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ en ten opzichte van het GNN weergegeven.

Figuur 5.2 Ligging van het projectgebied ten opzichte van natura 2000-gebied ‘Veluwe’ en ten opzichte van het GNN (Bron: Provincie Gelderland)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

‘Bergakkerweg 22-24, Nunspeet’ Ruimtelijke onderbouwing 5.6.3

Soortenbescherming

5.6.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Staring Advies heeft ter plaatse van het projectgebied een Quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten van het onderzoek opgenomen. In bijlage 5 van deze toelichting is de onderzoeksrapportage opgenomen. In bijlage 6 is een aanvullend/nader natuuronderzoek voor deze locatie opgenomen. 5.6.3.2 Onderzoeksresultaten Quickscan natuurwaardenonderzoek Uit de quickscan natuurtoets blijkt dat voor de voorgenomen ontwikkelingen binnen het projectgebied in Nunspeet, aanvullend onderzoek naar gebouwbewonende vleermuizen, gierzwaluw, huismus en steenmarter noodzakelijk is. Indien er bomen met holten gekapt of gesnoeid worden is ook aanvullend onderzoek naar verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen noodzakelijk.

Indien er groenstructuren langs de Bergakkerweg worden verwijderd of extra licht richting de weg wordt toegepast tussen zonsondergang en zonsopkomst, is tevens aanvullend onderzoek naar vliegroutes van vleermuizen noodzakelijk. Uit het aanvullende onderzoek zal blijken of er ontheffing en/of het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen noodzakelijk is. Daarnaast moeten de werkzaamheden buiten het broedseizoen (globaal tussen 15 maart – 15 juli) worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden en/of er dient te worden voorkomen dat broedvogels zich lokaal vestigen. Nadere toetsing of vergunningsaanvraag voor beschermde NNN natuurgebieden is niet aan de orde. Er is geen sprake van beschermde houtopstanden in het plangebied. Een kapmelding bij de provincie Gelderland voor beschermde houtopstanden is niet aan de orde. Aanvullend onderzoek beschermde diersoorten Uit het gericht onderzoek blijkt dat het slopen van enkele woningen binnen het projectgebied geen negatief effect hebben op vaste rust- en verblijfplaatsen van de gierzwaluw, huismus, vleermuizen en steenmarter en (essentieel) functioneel leefgebied van de huismus. Het aanvragen van een ontheffing en het opstellen van een mitigatie- en compensatieplan is niet noodzakelijk. Bij werkzaamheden en activiteiten dient altijd rekening te worden gehouden met broedvogels.

De werkzaamheden moeten buiten het broedseizoen worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden en/of er dient te worden voorkomen dat broedvogels zich lokaal vestigen. Bezette nesten mogen, ongeacht de tijd van het jaar, niet worden verstoord. Voor overige soort(groep)en is het aanvragen van een ontheffing ook niet noodzakelijk, aangezien er geen overtredingen van de Wet natuurbescherming optreden. Dit zijn de uitkomsten van het onderzoek dat is gehouden naar aanleiding van de plannen, ten behoeve van nieuwbouw voor het voornemen zoals beschreven in deze ruimtelijke onderbouwing. Dit kan negatieve gevolgen hebben voor beschermde plant- en diersoorten. Daarom was dit onderzoek noodzakelijk om te voldoen aan de Wet Natuurbescherming.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

‘Bergakkerweg 22-24, Nunspeet’ Ruimtelijke onderbouwing 5.6.4

Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.7

Archeologie & Cultuurhistorie

5.7.1

Archeologie

5.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

5.7.1.2 Situatie projectgebied Op basis van de archeologische beleidskaart ligt het projectgebied in een gebied met de aanduiding ‘Waarde – Archeologie 3’. In deze gebieden geldt voor bouwwerken een oppervlakte van ten hoogste 500 m². Binnen het projectgebied zullen de bouwwerkzaamheden dieper dan 0,50 m onder het maaiveld plaatsvinden. Voor de uitvoering van werken, geen bouwwerk zijnde, groter dan 2.500 m2 en dieper dan 0,5 meter is een omgevingsvergunning vereist. In voorliggend geval is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk, aangezien er geen sprake is van werken met een grotere oppervlakte dan 2.500 m². 5.7.2

Cultuurhistorie

5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.7.2.2 Situatie projectgebied Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Gelderland, in het projectgebied geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In het projectgebied of in de directe nabijheid van het projectgebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor het initiatief. 5.7.3

Conclusie

Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. In het projectgebied is er geen sprake van negatieve effecten op de aanwezige cultuurhistorische waarden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

‘Bergakkerweg 22-24, Nunspeet’ Ruimtelijke onderbouwing

5.8

Besluit milieueffectrapportage

5.8.1

Kader

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan);

Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. •

Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3);

Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). •

Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4);

Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven.

Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r. Beoordeling gehanteerd. 5.8.2

Beoordeling

5.8.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘de Veluwe’ ligt op circa 500 kilometer afstand van het projectgebied. In dit geval is uit de stikstofberekening reeds gebleken dat er geen sprake is van significante negatieve effecten ten aanzien van dit Natura-2000 gebied. 4.8.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r Voor wat betreft het gehele projectgebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor het voldoet aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten mogelijk worden gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

‘Bergakkerweg 22-24, Nunspeet’ Ruimtelijke onderbouwing • • •

een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag om er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken.

Deze paragraaf wordt in dit geval beschouwd als de vormvrije m.e.r.-toets. 4.8.3

Conclusie

De in dit bestemmingsplan besloten functiewijziging is niet m.e.r.-plichtig.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

‘Bergakkerweg 22-24, Nunspeet’ Ruimtelijke onderbouwing

HOOFDSTUK 6

WATERASPECTEN

6.1

Vigerend beleid

6.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2

Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 20162021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 6.1.3

Provinciaal beleid

Het Waterplan Gelderland 2016-2021 bevat het waterbeleid van de provincie. Het Waterplan is in samenhang opgesteld met de water(beheer)-plannen van het Rijk en de waterschappen. In onderlinge samenwerking zijn de plannen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd. In het plan staan de doelen voor het waterbeheer, de maatregelen die daarvoor nodig zijn en wie ze gaat uitvoeren. Voor oppervlaktewaterkwaliteit, hoogwaterbescherming, regionale wateroverlast, watertekort en waterbodems gelden provincie brede doelen. Voor een aantal functies, zoals landbouw, natte natuur, waterbergingsgebieden en grondwaterbeschermingsgebieden, zijn specifieke doelen geformuleerd. 6.1.4

Waterschap Vallei en Veluwe

Op 30 september 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 vastgesteld. De afgelopen jaren is veel bereikt, maar tegelijk staan er voor de komende jaren nieuwe uitdagingen. In het waterbeheerprogramma beschrijft het waterschap haar ambities en doelen voor het waarborgen van de waterveiligheid, het zorgen voor voldoende én schoon oppervlaktewater, het zuiveren van afvalwater en het verder ontwikkelen van de vele samenwerkings- en innovatiemogelijkheden. Het Waterbeheerprogramma (WBP) geeft de koers aan die het waterschap wil gaan varen en beoogt daarmee twee dingen. Ten eerste inzicht geven aan alle gebruikers en partners in het werkgebied in de doelen en maatregelen die het waterschap de komende zes jaar gaat bereiken. Ten tweede de koers intern bij het waterschap, als spoorboekje, expliciet maken en vastleggen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

‘Bergakkerweg 22-24, Nunspeet’ Ruimtelijke onderbouwing

6.2

Watertoets

6.2.1

Algemeen

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21 e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2

Klimaat en Hittestress

Initiatiefnemer tracht met deze ontwikkeling eveneens in te spelen op vergroening en klimaatadaptieve maatregelen rondom de herontwikkeling van Bergakkerweg 22-24 in Nunspeet. Op dit moment is de locatie grotendeels bestraat en bebouwd. In de nieuwe situatie is sprake van een kleinere footprint bebouwd oppervlak. De nieuwbouw wordt straks omrand met groenzones en krijgen b.v. alle bergingen een sedumdak. Hiermee heeft de nieuwbouw een positief effect op hittestress in de omgeving van het plangebied. Daarnaast zal er waar mogelijk gebruik worden gemaakt van duurzaam bouwmateriaal, en zal de (her)ontwikkeling leiden tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse van het plangebied en directe omgeving. Eveneens zullen er voorbereidingen worden getroffen voor de toekomst inzake het realiseren van voorzieningen met betrekking tot het opwekken van duurzame energie op het dak van de bebouwing. Hittestress Door klimaatverandering neemt het aantal zomerse en tropische dagen toe. De zomer van 2018 was de warmste in de afgelopen eeuwen en de zomer van 2019 kende de heetste week ooit: het werd voor het eerst warmer dan 40 graden. Boven een zekere grens leiden hoge tempraturen tot hittestress. Deze hittestress kan leiden tot een verminderd thermisch comfort, slaapverstoring, gedragsverandering (grotere agressie) en verminderde arbeidsproductiviteit.

Hittestress kan ook tot serieuze hitte gerelateerde ziekten leiden zoals: huiduitslag, krampen, oververmoeidheid, beroertes, nierfalen en ademhalingsproblemen. Soms kan hittestress zelfs sterfte tot gevolg hebben. Klimaat Door de afname van de bebouwde footprint in het plangebied neemt de kans op hittestress in de kern van Nunspeet af. Binnen het plangebied worden maatregelen getroffen om hittestress tegen te gaan. Dit zal geschieden door groenstructuren (sedumdaken op bijgebouwen) bij de nieuwbouw op te nemen. Daarnaast zal de nieuwbouwontwikkeling rekening houden met ondermeer de eventuele schaduwwerking, voor minder hitte en het minder snel verdampen van water na het sproeien. Meer groen betekent ook minder hitte. Planten/struiken/bomen voor droge en natte bodem - voor betere drainage/ wateropname van de grond en minder hitte. Planten nemen ook water op. Met betrekking tot wateroverlast worden maatregelen getroffen, zoals toepassen waterdoorlatende verharding. Verder wordt het plangebied zo ingericht dat er voldoende groen aanwezig is op- en rondom de nieuwe bebouwing. Op bijvoorbeeld een gazon kan het regenwater in de grond trekken en houdt regenwater tijdelijk vast. Al het regenwater wordt in de nieuwe situatie de locatie vastgehouden. Er gaat geen regenwater (meer) naar het openbaar riool.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

‘Bergakkerweg 22-24, Nunspeet’ Ruimtelijke onderbouwing Duurzame locatieontwikkeling (inbreiding versus uitbreiding) Realisatie van het plan levert een belangrijke bijdrage aan de forse taakstelling van de overheid om te zorgen voor voldoende woningbouw in de komende jaren. Door juist te kiezen voor inbreiding t.o.v. uitbreiding worden woningen gerealiseerd dicht bij de voorzieningen. Dit leidt tot minder voertuigbewegingen en daarmee minder overlast. Dit geldt o.a. voor de winkels voor de dagelijks boodschappen, de overige centrumvoorzieningen en ook voor bezoeken aan de huisarts, apotheek etc. 6.2.3

Watertoetsproces

Het waterschap Vallei en Veluwe is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl). De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde ‘korte procedure’ van de watertoets van toepassing is. De hierbij behorende ‘Standaard Waterparagraaf’ is opgenomen in bijlage 7 bij deze toelichting. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Vallei en Veluwe geeft een positief wateradvies. Hemelwater Wat betreft hemelwater dient bij nieuwbouw het nieuwe verharde oppervlakte niet te worden aangesloten op de riolering. Binnen het projectgebied moet in bergings- en infiltratiecapaciteit worden voorzien. Dit kan zowel bovengronds als ondergronds. Als het verhard oppervlak groter is dan 150 m2 moet er rekening worden gehouden met de maatgevende bui, en moet er gerekend worden met 36 mm neerslag per m2 verhard oppervlak. De op het terrein aan te leggen bergingsvoorziening moet een overstortmogelijkheid krijgen, deze mag niet op het riool worden aangesloten. Bij het ontwerp moet rekening worden gehouden hoe er met neerslag overstorten bij (zeer) intensieve buien wordt omgegaan. Met voorgenoemde eisen wordt rekening gehouden.

Tevens zullen er niet uitlogende materialen worden toegepast, waardoor wordt voorkomen dat het te infiltreren hemelwater het grond- en/of oppervlaktewater zal verontreinigen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

‘Bergakkerweg 22-24, Nunspeet’ Ruimtelijke onderbouwing

HOOFDSTUK 7

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad naar aanleiding van een omgevingsvergunning of bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk plan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan of omgevingsvergunning geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. Voor de economische uitvoerbaarheid van het project is het van belang te weten of het project financieel haalbaar is en of het kostenverhaal (grondexploitatie) goed geregeld is. Financiële haalbaarheid Aan de realisatie van de appartementen liggen particuliere initiatieven ten grondslag. De initiatiefnemers bekostigen deze zelf. Daarbij moeten zij bij de vergunningaanvraag aantonen hiervoor over voldoende financiële middelen te beschikken. In het geval van de eigenaren in het projectgebied is dit het geval. Grondexploitatie Voor dit project is de grondexploitatieregeling van toepassing, omdat bouwplannen (de bouw van het appartementengebouw) mogelijk worden gemaakt. Het kostenverhaal hoeft niet via het publiekrechtelijke spoor (vaststelling exploitatieplan) te lopen.

De gemeente verhaalt de plankosten via de leges bij de omgevingsvergunning. Deze leges zijn dekkend voor de door de gemeente te maken kosten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

‘Bergakkerweg 22-24, Nunspeet’ Ruimtelijke onderbouwing

HOOFDSTUK 8

VOOROVERLEG, INSPRAAK EN ZIENSWIJZEN

Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en het Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

8.1

Vooroverleg

9.1.1

Rijk

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke plannen. Geoordeeld wordt dat de voorgenomen ontwikkeling geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 8.1.2

Provincie Gelderland

Het voornemen voor de bouw van het appartementengebouw zal ter beoordeling worden aangeboden aan de provincie. 8.1.3

Waterschap Vallei en Veluwe

Het waterschap is geïnformeerd door gebruik te maken van de ‘digitale watertoets’. Hieruit bleek dat de zogenaamde ‘korte procedure’ van toepassing is. De bijbehorende standaard waterparagraaf is opgenomen in de bijlage 7 bij deze toelichting. Het waterschap adviseert hiermee positief, waarmee het wettelijke vooroverleg is afgerond.

8.2

Inspraak en burgerparticipatie

Voorafgaand aan het indienen van een aanvraag omgevingsvergunning is de omgeving nauw betrokken bij het plan, dit conform de gemeentelijke beleidsnotitie ‘De Omgevingsdialoog’. In het kader van inspraak hebben er in de eerste helft van 2020 ten behoeve van de ontwikkeling aan de Bergakkerweg 22-24 te Nunspeet verscheidene gesprekken met belanghebbenden en omwonenden plaatsgevonden. Aan de buren zijn de plannen toegelicht en besproken. De omgeving is van mening dat het planvoorstel ruimtelijk passend is en met name aan de zijde van de Kerkendriest een meerwaarde biedt voor de plek en omgeving. Er ontstaat aan deze zijde een ruimtelijke verbetering. Ten aanzien de plannen aan de Bergakkerweg 28-32 wordt opgemerkt dat deze plannen in samenhang met de initiatiefnemer van onderhavige ontwikkeling worden ontwikkelt en uitgevoerd. Enkele onderzoeken zijn tezamen uitgevoerd. Beide initiatiefnemers trekken met elkaar op en houden elkaar op de hoogte omtrent deze ontwikkelingen. Afgesproken is om de komende tijd te onderzoeken op welke wijze de plannen op elkaar afgestemd kunnen worden. Er hebben zich tot op heden nog geen omwonenden gemeld die onoverkomelijke bezwaren hebben tegen de voorgenomen ontwikkeling aan de Bergakkerweg 22-24.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

‘Bergakkerweg 22-24, Nunspeet’ Ruimtelijke onderbouwing

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

‘Bergakkerweg 22-24, Nunspeet’ Ruimtelijke onderbouwing

Bijlage 1

Bodemonderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

‘Bergakkerweg 22-24, Nunspeet’ Ruimtelijke onderbouwing

Bijlage 2

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

‘Bergakkerweg 22-24, Nunspeet’ Ruimtelijke onderbouwing

Bijlage 3

Akoestisch onderzoek parkeerterrein Kerkendriest

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

‘Bergakkerweg 22-24, Nunspeet’ Ruimtelijke onderbouwing

Bijlage 4

Stikstofonderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

45

‘Bergakkerweg 22-24, Nunspeet’ Ruimtelijke onderbouwing

Bijlage 5

Quickscan natuurwaarden

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

46

‘Bergakkerweg 22-24, Nunspeet’ Ruimtelijke onderbouwing

Bijlage 6

Aanvullend onderzoek natuurwaarden

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

47

‘Bergakkerweg 22-24, Nunspeet’ Ruimtelijke onderbouwing

Bijlage 7

Standaard waterparagraaf

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

48

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11195103/1