AP 9. St.t.i. Ruimtelijke onderbouwing afgifte VVGB Stationslaan 38
Tekst van het document
Situatie in en bij het projectgebied
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.2 is een uitsnede van de Risicokaart ter plaatse van het projectgebied (blauwe ster) en de omgeving weergegeven.
Afbeelding 5.2
Uitsnede Risicokaart (Bron: Atlas Leefomgeving)
Op circa 300 meter afstand ten zuiden van het projectgebied is de spoorlijn Amersfoort - Zwolle gelegen. Dit is een basisnet-spoortraject die valt onder het Besluit externe veiligheid (Bevt). Het betreft ter plaatse een traject met plasbrandaandachtsgebied. Voor het spoortraject geldt een PR-contour van 6 meter en een GR-plafond 10-8 van 243 meter. Het projectgebied valt buiten deze afstanden. Het berekenen of nader verantwoorden van het groepsrisico is daarmee niet noodzakelijk. Uit de inventarisatie blijkt verder dat het projectgebied: • •
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is;
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
‘Stationslaan 36-38, Nunspeet’ Ruimtelijke onderbouwing • •
5.4.3
niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2
Gebiedstypen
Afstemming van bestaande en nieuwe functies gebeurt door het aanhouden van zogenaamde richtafstanden. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’. Bij deze richtafstanden wordt rekening gehouden met de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar zoals gesteld in de ‘Staat van bedrijfsactiviteiten’. Hierbij wordt uitgegaan van het principe van functiescheiding, waarbij twee gebiedstypen te onderscheiden zijn, namelijk: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Het projectgebied is gelegen in het centrum van Nunspeet, in een gebied dat wordt gekenmerkt door diverse centrumfuncties. Horeca, detailhandel, kleinschalige bedrijfsfuncties, wonen en maatschappelijke voorzieningen komen naast elkaar voor. In dit gebied wordt bewust functiemenging nagestreefd om de levendigheid te creëren. Door deze functiemenging is het projectgebied aan te merken als omgevingstype ‘gemengd gebied’.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
‘Stationslaan 36-38, Nunspeet’ Ruimtelijke onderbouwing Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
5.5.3
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Situatie projectgebied
5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. 2.
past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ is niet milieubelastend voor de omgeving. Er is geen sprake van aantasting van het woonen leefklimaat van omwonenden. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe woningen hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en omgekeerd of omliggende bedrijven in bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden worden belemmerd. In voorliggend geval zijn in een straal van circa 50 meter rondom het gewenste appartementengebouw uitsluitend milieubelastende functies toegestaan aan de Winckelweg 37-39 (maatschappelijke functies) en aan de Stationslaan 34 (centrum functies), zoals weergegeven in afbeelding 5.3. Onder de afbeelding wordt separaat op beide milieubelastende functies ingegaan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
‘Stationslaan 36-38, Nunspeet’ Ruimtelijke onderbouwing
Afbeelding 5.3
Ligging van milieubelastende functies ten opzichte van het gewenste appartementengebouw (rood omlijnd)
Maatschappelijke bestemming (Winckelweg 37-39) Op circa 12 meter ten zuiden van het gewenste appartementencomplex, aan de Winckelweg 37-39, bevindt zich een perceel met een maatschappelijke bestemming. Ter plaatse zijn milieubelastende functies tot maximaal milieucategorie 2 toegestaan. In de huidige situatie is een basisschool aanwezig. Voor een milieucategorie 2 functie geldt een grootste richtafstand van 10 meter in ‘gemengd gebied’. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstand. Stationslaan 34 (centrumfuncties) Op circa 19 meter ten noordoosten van het gewenste appartementencomplex, aan de Stationslaan 34, bevindt zich een perceel met een centrumbestemming. Ter plaatse is detailhandel, lichte horeca, dienstverlening en maatschappelijke voorzieningen toegestaan. Dit betreffen functies tot maximaal milieucategorie 2. Voor een milieucategorie 2 functie geldt een grootste richtafstand van 10 meter in ‘gemengd gebied’. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstand. Op basis van het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de omliggende milieubelastende functies zich op voldoende afstand van het plangebied bevinden. Ter plaatse van de plangebied is daarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te verwachten. Omgekeerd worden omliggende functies niet in hun bedrijfsvoering beperkt. 5.5.4
Conclusie milieuzonering
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend initiatief.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
‘Stationslaan 36-38, Nunspeet’ Ruimtelijke onderbouwing
5.6
Ecologie
5.6.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuur Netwerk Nederland (in Gelderland Gelders Natuurnetwerk GNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.6.2
Gebiedsbescherming
5.6.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermd. Het projectgebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ ligt op circa 350 meter afstand, zoals te zien in afbeelding 5.4.
Figuur 5.4 Ligging van het projectgebied t.o.v. Natura 2000-gebieden (Bron: provincie Gelderland)
Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
‘Stationslaan 36-38, Nunspeet’ Ruimtelijke onderbouwing te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitatypen binnen Natura 2000-gebieden. Om na te gaan wat de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling zijn, is een stikstofonderzoek uitgevoerd door BJZ.nu. De bijbehorende rapportage is als bijlage 2 bijgevoegd. In de komende alinea worden de belangrijkste conclusies besproken. Onderzoeksresultaten Uit de AERIUS-berekening met betrekking tot de gebruiksfase blijkt dat in de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.6.2.2 Gelders Natuurnetwerk (GNN) Het Gelders Natuurnetwerk (GNN), is als onderdeel van het Nederlands Natuurnetwerk (NNN) de kern van het Nederlandse natuurbeleid.
Het GNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het GNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als GNN is gelegen op circa 350 meter afstand. Gezien de onderlinge afstand, de aard en omvang van de ontwikkeling wordt gesteld dat er geen sprake is van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN. In afbeelding 5.5 is de ligging van het projectgebied ten opzichte van het GNN weergegeven.
Afbeelding 5.5
Ligging van het projectgebied ten opzichte van het GNN (Bron: Provincie Gelderland)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
‘Stationslaan 36-38, Nunspeet’ Ruimtelijke onderbouwing 5.6.3
Soortenbescherming
5.6.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Habitus heeft ter plaatse van het projectgebied een Quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten van het onderzoek opgenomen. In bijlage 3 is de volledige onderzoeksrapportage opgenomen. Naar aanleiding van dit onderzoek is nader onderzoek uitgevoerd naar marterachtigen en vleermuizen, waarvan de onderzoeksrapportages zijn opgenomen in respectievelijk bijlage 4 en bijlage 5. 5.6.3.2 Onderzoeksresultaten Resultaten Quickscan Wet natuurbescherming De Quickscan is uitgevoerd voor het gehele erf van Stationslaan 36 en 38, inclusief alle gebouwen. Hieruit blijkt dat nesten van de gierzwaluw, huismus en ‘vogels zonder jaarrond beschermd nest’ en verblijfplaatsen van vleermuizen en marters op het erf aanwezig kunnen zijn.
Voor wat betreft de mogelijke aanwezigheid van de gierzwaluw en de huismus wordt opgemerkt dat enkel geschikte invliegopeningen zijn geconstateerd in de woningen en het bijgebouw (voormalig pakhuis), welke gehandhaafd blijven. Nader onderzoek naar deze soorten is daarmee niet benodigd. Om verstoring van ‘vogels zonder jaarrond beschermd nest’ te voorkomen kunnen daarnaast werkzaamheden buiten de broedperiode worden uitgevoerd, waardoor nader onderzoek eveneens niet benodigd is. Voor wat betreft de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen en marters is nader onderzoek uitgevoerd, waar hierna op in wordt gegaan. Resultaten nader onderzoek marterachtigen Tijdens het onderzoek is aangetoond dat er essentieel leefgebied met verblijfplaats van en steenmarter aanwezig is en een wetsovertreding te verwachten is. De ontwikkeling kan nog steeds doorgang vinden als een ontheffing verkregen wordt. De volgende maatregelen dienen te worden genomen om overtreding van de Wet natuurbescherming voor de steenmarter te voorkomen, dan wel om schadelijke effecten van de werkzaamheden te compenseren en/of mitigeren: • • • •
er dient een ontheffing te worden aangevraagd, waarbij een activiteitenplan moet worden opgesteld door een ecoloog; het leefgebied met de verblijfplaatsen dat verwijderd moet worden moet ongeschikt worden gemaakt voordat de werkzaamheden plaatsvinden; er dient voldoende alternatief leefgebied met verblijfplaatsen te worden gerealiseerd, voor een duurzaam voortbestaan van de lokale steenmarterpopulatie; de werkzaamheden dienen buiten de gevoelige periode van de steenmarter (maart t/m augustus) te worden uitgevoerd.
Resultaten vleermuizenonderzoek Op grond van de onderzoeksresultaten is geconcludeerd dat de te slopen schuur in het projectgebied geen functie vervult als verblijfplaats voor vleermuizen. Dit betekent dat voor de sloop vanuit de Wet natuurbescherming geen ontheffing vereist is. In de begroeiing rond de schuur kunnen broedsels van vogels aanwezig zijn. Deze zijn beschermd zolang zij in gebruik zijn. Het is daarom van belang om het groen buiten de periode van 1 maart – 1 augustus te rooien.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
‘Stationslaan 36-38, Nunspeet’ Ruimtelijke onderbouwing 5.6.4
Conclusie
Indien bij de werkzaamheden buiten de broedperiode worden uitgevoerd en een ontheffing wordt verkregen voor de steenmarter, vormt het aspect ecologie geen belemmering voor de in deze onderbouwing besloten ontwikkeling. De ontheffingsaanvraag is reeds in gang gezet.
5.7
Archeologie & Cultuurhistorie
5.7.1
Archeologie
5.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
5.7.1.2 Situatie projectgebied De gemeente Nunspeet heeft haar archeologiebeleid vastgelegd in dubbelbestemmingen. In de dubbelbestemmingen is geregeld dat voor bepaalde ingrepen de aanvrager een omgevingsvergunning een rapport moet overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgelegd. Voor het projectgebied geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. In deze gebieden geldt voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 500 m2, waarbij voor de gehele oppervlakte werkzaamheden dieper dan 0,50 m onder het maaiveld plaatsvinden, dat een omgevingsvergunning voor het bouwen moet worden aangevraagd bij de gemeente. Voor de uitvoering van werken, geen bouwwerken zijnde, groter dan 2.500 m2 en dieper dan 0,5 meter is eveneens een omgevingsvergunning vereist. In voorliggend geval is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk, aangezien er geen sprake is van het bouwen van bouwwerken met een groter oppervlakte dan 500 m2. Daarnaast is geen sprake van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, met een groter oppervlakte dan 2.500 m2. 5.7.2
Cultuurhistorie
5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.7.2.2 Situatie projectgebied In voorliggend geval is binnen het projectgebied geen gemeentelijk monument gelegen. Net buiten het projectgebied bevindt zich wel een gemeentelijk monument, namelijk de villa aan de Stationslaan 36-38. Voorgenomen ontwikkeling doet geen afbreuk aan dit monument. Voor het overige zijn er in het projectgebied of de directe omgeving geen bijzondere cultuurhistorische waarden aanwezig. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
‘Stationslaan 36-38, Nunspeet’ Ruimtelijke onderbouwing 5.7.3
Conclusie
Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de in deze onderbouwing besloten ontwikkeling. In het projectgebied is er geen sprake van negatieve effecten op de aanwezige cultuurhistorische waarden.
5.8
Besluit milieueffectrapportage
5.8.1
Kader
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan);
Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. •
Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3);
Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). •
Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4);
Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven.
Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r. Beoordeling gehanteerd. 5.8.2
Beoordeling
5.8.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘de Veluwe’ ligt op circa 350 meter afstand van het projectgebied. In dit geval is uit de stikstofberekening reeds gebleken dat er geen sprake is van significante negatieve effecten ten aanzien van dit Natura-2000 gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming is in verband met deze ontwikkeling dan ook niet noodzakelijk. Er is daarom geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 4.8.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r Voor wat betreft het gehele projectgebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor het voldoet aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
‘Stationslaan 36-38, Nunspeet’ Ruimtelijke onderbouwing Dit betekent dat dit project m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten mogelijk worden gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: • • •
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. De in de voorliggende ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling gaat uit van het planologisch toevoegen van elf appartementen binnen de bebouwde kom van Nunspeet. Het gaat om een (zeer) kleinschalige ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toeneemt. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een nieuwe functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. Deze paragraaf wordt beschouwd als de vormvrije m.e.r.-toets. 4.8.3
Conclusie
De in voorliggende ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling is niet m.e.r.-plichtig.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
‘Stationslaan 36-38, Nunspeet’ Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 6
WATERASPECTEN
6.1
Vigerend beleid
6.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2
Rijksbeleid
Nationaal waterplan De waterplannen geven het landelijke, respectievelijk regionale (strategische) waterbeleid weer. Voor het Rijk is dit vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP). Het NWP geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan. Het NWP is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Het kabinet sluit daarmee aan bij de resultaten van het Deltaprogramma. Met deze handelwijze is Nederland koploper en toonaangevend voorbeeld in de wereld.
Met dit Nationaal Waterplan voldoet Nederland aan de Europese eisen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingrisico`s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM). Vanuit de verantwoordelijkheid voor het watersysteem verankert het Rijk de volgende principes:
integraal waterbeheer: het kabinet houdt vast aan een integrale aanpak van de wateropgaven, door opgaven op het gebied van waterkwantiteit (waterveiligheid en wateroverlast), waterkwaliteit en gebruik van (zoet)water in natte en droge situaties in samenhang te beschouwen; afwenteling voorkomen: het kabinet wil voorkomen dat waterkwantiteits- en waterkwaliteitsproblemen worden afgewenteld in de ruimte en de tijd, zoals het afwentelen van bovenstrooms veroorzaakte waterkwaliteitsproblemen op benedenstrooms gelegen wateren. Om afwenteling te voorkomen, maken beheerders onderling afspraken over acceptabele hoeveelheden en de kwaliteit van het te ontvangen water. Om afwenteling te voorkomen gelden ook de tritsen vasthouden-bergen-afvoeren en schoonhouden-scheiden-schoonmaken; ruimte en water verbinden: bij de aanpak van wateropgaven en de uitvoering van maatregelen vindt vooraf afstemming plaats met de andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied. Het doel is dat de scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of elkaar versterken. Met deze aanpak is het vaak mogelijk het waterbeheer te verbeteren en tegelijk de economie en de leefomgeving te versterken tegen lagere kosten.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
‘Stationslaan 36-38, Nunspeet’ Ruimtelijke onderbouwing Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3 /jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen.
De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit nieuwe instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en het waterschap samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen (bijvoorbeeld wateroverlast of verdroging) in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (Bro 1985) en is hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. 6.1.3
Provinciaal beleid
Het Waterplan Gelderland 2016-2021 bevat het waterbeleid van de provincie. Het Waterplan is in samenhang opgesteld met de water(beheer)-plannen van het Rijk en de waterschappen. In onderlinge samenwerking zijn de plannen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd. In het plan staan de doelen voor het waterbeheer, de maatregelen die daarvoor nodig zijn en wie ze gaat uitvoeren. Voor oppervlaktewaterkwaliteit, hoogwaterbescherming, regionale wateroverlast, watertekort en waterbodems gelden provincie brede doelen. Voor een aantal functies, zoals landbouw, natte natuur, waterbergingsgebieden en grondwaterbeschermingsgebieden, zijn specifieke doelen geformuleerd. 6.1.4
Waterschap Vallei en Veluwe
Op 30 september 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 vastgesteld. De afgelopen jaren is veel bereikt, maar tegelijk staan er voor de komende jaren nieuwe uitdagingen. In het waterbeheerprogramma beschrijft het waterschap haar ambities en doelen voor het waarborgen van de waterveiligheid, het zorgen voor voldoende én schoon oppervlaktewater, het zuiveren van afvalwater en het verder ontwikkelen van de vele samenwerkings- en innovatiemogelijkheden. Het Waterbeheerprogramma (WBP) geeft de koers aan die het waterschap wil gaan varen en beoogt daarmee twee dingen. Ten eerste inzicht geven aan alle gebruikers en partners in het werkgebied in de doelen en maatregelen die het waterschap de komende zes jaar gaat bereiken. Ten tweede de koers intern bij het waterschap, als spoorboekje, expliciet maken en vastleggen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
‘Stationslaan 36-38, Nunspeet’ Ruimtelijke onderbouwing
6.2
Watertoets
6.2.1
Algemeen
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21 e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2
Watertoetsproces
Het waterschap Vallei en Veluwe is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl). De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde ‘korte procedure’ van de watertoets van toepassing is. De hierbij behorende ‘Standaard Waterparagraaf’ is opgenomen in bijlage 6. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Vallei en Veluwe geeft een positief wateradvies. Hemelwater Wat betreft hemelwater dient bij nieuwbouw het nieuwe verharde oppervlakte niet te worden aangesloten op de riolering. Binnen het projectgebied moet in bergings- en infiltratiecapaciteit worden voorzien. Dit kan zowel bovengronds als ondergronds. Als het verhard oppervlak groter is dan 150 m2 moet er rekening worden gehouden met de maatgevende bui, en moet er gerekend worden met 36 mm neerslag per m 2 verhard oppervlak. De op het terrein aan te leggen bergingsvoorziening moet een overstortmogelijkheid krijgen, deze mag niet op het riool worden aangesloten. Bij het ontwerp moet rekening worden gehouden hoe er met neerslag overstorten bij (zeer) intensieve buien wordt omgegaan. Met voorgenoemde eisen wordt rekening gehouden. Tevens zullen er niet uitlogende materialen worden toegepast, waardoor wordt voorkomen dat het te infiltreren hemelwater het grond- en/of oppervlaktewater zal verontreinigen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
‘Stationslaan 36-38, Nunspeet’ Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 7
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad naar aanleiding van een omgevingsvergunning of bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk plan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan of omgevingsvergunning geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. Voor de economische uitvoerbaarheid van het project is het van belang te weten of het project financieel haalbaar is en of het kostenverhaal (grondexploitatie) goed geregeld is. Financiële haalbaarheid Aan de realisatie van de appartementen liggen particuliere initiatieven ten grondslag. De initiatiefnemers bekostigen deze zelf. Daarbij moeten zij bij de vergunningaanvraag aantonen hiervoor over voldoende financiële middelen te beschikken. In het geval van de eigenaren in het projectgebied is dit het geval. Grondexploitatie Voor dit project is de grondexploitatieregeling van toepassing, omdat bouwplannen (de bouw van het appartementengebouw) mogelijk worden gemaakt. Het kostenverhaal hoeft niet via het publiekrechtelijke spoor (vaststelling exploitatieplan) te lopen.
De gemeente verhaalt de plankosten via de leges bij de omgevingsvergunning. Deze leges zijn dekkend voor de door de gemeente te maken kosten.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
‘Stationslaan 36-38, Nunspeet’ Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 8
VOOROVERLEG, INSPRAAK EN ZIENSWIJZEN
Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en het Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
8.1
Vooroverleg
9.1.1
Rijk
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke plannen. Geoordeeld wordt dat de voorgenomen ontwikkeling geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 8.1.2
Provincie Gelderland
Het voornemen voor de bouw van het appartementengebouw zal ter beoordeling worden aangeboden aan de provincie. 8.1.3
Waterschap Vallei en Veluwe
Het waterschap is geïnformeerd door gebruik te maken van de ‘digitale watertoets’. Hieruit bleek dat de zogenaamde ‘korte procedure’ van toepassing is. De bijbehorende standaard waterparagraaf is opgenomen in de bijlage 6. Het waterschap adviseert hiermee positief, waarmee het wettelijke vooroverleg is afgerond.
8.2
Inspraak en burgerparticipatie
Initiatiefnemer heeft een participatietraject met de bewoners in de omgeving opgestart. Het verslag hiervan is opgenomen in bijlage 7. Op grond van artikel 6.18 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) wordt de ontwikkeling voorgelegd aan de betrokken overlegpartners. De ontwerpbeschikking van de omgevingsvergunning met bijbehorende stukken wordt daarna gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode bestaat de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen. Een ieder wordt zo in de gelegenheid gesteld om zienswijzen tegen het initiatief kenbaar te maken. De ingekomen zienswijzen worden door het college van burgemeester en wethouders beantwoord en meegewogen in de besluitvorming voor het verlenen van de omgevingsvergunning. Tegen dit besluit bestaat de mogelijkheid voor beroep en hoger beroep. De voorgenoemde procedure toont de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het project aan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
‘Stationslaan 36-38, Nunspeet’ Ruimtelijke onderbouwing
BIJLAGEN
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
‘Stationslaan 36-38, Nunspeet’ Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 1
Bodemonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
‘Stationslaan 36-38, Nunspeet’ Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 2
Stikstofonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
‘Stationslaan 36-38, Nunspeet’ Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 3
Quickscan Wet natuurbescherming
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
‘Stationslaan 36-38, Nunspeet’ Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 4
Nader onderzoek marterachtigen
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
45
‘Stationslaan 36-38, Nunspeet’ Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 5
Vleermuisonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
46
‘Stationslaan 36-38, Nunspeet’ Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 6
Watertoetsresultaat
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
47
‘Stationslaan 36-38, Nunspeet’ Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 7
Participatieverslag
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
48