CConstaterende datNunspeet
Koppel je AI →
Document · PDF

AP 9. Bijlagen bij de toelichting Bijlage 12 Natuurtoets

Raadsvergadering 30 juni 2022, gemeente NunspeetBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan "Stationsgebied Nunspeet" (hamerstuk).5.788 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Natuurtoets stationsgebied Nunspeet Toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming 6 september 2021

Kenmerk

R002-1278875JNA-V01-efm-NL

Verantwoording Titel

Natuurtoets stationsgebied Nunspeet

Opdrachtgever

Gemeente Nunspeet

Projectleider

Tim Vaessen

Auteur(s)

Jeroen Nagtegaal

Tweede lezer

Maikel Aragon van den Broeke

Uitvoering meet- en inspectiewerk

Jeroen Nagtegaal

Projectnummer

1278875

Aantal pagina’s

23

Datum

6 september 2021

Handtekening

Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.

Colofon TAUW bv Australiëlaan 5 Postbus 3015 3502 GA Utrecht T +31 30 28 24 82 4 E info.utrecht@tauw.com

2/23

R002-1278875JNA-V01-efm-NL

Kenmerk

Inhoud 1

2

3

Inleiding ..................................................................................................................................... 5 1.1

Doel .................................................................................................................................... 5

1.2

Wetgeving .......................................................................................................................... 5

1.3

Te beschouwen onderdelen Wnb ...................................................................................... 5

1.4

Werkwijze ........................................................................................................................... 6

1.5

Kwaliteit .............................................................................................................................. 6

Situatie en beoogde ontwikkeling .............................................................................................. 6 2.1

Huidige situatie ................................................................................................................... 6

2.2

Beoogde ontwikkeling ........................................................................................................ 8

Soortenbescherming ............................................................................................................... 10 3.1

Beschermingsregime en bepalingen ................................................................................ 10

3.2

Vrijstellingen ..................................................................................................................... 10

3.3

Zorgplicht ......................................................................................................................... 11

3.4

Literatuuronderzoek ......................................................................................................... 12

3.5

Effecten ............................................................................................................................ 12

3.5.1

Flora .......................................................................................................................... 12

3.5.2

Grondgebonden zoogdieren ..................................................................................... 12

3.5.3

Vleermuizen .............................................................................................................. 13

3.5.4

Broedvogels .............................................................................................................. 17

3.5.5

Reptielen ................................................................................................................... 18

3.5.6

Vlinders ..................................................................................................................... 18

3.5.7

Overige ongewervelden ............................................................................................ 19

4

Houtopstanden ........................................................................................................................ 20

5

Conclusies en aanbevelingen.................................................................................................. 20

6

5.1

Welke onderdelen van de Wet natuurbescherming zijn van belang? .............................. 20

5.2

In hoeverre is de beoogde ontwikkeling (mogelijk) strijdig met de Wnb? ........................ 20

5.3

Zijn maatregelen en/of een ontheffing nodig? .................................................................. 21

5.4

Wat betekent dit voor de verdere planvorming en uitvoering? ......................................... 21

5.5

Wat betekent dit voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan? ............................ 21

Literatuur ................................................................................................................................. 22

3/23

Kenmerk

R002-1278875JNA-V01-efm-NL

4/23

R002-1278875JNA-V01-efm-NL

Kenmerk

1 Inleiding Dit hoofdstuk bevat achtergrondinformatie over het doel van de toetsing, de relevante natuurwetgeving, de wijze van kwaliteitsborging en de te hanteren uitgangspunten voor toetsing.

1.1

Doel

In opdracht van Gemeente Nunspeet heeft TAUW onderzoek gedaan naar de consequenties van de Wet natuurbescherming voor de herontwikkeling van het stationsgebied, inclusief de aanleg van ongelijkvloerse spoorkruisingen. De ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze niet in strijd is met de natuurwetgeving, of als de benodigde vergunningen en/of ontheffingen kunnen worden verleend. Deze rapportage betreft een actualisatie van de bestaande rapportage met kenmerk R001-1265284WLI-V04-sec (TAUW, 2019a). Deze actualisatie gebeurt mede vanwege een aangepast ontwerp, wijzigingen in het plangebied en wijzigingen in het voorkomen van beschermde soorten. In de rapportage volgt het antwoord op de volgende vragen: • Welke onderdelen van de Wet natuurbescherming (hierna te noemen Wnb) zijn van belang? • • •

1.2

In hoeverre is de beoogde ontwikkeling (mogelijk) strijdig met de Wnb? Zijn maatregelen en/of een ontheffing/vergunning nodig? Wat betekent dit voor de verdere planvorming en uitvoering?

Wetgeving

Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna te noemen “Wnb”) in werking. De Wnb is het nieuwe wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie tot dan bestaande wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Het beschermingsregime gaat uit van het “nee, tenzij-principe“. Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Gelderland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling.

1.3

Te beschouwen onderdelen Wnb

Het is noodzakelijk om de ontwikkeling te toetsen aan soortenbescherming vanwege de mogelijke aanwezigheid van flora en fauna. Een toetsing aan beschermde gebieden is reeds uitgevoerd en wordt separaat aangevuld en geactualiseerd, dit betreft met name de effecten van stikstof op Natura 2000 gebieden. Het onderdeel houtopstanden is eveneens van toepassing, omdat een deel van het plangebied buiten de bebouwde kom houtopstanden is gelegen en er bomen zullen worden gekapt. Deze rapportage behandeld zodoende de onderdelen soortenbescherming en houtopstanden.

5/23

Kenmerk

1.4

R002-1278875JNA-V01-efm-NL

Werkwijze

De mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten en houtopstanden is bepaald aan de hand van de volgende gegevens: • Regionale en landelijke verspreidingsatlassen en -data (zie ook H5) • • •

Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) Natuurkaart van TAUW (https://www.TAUW.nl/op-welk-terrein/ecologie/ecoviewer.html) Reeds uitgevoerd soortgericht onderzoek (TAUW, 2019b)

• Een oriënterend veldbezoek op 15 april 2021 Het doel van de literatuurstudie is om na te gaan welke beschermde soorten en houtopstanden in of in de omgeving van het plangebied kunnen voorkomen. De ecoloog controleert tijdens het oriënterende veldbezoek of de locatie voldoet aan eisen die soorten aan hun leefomgeving stellen. Ook kijkt de ecoloog naar aanwijzingen van de aanwezigheid (zichtwaarnemingen en sporen van terreingebruik, zoals holen, uitwerpselen, haren, prooi- of voedselresten).

1.5

Kwaliteit

Voor soortenbescherming is een volledige garantie over de aanwezigheid niet te geven. Door inzet van deskundige ecologen en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethodes wordt de kwaliteit van het onderzoek zoveel mogelijk gewaarborgd. Mede in dit kader is TAUW aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus, een samenwerkingsverband van adviesbureaus die ecologisch advies geven en ecologisch onderzoek verrichten.

2 Situatie en beoogde ontwikkeling Dit hoofdstuk bevat achtergrondinformatie over de huidige situatie, het voorgenomen plan en de uit te voeren werkzaamheden.

2.1

Huidige situatie

Figuur 2.1 toont de ligging van het onderzoeksgebied, het onderzoeksgebied is (t.o.v. TAUW, 2019a en b) ruimer en globaal begrensd als gevolg van onzekerheden in het voornemen. Het onderzoeksgebied bestaat uit enkele gebouwen en locaties, de belangrijkste zijn met een letter op kaart weergegeven. Het gaat dan om: A. Het stationsgebouw, ten noorden van het station is tevens een onbewaakte fietsenstalling B. Het stationsplein met daarop een gebouw met een ijssalon en het VVV, ten oosten van het stationsplein is het busstation aanwezig C. Pannenkoekenhuis de Stroopstok, dit pand is eind 2020 gesloopt. Alleen de fundering is nog aanwezig D. De voormalige Emté, dit pand staat grotendeels leeg en wordt beperkt gebruikt als opslag door de Jumbo E. De Jumbo supermarkt met omliggend een ruime parkeerplaats F. Restaurant Joris met bijbehorende parkeerplaats G. De uitkijktoren behorende bij het Veluwetransferium en enkele horecagelegenheden H. De parkeerplaats van het Veluwetransferium met aan de randen een speelvoorziening voor kinderen en verscheidene picknick-/rustplaatsen

6/23

Kenmerk

I.

R002-1278875JNA-V01-efm-NL

Het bezoekerscentrum Nunspeet en Outdoor Centrum Nunspeet

In figuur 2.2 is een sfeerimpressie van het onderzoeksgebied opgenomen.

D

B C

A

E G H

I Figuur 2.1 Ligging en begrenzing van het onderzoeksgebied

7/23

Kenmerk

R002-1278875JNA-V01-efm-NL

Figuur 2.2 Impressie van het plangebied

2.2

Beoogde ontwikkeling

Het voornemen betreft de volledige herinrichting van het stationsgebied met de realisatie van een ongelijkvloerse spoorwegkruising. Bij het voornemen worden daarnaast verkeerstromen van fietsers en gemotoriseerd verkeer zoveel mogelijk gescheiden. In figuur 2.3 is het voorlopige ontwerp (d.d. april 2021) weergegeven. Als gevolg van de herinrichting worden onder andere de volgende werkzaamheden beoogd: Sloop van de bebouwing op het stationsplein, de voormalige Emté en Restaurant Joris -

Renovatie en gedeeltelijke vernieuwing van het stationsgebouw Aanpassingen en vernieuwing van het spoor

8/23

Kenmerk

R002-1278875JNA-V01-efm-NL

-

De kap van bomen verspreid in het onderzoeksgebied

-

Verwijdering, vernieuwing en aanleg van wegen, fiets- en voetpaden Verplaatsing van bushaltes en parkeervoorzieningen Aanleg van twee tunnels onder het spoor

Binnen de grenzen van het onderzoeksgebied gaat de Jumbo mogelijk uitbreiden of vernieuwen, dit is een op zichzelf staande ontwikkeling en wordt dan ook niet meegenomen in de beoordeling. De voorlopige planning is weergegeven in figuur 2.4. De planning is op hoofdlijnen ingevuld en kan nog wijzigen.

Figuur 2.3 Het voorlopige ontwerp (d.d. april 2021)

Figuur 2.4. Een globale planning van het voornemen

9/23

R002-1278875JNA-V01-efm-NL

Kenmerk

3 Soortenbescherming In dit hoofdstuk volgt antwoord op de vraag of de beoogde activiteiten schade op beschermde flora en fauna tot gevolg (kunnen) hebben.

3.1

Beschermingsregime en bepalingen

Het onderdeel soortenbescherming onder de Wnb heeft bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar ook in Europa in hun voortbestaan worden bedreigd. De Wnb kent drie beschermingsregimes: • • •

Vogels: het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn beschermd via de Vogelrichtlijn Dieren en planten: het gaat hier om inheemse dieren en planten, die zijn beschermd via de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn Nationale soorten: het gaat hier om soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd

Per beschermingsregime geldt een aantal verbodsbepalingen. Hier is ook een beschrijving opgenomen onder welke voorwaarden een bevoegd gezag ontheffing of vrijstelling kan verlenen. Tabel 3.1 is een samenvatting van de verbodspalingen. Ze voorzien in een bescherming van verblijfplaatsen, evenals de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Gelderland kan een ontheffing verlenen van de verboden als genoemd in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10.

3.2

Vrijstellingen

In de Wnb is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren beschermd onder de categorie “Nationale soorten”, zoals gewone pad, bruine kikker en konijn. Provincie Gelderland heeft bevoegdheid om bij verordening deze soorten “vrij te stellen” van de ontheffingsplicht. Dit betekent dat geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. In de provincie Gelderland zijn bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker, middelste groene kikker (of bastaardkikker), aardmuis, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos en woelrat vrijgesteld en zodoende niet meegenomen in deze toetsing.

10/23

R002-1278875JNA-V01-efm-NL

Kenmerk

Tabel 3.1 Verbodsbepalingen soortenbescherming onder de Wnb

Verbodsbepaling

A

B

C

D

E

Vogels Vrl

Dieren Hrl/

Planten

Dieren

Planten

Hrl/

(‘nationaal’)

(‘nationaal’)

Bonn/Bern

Bonn/Bern Dieren of planten: Doden of vangen Storen/verstoren

3.1.1

3.5.1

3.1.4

3.5.2

3.10.1.a

(tenzij 3.1.5) Plukken, verzamelen, afsnijden,

3.5.5

3.10.1.c

ontwortelen of vernielen Onder zich hebben of vervoeren

3.2.6

3.6.2

3.6.2

Plaatsen: Vernielen, beschadigen of wegnemen

3.1.2

nesten Beschadigen of vernielen

3.5.4

voortplantingsplaatsen Beschadigen of vernielen rustplaatsen

3.10.1.b (vaste vp)

3.1.2

3.5.4

3.10.1.b (vaste rp)

Eieren: Vernielen (of –Vrl- beschadigen)

3.1.2

3.5.3

Rapen

3.1.3

3.5.3

Onder zich hebben

3.1.3

Toelichting: Codes verwijzen naar wetsartikelen Wet natuurbescherming. Oranje

verbodsbepaling geldt alleen wanneer sprake is van opzet.

Rood

verbodsbepaling geldt in alle gevallen, ook wanneer geen sprake is van opzet.

3.3

Zorgplicht

De zorgplicht (artikel 1.11 van de Wnb) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten achterwege worden gelaten. Als zich mogelijk negatieve effecten voordoen, dan treft de initiatiefnemer noodzakelijke maatregelen om die gevolgen te voorkomen of zo veel mogelijk te beperken/ongedaan te maken. Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is daarnaast van toepassing op beschermde gebieden.

11/23

R002-1278875JNA-V01-efm-NL

Kenmerk

3.4

Literatuuronderzoek

In de omgeving van het plangebied zijn verspreidingsgegevens bekend van de volgende soortgroepen (zie ook tabel 3.2): Binnen het plangebied en de directe omgeving ontbreekt het aan (geschikt) oppervlaktewater. De aanwezigheid van of negatieve effecten op watergebonden soortengroepen is uitgesloten. Het gaan dan om amfibieën, vissen en libellen, deze worden zodoende verder niet behandeld. Tabel 3.2 Soorten in de omgeving van het plangebied Soortgroep

Aanwezige soorten in omgeving

Flora

Geen beschermde soorten aanwezig in de omgeving

Grondgebonden zoogdieren

Boommarter, bunzing, damhert, das, edelhert, eekhoorn, hermelijn, steenmarter, wezel, wild zwijn

Vleermuizen

Baardvleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis en watervleermuis

Vogels

Diverse algemene broedvogels

Vogels jaarrond beschermd

Boomvalk, buizerd, gierzwaluw, havik, huismus, kerkuil, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief

Reptielen

Adder, gladde slang, hazelworm, levendbarende hagedis, ringslang, zandhagedis

Vlinders

Grote weerschijnvlinder, sleedoornpage en teunisbloempijlstaart

Overige ongewervelden

Vliegend hert

3.5

Effecten

3.5.1 Flora In en in de omgeving van het onderzoeksgebied zijn geen groeiplaatsen bekend van beschermde vaatplanten. Tijdens de veldbezoeken zijn evenmin groeiplaatsen vastgesteld. De aanwezigheid van en negatieve effecten op beschermde planten zijn uitgesloten. 3.5.2 Grondgebonden zoogdieren Steenmarter In het voormalige pand van de Stroopstok waren potentiële verblijfplaatsen aanwezig. Met behulp van cameravalonderzoek is de aanwezigheid van verblijfplaatsen ten noorden van het spoor uitgesloten (TAUW, 2019b). Ten zuiden van het spoor zijn in de te slopen panden (Restaurant Joris) geen geschikte holtes of toegangen aanwezig. Echter kan het aanwezige groen aan de zuidkant van het plangebied wel onderdeel zijn van foerageergebied of gebruikt worden als kortdurende verblijfplaats in bijvoorbeeld takkenhopen en ruigtes. Geadviseerd wordt om middels actualiserend cameravalonderzoek vast te stellen of en op welke wijze steenmarter gebruik maakt van het plangebied.

12/23

Kenmerk

R002-1278875JNA-V01-efm-NL

Boommarter & eekhoorn Boommarter en eekhoorn zijn typische bos- en boombewoners, ze gebruiken holtes, dichte klimopbegroeiingen of oude nesten van (roof)vogels als verblijfplaats. Ten zuiden van het spoor zijn enkele bomen met suboptimale holtes en meerdere bomen aanwezig met een dichte klimop begroeiing. Beide soorten, maar vooral eekhoorn, kunnen zeer dicht bij mensen leven. Door de omvang van het aanwezige groen, de beperkte inspecteerbaarheid en de verbondenheid met omliggende bosdelen kan de aanwezigheid van boommarter en eekhoorn niet worden uitgesloten. Middels aanvullend veldonderzoek zal bepaald moeten worden of en in welke mate boommarter en eekhoorn gebruik maken van het plangebied. Bunzing, hermelijn en wezel Bunzing, hermelijn en wezel komen voor in een verscheidenheid aan groene gebieden zoals op/in begraafplaatsen, stadsparken, groene wijken, agrarische gebieden en bosgebieden. Het zuidelijke deel van plangebied is omsloten door bossen en bevat ook potentiële verblijfplaatsen in de plaatselijk dichte ondergroei. De aanwezigheid van verblijfplaatsen is niet uitgesloten. Ten noorden van het spoor is nagenoeg het volledige plangebied voorzien van verharding en daardoor ongeschikt voor deze soorten.

Middels aanvullend veldonderzoek moet inzichtelijk gemaakt worden of en op welke wijze bunzing, wezel en hermelijn gebruik maken van het (zuidelijke deel van het) plangebied. Das Het gebied ten zuiden van de spoorlijn is in potentie geschikt leefgebied voor de das. Bij de parkeerplaats zijn meerdere ruigtes aanwezig die zouden kunnen dienen als rustplaats. Er zijn echter geen (bij)burchten, (vlucht)pijpen, wissels, mestputjes of andere sporen van dassen aangetroffen in het plangebied en de directe omgeving. Aanwezigheid van verblijfplaatsen is uitgesloten. Door de al aanwezige verstoring door weg- en treinverkeer van het aan te tasten groengebied langs deze infrastructuur wordt geen toegenomen verstoring van de das verwacht. Vanwege de ruime beschikbaarheid aan alternatief (minder verstoord en aaneengesloten) foerageergebied in de directe omgeving dient het plangebied ook niet als essentieel foerageergebied. Negatieve effecten op das door het voornemen zijn daarom uitgesloten. Damhert, edelhert en wild zwijn Damhert, edelhert en wild zwijn komen verspreid voor binnen de hekken van de Veluwe. Aan de Nunspeetse zijde van de A28 zijn geen populaties bekend en worden genoemde soorten niet of hoogstens (zeer) incidenteel waargenomen. Het plangebied is daarnaast vrij intensief in gebruik waardoor er onvoldoende rust en ruimte is voor deze soorten.

Van verstoring of negatieve effecten zal dan ook geen sprake zijn als gevolg van het voornemen. 3.5.3 Vleermuizen Hoewel vleermuizen zoogdieren zijn, worden deze vanwege hun afwijkende eigenschappen als afzonderlijke groep behandeld. Er zijn drie typen functies binnen het leefgebied van vleermuizen te onderscheiden: verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes. Verblijfplaatsen bevinden zich, afhankelijk van de soort, in woningen of in bomen. Foerageergebieden zijn groen- of

13/23

Kenmerk

R002-1278875JNA-V01-efm-NL

waterstructuren zoals struweel, bomenrijen en watergangen. Vliegroutes worden gevormd door lijnvormige elementen zoals bomenrijen, randen van bebouwing en watergangen. Verblijfplaatsen In 2019 is reeds veldonderzoek uitgevoerd, toen zijn enkele verblijfplaatsen aangetroffen, te weten; • Een (mogelijke) paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis in de Stroopstok • • •

Een of meerdere (mogelijke) paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis in de uitkijktoren en de panden er direct ten noorden van Een (mogelijke) paarverblijfplaats in een van de boomholtes in de bosschage ten westen van de uitkijktoren Een zomer- en paarverblijfplaats van rosse vleermuis in een van de boomholtes in de bosschage ten westen van de uitkijktoren

Doordat de stroopstok reeds gesloopt is en het plangebied uitgebreid is, is het onderzoek uit 2019 niet meer actueel en volledig. In het huidige plangebied zijn mogelijk geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen aangetroffen. Het voornemen heeft onder andere betrekking op het restaurant Joris, het VVV-gebouw en het stationsgebouw. In deze panden zijn openingen in de muur of onder een overkapping geconstateerd. Dit maakt ruimtes op vlieringen en spouwmuren en/of zolders toegankelijk voor vleermuizen. Daarnaast hebben meerdere bomen holtes of zijn de bomen voorzien van een vleermuiskast waardoor deze gebruikt kunnen worden door vleermuizen als verblijfplaatsen. In de figuren 3.1, 3.2, 3.3 en 3.4 zijn voorbeelden opgenomen van mogelijke verblijfplaatsen voor vleermuizen. Het huidige plangebied kan een verblijfplaatsfunctie vervullen voor de volgende vleermuissoorten: • • •

Gewone dwergvleermuis: zomer-, kraam-, paar- en winterverblijfplaats Laatvlieger: zomer-, kraam-, paar- en winterverblijfplaats Ruige dwergvleermuis: zomer-, paar- en winterverblijfplaats

• • •

Rosse vleermuis: zomer-, kraam-, paar- en winterverblijfplaats Gewone grootoorvleermuis: zomer- kraam-, paarverblijfplaats Franjestaart: zomer-, kraamverblijfplaats

•

Baardvleermuis: zomer-, kraamverblijfplaats

Baardvleermuis, franjestaart, gewone grootoorvleermuis en watervleermuis verblijven s ’winters met name in gebouwen zoals oude steenfabrieken, bunkers, forten, vestigingswerken, ijskelders en (kasteel)kelders. Voor de kleine dwergvleermuis zijn bos- en waterrijke gebieden in de omgeving van verblijfplaatsen een vereiste. De aanwezigheid van winterverblijfplaatsen van deze soorten zijn daarom uitgesloten. De meervleermuis heeft een voorkeur voor gebieden met veel open water. De tweekleurige vleermuis verblijft in muurspleten van en zolderruimten van hoge gebouwen. Door ontbreken van dit habitat of verblijfplaatsen in de directe omgeving is voorkomen uitgesloten.

14/23

Kenmerk

R002-1278875JNA-V01-efm-NL

Figuur 3.1 Geschikte ingangen naar potentiële verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen in het stationsgbouw

Figuur 3.2 Mogelijk geschikte ingangen naar verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen in het VVVgebouw, de bomen op de achtergrond bevatten tevens holtes welke geschikt kunnen zijn voor vleermuizen

15/23

Kenmerk

R002-1278875JNA-V01-efm-NL

Figuur 3.3 Een van de in het plangebied aanwezige vleermuiskasten, in dit geval aan de Plesmanlaan

Figuur 3.4 Bomen met holtes welke mogelijk geschikt zijn als verblijfplaatsen. Deze bomen staan op het stationsplein, verspreid door het plangebied bevatten meer bomen holtes

Vliegroutes Vleermuizen gebruiken bij vliegroutes veelal lijnvormige elementen ter oriëntatie, het kan dan gaan om bijvoorbeeld bomenrijen of watergangen. Hoewel klassieke lijnvormige elementen niet aanwezig zijn in het plangebied, kan de aanwezigheid van vliegroutes niet worden uitgesloten. Het plangebied ligt op de grens van bebouwd en onbebouwd gebied, waardoor onder andere vleermuizen welke binnen bebouwde kom een verblijfplaats hebben deels gaan foerageren in de bossen in het zuiden of nog zuidelijker van het plangebied.

16/23

Kenmerk

R002-1278875JNA-V01-efm-NL

Foerageergebied Vleermuizen maken om te foerageren gebruik van veelal donkere, windluwe locaties. Dit is vaak in de nabijheid van bomen of water. Met name in het zuidelijk deel van het plangebied zijn grote groenstructuren aanwezig welke onderdeel kunnen zijn van essentieel foerageergebied voor vleermuizen. Het gaat hierbij dan om foerageergebied van vleermuizen welke verblijfplaatsen hebben in het plangebied of elders in de omgeving van het plangebied. Hoewel bij de plannen vrij beperkt bomen worden gekapt is niet op voorhand uitgesloten dat de kap van bomen leidt tot een verlies van foerageergebied en er dus sprake is van een negatief effect. Gelet op bovenstaande zijn de volgende negatieve effecten niet uitgesloten: het vernietigen van verblijfplaatsen en het verstoren of doden van individuen (Wnb, artikel 3.5, lid 1, 2 en 4). Aanvullend en actualiserend veldonderzoek naar het gebruik van het plangebied door vleermuizen is zodoende noodzakelijk. 3.5.4

Broedvogels

Vogels met jaarrond beschermde nesten De nesten van deze soorten zijn het hele jaar beschermd, evenals de functionele leefomgeving rondom het nest. In het plangebied zijn bij eerder onderzoek (TAUW, 2019b) huismussen met een broedlocatie vastgesteld in de Stroopstok. Vanwege de reeds uitgevoerde sloop van de Stroopstok zijn er vervangende nestkasten opgehangen aan de Emté. Doordat de Emté op termijn ook gesloopt zal worden, zullen deze verblijfplaatsen nog permanent gemitigeerd moeten worden. Geadviseerd wordt om huismus actualiserend te onderzoeken om te bepalen of en waar de huismussen nu broeden als gevolg van het verdwijnen van hun broedlocaties in de Stroopstok. Voor andere gebouwbewonende soorten zoals gierzwaluw, steenuil en kerkuil is de aanwezige bebouwing en directe omgeving ongeschikt. Kerk- en steenuil broeden in landelijk gelegen bebouwing met weilanden, boomgaarden of andere open gebieden om te kunnen foerageren. Gierzwaluw broedt in bebouwd gebied, maar de aanwezige bebouwing biedt geen ruimte voor potentiële broedlocaties. Het plangebied is begin 2021 gecontroleerd op de aanwezigheid van nesten in en in de directe omgeving van het plangebied. Daarbij is nabij de uitkijktoren slechts één oud en vervallen nest aangetroffen dat niet meer geschikt is als broedlocatie.

Daarnaast is in het plangebied vrij veel verstoring en bieden de direct nabijgelegen bossen veel meer rust. Door het ontbreken van nesten zijn broedlocaties van boomvalk, buizerd, ransuil, roek, sperwer, steenuil, havik en wespendief uitgesloten. Tijdens het broedseizoen beschermde vogels De nesten van alle vogels zijn beschermd als ze als broedlocatie in gebruik zijn. Bij het oriënterende veldbezoek zijn geschikte nestlocaties van broedvogels aangetroffen. De bomen en bosschages, met name ten zuiden van de spoorlijn, bieden geschikt broedhabitat. Tenslotte hangen in het gehele stationsgebied verschillende nestkasten.

17/23

Kenmerk

R002-1278875JNA-V01-efm-NL

Vogels kunnen gedurende het gehele jaar tot broeden komen. Het is daarom zaak om hier voorafgaand aan het werk rekening mee te houden. De kans op een broedgeval is het grootst in de periode maart tot en met juli (dit wordt wel gezien als het reguliere broedseizoen). Het advies is om buiten deze periode te werken, met name heiwerkzaamheden en het verwijderen van groenstructuren. Heiwerkzaamheden moeten buiten het broedseizoen plaatsvinden, omdat de geluidsverstoring hiervan ver draagt. Een (periodieke) controle op nesten van broedvogels door een ter zake kundige ecoloog is noodzakelijk voorafgaand aan de werkzaamheden om overtreding van de wet te voorkomen in de periode februari tot en met augustus. Indien een broedgeval aanwezig is, dient een verstoringsvrije zone te worden aangehouden, waarbinnen gedurende de periode van broeden niet wordt gewerkt. De breedte van deze zone dient door een ter zake kundige te worden bepaald. 3.5.5 Reptielen Op en rond de Veluwe komen alle in Nederland voorkomende reptielen voor. Veel van deze soorten zijn echter beperkt mobiel en komen enkel voor in en nabij de grotere en aaneengesloten heideterreinen. Met name gladde slang en adder zijn dusdanig kritisch dat de aanwezigheid van deze soorten op voorhand uitgesloten kan worden.

Voor zandhagedis is het plangebied eveneens te geïsoleerd gelegen en ontbreekt het aan voldoende geschikt habitat met goed vergraafbaar zand. Ringslang is afhankelijk van broedhopen en vind een groot deel van zijn voedsel nabij beken, poelen en andere wateren. De broedhopen en wateren ontbreken waardoor de aanwezigheid van leefgebied voor ringslang eveneens is uitgesloten. Hazelworm en levendbarende hagedis kunnen echter wel voorkomen in of nabij het plangebied. Beide soorten zijn eierlevendbarend en kunnen daardoor makkelijker in suboptimaal leefgebied voorkomen. De structuur en reliëfrijke boszones vormen met name voor hazelworm potentieel leefgebied, levendbarende hagedis is eerder te verwachten in langs de spoorzone en het braakliggende deel tussen het voormalige pannenkoekenhuis en het spoor. Doordat de aanwezigheid van hazelworm en levendbarende hagedis niet is uitgesloten dient er aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd om te bepalen of en op welke wijze beide soorten gebruik maken van het plangebied. 3.5.6 Vlinders Op basis van globale verspreidingsgegevens kunnen grote weerschijnvlinder, sleedoornpage en teunisbloempijlstaart voorkomen in het plangebied. Sleedoornpage is voor zijn voortplanting afhankelijk van sleedoorn. Verspreid door Nunspeet zijn meerdere locaties waar sleedoornpage voorkomt.

Aan de oostzijde van de parkeerplaats van het Veluwetransferium groeien enkele sleedoorns. Hoewel het gaat om slechts een paar en betrekkelijk jonge planten is niet uit te sluiten dat sleedoornpage gebruik maakt van deze planten. Het doen van aanvullend onderzoek is zodoende noodzakelijk. Teunisbloempijlstaart is sinds enkele jaren in opmars en heeft verschillende waardplanten zoals teunisbloem, kattenstaart en wilgenroosje. Op meerdere plaatsen in het plangebied (zie figuur 3.5) groeit teunisbloem. Hierdoor bestaat de kans dat teunisbloempijlstaart al gebruikt maakt, of anders in de nabije toekomt gaat voorkomen in het plangebied. Geadviseerd wordt om de soort te

18/23

Kenmerk

R002-1278875JNA-V01-efm-NL

onderzoeken en indien afwezig maatregelen te nemen om de eventuele vestiging in het plangebied uit te stellen tot na de realisatie van het voornemen. Grote weerschijnvlinder komt voor op verschillende loofbomen, maar altijd in de nattere biotopen. Het plangebied is te droog en bevat te weinig geschikte loofbomen voor de voortplanting en het voorkomen. Doordat in de bossen in Flevoland de soort vaker gemeld wordt en er mogelijk ook populaties heeft worden incidenteel zwervend exemplaren waargenomen aan de Gelderse zijde van de randmeren. Dit betreft zwervende exemplaren waarop het voornemen geen negatief effect heeft.

Figuur 3.5. De globale ligging van de groeiplaatsen van teunisbloem in het onderzoeksgebied

3.5.7

Overige ongewervelden

Vliegend hert komt voor in de omgeving van het plangebied. De larven groeien op en in het hout van dode of stervende eiken. Hoewel er waarnemingen tot in het centrum bekend zijn van volwassen kevers, is de aanwezigheid van voortplantingsplaatsen binnen het plangebied uitgesloten. De aanwezige eiken zijn (te) vitaal om als voortplantingslocatie te kunnen dienen. Eventueel aanwezige kevers betreft zwervende exemplaren vanuit de omliggende bossen. Door het ontbreken van geschikte voortplantingslocaties.

19/23

Kenmerk

R002-1278875JNA-V01-efm-NL

4 Houtopstanden Het onderdeel houtopstanden van de Wnb is alleen van toepassing als het plangebied buiten de bebouwde kom houtstanden is gelegen. Het spoor vormt ter plaatse van het plangebied de grens van de bebouwde kom houtopstanden in de Gemeente Nunspeet. Dit betekent dat de Wnb van toepassing is voor het zuidelijke deel van het plangebied. Doordat de bosschages in het zuiden van het plangebied een aaneengesloten houtopstand vormen geldt de melding- en herplantplicht voor elke boom die gekapt wordt. Om te bepalen in welke mate er bomen gekapt worden en er dus herplant plaats dient te vinden, dient er een bomeninventarisatie uitgevoerd te worden. Naast het onderdeel houtopstanden van de Wnb kan in sommige gevallen ook de APV van toepassing zijn voor houtopstanden. In het geval van Nunspeet zijn alle (gemeentelijke) bomen met een omtrek van meer dan 120 cm op 1,3 meter hoogte kapvergunningsplichtig. Of en welke bomen een omtrek van 120 cm of meer hebben zal bepaald moeten worden middels een bomeninventarisatie. Het uitvoeren van deze inventarisatie kan het best circa één jaar voor de beoogde kap om zorg te dragen voor actuele en accurate gegevens.

5 Conclusies en aanbevelingen In opdracht van Gemeente Nunspeet heeft TAUW onderzoek gedaan naar de consequenties van de Wet natuurbescherming voor de herontwikkeling van het stationsgebied, inclusief de aanleg van ongelijkvloerse spoorkruisingen. De ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze niet in strijd is met de natuurwetgeving, of als de benodigde vergunningen en/of ontheffingen kunnen worden verleend. Deze rapportage betreft een actualisatie van de bestaande rapportage met kenmerk R001-1265284WLI-V04-sec (TAUW, 2019a). Deze actualisatie gebeurt mede vanwege een aangepast ontwerp, wijzigingen in het plangebied en wijzigingen in het voorkomen van beschermde soorten.

5.1

Welke onderdelen van de Wet natuurbescherming zijn van belang?

Het is noodzakelijk om de ontwikkeling te toetsen aan soortenbescherming vanwege de mogelijke aanwezigheid van flora en fauna. Een toetsing aan beschermde gebieden is reeds uitgevoerd en wordt separaat aangevuld en geactualiseerd, dit betreft met name de effecten van stikstof op Natura 2000 gebieden. Het onderdeel houtopstanden is eveneens van toepassing, omdat een deel van het plangebied buiten de bebouwde kom houtopstanden is gelegen. Deze rapportage behandeld zodoende de onderdelen soortenbescherming en houtopstanden.

5.2

In hoeverre is de beoogde ontwikkeling (mogelijk) strijdig met de Wnb?

In het projectgebied is een negatief effect op verschillende beschermde soorten niet op voorhand uit te sluiten. Verschillende soorten hebben mogelijk verblijfplaatsen in het huidige plangebied. Het gaat hierbij om de volgende soort(groep)en: steenmarter, boommarter, eekhoorn, bunzing, wezel, hermelijn, meerdere soorten vleermuizen, huismus, hazelworm, levendbarende hagedis, sleedoornpage en teunisbloempijlstaart.

20/23

Kenmerk

R002-1278875JNA-V01-efm-NL

Daarnaast dient rekening te worden gehouden met zowel de APV als het onderdeel houtopstanden van de Wnb bij de kap van bomen.

5.3

Zijn maatregelen en/of een ontheffing nodig?

Om te kunnen bepalen of en in welke mate er beschermde soorten voorkomen dient er aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd. Op basis van de resultaten zal bepaald moeten worden of en in welke mate de soorten effecten ondervinden van het voornemen. Bij negatieve effecten kan het noodzakelijk zijn een ontheffing aan te vragen en aanvullende maatregelen te nemen om de effecten te mitigeren. Bij het kappen van bomen kan tevens sprake zijn van een vergunnings- of meldingsplicht afhankelijk van de standplaats en omvang van te kappen bomen. Indien er sprake is van een vergunnings- of meldingsplicht dient rekening gehouden te worden met de noodzakelijke herplant.

5.4

Wat betekent dit voor de verdere planvorming en uitvoering?

Het aanvragen van een ontheffing bij de provincie Gelderland is noodzakelijk indien er negatieve effecten zijn op één of meer beschermde soorten. Voor een ontheffingsaanvraag is het noodzakelijk een activiteitenplan op te stellen. Hierin staat alle informatie over het voornemen, de onderzoeksresultaten en effecten op de aanwezige beschermde soorten. Een belangrijk onderdeel zijn de maatregelen die genomen moeten worden om effecten op beschermde soorten te mitigeren (voorkomen) en te compenseren (artikel 3.8, lid 5c). Daarnaast is het van belang het wettelijk belang aan te tonen van het voornemen (artikel 3.8, lid 5b). Ook moet aangetoond worden dat er geen reële alternatieven zijn om hetzelfde te bereiken, die gunstiger uitpakken voor de betreffende soorten (artikel 3.8, lid 5a). Voor mitigerende maatregelen geldt, na realisatie, gemiddeld een noodzakelijke gewenningsperiode van één actief seizoen. Veel van de nadere onderzoeken zijn reeds opgestart en worden in het najaar van 2021 afgerond. Het onderzoek naar het voorkomen van sleedoornpage zal nog gedurende het bladvrije seizoen moeten worden uitgevoerd.

Tevens dient er ongeveer een jaar voor aanvang van de beoogde kap een bomeninventarisatie te worden uitgevoerd om te bepalen of de bomen vergunningsplichtig zijn (in het noordelijke deel) en om gegevens te verzamelen over soort, omvang, soort(samenstelling) en vitaliteit ten behoeve van de noodzakelijke vergunningsaanvraag (in het noordelijke deel) en kapmelding (in het zuidelijke deel). In de meeste gevallen dient de herplant binnen drie jaar na de kap te worden uitgevoerd, gelet op de omvang en het voornemen is het aanbevolen om de te kappen bomen op te nemen als compensatie in het inrichtingsplan.

5.5

Wat betekent dit voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan?

Mogelijk zijn beschermde soorten aanwezig waaronder streng beschermde soorten zoals vogels en vleermuizen. Met algemene broedvogels kan rekening worden gehouden door gerichte maatregelen in planning en werkwijze. Voor veel beschermde soorten is dit niet voldoende. Mogelijk worden jaarrond beschermde nesten, verblijfplaatsen en/of essentieel foerageergebied vernietigd door het amoveren van bebouwing en het rooien van bomen. Om hier ontheffing voor te krijgen is het nodig om een wettelijk belang te hebben, maatregelen te nemen ten gunste van

21/23

Kenmerk

R002-1278875JNA-V01-efm-NL

soorten om de staat van instandhouding te behouden en dienen er geen reële alternatieven te zijn. Alternatieven Er is zeer beperkte ruimte aanwezig rond de stationsomgeving om een soortgelijk resultaat te bereiken voor veiligheid. In elk geval zullen bebouwing en bomen moeten verdwijnen voor het plan. Daardoor is er voor soorten geen alternatief denkbaar dat gunstiger uitpakt, omdat ook op andere plekken hoogstwaarschijnlijk verblijfplaatsen en essentieel leefgebied wordt aangetast. Wettelijk belang Het plan heeft betrekking op het realiseren van een ongelijkvloerse kruising van de Elspeterweg met het spoor in verband met de verkeers- en spoorveiligheid. Dit is in het belang van de openbare veiligheid en valt dus voor vogels onder het wettelijk belang uit de Wnb, artikel 3.3, lid 4 onder b. 1°: in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid en voor alle andere soorten onder het wettelijk belang uit de Wnb, artikel 3.8, lid 5, onder b. 3°: in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten. Maatregelen Er zijn diverse maatregelen denkbaar indien beschermde soorten aangetroffen worden.

Het verwonden en doden van individuen kan worden voorkomen door gerichte maatregelen in planning en het ongeschikt maken van verblijfplaatsen (na ontheffing). Doordat er geen nieuwe bebouwing komt zal gezocht moeten worden naar duurzame locaties voor tijdelijke en permanente verblijfplaatsen voor bijvoorbeeld vogels en vleermuizen. Voor andere soorten behoort het verbeteren van bestaand leefgebied of het realiseren van nieuw leefgebied tot de mogelijkheden. Samengevat zijn er geen andere bevredigende oplossingen, is er een wettelijk belang en is het nemen van maatregelen mogelijk zodat er geen afbreuk plaatsvindt aan de staat van instandhouding van soorten. Het plan is daarom redelijkerwijs uitvoerbaar.

6 Literatuur Provincie Gelderland, Wijziging omgevingsverordening vanwege vaststelling natuurparagraaf. PRB, publicatienr. 435. Bos, F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff & de Vlinderstichting, 2006. De dagvlinders van Nederland. Verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea). Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden.

22/23

Kenmerk

R002-1278875JNA-V01-efm-NL

Dijkstra, K.B., Kalkman, V.J., Ketelaar, R., van der Wiede, M.J.T., 2002. De Nederlandse libellen (odonata). Nederlandse fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Broekhuizen S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters, J.C. Buys, 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft, 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Herder J.E., A. van Diepenbeek & R.C.M. Creemers, 2013. Verspreidingsonderzoek reptielen en amfibieën 2013. Rapport 2013-010. Stichting RAVON, Nijmegen. BIJ12, 2017. Kennisdocumenten beschermde soorten. van Dijk A.J. & Boele A. 2011. Handleiding SOVON Broedvogelonderzoek. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging en Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, Vleermuisprotocol 2017. TAUW, 2019a. Verkenning natuur en MER stationsgebied gemeente Nunspeet - Ecologische voortoets. Rapport met kenmerk R001-1265284WLI-V04-sec d.d. 8 mei 2019. TAUW, 2019b. Nader onderzoek ecologie stationsgebied, Nunspeet. Rapport met kenmerk R0041265284JJA-V01-rlk d.d. 28 oktober 2019.

Geraadpleegde internetwebsites: www.floron.nl www.libellennet.nl www.ravon.nl www.sovon.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuis.net www.vlindernet.nl www.zoogdiervereniging.nl

23/23

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11622315/1