CConstaterende datNunspeet
Koppel je AI →
Document · PDF

AP 8. Bijlage Ruimtelijke onderbouwing LAAN 66-68 pdf

Raadsvergadering 25 november 2021, gemeente NunspeetBij agendapunt: Afgifte verklaring van geen bedenkingen Laan 66-68 in Nunspeet7.709 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Ruimtelijke onderbouwing LAAN 66-68 Gemeente Nunspeet

Gegevens over het plan: Plannaam: Identificatienummer: Status: Datum: Projectnummer Buro SRO:

LAAN 66-68 NL.IMRO.0302.OV00061-ow01 Ontwerp Maart 2020 24.10.33

Gegevens projectbetrokkenen: Opdrachtgever: Contactpersoon opdrachtgever: Betrokken gemeente: Behandelend ambtenaar:

Rewo Holding b.v. Dhr. H. Peters Nunspeet Dhr. A. Schaap

Gegevens Buro SRO: Projectleider Buro SRO: Bezoekadres vestiging Arnhem Telefoon: E-mail: Internet:

2

Dhr. M. Geerts Sweerts de Landasstraat 50 6814 DG te Arnhem 026 – 35 23 125 arnhem@buro-sro.nl www.Buro-SRO.nl

LAAN 66-68

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 Hoofdstuk 2 2.1 2.2 Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 Hoofdstuk 5 5.1 5.2

Inleiding Aanleiding voor het initiatief Ligging plangebied Leeswijzer Het initiatief Huidige situatie Toekomstige situatie Beleidskader Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid Uitvoerbaarheid Milieu Water Ecologie Verkeer Cultuurhistorie en archeologie Economische uitvoerbaarheid Procedure Inspraak en overleg Van ontwerp naar vaststelling

Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6

LAAN 66-68

5 5 5 5 6 6 7 8 8 9 10 14 14 18 20 22 22 23 24 24 24

25 Boom effect analyse Ladderonderbouwing Bodemonderzoek Watertoets Quickscan flora en fauna Voortoets stikstofdepositie

27 29 31 33 35 37

3

4

LAAN 66-68

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding voor het initiatief

De initiatiefnemer heeft het voornemen om de huidige supermarkt en scapino aan de Laan 66 - 68 in Nunspeet te verplaatsen naar een locatie aan het Wezenland en op de locatie aan de Laan 66 - 68 woningbouw te realiseren. Deze ontwikkeling is strijdig met het geldende bestemmingsplan. Omdat het initiatief gewenst is en passend is op de locatie, wordt medewerking verleend aan deze ontwikkeling. In dit document wordt dit toegelicht en gemotiveerd waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Laan 66 - 68 in de kern Nunspeet. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.

Globale ligging van het plangebied (bron: openstreetmap.org)

1.3

Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk is in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 is het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst op grond van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Tevens wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Tot slot gaat hoofdstuk 5 in op de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van overleg en zienswijzen zijn opgenomen.

LAAN 66-68

5

Hoofdstuk 2

Het initiatief

In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.

2.1

Huidige situatie

Het plangebied ligt aan de Laan 66 - 68 in de bebouwde kom, ten noorden van het centrum van Nunspeet. De Laan is één van de historische bebouwingslinten en uitvalswegen van Nunspeet. Langs de Laan zijn woningen en verschillende maatschappelijke, dienstverlenende en detailhandelsfuncties gevestigd. Ter hoogte van het plangebied heeft de Laan een groen karakter met veel bomen. Ten noorden van de planlocatie ligt het park 4045. De onderstaande afbeelding toont een luchtfoto van het plangebied. In het plangebied zijn momenteel een supermarkt, schoenenwinkel en een kantoor gevestigd. Het zuidelijk deel van het plangebied is in gebruik als parkeerterrein. Hier staan tevens een aantal garageboxen.

Luchtfoto van het plangebied (bron: PDOK)

6

LAAN 66-68

2.2

Toekomstige situatie

De initiatiefnemer is voornemens om de bestaande bebouwing te slopen en daarvoor in de plaats 10 tweeonder-een-kapwoningen en een appartementengebouw met 11 appartementen te realiseren. Het plangebied blijft ontsloten via de Laan. De ontsluiting wordt enkel iets naar het zuiden verplaatst. In het plangebied worden in totaal 45 parkeerplaatsen gerealiseerd. De onderstaande afbeelding geeft een impressie van de toekomstige situatie.

Impressie toekomstige situatie (ontwerp: Slaa + van Asselt architecten)

Binnen de invloedssfeer van de voorgenomen ontwikkeling bevinden zich zes bomen met een gemeentelijke beleidsstatus. Om de invloed van de ontwikkeling op deze bomen te bepalen is een bomen effect analyse uitgevoerd. De rapportage hiervan is toegevoegd als bijlage 1. Hieruit blijkt dat bij één boom sprake is van een bovengronds knelpunt ten aanzien van de gevellijn van het nieuwe appartementengebouw. Dit betreft de boom op de perceelsgrens tussen het park 40-45 en het plangebied. Deze boom zal in het kader van een goede stedenbouwkundige inpassing worden verwijderd. De overige bomen blijven behouden.

LAAN 66-68

7

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Gebiedsgericht De SVIR benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, de ecologische hoofdstructuur, de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. Voorts betreft het enkele specifieke gebieden, zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam en Schiphol. In het Barro heeft het Rijk voor deze onderwerpen regels opgesteld waarmee de SVIR juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd. In de SVIR worden, naast de onderwerpen van nationaal belang, accenten geplaatst op het gebied van bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het beleid betekent een decentralisatie van rijkstaken en bevoegdheden. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en lagere overheden, burgers en bedrijven krijgen, zolang het nationaal belang niet in het geding is, de ruimte om oplossingen te creëren.

Ladder duurzame verstedelijking Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is 'duurzame verstedelijking'. Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro, artikel 3.1.6 onder 2. De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. In de toelichting van een plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient de behoefte aan die ontwikkeling te worden beschreven. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is. Daar wordt het volgende onder verstaan: "een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur." Per 01 juli 2017 is de ladder voor duurzame verstedelijking herzien.

Bij de herziening zijn onder meer de drie afzonderlijke 'treden' van de ladder losgelaten en is het begrip 'actuele regionale behoefte' gewijzigd in 'behoefte'. Nieuw is dat de laddertoets bij flexibele plannen kan worden doorgeschoven naar het moment van vaststelling van een wijzigings- of uitwerkingsplan. Planspecifiek Gebiedsgericht Het plangebied ligt niet in een van de aangewezen gebieden van de SVIR en het Barro. Vanuit nationaal beleid zijn er geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan. Ladder duurzame verstedelijking De realisatie van 10 grondgebonden woningen en 11 appartementen is een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarom is in bijlage 2 een ladderonderbouwing opgenomen. Uit deze onderbouwing blijkt er in de gemeente Nunspeet een kwantitatieve woningbehoefte van 340 woningen te zijn voor de periode 2020 -2030.

8

LAAN 66-68

Wat betreft de kwalitatieve behoefte blijkt er de komende jaren een toenemende behoefte aan appartementen en woonvormen voor senioren in de nabijheid van voorzieningen. Verder blijkt met name behoefte te bestaan aan nultredenwoningen in een prijsklasse van € 265.000 tot € 350.000. Maar ook in de prijsklasse boven de € 350.000 blijkt behoefte te zijn aan nultredenwoningen. Voorliggend plan voorziet met 21 levensloopbestendige woningen in de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. De locatie past gezien de ligging bovendien goed bij de meest kansrijke doelgroepen voor het plan. De ladder voor duurzame verstedelijking is daarmee succesvol doorlopen. Geconcludeerd wordt dat voorliggend plan past binnen het rijksbeleid.

3.2

Provinciaal beleid

Algemeen Het provinciaal beleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland en Omgevingsverordening Gelderland, beide vastgesteld op 19 december 2018 en in werking getreden op 01 maart 2019. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. De visie integreert een vijftal beleidsterreinen: ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. Omgevingsvisie Gaaf Gelderland De provincie wil de focus leggen op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Door daarin te investeren wil de provincie werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Om dat te bereiken wordt de focus gelegd op zeven ambities op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving.

Deze ambities worden hieronder kort samengevat:  Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten;  Een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid;  Een voortvarend en innovatief circulair beleid;  Een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit;  Efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag;  Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat;  Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Naast deze zeven ambities blijft het beleid uit de Omgevingsvisie uit 2014 gelden. Het gaat om de aanwijzing van functies van regionale oppervlaktewateren, van gebieden waar milieukwaliteit bijzondere bescherming behoeft, van Natura 2000-gebieden en van bijzondere natuurgebieden. Omgevingsverordening Gelderland De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal.

De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. Planspecifiek Voorliggend plan betreft de realisatie van 10 grondgebonden woningen en 11 appartementen op de voormalige locatie van winkels en een kantoor. Uit de onderbouwing van de ladder voor duurzame verstedelijking blijkt dat er in de gemeente Nunspeet behoefte is aan dit type woningen (zie paragraaf 3.1).

LAAN 66-68

9

Met het plan is sprake van herontwikkeling van een binnenstedelijke locatie. Het plan wordt stedenbouwkundig ingepast in de omgeving en de woningen worden volgens de huidige normen omtrent energiezuinig bouwen gebouwd. Het plan voldoet daarmee aan het borgen van kwaliteit van de woon- en leefomgeving en het behoud van vitale steden en dorpen, zoals omschreven in de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. Het initiatief is passend binnen het provinciale beleid.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie 2018 Nunspeet De gemeente Nunspeet heeft een integrale toekomstvisie voor de gehele gemeente opgesteld, de Omgevingsvisie Nunspeet. De omgevingsvisie Nunspeet is opgebouwd in thema's en een gebiedsgerichte uitwerking. De visie heeft als planhorizon 2030. Eén van de thema's is het initiëren en accommoderen van gebiedsgericht milieu- en gezondheidsbeleid. De kernpunten van dit thema zijn:  Integraal verweven van gezondheids- en milieuaspecten in alle gemeentelijke thema's.  Gebiedsgerichte streefbeelden als uitgangspunt voor beheer en ontwikkeling hanteren, benoemen van actie op basis daarvan. Gericht op de relatie gezondheid en inrichting leefomgeving, worden uitgangspunten gehanteerd als:  Voldoende groen, water en speelvoorzieningen ook in de kernen en goed bereikbaar vanuit de kernen.  Het stimuleren van fiets en openbaar vervoergebruik en het verminderen van het autogebruik.  Een aantrekkelijke en veilige inrichting van de openbare ruimte.  Letten op gezondheidsaspecten als luchtkwaliteit, zoönosen en fijnstof. Wat betreft wonen wil de gemeente dat iedereen moet kunnen blijven wonen in een woning en op een plek waar men zich thuis voelt. Dat geldt ook voor degene die zich vanwege werk of om andere redenen in de gemeente wil vestigen.

Dit betekent dat nieuwbouw en herontwikkeling zo goed mogelijk voldoen aan de uitbreidingsbehoefte, zowel in aantallen, woningtypen als woningprijzen. De gemeente wil aantrekkelijke woonmilieus behouden en toevoegen. De ligging van de kernen te midden van natuurwaarden levert daarbij zowel kansen als uitdagingen op. Toevoegingen van woonlocaties zijn in balans met de uitbreidingsbehoefte. Er is geen sprake van een grote herstructureringsopgave, zodat dergelijke projecten kleinschalig van karakter zijn en een kwaliteitsimpuls moeten vormen voor de (woon)omgeving. Kernwoorden zijn duurzaam, energieneutraal en levensloopbestendig. Planspecifiek De realisatie van 10 woningen en 11 appartementen voorziet in de vraag naar woningen voor verschillende doelgroepen. Er is ook behoefte aan deze woningen zoals blijkt uit de ladderonderbouwing in paragraaf 3.1. Met het plan is sprake van herontwikkeling van een binnenstedelijke locatie. Het initiatief draagt hiermee bij aan het toevoegen en behouden van aantrekkelijke woonmilieus. Voorliggend plan past binnen het beleid uit de omgevingsvisie van de gemeente Nunspeet. 3.3.2 Woonvisie & Beleidsregel Woningbouw op Maat De woonvisie "Werken aan een duurzaam en vitaal Nunspeet" is vastgesteld op 23 oktober 2014 en voor het eerst herzien op 25 juni 2015. Voor de gemeente Nunspeet is de woonvisie een belangrijk beleidsdocument.

Het geeft richting aan de woonontwikkeling van de gemeente en geeft een kwantitatieve en kwalitatieve inkleuring aan het wonen in de gemeente.

10

LAAN 66-68

Om van de woonvisie een effectief sturingsinstrument te maken, wordt een uitvoeringsagenda met daarin de belangrijkste acties voor de komende periode opgenomen. Dilemma's woningmarkt De woonvisie biedt inzicht in de ontwikkelingen op het brede gebied van het wonen. Het geeft ook een beeld van de effecten van beleid van de afgelopen jaren. Maar ook richt de visie zich op de toekomst waar zich grote veranderingen aankondigen, in hoofdlijnen worden de volgende dilemma's benoemd:  Aantal huishoudens blijft groeien, na 2020 afnemende groei, vraagt om flexibele oplossingen.  Veranderende bevolkingssamenstelling; ontgroening, vergrijzing en kleinere huishoudens.  Vertrekoverschot, met name door jongeren en jongvolwassenen.  Langer zelfstandig wonen en toenemende zorgbehoefte (senioren verhuizen nauwelijks).  Kwaliteit en geschiktheid bestaande woningvoorraad.  Wat te doen met nieuwbouwplannen. Visie De gemeente is verantwoordelijk voor de woonvisie en neemt op dit punt dan ook de regie. Daarom heeft de gemeente voor de ontwikkeling van die visie de kennis van de woningcorporatie, de maatschappelijke organisaties, de marktpartijen en de bewonersgroepen ingezet. In hoofdlijnen worden de volgende hoofdpunten benoemd:  Focus op geschikt maken van woningen voor senioren en mensen met een beperking / zorgbehoefte.  Zorgen voor voldoende beschikbare sociale huurwoningen.

 Aandacht voor duurzaamheid bij nieuwbouw (met name inrichting van de wijk).  Jongeren kunnen behouden blijven indien juiste aanbod wordt gerealiseerd. De woonvisie gaat voor de gemeente Nunspeet voor de periode 2013 tot 2025 uit van een extra kwantitatieve woningbehoefte van 850 huishoudens. Nunspeet heeft door omstandigheden jarenlang te weinig kunnen bouwen. Dit heeft voor een sterk negatief verhuissaldo gezorgd in de crisisjaren. De laatste paar jaar trekt de woningmarkt aan en in het bijzonder in Nunspeet, waar momenteel sprake is van een vestigingsoverschot (Woningmarktonderzoek gemeente Nunspeet, 2018). De meest recente Primos-woningbehoefteprognoses voor de gemeente Nunspeet gaan uit van een toenemende woningbehoefte tot ten minste het jaar 2030. De gemeente Nunspeet heeft daarbij de ambitie om te bouwen voor de werkelijke behoefte op basis van de provinciale prognose bij een migratiesaldo van 0. Uit de Primos-prognoses voor de periode 2017-2025 blijkt dat er in de gemeente Nunspeet in deze periode een behoefte is van circa 895 extra woningen. Woningmarktonderzoek gemeente Nunspeet Om de impact (kwantitatief en kwalitatief) van de toenemende druk op de woningmarkt en de toenemnde woningbouwproductie te onderzoeken heeft de gemeente Nunspeet een woningmarktonderzoek laten uitvoeren.

Wat betreft de kwalitatieve opgave blijkt dat in het koopsegment op korte termijn vooral behoefte is aan eengezinskoopwoningen tussen €262.000 en € 400.000. Doordat het aantal gezinnen in Nunspeet ook in de toekomst groot blijft, is er ook op lange termijn een extra behoefte aan deze koopwoningen. Daarnaast blijkt er in het koopsegment tot en met 2024 behoefte aan appartementen tussen €181.000 en €270.000. Uit het woningmarktonderzoek blijkt ook dat na 2025 de behoefte aan zowel extra betaalbare als extra dure appartementen toeneemt als gevolg van de vergrijzing. Beleidsregel Woningbouw Op Maat In de Woonvisie is opgenomen dat nieuwbouw noodzakelijk is om tot een passend woningaanbod te komen voor een divers aantal mensen. Tegelijkertijd tonen de prognoses dat op de middellange termijn rekening

LAAN 66-68

11

moet worden gehouden met de terugloop van het aantal huishoudens. Om aan deze ontwikkelingen de juiste sturing te geven, is in de woonvisie het 'strategisch programmeren' geïntroduceerd. Met de provincie Gelderland zijn afspraken gemaakt om de volgende drie maatregelen te nemen: a. Temporisering/fasering Molenbeek b. Herprogrammering niet benutte locaties c. Sturen op invulling nieuwe woningbouwinitiatieven. Het doel van het vervolgdocument van de Woonvisie, de Beleidsregel Woningbouw op Maat, is om een strategische aanpak en afwegingskader te ontwikkelen waarmee de gemeente gerichter sturing kan geven aan nieuwe initiatieven voor woningbouw in de gemeente. In de visie staat beschreven waar de gemeente de komende jaren met woningbouw op in wil zetten, hoe zij dit wil bereiken en aan welke criteria de nieuwe initiatieven worden getoetst. Om tot een goed afgestemde woningmarkt te komen, geeft de gemeente de markt veel ruimte. Voor het toetsen van nieuwe initiatieven heeft de gemeente een afwegingskader opgesteld, bestaande uit zeven uitgangspunten: 1. Het benutten van inbreidingslocaties heeft de prioriteit; 2. Bij inbreidingslocaties inzetten op verbetering ruimtelijke kwaliteit ter plaatse; 3. Innovatie en maatwerk op individuele locaties in buitengebied 4. Geen mogelijkheden voor nieuwe uitbreidingslocaties 5.

Het plan past binnen de beschikbare gemeentelijke kwantitatieve woningbouwcapaciteiten tot en met 2024; 6. Doelgroepen / woningtypen passen binnen de behoefte van de woonvisie; 7. Inzetten op kleinschalige locaties, organische groei en flexibele concepten. Planspecifiek Voorliggend plan voorziet met de ontwikkeling van 21 woningen in de kwantitatieve woningbehoefte van de gemeente Nunspeet. Tevens voorziet het initiatief met de realisatie van twee-onder-een-kapwoningen en appartementen in het duurdere segment in de kwalitatieve woningbehoefte van de gemeente. Daarnaast betreft de locatie een inbreidingslocatie. Hiermee past het plan binnen het beleid van de woonvisie en de beleidsregels woningbouw op maat. 3.3.3 Geldend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan "Nunspeet-Kom", vastgesteld op 27 november 2008. Het plangebied heeft voor het grootste deel de bestemming 'Gemengd'. Het zuidelijk deel heeft de bestemming 'Verkeer' en de bestemming 'Wonen' met de aanduiding garagebox. Ter plaatse van het plangebied geldt tevens het bestemmingsplan "Welstand Nunspeet 2015". De locatie heeft hierbij de dubbelstemming 'Waarde - Welstand, uitgebreide toets' en de gebiedsaanduiding 'overige zone - 2 woongebied rond het centrum'.

12

LAAN 66-68

Uitsnede bestemmingsplan "Nunspeet-Kom" (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

De realisatie van 10 woningen en 11 appartementen is strijdig met het geldende bestemmingsplan. Om het initiatief mogelijk te maken is voorliggende ruimtelijke onderbouwing opgesteld.

LAAN 66-68

13

Hoofdstuk 4

Uitvoerbaarheid

Voor een buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) de uitvoerbaarheid aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.

4.1

Milieu

4.1.1 Bodem Op grond van de Wet Bodembescherming (Wbb) moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming is met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd. Planspecifiek In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is toegevoegd als bijlage 3. Hierin wordt geconcludeerd dat er enkele lichte verontreinigingen zijn aangetroffen. De gehaltes van de lichte verontreinigingen geven geen aanleiding voor nader onderzoek. Geconcludeerd wordt dat het plangebied op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bodem. 4.1.2 Lucht De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' zijn twee aspecten van belang. Ten eerste of de luchtkwaliteit ter plaatse de nieuwe functie toelaat (de gevoeligheid van de bestemming) en ten tweede wat de bijdrage is van het plan aan die luchtkwaliteit.

Luchtkwaliteit ter plaatse In de Wet milieubeheer zijn normen opgenomen voor de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht ter bescherming van de mens. De belangrijkste stoffen zijn PM10 en PM2,5 (fijnstof) en NO2 (stikstofdioxide). De grenswaarde van PM10 en NOx bedraagt 40 µg/m3, van PM2,5 is dat 25 µg/m3. Bijdrage aan luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet maakt een onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing.

14

LAAN 66-68

Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'. Planspecifiek Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de NSL Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Door de metingen ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit metingen van het rekenpunt 15563648 (aan de Elburgerweg ter hoogte van plangebied) zijn de volgende concentraties naar voren gekomen:

Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2017 (µg/m3) Grenswaarde concentratie (µg/m3)

NO2 (stikstofdioxide) PM10 (fijnstof) 3 14,6 µg/m 17,1 µg/m3

PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof) 10,3 µg/m3

40 µg/m3

25 µg/m3

40 µg/m3

De gemeten concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. Bijdrage initiatief Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief van geringe omvang (toevoegen 21 woningen) ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%, toevoegen 1.500 woningen). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Ten opzichte van de huidige situatie levert het initiatief mogelijk zelfs een verbetering op met betrekking tot luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit. 4.1.3 Geluid De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving.

In de Wgh worden de volgende objecten beschermd:  woningen;  geluidgevoelige gebouwen, zoals scholen, ziekenhuizen, verzorgings- en verpleeghuizen, psychiatrische instellingen en kinderdagverblijven;  geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen en bestemde ligplaatsen voor woonschepen). Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.

LAAN 66-68

15

Planspecifiek Voor onderhavig plan geldt dat industrielawaai en spoorweglawaai niet aan de orde zijn. Het plangebied blijft ontsloten via de Laan. Bij de Laan en rondom het plangebied is sprake van een 30 km zone. Voor 30 km-wegen is een akoestisch onderzoek op basis van de Wet geluidhinder niet nodig. Het plangebied ligt op circa 120 meter afstand van de F.A. Molijnlaan, waar een maximum snelheid van 50 km/uur is toegestaan. De gemiddelde verkeersintensiteit op de F.A. Molijnlaan is 4213 motorvoertuigen per etmaal. Als algemene richtlijn geldt dat bij wegen met een snelheid van 50 km/uur en een intensiteit van 5000 motorvoertuigen per etmaal de 48 dB contour op 55 meter afstand ligt van geluidgevoelige objecten (ten opzichte van de wegas). Onderhavig plangebied ligt op een grotere afstand, namelijk 120 meter, van de F.A. Molijnlaan en het aantal motorvoertuigen per etmaal ligt onder de 5000. Daarnaast is er tussenliggende bebouwing aanwezig die een geluidsafschermende werking heeft. Op basis van voorstaande kan aangenomen worden dat de geluidbelasting onder de voorkeurswaarde van 48 dB is gelegen. Het uitvoeren van verder akoestisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid. 4.1.4 Milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies.

Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten. De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype en verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt.

Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Planspecifiek Met voorliggend initiatief worden nieuwe milieugevoelige objecten toegevoegd (21 woningen). Het plangebied ligt in een gemengd gebied met de functies wonen, dienstverlening, detailhandel en maatschappelijk. Aangezien er sprake is van een gemengd gebied kunnen de richtafstanden op grond van de Staat van bedrijfsactiviteiten uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' van de VNG met 1 stap/categorie worden verkleind. Ten westen van het plangebied ligt een computerservicewinkel aan de Laan 53. Ten zuidwesten van het plangebied liggen kantoren en een orthodontiepraktijk aan de Laan 45. Voor de genoemde functies gelden richtafstanden van 10 meter voor het aspect geluid. Wanneer deze afstanden met 1 stap worden verkleind, gelden richtafstanden van 0 meter. Aan deze richtafstanden wordt voldaan. De overige functies liggen op nog grotere afstand van het plangebied.

16

LAAN 66-68

Met voorliggend plan is sprake van een goed woon- en leefklimaat voor de 21 toe te voegen woningen. Tevens worden met de ontwikkeling geen bedrijven belemmerd in hun bedrijfsvoering. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect milieuzonering. 4.1.5 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen. De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting. De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²).

Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, parkeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn. Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan. Planspecifiek Via de website risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website.

LAAN 66-68

17

Uitsnede risicokaart

Uit de risicokaart is op te maken dat ten noordwesten van het plangebied een gasleiding ligt op circa 450 meter afstand. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van deze gasleiding. Ten noordoosten van het plangebied ligt ammoniak opgeslagen. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van deze risicobron. Verder zijn in de nabije omgeving van het plangebied geen inrichtingen, buisleidingen of andere transportroutes aanwezig die in het kader van externe veiligheid relevant zijn. Het initiatief is uitvoerbaar op het gebied van externe veiligheid.

4.2

Water

Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor

18

LAAN 66-68

de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:  vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd.  schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet.

Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Beleid waterschap Vallei en Veluwe In het Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 heeft waterschap Vallei en Veluwe tactische doelen geformuleerd. Per jaarplan geeft het waterschap concreet invulling aan de daadwerkelijke realisatie van deze doelen. Daarnaast heeft het waterschap de Keur met de Algemene – en Beleidsregels van Waterschap Vallei en Veluwe vastgesteld. Alle handelingen in of nabij een waterstaatswerk worden hieraan getoetst. In de Het Algemene beleidsregels (3e wijziging, 2017) bij de Keur 2013 wordt ten doel gesteld dat een uitbreiding van het verhard oppervlak in principe, vanuit waterhuishoudkundig oogpunt, waterbalans neutraal moet plaatsvinden. Voor ruimtelijke ontwikkelingen gelden op basis van beleid bovengenoemd beleid de volgende uitgangspunten:  Hemelwater wordt op basis van de trits 'vasthouden-bergen-afvoeren' zoveel mogelijk ter plaatse vastgehouden.

Wanneer lozen in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is kan geloosd worden op oppervlaktewater. Lozen op de riolering is in principe niet toegestaan;  Afvalwater niet zijnde 'schoon' hemelwater aansluiten op het riool;  Houdt bij het ontwerp rekening met de gemiddelde hoogste grondwaterstand;  De ontwikkeling dient in de gebruiksfase grondwaterneutraal te zijn. Structurele drainage of andere middelen om grondwater af te voeren zijn in principe niet toegestaan;  Geen uitlogende materialen gebruiken op plaatsen die in contact kunnen komen met (grond)water; Er is sprake van een vrijstelling van het compenseren van de toename van verhard oppervlak als de toename minder is dan 1.500 m² in stedelijk gebied. In landelijk gebied geldt deze vrijstelling ook, tenzij de afvoer niet plaatsvindt in een oppervlaktelichaam met de aanduiding 'water met natuurfunctie zijnde Hen-Sed water' op de natuurkaart behorende bij de Algemene Regels van de Keur. Dan is er sprake van een vrijstelling bij een toename van het verhard oppervlak van minder dan 4.000 m².

LAAN 66-68

19

Watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:  de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en  de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan. Planspecifiek Voor dit plan is de digitale watertoets ingevuld. Het resultaat is toegevoegd als bijlage 5. Hieruit blijkt dat er geen (beschermingszones van) beschermde waterkeringen/watergangen in of rondom het plangebied liggen. Het plangebied is in de huidige situatie bijna geheel verhard. Met voorliggend plan neemt het verhard oppervlak daarom niet toe. Daarom is compensatie van een toename van verhard oppervlak niet nodig. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect water.

4.3

Ecologie

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Per 01-012017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora en faunawet en de Boswet opgegaan in de nieuwe Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland. Gebiedsbescherming In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied. Soortenbescherming Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten.

Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Planspecifiek Voor onderhavig plan is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is toegevoegd als bijlage 5. De belangrijkste conclusies ten aanzien van gebiedsbescherming en soortenbescherming worden hieronder beschreven.

20

LAAN 66-68

Gebiedsbescherming In de omgeving van het plangebied is het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied de 'Veluwe'. Dit gebied ligt op circa 700 meter afstand van het plangebied. Door de omvang van de ontwikkeling (realiseren 10 woningen en 11 appartementen) en de afstand tot het te beschermen gebied, kan het optreden van significante negatieve effecten worden uitgesloten. Om het effect van stikstofuitstoot door het plan te bepalen is een voortoets stikstofdepositie uitgevoerd (zie bijlage 6). Hieruit blijkt dat als gevolg van de ontwikkelingen in het plangebied waarvoor de berekeningen zijn uitgevoerd de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden zowel in de gebruiksfase als in de aanlegfase niet toeneemt. Er is dus geen sprake van significante effecten op beschermde Natura 2000 gebieden. Het aanvragen van een Wnb-vergunning is daarom niet nodig voor dit project.

Ligging plangebied in relatie tot de maatgevende Natura 2000 gebieden

Soortenbescherming Uit het verkennend onderzoek flora en fauna, zie bijlage 5, blijkt dat het plangebied mogelijk geschikt leefgebied is voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. De locatie heeft mogelijk betekenis voor de beschermde soorten: huismussen en gebouwbewonende vleermuizen. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd ten aanzien van huismussen en vleermuizen. Dit onderzoek zal worden uitgevoerd. Gelet op hetgeen gevonden is, zie daartoe de conclusie in het verkennend onderzoek, is er geen reden om aan te nemen dat, indien ontheffingen nodig blijken te zijn, deze niet verkregen zouden worden. Het plan is daarmee op basis van de Wro uitvoerbaar op het gebied van soortenbescherming. De uitvoerbaarheid van het initiatief voor ecologie is hiermee aangetoond.

LAAN 66-68

21

4.4

Verkeer

Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Met voorliggend plan blijft het plangebied ontsloten via de Laan. De ontsluiting komt enkel iets zuidelijker te liggen. De Laan is één van de uitvalswegen van Nunspeet. In de huidige situatie zijn er een supermarkt, schoenenwinkel en een kantoor in het plangebied gevestigd. Met de realisatie van 10 woningen en 11 appartementen zal het aantal verkeersbewegingen niet toenemen. De omliggende wegen hebben voldoende capaciteit om het verkeer afkomstig van de toekomstige gebruikers op te vangen. Wat betreft parkeren dient te worden voldaan aan de parkeernormen uit de Parkeernota 2014 van de gemeenten Oldebroek, Nunspeet, Hattem en Elburg, waarbij de maximale parkeerkencijfers (schil centrum) van de CROW-publicatie 317 als norm worden gehanteerd. Het plan voorziet in 11 dure koopappartementen en 10 twee-onder-een-kap koopwoningen. Woningtype

aantal woningen

Koop, etage, duur 11 Koop, twee-onder-een-kap 10

parkeernorm

parkeerbehoefte

2,3 2,4

25,3 24,0

Totaal

49,3

Uit de kencijfers van het CROW blijkt dat er afgerond 50 parkeerplaatsen nodig zijn. Met voorliggend initiatief worden 45 parkeerplaatsen in het plangebied gerealiseerd, welke als 42,6 parkeerplaatsen mogen worden meegerekend. Hiermee is er in vergelijking met de parkeerbehoefte een tekort van 7 tot 8 parkeerplaatsen. In de huidige situatie (supermarkt, schoenenwinkel en kantoor) is er echter een parkeerbehoefte van 83 parkeerplaatsen en bevinden zich 46 parkeerplaatsen in het plangebied. Daarmee neemt met voorliggend plan de parkeerdruk per saldo af in vergelijking met de huidige situatie. Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het plan voldoet aan goede ruimtelijke ordening. Het (nog) verder zoeken naar extra parkeerplaatsen zou de kwaliteit van de inrichting van het gebied te veel in het gedrang laten komen. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect verkeer.

4.5

Cultuurhistorie en archeologie

In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie. Cultuurhistorie Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Archeologie De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten

22

LAAN 66-68

archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente. Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Planspecifiek Cultuurhistorie In het plangebied zijn in de huidige situatie een supermarkt, schoenenwinkel en kantoor gevestigd. De bestaande bebouwing heeft geen cultuurhistorische waarden. In het plangebied en de directe omgeving bevinden zich ook geen cultuurhistorische waarden waar het plan effect op kan hebben. Archeologie Voor de te verwachten archeologische waarden in het plangebied heeft overleg plaatsgevonden met de regioarcheoloog. In het plangebied geldt een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Hiervoor geldt een vrijstellingsgrens voor archeologisch onderzoek tot bodemingrepen met een oppervlakte van 500 m 2. Het plangebied is voor een groot deel al bebouwd, waardoor de grond geroerd is. Hiermee is de verstoring dermate groot dat de kans op archeologische waarden in het plangebied nihil is.

Een archeologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit de aspecten cultuurhistorie en archeologie.

4.6

Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:  het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;  het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;  het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is. Planspecifiek De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de planologische procedure met de initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst afsluiten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges.

Eventuele extra gemeentelijke kosten worden gedekt door de exploitatieovereenkomst. Tevens zal een overeenkomst betreffende planschade worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Deze overeenkomst zal als een separate rapportage worden opgenomen. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.

LAAN 66-68

23

Hoofdstuk 5 5.1

Procedure

Inspraak en overleg

Inspraak Dit plan met een beperkte reikwijdte is niet voor inspraak ter visie gelegd. De directe buren zijn op de hoogte van dit plan. Overleg Onderhavig initiatief wordt in het kader van het wettelijk overleg besproken met het waterschap Vallei en Veluwe. Verder wordt advies gevraagd aan de omgevingsdienst. De adviezen worden verwerkt in deze ruimtelijke onderbouwing.

5.2

Van ontwerp naar vaststelling

De omgevingsvergunning is voorbereid met toepassing van een uitgebreide procedure ex artikel 2.12 lid 1 onder a sub 3° Wabo juncto artikel 3.10 Wabo. Het ontwerpbesluit met bijbehorende stukken zal als ontwerp voor een termijn van zes weken ter inzage liggen. Een ieder kan hierop zienswijzen indienen. Bij het vaststellingsbesluit wordt hierop nader ingegaan.

24

LAAN 66-68

Bijlagen

LAAN 66-68

25

26

LAAN 66-68

Bijlage 1

LAAN 66-68

Boom effect analyse

27

28

LAAN 66-68

Bijlage 2

LAAN 66-68

Ladderonderbouwing

29

30

LAAN 66-68

Bijlage 3

LAAN 66-68

Bodemonderzoek

31

32

LAAN 66-68

Bijlage 4

LAAN 66-68

Watertoets

33

34

LAAN 66-68

ijlage 5

LAAN 66-68

Quickscan flora en fauna

35

36

LAAN 66-68

Bijlage 6

LAAN 66-68

Voortoets stikstofdepositie

37

38

LAAN 66-68

Verbeelding

LAAN 66-68

39

40

LAAN 66-68

LAAN 66-68

41

42

LAAN 66-68

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10800146/1