CConstaterende datNunspeet
Koppel je AI →
Document · PDF

AP 8. Bijlage 8 Ecologische voortoets stikstof Laan 43a Nunspeet

Raadsvergadering 18 december 2025, gemeente NunspeetBij agendapunt: Afgifte Verklaring van geen bedenkingen Laan 43a in Nunspeet. (hamerstuk)4.932 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Ecologische toetsing ruimtelijke ontwikkeling Laan 43A te Nunspeet Toetsing van mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden in het kader van de Omgevingswet

Uitgevoerd door: Tuitert Natuuronderzoek

Opdrachtgever: Ad Fontem Ruimtelijk Advies

Projectnummer en versie: AT/2025/10.03 Versie D1a Auteur: D. Tuitert

Status: Definitief Rapportdatum: 10-03-2025

Inhoudsopgave

1

Inleiding ...................................................................................................................... 3 1.1 Aanleiding .............................................................................................................. 3 1.2 Doel ........................................................................................................................ 3 2 Wettelijk kader............................................................................................................ 4 2.1 Omgevingswet (Natura 2000 activiteit) .................................................................. 4 2.2 Jurisprudentie beoordeling stikstofeffecten............................................................ 4 3 Afbakening Natura 2000-gebieden........................................................................... 6 3.1 Natura 2000-gebieden ........................................................................................... 6 4 Natura 2000-gebied Veluwe ...................................................................................... 7 4.1 Gebiedsbeschrijving............................................................................................... 7 4.2 Begrenzing en oppervlakte ....................................................................................

7 4.3 Instandhoudingsdoelen .......................................................................................... 8 5 Effecten en toetsing................................................................................................. 10 5.1 Afbakening ........................................................................................................... 10 5.2 Kleine tijdelijke stikstoftoenames algemeen .........................................................10 5.3 Effecten en toetsing per kwalificerende vogelsoort ...............................................11 5.4 Cumulatie ..............................................................................................................14 6 Conclusie .................................................................................................................. 15

2

1

Inleiding

1.1 Aanleiding Voor de locatie aan de Laan 43a in Nunspeet is een plan ontwikkeld. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande telefooncentrale te vervangen voor 4 nieuwe grondgebonden woningen. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen wordt stikstof (NOx) uitgestoten, zoals bij de verbranding van fossiele brandstof, welke kan neerslaan in kwetsbare natuur. Door Ad Fontem is hiervoor een stikstofberekening uitgevoerd. Uit de stikstofberekening blijktdat alleen tijdelijk tijdens de ontwikkelfase sprake is van een toename aan stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied Veluwe. In voorliggende ecologische beoordeling wordt getoetst of de berekende toename aan stikstofdepositie significante gevolgen kan hebben voor het betreffende Natura 2000-gebied.

Figuur 1: Globale ligging van het plangebied (rode ster).

1.2 Doel Doel van voorliggende toetsing is om te bepalen of het voorgenomen project significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Indien dit het geval is, dan is voor het voorgenomen project een omgevingsvergunning op grond van artikel 5.1, eerste lid onder e, van de Omgevingswet noodzakelijk. Wanneer uit de ecologische beoordeling blijkt dat significante gevolgen op voorhand met zekerheid zijn uitgesloten, dan kan het voorgenomen project worden uitgevoerd zonder omgevingsvergunning.

3

2

Wettelijk kader

2.1 Omgevingswet (Natura 2000 activiteit) De bescherming van Natura 2000-gebieden (Vogel- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland is geregeld in de Omgevingswet. Projecten of plannen die significante gevolgen kunnen voor deze beschermde gebieden, zijn in beginsel (zonder vergunning) niet toegestaan. De verbodsbepalingen uit de Omgevingswet ten aanzien van Natura 2000gebieden staan in artikel 5.1, eerste lid, sub e, van de Omgevingswet. Daarin is aangegeven dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000 activiteit te verrichten. Een Natura 2000-activiteit is een: Activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Kern van de Natura 2000 toetsing zijn de instandhoudingsdoelstellingen die per Natura 2000-gebied zijn geformuleerd. Een project of plan mag er niet toe leiden dat de instandhoudingsdoelstellingen niet meer gehaald (kunnen) worden. Dan is sprake van significante gevolgen. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie).

De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets, waarin wordt getoetst of significante gevolgen voor Natura 2000-gebied op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een vergunning noodzakelijk op grond van artikel 5.1 van de Omgevingswet. 2.2 Jurisprudentie beoordeling stikstofeffecten Voor alle habitattypen en leefgebieden van soorten waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen is een kritische depositiewaarde (KDW) bepaald. Wanneer deze KDW wordt overschreden door de huidige achtergronddepositie, kan sprake zijn van een effect op de kwaliteit van het betreffende habitattype/leefgebied. Dit is echter niet altijd het geval. In sommige gevallen blijkt uit gebiedsspecifiek onderzoek dat de kwaliteit van een habitattype/leefgebied goed is, ondanks een overschrijding van de KDW. Stikstofdepositie vormt dan niet een bepalend knelpunt voor de kwaliteit van het habitattype/leefgebied in het betreffende (deel)gebied. In een ecologische beoordeling dient dus specifiek gekeken te worden naar de omstandigheden in het betreffende Natura 2000-gebied.

Als middels een gebiedsspecifieke ecologische beoordeling kan worden aangetoond dat de instandhoudingsdoelstellingen van het betreffende Natura 2000-gebied niet in het geding komen, dan kunnen significante gevolgen voor dat Natura 2000-gebied worden uitgesloten, ondanks dat de KDW van een habitattype/leefgebied wordt overschreden. Dit is ook de lijn die de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State hanteert in haar rechtspraak, onder andere in de uitspraak over de Maritieme Servicehaven Noordelijk Flevoland (ECLI:NL:RVS:2022:2752). Voor een aantal habitattypen en leefgebieden binnen de in de voor de MSNF opgestelde passende beoordeling besproken Natura 2000-gebieden geldt dat de KDW wordt overschreden, de kwaliteit momenteel niet goed is en stikstofdepositie in beginsel een knelpunt vormt voor de kwaliteit van het betreffende habitattype en/of leefgebied. Ten aanzien van deze habitattypen en leefgebieden is gekeken of het berekende projecteffect zodanig groot is dat hierdoor merkbare significante gevolgen voor de kwaliteit van het betreffende habitattype of kwalificerende soort(en) binnen een leefgebied kan hebben. Uit de ecologische analyse blijkt dat dit niet het geval is. Ecologisch gezien zijn er geen aantoonbare verschillen in de kwaliteit van de betreffende habitattypen.

Er is in de betreffende Natura 2000-gebieden geen sprake van zodanige omstandigheden dat een ver-

4

waarloosbare toename aan stikstofdepositie alsnog zou kunnen leiden tot in ecologische zin aantoonbare significante gevolgen voor de kwaliteit van het habitattype en/of leefgebied. Het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende habitattypen en leefgebieden van soorten wordt, ondanks de verwaarloosbare toename aan stikstofdepositie, nog steeds mogelijk geacht. Deze gebiedsspecifieke ecologische beoordeling heeft stand gehouden bij de Raad van State in de procedure over de Maritieme Servicehaven bij Urk. Uit voorgaande blijkt dat een (tijdelijke) toename aan stikstofdepositie in een overbelaste situatie niet altijd per definitie betekent dat sprake is van significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied. Aan de hand van een gebiedsspecifieke ecologische beoordeling kan per geval worden vastgesteld of significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten. Voorgaande is ook op te maken uit de Pothos-uitspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2023:3129), waarin de Afdeling aangeeft dat een voortoets wordt gemaakt om vast te stellen of een risico bestaat dat een plan of project significante gevolgen heeft voor een gebied.

De Afdeling geeft aan dat het enkele feit dat de KDW in de huidige situatie wordt overschreden niet maakt dat een passende beoordeling zonder meer noodzakelijk is en dat niet met een voortoets volstaan kan worden. De Afdeling sluit niet uit dat de tijdelijkheid van stikstofdeposities in sommige gevallen de conclusie kan rechtvaardigen dat uitgesloten is dat een plan of project significante gevolgen heeft. Daarbij is van belang in hoeverre en op welke termijn een gebied die deposities kan opvangen. Als een gebied maar een klein opvangend vermogen heeft, is het mogelijk dat tijdelijke deposities toch structureel doorwerken en wel significante gevolgen kunnen hebben, maar als een gebied die tijdelijke toename wel kan opvangen, zijn significante gevolgen wellicht uitgesloten. Volgens de Afdeling moet bij elk nieuw plan of project dat leidt tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden een voortoets gemaakt kunnen worden waarbij een ecologische analyse moet worden gegeven van die gevolgen in het licht van de specifieke milieukenmerken en omstandigheden van het betreffende Natura 2000-gebied, ook als het gaat om een tijdelijke en beperkte toename. Daarbij zal voor de relevante Natura 2000-gebieden moeten worden onderzocht hoe de staat van de instandhouding op dat moment is.

De effecten van de stikstofdeposities die al hebben plaatsgevonden, zullen zich daarin vertalen.

5

3

Afbakening Natura 2000-gebieden

3.1

Natura 2000-gebieden

Het projectgebied ligt buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied Veluwe, maar grenst wel aan een bosje dat onderdeel uitmaakt van de begrenzing van het Natura 2000-gebied Veluwe. Op onderstaande figuur is de ligging van het projectgebied ten opzichte van de begrenzing van het Natura 2000-gebied Veluwe weergegeven.

Figuur 3.1: Begrenzing Natura 2000-gebied Veluwe ten opzichte van het projectgebied (rode stip). Bron: Aerius Calculator.

Andere Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand (> 10 km) van het projectgebied. Op andere Natura 2000-gebied zijn geen toenames aan stikstofdepositie berekend als gevolg van het voorgenomen project met Aerius Calculator. Significante gevolgen voor deze Natura 2000-gebieden kunnen daarom op voorhand met zekerheid worden uitgesloten.

6

4

Natura 2000-gebied Veluwe

4.1 Gebiedsbeschrijving De Veluwe bestaat overwegend uit droge bossen, droge en natte heide, vennen en stuifzanden. In de voorlaatste ijstijd, zo'n 150.000 jaar geleden, duwden de ijslobben van het landijs enorme hoeveelheden door de rivieren aangevoerd zand en grond voor zich uit en opzij en vormden zo de stuwwallen. Hoewel de hoogteverschillen sindsdien door wind en water zijn afgevlakt, reiken de hoogste delen van de Veluwe tot ruim 100 m boven NAP. Tot 1900 was de Noord-Veluwe één uitgestrekt stuifzandgebied. Tegenwoordig is er in totaal nog enkele honderden hectare actief stuifzand op de Veluwe. Bij Kootwijk is één van de grootste actieve stuifzandgebieden van Europa. Plaatselijk komen in de heiden heischrale graslanden, jeneverbesstruwelen, vennen, trilvenen (Wisselse veen) en hoogveenkernen (Mosterdveen) voor. In het beekdal van de Leuvenumse Beek en op de westelijke flanken worden schraallanden aangetroffen. Langs de randen van de Veluwe ontspringen de (sprengen)beken, waar beekvegetaties en zeer plaatselijk bronbossen voorkomen. 4.2 Begrenzing en oppervlakte De begrenzing van het Natura 2000-gebied Veluwe is aangegeven op onderstaande figuur 4.2. Het Natura 2000-gebied beslaat een oppervlakte van circa 88.370 ha. Het Natura 2000-gebied Veluwe omvat globaal gezegd de bos- en natuurterreinen op de Veluwe.

De buitengrens ervan wordt in beginsel gevormd door de overgang van het aaneengesloten bos- en natuurgebied naar de cultuurgronden en bebouwde kommen van de omringende plaatsen. Het gebied wordt globaal begrensd door de plaatsen Hattem, Wapenveld, Heerde, Epe, Vaassen, Apeldoorn, Beekbergen, Loenen, Eerbeek, Dieren, Rheden, Velp, Rozendaal, Arnhem, Wageningen, Ede, Lunteren, Wekerom, Otterlo, Harskamp, Stroe, Putten, Ermelo, Harderwijk, Nunspeet, ’t Harde en Wezep. Ook enkele beken tussen Epe en Vaassen en bij Ugchelen maken deel uit van het aangewezen gebied.

Figuur 4.2: Begrenzing Natura 2000-gebied Veluwe (groene kleur).

7

4.3 Instandhoudingsdoelen Het Natura 2000-gebied Veluwe is aangewezen op grond van zowel de Habitatrichtlijn als de Vogelrichtlijn. Voor het gebied zijn daarom instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor habitattypen, habitatsoorten en vogelsoorten. In onderstaande tabel zijn de instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied Veluwe weergegeven. Tabel 4.3-1: Instandhoudingsdoelstellingen habitattypen en habitatsoorten van het Natura 2000-gebied Veluwe

8

Tabel 4.3-2: Instandhoudingsdoelstellingen habitatsoorten van het Natura 2000-gebied Veluwe

Tabel 4.3-3: Instandhoudingsdoelstellingen vogelsoorten van het Natura 2000-gebied Veluwe

9

5

Effecten en toetsing

5.1 Afbakening Door Ad Fontem is in 2024 een stikstofberekening uitgevoerd met het rekenprogramma Aerius Calculator, welke door DNS Planvorming is geactualiseerd in 2025. Daarbij zijnde ontwikkelfase en de gebruiksfase van het voorgenomen project doorgerekend. Uit de stikstofberekening blijkt dat als gevolg van het voorgenomen project alleen tijdens de ontwikkelfase sprake is van een toename aan stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied Veluwe. Tijdens de gebruiksfase is geen sprake van een toename aan stikstofdepositie > 0,00 mol N/ha/jr. Tabel 5.1-1: Berekende stikstofdepositie van het voorgenomen project in de ontwikkelfase.

De berekende toename aan stikstofdepositie tijdens de ontwikkelfase doet zich voor op slechts 19 hexagonen waarin Lg13 Bos van arme zandgronden aanwezig is. Daarnaast is sprake van een berekende stikstoftoename op 2 hexagonen waarin L4030 Droge heiden aanwezig is. Uit de berekeningen komt ook Lg09 Droog struisgrasland naar voren, maar de oppervlakte aan Lg09 binnen het hexagon met een projecteffect is 0,00 ha. Verder is nog een toename aan stikstofdepositie berekend op zoekgebied voor uitbreiding van H2310 Stuifzandheiden met struikhei. Voor dit habitattype geldt een behouddoelstelling, dus uitbreiding van de omvang van dit habitattype is niet relevant voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. In de Pas-gebiedsanalyse voor de Veluwe is aangegeven voor welke stikstofgevoelige kwalificerende soorten Lg13 en L4030 leefgebied vormt. Tabel 5.1-2: Stikstofgevoelige kwalificerende soorten i.r.t. aangewezen leefgebieden Leefgebied

Gevoelige soort(en)

Lg13 Bos van arme zandgronden

• •

Draaihals Zwarte specht

L4030 Droge heiden

• • • •

Boomleeuwerik Draaihals Tapuit Wespendief

5.2 Kleine, tijdelijke stikstoftoenames algemeen In de meeste habitattypen functioneert een stikstofkringloop waarin veel grotere hoeveelheden stikstof circuleren, veelal duizenden kilo’s per hectare per jaar. Onverstoorde, natuurlijke achtergronddeposities liggen in de orde van 1 tot 5 kilogram/ha/jr, overeenkomend met 71 tot 357 mol/ha/jr. Ook binnen deze verhoogde achtergronddepositie is het mogelijk om verschillende habitattypen in stand te houden. Dat blijkt wel uit het feit dat in sommige gevallen de kwaliteit van een stikstofgevoelig habitattype goed is, ondanks een (forse) overschrijding van de kritische depositiewaarde (KDW) door de achtergronddepo-

10

sitie. De geringe projectbijdrage heeft geen merkbaar effect op deze totale stikstofkringloop en dus ook niet op de kwaliteit van het betreffende habitattype. Op alle Natura 2000-gebieden in Nederland vindt als gevolg van natuurlijke en door mensen beïnvloede oorzaken stikstofdepositie plaats. Deze achtergronddepositie varieert tussen circa 700 en 4.000 mol N/ha/jr, afhankelijk van de locatie. De huidige trend is dat de stikstofdepositie sinds 1990 aan het dalen is van ongeveer 2.600 mol N/ha/jr naar gemiddeld 1.600 mol N/ha/jr. Deze trend is echter in de recente jaren afgevlakt, waarvoor regionaal soms nog altijd sprake is van een overschrijding van de KDW optreedt. Hoewel er sprake is van een langjarige trend waarbij de emissies en achtergronddeposities dalen, variëren de achtergronddeposities op een specifieke locatie van jaar tot jaar. Dit heeft met name te maken met jaarlijkse verschillen in weersomstandigheden (temperatuur, windrichting en hoeveelheid neerslag). Door meteorologische omstandigheden kunnen van jaar tot jaar variaties in de depositie optreden in de ordegrootte van 10% 1 . Dit kunnen dus jaarlijkse verschillen zijn in de ordegrootte van 70 tot 400 mol N/ha/jr. Een toename in depositie van 0,1 mol N/ha/jr bedraagt ongeveer 0,005% van de hoogste achtergronddepositie in Nederland.

Een eenmalige dosis van 0,1 is daarom relatief gezien zeer gering, zowel ten aanzien van de nauwkeurigheid waarmee de achtergronddeposities zijn vastgesteld, als de hoogte van deze deposities over lange termijnen. Directe schade aan individuele projecten, en daarmee aan vegetatietypen en habitattypen en/of leefgebieden van soorten als gevolg van dergelijke kleine en tijdelijke deposities zijn met zekerheid uitgesloten. De huidige concentraties van NH3, NOx en SO2 zijn in Nederland namelijk zo laag dat directe toxische schade aan projecten (bijna) niet meer voorkomt. Dit effectmechanisme ten aanzien van atmosferische depositie van stikstof speelt daarom in Nederland geen rol.2 Dergelijke kleine, tijdelijke depositietoenames leiden eveneens niet tot een significante toename van de hoeveelheid stikstof in de project, gerelateerd aan de hoeveelheid die een project nodig heeft om te groeien. Een eenmalige depositie van 0,1 mol N/ha/jr komt overeen ca. 0,005% van de jaarlijks benodigde hoeveelheid stikstof voor natuurlijke habitats.3 Ook wanneer deze dosis volledig ter beschikking komt aan de vegetatie (dus het uitspoelen van stikstof niet mee beschouwend), leidt dit niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid van individuele projecten, en daarmee tot veranderingen in concurrentiepositie.

Daardoor ontstaan geen meetbare verschuivingen in de verhouding waarmee individuele soorten in de vegetatie voorkomen. Hieruit kan geconcludeerd worden dat een eenmalige kleine depositietoename van 0,1 mol/ha/jr of minder op een locatie waar de KDW wordt overschreden de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden niet meetbaar aantast. 5.3

Effecten en toetsing per kwalificerende vogelsoort

5.3.1 Wespendief De trend in het voorkomen van de wespendief op de Veluwe kan vanwege het ontbreken van voldoende tijdlijngegevens niet worden vastgesteld. Over de lange termijn is de trend op de Veluwe negatief. Landelijk is de trend stabiel (SOVON, 2021). Bij de laatste telling in 2018 waren 94 broedparen aanwezig, waarmee de aantallen wespendieven dicht bij de instandhoudingsdoelstelling van minimaal 100 broedparen liggen. Het broedsucces van de wespendief op de Veluwe neemt af, waarschijnlijk als gevolg van een aantal jaren 1

https://www.clo.nl/indicatoren/nl0189-vermestende-depositie. Effecten van stikstofdepositie via effecten op de projectten/vegetatie kunnen zijn: koeler en vochtiger microklimaat, afname kwantiteit en kwaliteit voedselprojectten, afname kwaliteit voedselprojectten, afname bloemdichtheid, afname beschikbaarheid gastheer, afname nestgelegenheid of afname prooibeschikbaarheid. 3 Tolkamp, G.W., C.A. van den Berg, G.J. Nabuurs & A.F. Olsthoorn, 2006. Kwantificering van beschikbare biomassa voor bioenergie uit Staatsbosbeheerterreinen. Alterra, Wageningen. Alterra-rapport 1380. 2

11

met weinig wespen, maar ook van andere prooidieren in het begin van het broedseizoen (gewervelden). Bodemverzuring, verruiging en vergrassing (effecten stikstofdepositie), klimaatverandering, verstoring door recreatie en insecticiden zijn daarvan mogelijke oorzaken. Als gevolg van het voorgenomen project vindt alleen tijdelijk, tijdens de ontwikkelfase van het project, een verwaarloosbare stikstofdepositie plaats van maximaal 0,01 mol N/ha/jr op een beperkt deel (ca. 0,08 ha) van het totaal aan leefgebied van de soort op de Veluwe (73.895 ha). Bij een beperkte en tijdelijke toename aan stikstofdepositie gedurende slechts enkele maanden is geen sprake van een in ecologische zin merkbare verandering van de kwaliteit van het leefgebied. Bij een tijdelijke toename van slechts 0,01 mol N/ha/jr gedurende enkele maanden zal geen in ecologische zin merkbare verandering van soortensamenstelling van de vegetatie of van een merkbare extra verruiging, verbossing of vergrassing optreden (zie paragraaf 5.2). Van een merkbare invloed op de voedselbeschikbaarheid voor de wespendief als gevolg van het voorgenomen project is geen sprake is geen sprake. Het voorgenomen project zal niet leiden tot een afname van het aantal broedparen van de wespendief in het Natura 2000-gebied Veluwe.

Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat het voorgenomen project niet leidt tot een afname van de omvang of een in ecologische zin merkbare verslechtering van de kwaliteit van het leefgebied van de wespendief op de Veluwe. Significante gevolgen kunnen op voorhand met zekerheid worden uitgesloten. 5.3.2 Boomleeuwerik Van oudsher is de boomleeuwerik een talrijke broedvogel op de Veluwe. De trend in het voorkomen van de boomleeuwerik is de laatste 12 jaar positief, zowel op de Veluwe als totaal in Nederland. In 2019 werden ruim 2.500 broedparen vastgesteld, waarmee het aantal boven het doelaantal ligt . De soort profiteerde van grootschalige kapvlaktes en op de grote militaire oefenterreinen van de Veluwe broeden meer dan 100 paren per atlasblok. Brede zandbanen door dennenbos vormen daar een geliefde habitat. Uit de kwaliteitsbeoordeling in de synthesedocumenten blijkt dat de geschiktheid van het leefgebied met betrekking tot oppervlakte en kwaliteit van het broed- en foerageerbiotoop overwegend voldoende tot goed is. Bodemverzuring, verruiging en vergrassing (effecten stikstofdepositie) kunnen leiden tot een afname van de voedselbeschikbaarheid voor de soort. Als gevolg van het voorgenomen project vindt alleen tijdelijk, tijdens de ontwikkelfase van het project, een verwaarloosbare stikstofdepositie plaats van maximaal 0,01 mol N/ha/jr op een beperkt deel (ca.

0,08 ha) van het totaal aan leefgebied van de boomleeuwerik op de Veluwe (77.412 ha). Bij een beperkte en tijdelijke toename aan stikstofdepositie gedurende slechts enkele maanden is geen sprake van een in ecologische zin merkbare verandering van de kwaliteit van het leefgebied. Bij een tijdelijke toename van slechts 0,01 mol N/ha/jr gedurende enkele maanden zal geen in ecologische zin merkbare verandering van soortensamenstelling van de vegetatie of van een merkbare extra verruiging, verbossing of vergrassing optreden (zie paragraaf 5.2). Van een merkbare invloed op de voedselbeschikbaarheid voor de boomleeuwerik als gevolg van het voorgenomen project is geen sprake is geen sprake. Het voorgenomen project zal niet leiden tot een afname van het aantal broedparen van de boomleeuwerik in het Natura 2000-gebied Veluwe. Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat het voorgenomen project niet leidt tot een afname van de omvang of een in ecologische zin merkbare verslechtering van de kwaliteit van het leefgebied van de boomleeuwerik op de Veluwe. Significante gevolgen kunnen op voorhand met zekerheid worden uitgesloten.

12

5.3.3 Tapuit De trend van de tapuit op de Veluwe is zeer negatief. In de laatste 12 jaar komt de soort met maximaal enkele broedparen voor. De achteruitgang wordt in verband gebracht met de afname van konijnen, die de begroeiing in het leefgebied kort en open hielden. De effecten van stikstofdepositie hebben dit effect mogelijk versterkt. Mogelijk spelen ook andere oorzaken, zoals lagere prooidichtheden een rol. Bodemverzuring, verruiging en vergrassing (effecten stikstofdepositie) kunnen leiden tot een afname van de voedselbeschikbaarheid voor de soort. Als gevolg van het voorgenomen project vindt alleen tijdelijk, tijdens de ontwikkelfase van het project, een verwaarloosbare stikstofdepositie plaats van maximaal 0,01 mol N/ha/jr op een beperkt deel (ca. 0,08 ha) van het totaal aan leefgebied van de soort op de Veluwe (17.287 ha). Bij een beperkte en tijdelijke toename aan stikstofdepositie gedurende slechts enkele maanden is geen sprake van een in ecologische zin merkbare verandering van de kwaliteit van het leefgebied. Bij een tijdelijke toename van slechts 0,01 mol N/ha/jr gedurende enkele maanden zal geen in ecologische zin merkbare verandering van soortensamenstelling van de vegetatie of van een merkbare extra verruiging, verbossing of vergrassing optreden (zie paragraaf 5.2).

Van een merkbare invloed op de voedselbeschikbaarheid voor de tapuit als gevolg van het voorgenomen project is geen sprake is geen sprake. Het voorgenomen project zal niet leiden tot een afname van het aantal broedparen van de tapuit in het Natura 2000-gebied Veluwe. Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat het voorgenomen project niet leidt tot een afname van de omvang of een in ecologische zin merkbare verslechtering van de kwaliteit van het leefgebied van de tapuit op de Veluwe. Significante gevolgen kunnen op voorhand met zekerheid worden uitgesloten. 5.3.4 Draaihals De trend in het voorkomen van de draaihals op de Veluwe in de afgelopen 12 jaar is positief. Bij de laatste telling in 2019 waren 42 broedparen aanwezig, waarmee aan de populatiedoelstelling (hervestiging) wordt voldaan, maar nog geen sprake is van een duurzame populatie. Verwacht wordt dat kapvlaktes waar stobben blijven staan en (verlaten) heideakkertjes zullen leiden tot een hogere dichtheid aan mierennesten en daarmee een toename van het voedselaanbod voor de draaihals. De draaihals is deels afhankelijk van bossen van arme en leemrijke zandgronden. Met name de bossen van arme zandgronden staan blijvend onder druk door te hoge stikstofdeposities. Bodemverzuring, verruiging en vergrassing (effecten stikstofdepositie) kunnen leiden tot een afname van de voedselbeschikbaarheid voor de soort.

Als gevolg van het voorgenomen project vindt tijdens de ontwikkelfase van het project een beperkte stikstofdepositie plaats van maximaal 0,01 mol N/ha/jr op een beperkt deel (ca. 12 ha) van het totaal aan leefgebied van de soort op de Veluwe (ca. 76.123 ha). Bij een verwaarloosbare, tijdelijke stikstoftoename van maximaal 0,01 mol N/ha/jr is geen sprake van een in ecologische zin merkbare verandering van de kwaliteit van het leefgebied. Bij een dergelijke beperkte stikstoftoename zal geen in ecologische zin merkbare verandering van soortensamenstelling van de vegetatie of van een merkbare extra verruiging, verbossing of vergrassing optreden (zie paragraaf 5.2). Van een merkbare invloed op de voedselbeschikbaarheid voor de draaihals als gevolg van het voorgenomen project is geen sprake. Het voorgenomen project zal niet leiden tot een afname van het aantal broedparen van de draaihals in het Natura 2000-gebied Veluwe. Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat het voorgenomen project niet leidt tot een afname van de omvang of een in ecologische zin merkbare verslechtering van de kwaliteit van het leefgebied van de draaihals op de Veluwe. Significante gevolgen kunnen op voorhand met zekerheid worden uitgesloten.

13

5.3.5 Zwarte specht Op de Veluwe is sprake van een licht afnemende trend in de aantallen zwarte spechten. Het doelaantal niet wordt gehaald. Volgens de gegevens op de website van SOVON zou er over de laatste 12 jaar, gebaseerd op steekproeven, echter sprake zijn van een positieve trend (stats.sovon.nl). In de afgelopen jaren was het aantal broedparen volgens deze gegevens hoger dan de aantallen in 1990, waarmee het doelenaantal mogelijk wel zou worden gehaald. De zwarte specht is afhankelijk van bossen van arme en leemrijke zandgronden, en voor zijn voedsel afhankelijk van naaldbossen. Met name de bossen van arme zandgronden staan blijvend onder druk door te hoge stikstofdeposities. Bodemverzuring, verruiging en vergrassing (effecten stikstofdepositie) kunnen leiden tot een afname van de voedselbeschikbaarheid voor de soort. Als gevolg van het voorgenomen project vindt tijdens de ontwikkelfase van het project een beperkte stikstofdepositie plaats van maximaal 0,01 mol N/ha/jr op een beperkt deel (ca. 12 ha) van het totaal aan leefgebied van de soort op de Veluwe (ca. 76.123 ha). Bij een verwaarloosbare, tijdelijke stikstoftoename van maximaal 0,01 mol N/ha/jr is geen sprake van een in ecologische zin merkbare verandering van de kwaliteit van het leefgebied.

Bij een dergelijke beperkte stikstoftoename zal geen in ecologische zin merkbare verandering van soortensamenstelling van de vegetatie of van een merkbare extra verruiging, verbossing of vergrassing optreden (zie paragraaf 5.2). Van een merkbare invloed op de voedselbeschikbaarheid voor de zwarte specht als gevolg van het voorgenomen project is geen sprake. Het voorgenomen project zal niet leiden tot een afname van het aantal broedparen van de zwarte specht in het Natura 2000-gebied Veluwe. Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat het voorgenomen project niet leidt tot een afname van de omvang of een in ecologische zin merkbare verslechtering van de kwaliteit van het leefgebied van de zwarte specht op de Veluwe. Significante gevolgen kunnen op voorhand met zekerheid worden uitgesloten. 5.4 Cumulatie In de rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) wordt aangegeven wat er in de cumulatietoets wel/niet betrokken hoeft te worden. Zo behoeft niet gekeken te worden naar activiteiten die in het verleden zijn vergund en al zijn of worden uitgevoerd. Ook bij ‘intern salderen’ hoeft volgens de ABRvS niet naar cumulatie gekeken te worden. Onzekere toekomstige gebeurtenissen kunnen bij de beoordeling van cumulatieve effecten buiten beschouwing blijven.

Dat betekent dat met andere projecten waarvoor een natuurvergunning is vereist maar die nog niet is verleend geen rekening hoeft te worden gehouden. De gedachte hierachter is dat in afwachting van een besluit op een aanvraag voor een natuurvergunning doorgaans niet zeker is of, en zo ja, met welke voorschriften de vergunning verleend zal worden. En bij de toetsing van bijvoorbeeld bestemmingsplannen mag de cumulatieve toets volgens de ABRvS ook achterwege worden gelaten. Bij een project is van belang om te kijken naar mogelijke cumulatieve effecten met reeds vergunde (Wnb-vergunning / Omgevingsvergunning voor een Natura 2000 activiteit), maar nog niet (volledig) uitgevoerde projecten. Daarbij is het relevant om projecten in kaart te brengen met natuurvergunningen die afgegeven zijn vanaf 1 januari 2023, omdat de emissies uit het jaar 2022 uit de emissieregistratie zijn verwerkt in de achtergronddepositiekaart in AERIUS Calculator 2024 (Marra et al. 2024). Bij een zoektocht via het openbare online platform officiële bekendmakingen.nl zijn geen natuurvergunningen gevonden voor projecten die gelijktijdig met de aanleg van het voorgenomen project worden uitgevoerd en die een overlap hebben qua beïnvloedingsgebied met de hexagonen waarop het voorgenomen project een verwaarloosbare stikstoftoename heeft.

Bovendien geldt voor het voorgenomen project dat uit de effectbeoordeling blijkt dat het projecteffect dermate tijdelijk en in omvang beperkt is, dat geen sprake is van een in eco-

14

logische zin merkbare verandering in de kwaliteit van de betreffende habitattypen en/of leefgebieden van soorten. Van een significant effect door cumulatie met eventuele andere projecten kan dan ook geen sprake zijn. Geconcludeerd wordt dat ook in combinatie met eventuele andere projecten of plannen nooit sprake kan zijn van significante gevolgen voor het betreffende Natura 2000-gebied Veluwe. 6 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot significante gevolgen voor het nabijgelegen Natura 2000-gebied Veluwe of voor andere omliggende Natura 2000-gebieden i.r.t. het aspect stikstofdepositie. Tijdens de ontwikkelfase vindt tijdelijk een verwaarloosbaar kleine toename aan stikstofdepositie (maximaal 0,01 mol N/ha/jr) plaats op slechts enkele hexagonen aan leefgebied voor enkele kwalificerende vogelsoorten. Uit de ecologische beoordeling blijkt dat bij een zodanig kleine, tijdelijke toename aan stikstofdepositie op een heel beperkt deel van het totaal aan leefgebied van de betreffende soorten geen sprake is van een zodanig merkbare verandering van de kwaliteit van de leefgebieden van deze soorten, dat dit van invloed kan zijn op de omvang en verspreiding van de populaties. Ook uitbreiding van leefgebieden van draaihals waarvoor een uitbreidingsopgave geldt blijft mogelijk in het Natura 2000-gebied Veluwe.

Significante gevolgen voor de betreffende kwalificerende vogelsoorten kunnen op voorhand met zekerheid worden uitgesloten, ook in combinatie met eventuele andere projecten.

15

Literatuur

▪

Arcadis 2023. Natuurdoelanalyse Veluwe (57).

▪

Arcadis 2024. Handreiking kleine en tijdelijke stikstofdeposities; Bouwstenen voor ecologische beoordeling voor tijdelijke projecten en activiteiten: versie 2024, Rijkswaterstaat.

▪

Ad Fonteum 2024, Aerius Calculator stikstofberekening 4 woningen Laan 43A Nunspeet, actualisatie berekeningen DNS Planvorming 2025.

▪

Marra, W.A. et al. 2024: Actualisatie AERIUS Calculator 2024, RIVM-briefrapport 2024-0078 - https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/2024-0078.pdf

▪

Provincie Gelderland 2017. PAS-gebiedsanalyse Veluwe.

▪

Sierdsema, H, J. van Diermen, B. Aarts, L. van den Bremer en A. van Kleunen. 2008. Factsheets van broedvogels in de Natura 2000-gebieden van Gelderland. SOVON-onderzoeksrapport 2008/14. SOVON, Beek-Ubbergen.

▪

Tolkamp, G.W., C.A. van den Berg, G.J. Nabuurs & A.F. Olsthoorn, 2006. Kwantificering van beschikbare biomassa voor bioenergie uit Staatsbosbeheerterreinen. Alterra, Wageningen. Alterra-rapport 1380.

16

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16367974/1