AP 7. Regels Plaggebaan 13 13a - kopie
Tekst van het document
- 28 -
Door het college van Burgemeester en Wethouders kan met een tijdelijke omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in artikel 11.4 voor het semipermanent bieden van logies aan arbeidsmigranten/seizoenarbeiders e.a. op een voormalig recreatiepark, mits: 1. Het een (voormalig) recreatiepark betreft met maximaal 25 legale recreatieobjecten; 2. er in totaal niet meer dan 70 personen worden gehuisvest; 3. er geen sprake is van menging van functies, zowel op het park als daarbuiten; 4. de omgevingsvergunning wordt verleend voor een termijn van maximaal drie jaar, met de mogelijkheid tot verlenging van deze termijn met telkens 3 jaar; 5. binnen het grondgebied van de gemeente Nunspeet kunnen maximaal 2 locaties voor het semipermanent bieden van logies worden benut; 6. dit niet leidt tot strijdigheid met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, waarvoor wordt verwezen naar de Algemene Voorwaarden volgens a Algemene voorwaarden onder punt 4. 7. Er een plicht tot verblijfsregistratie wordt uitgevoerd die ook met de gemeente wordt gedeeld. a Algemene voorwaarden Algemene voorwaarden om te kunnen meewerken aan het afwijken van de bovengenoemde categorieën genoemd onder de hiervoor genoemde letters a. t/m d. 1. Indien wordt meegewerkt aan logies van arbeidsmigranten/ seizoensarbeiders e.a. dient voldaan te zijn aan de voorwaarden die zijn genoemd bij de letters a.
tot en met d. 2. indien wordt meegewerkt aan logies van arbeidsmigranten / seizoenarbeiders e.a. dient in elk geval voldaan te zijn aan de voorwaarde dat de behoefte aan logies van arbeidsmigranten / seizoenarbeiders e.a. in voldoende mate dient te zijn aangetoond. 3. indien wordt meegewerkt aan logies van arbeidsmigranten/seizoenarbeiders e.a. dient aangetoond te worden dat deze (in hoofdzaak) werkzaam zijn in de gemeente Nunspeet. 4. Dit niet leidt tot strijdigheid met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; a. Het woon- en leefklimaat; b. Het straat- en bebouwingsbeeld; c. De verkeersveiligheid en de parkeersituatie; d. De brandveiligheid; e. De externe veiligheid; f. De rampenbestrijding; g. De milieusituatie; h. De cultuurhistorische waarde; i. De gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. 5. Er de plicht tot verblijfsregistratie wordt uitgevoerd die ook met de gemeente wordt gedeeld. B Plaatsen van woonunits en/of andere bouwwerken/gebouwen ten behoeve van arbeidsmigranten/seizoenarbeiders I. Plaatsen van woonunits en/of andere bouwwerken/gebouwen ten behoeve van arbeidsmigranten/seizoenarbeiders e.a. De gemeente kan ook meewerken aan een plan waarbij gebouwd wordt door bijvoorbeeld het plaatsen van woonunits en/of andere bouwwerken/gebouwen ten behoeve van logies voor arbeidsmigranten/seizoenarbeiders e.a.
Aan een dergelijk plan kan worden meegewerkt, mits de voorwaarden in acht worden genomen die hieronder bij het cijfer II. zijn geformuleerd. Qua procedure kan een dergelijk, zoals hiervoor omschreven, plan, voor het plaatsen (=bouwen) van woonunits en/of andere bouwwerken/gebouwen ten behoeve van logies voor arbeidsmigranten/seizoenarbeiders e.a., enkel geregeld worden door een herziening van het omgevingsplan dan wel door een omgevingsvergunning te verlenen voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa).
- 29 -
II. Voorwaarden om mee te werken aan een procedure voor het plaatsen van woonunits of andere bouwwerken/gebouwen voor het bieden van logies aan arbeidsmigranten/seizoenarbeiders e.a. Als voorwaarden om mee te kunnen werken aan het plaatsen van woonunits en/of andere bouwwerken/gebouwen dienen de volgende voorwaarden in acht te worden genomen: 1. de locatie in de directe nabijheid van de bebouwing kom ligt; 2. het logies tijdelijk is (maximaal 10 jaar), waarbij het mogelijk is deze periode te verlengen; 3. de omvang en inrichting aansluit bij de omgeving; 4. de locaties op voldoende afstand van woonfuncties liggen; 5. er een plicht tot verblijfsregistratie wordt uitgevoerd die met de gemeente wordt gedeeld; 6. er vanwege de milieuaspecten meegewerkt kan worden; 7. er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; 8. er geen gebouwen in het kader van herontwikkeling zoals bedoeld in artikel 13.6.4 letter a. dan wel transformatie van een (verouderd) recreatiepark zoals bedoeld onder letter b. dan wel semipermanente locaties zoals bedoeld in artikel 13.6.4 letter d. beschikbaar zijn. 9. er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, hetgeen blijkt uit: a. het woon- en leefklimaat; b. het straat- en bebouwingsbeeld; c. de verkeersveiligheid en de parkeersituatie; d. de brandveiligheid; e. de externe veiligheid; f.
de rampenbestrijding; g. de milieusituatie; h. de cultuurhistorische waarde; i. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Artikel 12 Algemene beoordelingscriteria overige criteria 12.1 Beoordelingscriteria parkeeractiviteiten 1.2.1.1 Beoordelingsregels parkeeractiviteiten 1. Een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen en/of voor het wijzigen van het gebruik van een gebouw dan wel voor het wijzigen van het gebruik van een onbebouwd terrein wordt slechts verleend indien bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat gelet op de omvang of de functie van het gebouw of het terrein in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor: a. het parkeren of stallen van auto’s en fietsen; b. het laden of lossen van goederen; c. het realiseren van parkeervoorzieningen voor invaliden. 2. De onder 12.1, lid 1 genoemde voorzieningen voor parkeren en laden of lossen worden gerealiseerd op eigen terrein, in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort respectievelijk op of onder het onbebouwde terrein waarvan het gebruik wordt gewijzigd. 12.1.2 Specifieke beoordelingsregels parkeeractiviteiten Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 12.1.1: 1. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; 2.
of voor zover aantoonbaar op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte, dan wel laadof losruimte wordt voorzien; met dien verstande dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. de parkeersituatie in de openbare ruimte; b. het woon- en leefklimaat; c. de sociale veiligheid; d. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
- 30 -
12.1.3 Parkeerfonds 1. Van de parkeerregels genoemd in 12.1 kan, indien er geen voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein kunnen worden gerealiseerd, en de parkeerplaatsen niet voldoende in het openbaar gebied aanwezig (kunnen) zijn, door het college van Burgemeester en Wethouders ook worden afgeweken met een omgevingsvergunning, door de aanvrager van een omgevingsvergunning een financiële bijdrage te doen storten in het parkeerfonds. 2. Een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in lid 1, komt tot stand volgens Hoofdstuk 3 van de Parkeernota van de gemeente Nunspeet (2014). 3. De financiële bijdrage voor het parkeerfonds wordt berekend volgens Hoofdstuk 3 van de Parkeernota van de gemeente Nunspeet (2014). 12.1.4 Beleidsregels Bij de beoordeling van een aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in de leden 12.1.1, 12.1.2 en 12.1.3 wordt getoetst aan de beleidsregel Parkeernota van de gemeente Nunspeet (2014) dan wel, in het geval deze tussentijds wordt gewijzigd of vervangen door een andere beleidsregel, aan deze gewijzigde, respectievelijk vervangende, beleidsregel. 12.2 Beoordelingscriteria kleine windturbines bij andere functies dan agrarische bedrijven Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in de functieregels voor het bouwen van kleine windturbines binnen functies waar een hoofdgebouw aanwezig is, mits wordt voldaan aan de volgende regels: a.
vrijstaande windturbines zijn niet toegestaan; b. per functievlak is maximaal één windturbine toegestaan, met uitzondering van 'wokkels', waarvan er meerdere zijn toegestaan; c. rotorbladen zijn niet toegestaan; d. de hoogte van de windturbine is maximaal 1,5 m boven dak- of nokhoogte van het gebouw waarop of waaraan plaatsing plaatsvindt; e. de afstand tot de perceelgrens is minimaal 3 m, gemeten vanaf de as van de windturbine tot aan de perceelgrens; f. plaatsing van windturbines bij gemeentelijke of rijksmonumenten is enkel mogelijk in overleg met de Monumentencommissie; g. het verlenen van de omgevingsvergunning mag niet leiden tot een onevenredige beperking van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. Van belang daarbij kunnen zijn: 1. de bezonningssituatie; 2. de lichttoetreding in nabijgelegen bebouwing; 3. zichtlijnen of visuele hinder; 4. het optreden van slagschaduw; 5. risico’s voor gevoelige of kwetsbare objecten; 6. afbreuk monumentaal karakter van een pand 7. geluidhinder; of 8. de mogelijkheden tot voortzetting c.q. uitbreiding van een bestaand bedrijf. 12.3 Beoordelingscriteria overige activiteiten 12.3.1 Beoordelingsregels gegeven maten, afmetingen en percentages Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages, met dien verstande dat: a.
deze afwijking niet geldt voor oppervlakte- en inhoudsmaten; b. deze afwijking beperkt blijft tot maximaal 10% van die maten, afmetingen en percentages. 12.3.2 Beoordelingsregels beloop, profiel en aansluiting wegen Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de functieregels in die zin dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast indien de verkeersveiligheid en/of verkeersintensiteit hiertoe aanleiding geven. 12.3.3 Beoordelingsregels werkelijke afmetingen
- 31 -
Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de functieregels met het oog op de aanpassing aan de werkelijke afmetingen van het terrein, met dien verstande dat: a. de structuur van het plan niet wordt aangetast; b. de belangen van derden in redelijkheid niet worden geschaad; en c. deze afwijking gewenst en noodzakelijk wordt geacht voor de juiste verwezenlijking van het plan. 12.3.4 Beoordelingsregels bouwhoogte bouwwerken, geen gebouw zijnde Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de functieregels in die zin dat de bouwhoogte van de bouwwerken, geen gebouw zijnde, wordt vergroot tot niet meer dan 10 m, met dien verstande dat: a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bebouwingsbeeld en de landschappelijke en cultuurhistorische waarden. 12.3.5 Beoordelingsregels bouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de functieregels in die zin dat wordt gebouwd voor nutsvoorzieningen, met dien verstande dat: a. de bouwhoogte maximaal 3 m bedraagt; b. de oppervlakte maximaal 25 m2 bedraagt.
12.3.6 Beoordelingsregels plaatselijke verhogingen gebouwen Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de functieregels in die zin dat de bouwhoogte van de gebouwen wordt vergroot ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers, lichtkappen en schotelantennes, indien de oppervlakte van de vergroting van de verhoging niet meer bedraagt dan 1 m2, met dien verstande dat: a. de oppervlakte van de vergroting ten behoeve van een liftkoker maximaal 4 m2 bedraagt. 12.3.7 Beoordelingsregels bijenstallen Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de functieregels in die zin dat wordt gebouwd ten behoeve van bijenstallen. 12.3.8 Beoordelingsregels ontsluitingswegen Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de functieregels ten behoeve van de aanleg van ontsluitingswegen van percelen, met dien verstande dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan: a. de natuurlijke en landschappelijke waarden; b. de verkeersveiligheid; c. de woonsituatie; en d. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. Artikel 13 Overige regels 13.1 Werking wettelijke regelingen De wettelijke regelingen waarnaar in de regels van dit plan wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.
13.2 Verwijzing adressen De adressen waarnaar in de regels van dit plan wordt verwezen, betreffen de adressen zoals deze op de verbeelding zijn terug te vinden op het moment van vaststelling van het plan. Deze zijn niet leesbaar op ruimtelijke plannen. 13.3 Aanvullende werking welstandscriteria De ter plaatse en in de regels geboden ruimte ten aanzien van de situering, de maatvoering en de vormgeving van bouwwerken kan nader worden ingevuld door de welstandscriteria, zoals opgenomen in de gemeentelijke "Welstandsnota 2015" of diens rechtsopvolger.
- 32 -
Hoofdstuk 4
Inleidende regels
Artikel 14 Overgangsrecht 14.1 Overgangsrecht bouwwerken a. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkintreding van het TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a. een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a met maximaal 10%. c. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 14.2 Overgangsrecht gebruik a. Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b.
Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
- 33 -
Bijlagen bij de regels Bijlage 1 Landschappelijke inpassing