AP 7. Motivering Plaggebaan 13 13a - kopie
Tekst van het document
Motivering behorende bij het TAM-omgevingsplan Plaggebaan 13
24
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Aan de Plaggebaan 13 en 13a in Elspeet, gemeente Nunspeet zijn twee woningen aanwezig. De woning op 13a is volgens het bestemmingsplan een 'kleine woning'. Dat betekent dat de inhoud van die woning niet meer mag bedragen dan 300 m3 of tenminste de bestaande inhoud. Voor de woning op nummer 13 geldt de reguliere, maximale oppervlaktemaat van 120 m2. Initiatiefnemer wil de bouwmogelijkheden van beide woningen graag 'omruilen' en de vorm van de beide woonpercelen aan te passen. Dat maakt het voor hem mogelijk om op nummer 13a te slopen en daar vervolgens een nieuwe woning van (maximaal) 120 m2 te bouwen, die daarbij ook beter gesitueerd kan worden op het perceel dan de bestaande, te slopen woning. De woning op nummer met nummer 13 wordt hierbij dan de 'kleine woning'. Voor dit voornemen is een wijziging van het omgevingsplan nodig.
1.2
Ligging en begrenzing
De locatie is gelegen in het buitengebied van Nunspeet, op ongeveer 2 kilometer van de dorpskern van Elspeet. Kadastraal staat de locatie bekend als gemeente Nunspeet, sectie F, nummer 4947.
Ligging in omgeving
1.3
Geldend omgevingsplan
Voor het werkingsgebied geldt het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Nunspeet. Het tijdelijk deel wordt onder andere gevormd door het bestemmingsplan Buitengebied 2023, vastgesteld door de gemeenteraad op 21 maart 2024, en het Parapluplan Parkeren, vastgesteld op 29 april 2021. Voor de locatie geldt de bestemming 'Wonen'. Per bestemmingsvlak is 1 woning toegestaan. Er geldt een maximale omvang van 120 m2 voor woningen. Daarnaast geldt een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4 en 9 meter. De inhoud van een woning ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afwijkende maatvoering' mag niet meer bedragen dan 300 m3 of tenminste de bestaande inhoud. Die aanduiding is nu van toepassing op de woning op nummer 13a. Verder geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Daarmee zijn deze gronden mede bestemd voor 25
het behoud, de bescherming en/of het herstel van de voorkomende archeologische waarden. In het Parapluplan Parkeren zijn als het ware regels en normen voor parkeren toegevoegd aan diverse bestemmingsplannen binnen de gemeente. In het kort houden deze regels in dat bij het bouwen of aanpassen van gebouwen in voldoende parkeerruimte moet worden voorzien.
Uitsnede verbeelding Het (tijdelijke deel) van het omgevingsplan maakt het initiatief niet mogelijk. Verschuiving van de bouwmogelijkheden is niet mogelijk. Het bestemmingsplan heeft verder geen relevante, toereikende wijzigingsbevoegdheid opgenomen om wel te kunnen voorzien in het voornemen. Voor het initiatief is daarom een wijziging van het omgevingsplan nodig.
1.4
Leeswijzer
Deze motivering vangt in hoofdstuk 2 aan met een beschrijving van het plan. In het daaropvolgende hoofdstuk wordt het relevante beleidskader geschetst. Vervolgens worden in hoofdstuk 4 de omgevingsaspecten behandeld. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de juridische planbeschrijving. In hoofdstuk 6 en 7 wordt afgesloten met de (economische) uitvoerbaarheid en de procedure.
26
Hoofdstuk 2 2.1
Beschrijving van het initiatief
Omgeving
De locatie is gelegen in het buitengebied van Nunspeet. Het landschap is voornamelijk te typeren als kampenlandschap. Dit is een kleinschalig landschap met een onregelmatig, bochtig wegenpatroon, onregelmatige perceelsvormen en veel opgaande begroeiing in de vorm van bospercelen, houtsingels, laanbeplantingen en erfbeplantingen. Het grondgebruik is overwegend agrarisch. De agrarische erven staan verspreid in het landschap.
Luchtfoto omgeving
2.2
Locatie
De locatie is gelegen aan de Plaggebaan. Dat is een lokale weg door het buitengebied van Nunspeet. Op het perceel zijn twee woningen en bijgebouwen aanwezig. De woningen zijn gelegen op een kruispunt van wegen in het buitengebied van Elspeet. Het perceel wordt omringd door agrarische gronden, waardoor het geheel solitair in het landschap ligt. Langs de Kleine Kolonieweg staan enkele beeldbepalende bomen die bijdragen aan het groene karakter van de omgeving.
27
Luchtfoto locatie
2.3
Voornemen
Op het perceel bevindt zich momenteel een eenvoudige hoofdwoning en een kleinere 'bijwoning'. In de loop der tijd zijn er diverse bijgebouwen gerealiseerd. Met name aan de zijde van de Kleine Kolonieweg maakt het geheel een wat vervallen en rommelige indruk. Dit komt mede doordat de kleine woning parallel aan de weg ligt, waardoor het open karakter van het landschap wordt verstoord. De eigenaren hebben de wens om het perceel beter in te richten en een kwaliteitsslag te maken, zodat het beter aansluit bij de ruimtelijke en landschappelijke kenmerken van de omgeving. Het voornemen is daarom om de bestaande bebouwing te herschikken. De huidige hoofdwoning wordt omgezet naar een 'woning met een afwijkende maatvoering'; een woning van maximaal 300 m3 of tenminste de bestaande inhoud. Dat past binnen de geldende voorwaarden, gezien de geringe, bestaande inhoud. Hierdoor ontstaat de mogelijkheid om de huidige woning met afwijkende maatvoering om te zetten naar een reguliere hoofdwoning. Voor dit voornemen wordt alle bebouwing op het perceel na, op de woning op nummer 13 na, gesloopt. Vervolgens wordt ter plaatse van 13a een nieuwe woning gebouwd. Beide woningen krijgen een nieuwe bijgebouw. Door deze herschikking wordt de bebouwing verder van de weg geplaatst, wat zorgt voor een ruimtelijk beter ingepaste situatie en een meer open landschap.
De bestaande woning blijft gelegen aan de Plaggebaan, terwijl de nieuw te realiseren woning aan de Kleine Kolonieweg komt te staan. De nieuwe woning komt haaks op de Kleine Kolonieweg te staan, wat beter aansluit bij de landschappelijke structuur. Ter inpassing van de nieuwe situatie worden nieuwe hagen aangelegd rond de perceelsgrenzen. Verder wordt aan de zuidkant een singel met zomereiken aangelegd. De bestaande bomen blijven gehandhaafd.
28
Landschappelijk inpassingsplan
29
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is vastgesteld op 11 september 2020. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken; te kiezen voor slimme combinaties van functies; uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. In totaal zijn er 21 nationale belangen gevormd, waaronder het bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving en het waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Om ook daadwerkelijk uitvoering te geven aan de NOVI, is de Uitvoeringsagenda 2021-2024 opgesteld. Hierin zijn vier prioriteiten benoemd: 1. 2. 3. 4.
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. Duurzaam economisch groeipotentieel. Sterke en gezonde steden en regio's. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
De NOVI is een permanent en aanpasbaar proces. Er wordt uitgegaan van een terugkerende cyclus van vier jaar. Jaarlijks, in het voorjaar, is er een nationale NOVI-conferentie over de voortgang van de uitvoering, nieuwe ontwikkelingen en inzichten. Ook wordt een tweejaarlijkse monitor uitgevoerd door het Planbureau voor de Leefomgeving. Elke vier jaar vindt een uitgebreide beleidsevaluatie plaats, evenals een onderzoek naar de mening van burgers en wordt de NOVI zo nodig aangepast. Toetsing Uit de NOVI volgen geen uitgangspunten en/of randvoorwaarden voor de herontwikkeling van het werkingsgebied. Met deze ontwikkeling zijn geen nationale belangen in het geding.
3.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden. De instructieregels voor een omgevingsplan staan in hoofdstuk 5 beschreven. In afdeling 5.1 staan de instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties houdt in dat er een balans is tussen verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Deze regels houden meer in dan alleen het bestemmen in een bestemmingsplan. Denk bij een functie bijvoorbeeld aan een netwerkfunctie (kabels en leidingen) of waterbergende functie (milieu).
De instructieregels uit afdeling 5.1 gaan over: waarborgen van de veiligheid (paragraaf 5.1.2) beschermen van de waterbelangen (paragraaf 5.1.3) beschermen van de gezondheid en van het milieu (paragraaf 5.1.4) beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5) behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7) bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8) Afdeling 5.2 bevat instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Het gaat dan vooral om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. Tot slot bevat afdeling 5.3 regels over ontheffing van instructieregels voor het omgevingsplan. Toetsing In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de instructieregels en wordt het initiatief getoetst.
30
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie Gelderland Met de omgevingsvisie Gaaf Gelderland wil de provincie Gelderland in de toekomst gaaf houden. In deze omgevingsvisie wordt beschreven wat de provincie wil en moet veranderen en ontwikkelen om nu en in de toekomst prettig in de provincie te kunnen wonen, studeren en ontspannen. Samen met partners wordt elke dag gewerkt aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Er wordt gericht op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Aan de hand van 7 onderwerpen wordt hier richting aan gegeven: Energietransitie: van fossielvrij naar duurzaam. Klimaatadaptie: omgaan met veranderend weer. Circulaire economie: sluiten van kringlopen. Biodiversiteit: werken met de natuur. Bereikbaarheid: duurzaam verbonden. Economisch vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio. Woon- en leefklimaat: dynamisch, divers en duurzaam. Dit project voorziet in een functiewijziging en de realisatie van een nieuwe woningen. Hiervoor zijn geen specifieke uitgangspunten genoemd in de omgevingsvisie. Dit project is overeen c.q. niet in strijd met de Omgevingsvisie Gelderland.
3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland In de Omgevingsverordening Gelderland zijn regels opgenomen die door gemeenten meegenomen moeten worden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Deze regels beschermen en waarborgen de belangen van de provincie. In de verordening zijn verschillende kaarten opgenomen. Hieronder worden de relevantie bepalingen voor de locatie besproken. rtikel 5.44 (beschermen landschap Gelderse streken: Veluwe) Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Gelderse streek Veluwe bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek Veluwe. Voor deze streek zijn de volgende kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen benoemd:
31
De genoemde kernkwaliteiten zijn specifiek op de locatie niet aanwezig. De nieuwe situatie zal wel zorgen voor een verbeterslag van de ruimtelijke kwaliteit. Dit project zal dan ook geen afbreuk doen aan de kernkwaliteiten van de Veluwe. Conclusie Dit project is in overeenstemming met de omgevingsverordening van de provincie Gelderland.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Omgevingsvisie Nunspeet In de vergadering van 29 november 2018 heeft de Nunspeetse gemeenteraad de Omgevingsvisie vastgesteld. Een document dat op hoofdlijnen de kwaliteit van de fysieke leefomgeving beschrijft. En dan gaat het niet alleen om ruimtelijke aspecten, maar ook ontwikkelingen op het gebied van cultureel erfgoed, energie-infrastructuur, landbouw, landschap, milieu, natuur en water komen in de visie aan de orde. Met de Omgevingsvisie Nunspeet bouwt het gemeentebestuur voort op de Integrale Toekomstvisie Nunspeet 2030 en speelt hiermee ook in op toekomstige wetgeving. Een van de belangrijke thema's in de omgevingsvisie is het versterken van de sociaaleconomische positionering. Hierbij gelden de volgende kernpunten: 5. 6. 7. 8.
Behoud en versterken van het aantrekkelijk woon- en onderneemklimaat. Een rustige uitvalsbasis en woonomgeving voor alle doelgroepen en opleidingsniveaus. Inzetten op verbeteren kwaliteit woongebieden en van bedrijventerreinen. Faciliteren van een goed ondernemingsklimaat, vergroten van de diversiteit hierbinnen (kansen voor innovatieve maakindustrie, voedselindustrie, ICT, zakelijke dienstverlening en zorg en recreatie oppakken). 9. Aantrekkelijk maken voor nieuwe bedrijvigheid voor hoger opgeleiden, versterken relaties tussen onderwijs en bedrijvigheid. In Nunspeet is het aantrekkelijk wonen, werken en recreëren. Dit komt niet alleen door de fraaie landschappelijke omgeving van de Veluwe. Maar zeker ook door de fijne sfeer in combinatie met de stedelijke voorzieningen om de hoek en de relatief goede bereikbaarheid van werkgelegenheidsconcentraties en de aanhaking op de A28. De gemeente wil deze kansen verder benutten, voortvarend inspelen op nieuwe uitdagingen zoals rondom de energietransitie en klimaatadaptatie. Verder wil de gemeente de (landschappelijke) kwaliteiten en dorpse identiteit koesteren en waar mogelijk versterken. De gemeente wil dat iedereen die dat wil, in Nunspeet moet kunnen blijven wonen in een woning en op een plek waar men zich thuis voelt. Dat geldt ook voor degenen die zich vanwege werk of om andere redenen in de gemeente Nunspeet willen vestigen.
Dit betekent dat nieuwbouw en herontwikkeling zo goed mogelijk voldoen aan de uitbreidingsbehoefte, zowel in aantallen, woningtypen als woningprijzen. De gemeente wil aantrekkelijke woonmilieus behouden en toevoegen. Toevoegingen van woonlocaties zijn in balans met de uitbreidingsbehoefte. Toetsing Dit project voorziet in een herschikking van de bouwmogelijkheden van twee bestaande woningen. Dat is in lijn met de visie van de gemeente dat iedereen die dat wil in Nunspeet moet kunnen blijven wonen en op een plek waar men zich thuis voelt. Conclusie Dit project is in overeenstemming met de omgevingsvisie van de gemeente Nunspeet.
32
Hoofdstuk 4 4.1
Uitvoerbaarheid en overige aspecten
Milieuaspecten
In deze paragraaf worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's bodem, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Ook is een paragraaf gewijd aan het al dan niet noodzakelijk zijn van een milieueffectrapportage of milieueffectbeoordeling.
4.1.1 Bodem Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels (paragraaf 5.1.4.5) in het Bkl opgenomen. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet daarom regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem opnemen in het omgevingsplan. De gemeente zorgt ervoor dat nazorg en instandhouding van bodemmaatregelen na het saneren in het omgevingsplan komt. Het kan zowel gaan om een sanering die is uitgevoerd volgens paragraaf 4.121 van het Bal, een omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. De gemeente neemt in het omgevingsplan een bodemfunctieklassenkaart op. Deze kaart geeft de bodemfunctieklassen van de landbodem van het gemeentelijk grondgebied weer. De bodemfunctieklasse beschrijft het gebruik van de bodem 3 klassen van bodemfuncties: landbouw en natuur wonen industrie Bij de aanwijzing van deze klassen wordt rekening gehouden met de functie die in het omgevingsplan aan die locatie is toegedeeld. Bijvoorbeeld: wonen met tuin komt in de bodemfunctieklasse wonen. Het bevoegd gezag gebruikt de bodemfunctieklassen voor het vaststellen van de toepassingseisen voor de milieubelastende activiteit toepassen van grond en baggerspecie. De bodemfunctieklassen zijn nader uitgewerkt in de Regeling bodemkwaliteit.
De maximale waarden van deze bodemfunctieklassen zijn medebepalend voor de vraag aan welke kwaliteit de toe te passen grond of baggerspecie moet voldoen. Dit volgt uit artikel 5.89p van het Bkl. Voor dit project is door adviesbureau Beacx een bomdemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 1. Hierna worden de uitkomsten kort besproken. Het bodemonderzoek is uitgevoerd de volgende strategie: “onverdachte locatie (ONV)”. De hypothese hierbij is als volgt: de locatie is onverdacht op bodemverontreinigingen. Op basis van de resultaten van het veldonderzoek en de toetsing van de analyseresultaten concludeert Baecx dat zowel de boven- en ondergrond als het grondwater van de locatie geen verhogingen aan analytisch onderzochte stoffen bevat. Vanwege de resultaten dient de vooraf vastgestelde hypothese te worden geaccepteerd. De locatie wordt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Dit onderzoek is uitsluitend gericht op verontreinigingen in bodem en is steekproefsgewijs uitgevoerd. Ondanks dat het onderzoek conform de geldende normen en richtlijnen uitgevoerd, kan nooit worden uitgesloten dat elders op de locatie (andere) verontreinigingen aanwezig zijn. Bij grondverzet dient hiermee rekening gehouden te worden.
4.1.2 Activiteiten en milieuzonering Onder de Omgevingswet is ook een goede afstemming nodig om hinder tussen woningen en bedrijven te voorkomen. Waar onder de Wet milieubeheer gesproken werd over milieubelastende 'inrichtingen', gaat het in de Omgevingswet over milieubelastende 'activiteiten'. Een 'milieubelastende activiteit' is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Lozingsactiviteiten op oppervlaktewater of een zuiveringsinstallatie of wateronttrekking vallen hier niet onder. Milieuzonering heeft twee doelen: 33
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden is n de VNG-handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' uit 2024 gebruikt. Deze nieuwe handreiking is gebaseerd op de Omgevingswet en vervangt de publicaties Bedrijven en milieuzonering uit 2009 en Milieuzonering Nieuwe Stijl uit 2019. Bij deze nieuwe uitgave zit ook een nieuwe tabel, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten zones met afstanden zijn aangegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft zones voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geluid en geur. Dit project voorziet in het herbouwen van een woning. Daarmee is alleen sprake van inwaartse zonering. Aan de Kleine Kolonieweg 166 is een intensieve veehouderij aanwezig. Daar worden vleeskalveren gehouden. Daarvoor geldt geluidzone 1. Die zone wordt toegekend op een afstand van 30 meter tot milieugevoelige functies. Voor het geuraspect geldt de vaste afstand van 50 meter. De afstand tot de nieuwe woning bedraagt meer dan 200 meer. Overige milieubelastende activiteiten zijn op ruimere afstand gelegen. Milieuzoneringen vormen geen belemmering voor dit project.
In de nieuwe situatie zal sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat.
4.1.3 Geluid Op basis van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de planologische medewerking aan nieuwe ontwikkelingen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Er wordt onderscheid gemaakt tussen geluidbronnen met een basisgeluidemissie en geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde. De beoordeling van deze geluidbronnen bij gevoelige gebouwen ligt bij het bevoegd gezag. Voor dit project is door AWG Geluidadvies een akoestische beschouwing wegverkeerslawaai gemaakt, opgenomen als Bijlage 2. De relevante wegen, de Plaggebaan en de Kleine Kolonieweg, zijn twee smalle buitenwegen met uitsluitend bestemmingsverkeer en een geschatte verkeersintensiteit van maximaal 500 motorvoertuigen per etmaal. Op basis van gegevens uit de Atlas Leefomgeving is vastgesteld dat de geluidbelasting op de gevels van de woningen lager is dan 46 dB (Lden). Omdat de nieuwbouw op grotere afstand van de weg wordt gerealiseerd, zal de geluidbelasting daar zelfs nog lager zijn. Hiermee blijft de geluidbelasting ruim onder de wettelijke streefwaarde van 53 dB, wat betekent dat sprake is van een goed akoestisch woon- en leefklimaat. Een formeel akoestisch onderzoek is daarom niet vereist. Wegverkeerslawaai staat de uitvoerbaarheid van dit project niet in de weg.
4.1.4 Luchtkwaliteit In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen voor luchtkwaliteit. In paragraaf 5.1.4.1 Bkl zijn omgevingswaarden voor onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) opgenomen. Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Een van de standaardgevallen NIBM is 1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg. Dit project voorziet in 1 nieuwe woning. Daarmee draagt dit project niet in betekende mate bij aan de luchtverontreiniging. Het uitvoeren van een luchtkwaliteitsonderzoek is niet nodig. Luchtkwaliteit staat de uitvoerbaarheid van dit project niet in de weg.
4.1.5 Externe veiligheid De instructieregels voor externe veiligheid zijn opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het gaat om de volgende soorten activiteiten: activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor) 34
buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal Kwetsbare gebouwen en locaties In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan 3 categorieën 'gebouwen en locaties' waarvoor de regels bescherming bieden: zeer kwetsbaar, kwetsbaar en beperkt kwetsbaar. De gemeente moet regels opnemen in het omgevingsplan om deze gebouwen en locaties te beschermen vanwege externe veiligheidsrisico's. Plaatsgebonden risico In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels over het plaatsgebonden risico voor het omgevingsplan. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht nemen. Dit is een grenswaarde van 1 op de 1.000.000 per jaar. Dit geldt voor zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties. De waarden voor het plaatsgebonden risico worden ruimtelijk vertaald in afstanden tot gebouwen en locaties. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen niet binnen de PR-10-6-contour van een activiteit komen. In acht nemen van de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico betekent dat de gemeente alleen van de grenswaarde mag afwijken onder de voorwaarden die in het Bkl staan.
Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moeten gemeenten rekening houden met een standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico. De standaardwaarde is 1 op de 1.000.000 per jaar. Aandachtsgebieden Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico. Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Het aandachtsgebied vormt een instrument om het gesprek over veiligheid en bescherming door het treffen van maatregelen te starten. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: brandaandachtsgebied explosieaandachtsgebied gifwolkaandachtsgebied De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied.
Dit staat in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl.
Uitsnede risicokaart 35
Uit de risicokaart blijkt dat de locatie niet gelegen is binnen de invloedsfeer van risicovolle activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. De locatie is niet gelegen in of nabij een aandachtsgebied. Externe veiligheidsrisico's staan de uitvoerbaarheid van dit project niet in de weg.
4.1.6 Milieueffectrapportage Dit bestemmingsplan maakt geen activiteit mogelijk die is opgenomen in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. De milieueffecten zijn onderzocht in deze paragraaf. Daaruit volgt geen aanleiding om tot een vormvrije m.e.r.-beoordeling over te gaan.
4.2
Archeologie, cultuurhistorie en monumenten
De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Dit staat in artikel 5.130 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek. Op basis van de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart geldt voor de locatie deels een middel verwachting. Hier is archeologische onderzoek nodig bij ingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 50 cm. Die ondergrens wordt met dit project niet overschreden. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is daarom niet nodig. Op de locatie zijn geen Rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten aanwezig. Ook ligt de locatie niet binnen een beschermd dorps- of stadsgezicht.
4.3
Natuur
Per 1 januari 2024 is de Wet natuurbescherming opgegaan in de Omgevingswet. De Omgevingswet regelt het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet waarborgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit. Voor dit project is door adviesbureau Groenewold een natuurtoets uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 3. Hierna worden de uitkomsten besproken. Soortenbescherming Het terrein is onderzocht op de aanwezigheid van beschermde soorten en/of verblijfplaatsen. Daarbij is specifiek gekeken naar jaarrond beschermde nesten. In de dakgoot van woning 13 zijn vermoedelijk twee huismusnesten aangetroffen. Om deze verblijfplaatsen aan te tonen of uit te sluiten, is een verdiepend onderzoek nodig in de periode april-mei. Dit onderzoek moet worden uitgevoerd conform het kennisdocument huismus. Indien huismusnesten daadwerkelijk worden aangetroffen, is een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten noodzakelijk. Daarnaast is er specifiek gezocht naar aanwijzingen voor verblijfplaatsen van marters, uilen en vleermuizen. Martens en uilen zijn niet aangetroffen, maar kunnen niet met zekerheid worden uitgesloten.
Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn evenmin op voorhand uit te sluiten, omdat op verschillende locaties goede toegang is tot het dakvlak via de kantpannen van de woningen en de schuren. Er is geen sprake van aantasting van essentiële vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen. Daarom wordt geadviseerd om, conform het vleermuisprotocol, een verdiepend onderzoek uit te voeren om verblijfplaatsen aan te tonen of uit te sluiten. Bij de uitvoering van de werkzaamheden moet altijd invulling worden gegeven aan de ‘specifieke zorgplicht’ (artikel 11.27 en 11.28 van het Besluit activiteiten leefomgeving – Bal). Dit houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan beschermde soorten zoveel mogelijk te voorkomen en te beperken. Een voorbeeld hiervan is om sloopwerkzaamheden buiten de broedtijd te starten. Gebiedsbescherming De locatie is niet gelegen in het Natuurnetwerk Nederland of de Groene ontwikkelingszone. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Veluwe op ca. 48 m afstand en is gevoelig voor stikstof. Het gaat in zowel de bestaande als de nieuwe situatie om twee woningen. Daarom zijn significant negatieve effecten voor beschermde soorten of habitats door realisatie van het plan niet te verwachten. Advies is wel om onnodige verlichting te voorkomen en naar beneden gerichte armaturen toe te passen.
Voor de externe werking naar eventuele stikstofdepositie op voor verzuring gevoelige gebieden is het advies een separate stikstofrapportage 36
op te stellen. Stikstof Door adviesbureau Groenewold is een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd, opgemomen als Bijlage 4. Zowel de gebruiksfase als de aanlegfase zijn berekend. In de gebruiksfase is voor de nieuwe situatie een stikstofdepositie berekend van 0,06 mol/ha/jaar. Na intern salderen is er geen toename van de stikstofdepositie berekend groter dan 0,00 mol/ha/jaar. Sinds de uitspraak van de Raad van State van 18 december 2024 is intern salderen niet meer mogelijk zonder natuurvergunning. Ook de aanlegfase is ingevoerd in Aerius. Bij toepassing van elektrisch materieel is er een tijdelijke toename berekend van 0,09 mol/ha/jaar. Om te kijken of het project geen significant nadelige gevolgen heeft voor stikstofgevoelige habitats in de Veluwe, is een voortoets uitgevoerd. Deze voortoets is opgenomen als Bijlage 5. In de aanlegfase vindt er tijdelijk een kleine stikstofdepositietoename plaats van 0,01–0,09 mol/ha/jr, gedurende maximaal 1 jaar. Het beïnvloede aantal hectares is verwaarloosbaar klein van 0,01–6,82 ha. De voortoets heeft uitgewezen dat een dergelijke kleine uitstoot geen enkel significant negatief effect heeft op de beïnvloede habitattypen. Ook voor de gebruiksfase, met een depositie van 0,06 mol/ha/jr, geldt dat een dergelijke kleine bijdrage geen enkel significant negatief effect heeft op de beïnvloede habitattypen.
De uitstoot zal daarbij in de nieuwe situatie in de praktijk structureel 0,11 mol N/ha/jr lager zijn dan in de oude situatie. Dergelijke kleine deposities hebben geen ecologische relevantie hebben voor de betreffende habitats. Er is geen enkele invloed op groeisnelheid, concurrentiepositie, soortensamenstelling of verschuiving binnen habitats. Daarmee is er met zekerheid geen sprake van de aantasting van de natuurlijke kenmerken en waarden van Natura 2000-gebied Veluwe. Significante negatieve effecten zijn uit te sluiten. Aanvragen van een omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit is niet nodig. Het project ligt buiten het beperkingengebied stikstof waarvoor de provincie een voorbereidingsbesluit heeft genomen. De regeling is dan ook niet op dit project van toepassing.
4.4
Verkeer en parkeren
Aan de hand van CROW-publicatie 744 is een inschatting van de te verwachten verkeersgeneratie te maken. Voor een vrijstaand koophuis in het buitengebied geldt het maximale kengetal van 8,6 verkeersbewegingen per etmaal. Dit wijzigt echter niet ten opzichte van de bestaande situatie. Volgens de Parkeernota van de gemeente Nunspeet geldt voor een vrijstaand koophuis een parkeernorm van 2,5 parkeerplaatsen per woning. Afgerond moet er voorzien worden in 3 parkeerplaatsen. Op het eigen terrein zal voldoende ruimte zijn om drie auto's te kunnen parkeren. Er wordt dan ook voldaan aan de parkeernorm.
4.5
Waterparagraaf
Bij het vaststellen van omgevingsplannen moeten gemeenten rekening houden met waterbelangen. Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' de term watertoets. De weging van het waterbelang geldt bij het vaststellen van het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 5.37 van het Bkl. Daarnaast kan de weging van het waterbelang ook nodig zijn bij andere instrumenten. De gemeente moet de opvattingen van de waterbeheerder betrekken bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn: watercompensatie in verband met toenemende verharding bebouwing niet wenselijk in verband met waterwinning Voor dit project is een digitale watertoets uitgevoerd. Het resultaat hiervan is opgenomen als Bijlage 6. Hieruit blijkt dat geen relevante waterschapsbelangen geraakt worden. Waterberging Met dit project neemt het totale verhardingsoppervlak op de locatie met ongeveer af. Compenserende maatregelen voor waterberging zijn daarom niet nodig. Het hemelwater dat op de nieuwe gebouwen valt zal opgevangen en afgevoerd worden richting de omliggende gronden, waar het de bodem kan infiltreren. Oppervlaktewater Op de locatie en in de omgeving is geen grondwateroverlast bekend. Ten zuidwesten van de locatie ligt een C-watergang. Dit project wijzigt niets aan die watergang. 37
Vuilwaterafvoer De vuilwaterafvoer van de nieuwe woning zal aangesloten worden op het bestaande gemeentelijke rioleringssysteem. Negatieve effecten op de waterhuishouding zijn niet aan de orde.
4.6
Economische uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid In deze motivering is onderbouwd dat deze wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie wordt bereikt en dat de toegekende functie binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Zodoende kan aangenomen worden dat het project economisch uitvoerbaar is. Kostenverhaal Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht kosten te verhalen, indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouwactiviteiten uit artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels onder andere een anterieure overeenkomst de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, op andere wijze verzekerd zijn of vrijstelling wordt verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit. Met de initiatiefnemer wordt een overeenkomst gesloten. Hierin is geregeld dat alle kosten die samenhangen met het deze wijziging voor rekening komen van initiatiefnemer. Deze wijziging van het omgevingsplan heeft voor de gemeente geen financiële gevolgen.
38
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planopzet
Wijziging omgevingsplan
5.1.1 Omgevingsplan van rechtswege Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In de Bruidsschat zitten onder andere regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.
5.1.2 Toepassing TAM-IMRO De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2024. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2024 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2025 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).
5.1.3 Werkingsgebied De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Plaggebaan 13, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0302.TAMPlaggebaan13-0001 zoals weergeven op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
5.1.4 Overzicht wijzigingen Dit TAM-omgevingsplan wijzigt de volgende planregels van het omgevingsplan: Aan de verbeelding wordt ter plaatse van het werkingsgebied de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding aangepaste maatvoering' toegekend ter plaatse van de Plaggebaan 13.
5.2
Artikelsgewijze toelichting functies
Artikel 3 Wonen Met artikel 3 blijft de functie Wonen toegekend aan het werkingsgebied. Beide woningen krijgen, net als in de bestaande situatie, een eigen bestemmingsvlak. De bestaande woning krijgt een afwijkende maatvoering van 300 m3. Voor het overige is aangesloten bij de bestaande regeling.
39
Hoofdstuk 6 6.1
Inspraak en overleg
Vooroverleg
Het concept van deze wijziging van het omgevingsplan is toegezonden worden aan de provincie Gelderland en het waterschap Vallei en Veluwe in het kader van kennisgeving en participatie volgens artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit. Dit concept is niet toegezonden aan de Rijksoverheid, aangezien er geen nationale belangen in het geding zijn.
6.2
Voorontwerp
De ontwikkeling die dit project mogelijk maakt, heeft een beperkte invloed op zijn omgeving. Andere, bebouwde percelen zijn op ruime afstand gelegen. Daarom heeft geen voorontwerp van deze wijziging van het omgevingsplan voor inspraak ter inzage gelegen. De buurtbewoners zijn geïnformeerd over het initiatief. Het gaat om de bewoners van de Kleine Kolonieweg 14 en 156 en de Plaggebaan 6, 15 en 20. Enkel de bewoners van de Plaggebaan 15 gaven aan dichtere beplanting te willen zien ter afscheiding. Het inrichtingsplan is daarop aangepast.
6.3
Ontwerp
Het ontwerp van deze wijziging van het omgevingsplan heeft van P.M. tot en met P.M. ter inzage gelegen. Toen zijn P.M. zienswijzen ingediend.
40
Bijlagen bij motivering
41
Bijlage 1 Bodemonderzoek
42
Titelblad
ADRES:
Plaggebaan 13 en 13a
POSTCODE:
8075 PG
PLAATS:
Elspeet
NAAM:
Teus' Advies
ADRES:
Anthonie Fokkerstraat 61K
POSTCODE:
3772 MP
PLAATS:
Barneveld
TELEFOONNUMMER:
Dhr. D. Anbeek
CONTACTPERSOON:
06-15658065
E-MAILADRES:
teus@teusadvies.nl
NAAM:
Baecx B.V.
VELDWERKER:
Dhr. S.P.M. (Matthijs) Bax
DATUM VELDWERK:
19 april 2025
DATUM MONSTERNEMING GRONDWATER:
29 april 2025
PROJECTNUMMER:
250386
PROJECTLEIDER:
Mevr. A.V. (Vera) Joustra
AUTORISATIEDATUM:
8 mei 2025
Versiebeheer Het geldige rapport is degene met het hoogste versienummer. Eerdere versies met lager(e) versienummer(s) komen met de komst van een opvolgend versienummer te vervallen. Hieraan kunnen geen rechten worden ontleend. Versienummer
Autorisatiedatum
Wijzigingen
1
8 mei 2025
Geen; eerste uitgifte
ALLE RECHTEN VOORBEHOUDEN. NIETS UIT DEZE UITGAVE MAG VOOR ZAKELIJK GEBRUIK WORDEN VERVEELVOUDIGD, OP WELKE WIJZE OOK, ZONDER VOORAFGAANDE (SCHRIFTELIJKE) TOESTEMMING VAN BAECX B.V.
Inhoud Titelblad ................................................................................................................................ 2 Inhoud ................................................................................................................................... 3 Samenvatting ........................................................................................................................ 4 1.
2.
3.
4.
Inleiding ......................................................................................................................... 5 1.1
Aanleiding en doelstelling....................................................................................... 5
1.2
Normering en certificatie ........................................................................................ 5
Vooronderzoek ............................................................................................................... 6 2.1
Onderzoekslocatie .................................................................................................. 6
2.2
Historisch onderzoek ............................................................................................... 7
2.3
Bodemopbouw en geohydrologie .......................................................................... 8
2.4
Terreininspectie en visuele inspectie ....................................................................... 8
2.5
Onderzoekshypothese ............................................................................................ 8
2.6
Onderzoeksopzet .................................................................................................... 8
Veldonderzoek ..............................................................................................................10 3.1
Boringen en peilbuizen ..........................................................................................10
3.2
Bemonstering .........................................................................................................10
Laboratoriumonderzoek ................................................................................................12 4.1
Laboratorium..........................................................................................................12
4.2
Resultaten en interpretatie .....................................................................................12
Conclusies en aanbevelingen ...............................................................................................13
Bijlagen A. Tekeningen B. Foto’s C. Vooronderzoek D. Boorprofielen en veldverslag E. Analysecertificaten F. Toetsingsresultaten G. Functiescheiding
Samenvatting In opdracht van Teus' Advies is een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740:2023 uitgevoerd op de locatie Plaggebaan 13 en 13a te Elspeet. De aanleiding is de voorgenomen herverkaveling van het terrein. De voorgenomen werkzaamheden zijn tevens te zien in bijlage A. Het doel van het onderzoek is het bepalen van de huidige milieuhygiënische bodemkwaliteit van het perceel zodat kan worden vastgesteld of de bodem geschikt is voor het huidige en/of toekomstige gebruik. Het bodemonderzoek is uitgevoerd de volgende strategie: “onverdachte locatie (ONV)”. De hypothese hierbij is als volgt: de locatie is onverdacht op bodemverontreinigingen. Op basis van de resultaten van het veldonderzoek en de toetsing van de analyseresultaten concludeert Baecx B.V. dat zowel de boven- en ondergrond als het grondwater van de locatie geen verhogingen aan analytisch onderzochte stoffen bevat. Vanwege de resultaten dient de vooraf vastgestelde hypothese te worden geaccepteerd. De locatie wordt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Dit onderzoek is uitsluitend gericht op verontreinigingen in bodem en is steekproefsgewijs uitgevoerd. Ondanks dat het onderzoek conform de geldende normen en richtlijnen uitgevoerd, kan nooit worden uitgesloten dat elders op de locatie (andere) verontreinigingen aanwezig zijn. Bij grondverzet dient hiermee rekening gehouden te worden.
1. Inleiding
In opdracht van Teus' Advies is een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740:2023 uitgevoerd op de locatie Plaggebaan 13 en 13a te Elspeet. De aanleiding is de voorgenomen herverkaveling van het terrein. De voorgenomen werkzaamheden zijn tevens te zien in bijlage A. Het doel van het onderzoek is het bepalen van de huidige milieuhygiënische bodemkwaliteit van het perceel zodat kan worden vastgesteld of de bodem geschikt is voor het huidige en/of toekomstige gebruik.
Baecx B.V. is gecertificeerd (certificaatcode NC-SIK-20353) door Normec Certification voor het uitvoeren van milieukundige bodemonderzoeken conform BRL SIKB 2000 met bijbehorende protocollen 2001 en 2002 en werkt volgens de normeringen NEN 5725, 5740 en 5744. Het kwaliteitssysteem van Baecx B.V. voldoet aan de eisen van de NEN EN-ISO 9001:2015. Baecx B.V. verklaart dat het veldwerk onafhankelijk van de opdrachtgever is uitgevoerd conform de eisen van BRL SIKB 2000 (zie bijlage G). Dit verkennend bodemonderzoek wordt uitgevoerd conform de NEN 5740:2023. Het veldwerk wordt uitgevoerd conform de systematiek uit de BRL SIKB 2000 ‘Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek’ met de daarbij behorende protocol 2001 en 2002 versie 7.0.
2. Vooronderzoek Het vooronderzoek is uitgevoerd met de grootst mogelijke zorgvuldigheid en conform de NEN 5725:2023. Toch kan het zijn dat bepaalde informatie niet ter beschikking is gesteld. Voorafgaand aan het veldwerk is er een terreininspectie als afsluiting van het vooronderzoek uitgevoerd (zie § 3.1).
Kadastrale gegevens Coördinaten Functie perceel Voormalig gebruik Toekomstig gebruik Bebouwing Oppervlakte onderzoekslocatie
Afbeelding onderzoekslocatie
NST01 F 4947 X: 52.27897972961134, Y: 5.764689022815202 Wonen Wonen Wonen Meerdere panden 1.490 m²
De onderzoekslocatie is gelegen in het buitengebied van Elspeet. Er wordt op basis van de beschikbare informatie geen beïnvloeding vanuit de omgeving verwacht. Het maaiveld is deels voorzien van tegelverharding. Het overige terrein is momenteel onverhard. In bijlage A is op de kadastrale kaart de afbakening van de onderzoekslocatie weergegeven. In bijlage B zijn een aantal foto’s van de onderzoekslocatie opgenomen.
Onderstaand zijn de verschillende geraadpleegd bronnen en relevante informatie weergegeven met betrekking tot onder andere potentieel bodembedreigende activiteiten. Bodemloket Gemeente, omgevingsdienst en Provincie Opdrachtgever en eigenaar Topotijdreis Asbestkansenkaart (indien beschikbaar) Eventuele overige bronnen Op de locatie is, voor zover bekend, niet eerder een milieukundig onderzoek uitgevoerd. Uit de historische informatie van de Provincie Gelderland blijkt dat er op de onderzoekslocatie, voor zover bekend, geen activiteiten/calamiteiten hebben plaatsgevonden die de milieuhygiënische bodemkwaliteit negatief kunnen hebben beïnvloed. Volgens de Asbestkansenkaart van de Provincie Gelderland is de onderzoekslocatie verdacht van asbest en zijn er asbestverdachte gebouwen aanwezig, zie bijlage C. Vanuit de geraadpleegde historische kadasterkaarten (Topotijdreis) is niet af te leiden dat er dempingen of ophogingen aanwezig zijn, zie bijlage C. Ook is de Bodemkwaliteitskaart geraadpleegd om inzicht te krijgen in de vermoedelijke kwaliteit van de onderzoekslocatie. Hieruit is gebleken dat het onderzoeksgebied ligt in de zone Landbouw/ Natuur van de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Nunspeet. Uit de ontgravingskaart blijkt dat de bovengrond voldoet aan de klasse ‘Landbouw/ Natuur’ en de ondergrond aan klasse ‘Landbouw/ Natuur’.
Na het raadplegen van de digitale bodemkaart van de gemeente Nunspeet is gebleken dat de onderzoekslocatie in een zone ligt met een natuurlijke verhoogde achtergrondwaarde voor arseen. Conclusie bureaustudie Op of rond de onderzoekslocatie zijn geen verontreinigingen bekend. Op de onderzoekslocatie zijn asbestverdachte panden aanwezig. Dit maakt de onderzoekslocatie verdacht op asbest. Ook ligt de onderzoekslocatie in een zone met een natuurlijke verhoogde achtergrondwaarde voor arseen. Dit maakt de bovengrond en grondwater verdacht op arseen.
Voor de bodemgegevens en geohydrologische informatie is gebruik gemaakt van de grondwaterkaart van Nederland. De geohydrologische bodemopbouw is samengevat in onderstaande tabel. Het maaiveld van de onderzoekslocatie bevindt zich circa 26 meter boven NAP. Diepte (m-mv)
Samenstelling
Parameters
0,00 – 0,30 0,30 – 1,00 1,00 – 1,50
Zand Zand Zand
Matig fijn, matig humeus, zwak siltig Matig fijn, zwak siltig Matig fijn, zwak siltig
Bron: Dinoloket
De verwachte grondwaterstand bedraagt 2 meter minus maaiveld. Regionaal is de stromingsrichting van het grondwater noordelijk gericht.
Op 19 april 2025 is het onderzoeksgebied bezocht door dhr. S.P.M. (Matthijs) Bax. Hierbij zijn aanvullende gegevens over de onderzoekslocatie verzameld. Het was bewolkt zonder neerslag. De inspectiegraad wordt ingeschat op 70%. Er is geen asbestverdacht materiaal en/ of puin op het maaiveld aangetroffen. Tijdens de terreinverkenning zijn geen asbestverdachte daken aangetroffen. Het betreffen huizen met dakpannen. Een druppelzone-onderzoek is derhalve niet van toepassing. De verdenking op asbest valt derhalve af. Tijdens de terreinverkenning is aandacht besteed aan de aanwezigheid van de Japanse Duizendknoop. Deze is niet aangetroffen op of rond het terrein.
Op basis van de resultaten van het vooronderzoek concludeert Baecx B.V. dat de onderzoekslocatie op kleinschalig niveau onverdacht is voor bodemverontreiniging. De onderzoekshypothese wordt onverdacht gesteld. De onderzoeksstrategie is hierbij “onverdachte locatie (ONV)” (zie NEN paragraaf 5.1). De oppervlakte van deze onderzoekslocatie is 1.490 m2. Op basis van het vooronderzoek zal de bovengrond en het grondwater naast het standaardpakket worden geanalyseerd op arseen.
Gezien de resultaten van het vooronderzoek en de doelstelling van het onderzoek is, conform de NEN 5740, de volgende onderzoekstrategie bepaald: “onverdachte locatie (ONV)” (zie NEN paragraaf 5.1). Volgens de gekozen onderzoeksstrategie dienen de volgende werkzaamheden te worden uitgevoerd:
Veldwerk:
Analyses: * **
6 boringen in de bovengrond tot 0,5 meter – maaiveld 1 boring in de ondergrond tot maximaal 2 meter – maaiveld of grondwaterniveau 1 boring met peilbuis 1 standaardpakketten grond* (bovengrond aangevuld met arseen) 1 standaardpakket grondwater** (aangevuld met arseen)
Standaardpakket grond: zware metalen (9), PAK-totaal (10 van VROM), PCB’s (7), minerale olie. Standaardpakket grondwater: zware metalen (9), vluchtige aromaten, gehalogeneerd koolwaterstoffen en minerale olie.
3. Veldonderzoek
Op 19 april is het veldwerk uitgevoerd door dhr. S.P.M. (Matthijs) Bax conform de BRL SIKB 2000, versie 6.0 en het bijbehorende protocollen 2001, versie 7.0 en 2002, versie 7.0. De onderzoekslocatie is visueel beoordeeld en er zijn geen verontreinigingen zintuigelijk waargenomen. Het maaiveld is voorzien van tegelverharding en een grindverharding. In bijlage A is de kadastrale kaart van de onderzoekslocatie met hierop de geplaatste boringen en peilbuizen opgenomen. Er zijn 6 ondiepe boringen, 1 diepe boringen en 1 peilbuis geplaatst. De opgeboorde grond is visueel beoordeeld en de zintuigelijke waarnemingen zijn weergegeven in de boorprofielen (zie bijlage D). Bij het kiezen van de locatie van de peilbuis is rekening gehouden met de richting van de grondwaterstroming. Tijdens het boren zijn geen asbestverdachte bijmengingen waargenomen. Als filters van geplaatste peilbuizen geplaatst zijn in goed doorlatende bodemlagen, kan het aanvullen van het boorgat met filtergrind achterwege blijven (BRL SIKB protocol 2001, versie 7.0, pagina 18). Indien van toepassing is dit terug te vinden in de boorprofielen (bijlage D).
De monstername van de grond heeft plaatsgevonden op 19 april 2025 door dhr. S.P.M. (Matthijs) Bax. Veldwaarnemingen: Boring 02 02 03 04 04 05 06 07 08
Diepte 0,00 – 0,20 meter minus maaiveld 0,20 – 0,40 meter minus maaiveld 0,00 – 0,30 meter minus maaiveld 0,00 – 0,20 meter minus maaiveld 0,20 – 0,50 meter minus maaiveld 0,00 – 0,50 meter minus maaiveld 0,00 – 0,20 meter minus maaiveld 0,00 – 0,50 meter minus maaiveld 0,00 – 0,50 meter minus maaiveld
Verdachte waarnemingen Sporen grind Sporen grind, sporen baksteen Sterk grind Sterk grind Sporen grind Sporen grind Sterk grind Sporen grond Sporen grind
De monstername van het grondwater heeft plaatsgevonden op 29 april 2024 door dhr. S.P.M. (Matthijs) Bax. Bij het afpompen en de monsterneming zijn geen bijzonderheden waargenomen. De veldmetingen aan het grondwater zijn in onderstaande tabel opgenomen. Peilbuis 1
Grondwaterstand (m-mv) 1,37
Zuurgraad (pH) 6.6
Geleidbaarheid (µS/cm)
360
Troebelheid (NTU) 19
De waarden voor de zuurgraad en de geleidbaarheid worden als normaal beschouwd. In het grondwatermonster is een verhoogde troebelheid gemeten (≥10 NTU). De peilbuis heeft voldoende rusttijd gehad na plaatsing (minimaal een week). Ook is de peilbuis zorgvuldig en met een voldoende laag debiet afgepompt, waardoor aangenomen wordt dat er geen sprake is geweest van een verstoord bodemevenwicht tijdens monsterneming en dat de gemeten waarde voor troebelheid een natuurlijke oorzaak heeft (zwevende stoffen als lutum of silt in het grondwater). Zwevende delen kunnen leiden tot verhoogde meetwaarden in het grondwater als gevolg van matrixstoringen bij de analyse en adsorptie organische verbindingen en zware metalen aan deze zwevende delen. Wij achten dan ook dat het licht verhoogde troebelheid het eindresultaat niet negatief beïnvloed heeft. De grondwaterstand tijdens de watermonstername was ongeveer 5 centimeter lager dan de bepaalde grondwaterstand tijdens de plaatsing van de peilbuis. Het verschil tussen de door de veldwerker bepaalde grondwaterstand en de gemeten grondwaterstand voorafgaand aan de monstername is dusdanig klein dat dit door ons wordt aangemerkt als een verwaarloosbare hoeveelheid. Dit verschil in de grondwaterstand valt, doorgaans voor zover het verschil kleiner is dan 10 centimeter, binnen de natuurlijke variatie.
4. Laboratoriumonderzoek
Van de genomen monsters zijn door de projectleider 2 mengmonsters samengesteld welke vervolgens door het laboratorium zijn samengevoegd. De monsters zijn afzonderlijk verpakt, geconserveerd en ter analyse aangeboden aan het laboratorium van AL-West B.V. te Deventer. Het laboratorium is door Raad van Accreditatie (RvA) geaccrediteerd. De monsteranalyses zijn uitgevoerd conform Accreditatieschema AS 3000 en de onderliggende protocollen. Het laboratoriumonderzoek is samengevat in de navolgende tabel. Het analysecertificaat is opgenomen in bijlage C. Monstercode
Boorgaten
Traject (m-mv)
Analyse(pakket)
MMG01
01.1 + 02.2 + 03.1 + 04.1 + 05.1 + 06.1 + 07.1 + 08.1 01.2 + 01.3 + 06.2 + 06.3
0,00 – 0,50
standaardpakket grond + arseen standaardpakket grond
MMG02
Grondwatermonster
PB01 *
0,50 – 1,00
Analyse(pakket) standaardpakket grondwater* + arseen
standaardpakket grondwater: zware metalen (9), vluchtige aromaten, gehalogeneerd koolwaterstoffen en minerale olie
De analyseresultaten zijn opgenomen in bijlage E. De tabel met berekende toetsingswaarden resultaten van de toetsing zijn opgenomen in bijlage F. Monstercode > LN MMG01* MMG02* LN = Landbouw/ Natuur (licht verhoogd) I = interventiewaarde (sterk verhoogd) * Allen conform toetsing aan Omgevingswet
>I -
In de boven- en ondergrond zijn geen verhogingen aan analytisch onderzochte stoffen aangetoond. Grondwatermonster PB01 S = streefwaarde (licht verhoogd) I = interventiewaarde (sterk verhoogd)
>S -
>I -
In het grondwater zijn geen verhogingen aan analytisch onderzochte stoffen aangetoond.
Conclusies en aanbevelingen Het bodemonderzoek is uitgevoerd de volgende strategie: “onverdachte locatie (ONV)”. De hypothese hierbij is als volgt: de locatie is onverdacht op bodemverontreinigingen. Op basis van de resultaten van het veldonderzoek en de toetsing van de analyseresultaten concludeert Baecx B.V. dat zowel de boven- en ondergrond als het grondwater van de locatie geen verhogingen aan analytisch onderzochte stoffen bevat. Vanwege de resultaten dient de vooraf vastgestelde hypothese te worden geaccepteerd. De locatie wordt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Dit onderzoek is uitsluitend gericht op verontreinigingen in bodem en is steekproefsgewijs uitgevoerd. Ondanks dat het onderzoek conform de geldende normen en richtlijnen uitgevoerd, kan nooit worden uitgesloten dat elders op de locatie (andere) verontreinigingen aanwezig zijn. Bij grondverzet dient hiermee rekening gehouden te worden.
Bijlage A
sit uat ie t ekening onderzoek Pla g g e b a a n 1 3 e n 1 2 a t e Elsp e e t project code 250386
N
dat um 0 6 -0 5 -2 0 2 5 schaal 1 :5 0 0 op A4 paraaf
legenda peilbuis
05
06
boring < 0.5m boring < 1m boring < 1.5m boring < 2m boring > = 2m inspect iegat sleuf slib depot
07
overigen
03 04
onderzoekslocatie
01
Grondwaterstand 1,37 m -mv Grondwaterstroming noordelijk 02
08
10 m
Bijlage B
Bijlage C
Op of rond de locatie zijn geen verdachte activiteiten of verontreinigingen bekend.
Bovengrond
Ondergrond
Bijlage D
01
PB0 1
t egel / cm t ov m aaiveld
0
0 -4
1
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, neut raal beige, geel, edelm an
2
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, m at ig hum eus, neut raal bruin, zwart , edelm an
50
-10
-80
100
zand, m at ig grof, zwak silt ig, neut raal beige, geel, edelm an
3 150
-150
zand, m at ig grof, zwak silt ig, neut raal beige, geel, zuigerboor
180 200
m eet punt 01 1014464695
250 280
-280 t ype dat um boorm eest er x y gws (m -m v)
p e ilb u is m e t 1 f ilt e r 1 9 -0 4 -2 0 2 5 S. P. M . Ba x 1 8 0 7 3 8 .7 6 4 7 6 8 2 4 .3 0 1 .3
m eet punt 01, filt er PB01 1014464696
m eet punt 01, filt er PB01 1014464697
bodem profielen sch a a l 1 :5 0 onderzoek project code get ekend conform
Pla g g e b a a n 1 3 e n 1 2 a t e Elsp e e t 250386 N EN 5 1 0 4
02
grind / cm t ov m aaiveld
0 1 2
-20
50
t ype dat um boorm eest er x y
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, m at ig hum eus, neut raal bruin, zwart , sporen grind, sporen bakst een, edelm an
g r on d b or in g 1 9 -0 4 -2 0 2 5 S. P. M . Ba x 1 8 0 7 4 3 .8 0 4 7 6 8 2 0 .1 0
-70
03
grind / cm t ov m aaiveld 1 2
-30
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, m at ig hum eus, neut raal bruin, zwart , edelm an
g r on d b or in g 1 9 -0 4 -2 0 2 5 S. P. M . Ba x 1 8 0 7 4 7 .1 0 0 4 7 6 8 2 6 .4 0
-70
04
grind / cm t ov m aaiveld
0 1 2 50
0
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, zwak hum eus, neut raal bruin, grijs, st erk grind, edelm an -20
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, m at ig hum eus, neut raal bruin, zwart , sporen grind, st erk wort els, edelm an g r on d b or in g 1 9 -0 4 -2 0 2 5 S. P. M . Ba x 1 8 0 7 5 9 .7 6 4 7 6 8 2 5 .3 5
-50
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, m at ig hum eus, neut raal bruin, zwart , edelm an -70
05
gras / cm t ov m aaiveld
0 1
0
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, m at ig hum eus, neut raal zwart , bruin, sporen grind, edelm an
50 t ype dat um boorm eest er x y
0
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, zwak hum eus, neut raal bruin, beige, st erk grind, edelm an, geroerd
50
t ype dat um boorm eest er x y
-40
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, m at ig hum eus, neut raal bruin, zwart , edelm an
0
t ype dat um boorm eest er x y
0
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, neut raal beige, geel, st erk grind, edelm an
-50
g r on d b or in g 1 9 -0 4 -2 0 2 5 S. P. M . Ba x 1 8 0 7 6 6 .4 8 4 7 6 8 4 0 .0 5
m eet punt 05 1014464693
bodem profielen sch a a l 1 :5 0 onderzoek project code get ekend conform
Pla g g e b a a n 1 3 e n 1 2 a t e Elsp e e t 250386 N EN 5 1 0 4
06
gras / cm t ov m aaiveld
0 1
0
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, neut raal beige, geel, st erk grind, edelm an -20
50 2
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, m at ig hum eus, neut raal bruin, zwart , edelm an -80
zand, m at ig grof, zwak silt ig, neut raal beige, geel, edelm an
100 3 150 t ype dat um boorm eest er x y gws (m -m v)
-150
g r on d b or in g 1 9 -0 4 -2 0 2 5 S. P. M . Ba x 1 8 0 7 4 3 .5 9 4 7 6 8 3 9 .8 4 1 .3
m eet punt 06 1014464694
07
gras / cm t ov m aaiveld
0 1 50 t ype dat um boorm eest er x y
-50
g r on d b or in g 1 9 -0 4 -2 0 2 5 S. P. M . Ba x 1 8 0 7 2 2 .1 7 4 7 6 8 2 7 .2 4
08
gras / cm t ov m aaiveld
0 1
0
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, m at ig hum eus, neut raal zwart , bruin, sporen grind, edelm an
50 t ype dat um boorm eest er x y
0
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, m at ig hum eus, neut raal zwart , bruin, sporen grind, edelm an
-50
g r on d b or in g 1 9 -0 4 -2 0 2 5 S. P. M . Ba x 1 8 0 7 2 4 .4 8 4 7 6 8 1 5 .9 0