AP 7 Bijlage Bestemmingsplan Hullerweg 120
Tekst van het document
Gelet op de menging van functies, kan de omgeving worden aangemerkt als ‘gemengd gebied’. De volgende tabel geeft de richtafstanden voor de verschillende omgevingstypes weer. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
23
Nunspeet, Hullerweg 120 Ruimtelijke onderbouwing 4.2 5.1 5.2 5.3 6
4.5.3
300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Situatie projectgebied
4.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.
past de functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de functie toe? (interne werking).
4.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. In dit geval gaat het om de bouw van bedrijfsgebouwen. Voor de kwekerij geldt milieucategorie 2 (akkerbouw en fruitteelt) met hierbij horend richtafstanden van 30 meter voor het aspect geluid. Dit geldt in een rustig gebied. De locatie is gelegen in het buitengebied van Nunspeet. Rondom de locatie liggen geen grote wegen of bedrijven. Daarom kan de locatie worden gezien als rustig buitengebied. De kortste afstand tot een te beschermen object bedraagt 14 meter (Hardenbrinkweg 24 b). Er wordt daarom niet voldaan aan de gestelde richtafstanden. Om de geplande ontwikkeling toch mogelijk te maken dient te worden onderbouwd hoe kan worden voldaan aan de eisen voor een goede ruimtelijke ordening. Hiertoe is door Alcedo een akoestisch onderzoek naar industrielawaai uitgevoerd. Het volledige rapport is als bijlage 3 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan.
Uit het akoestisch onderzoek is gebleken dat met de uitbreiding van de kwekerij nog steeds aan de geluidsvoorschriften uit het Activiteitenbesluit en de richtwaarden in het kader van een goede ruimtelijke ordening kan worden voldaan. Geconcludeerd wordt dat met de uitbreiding bij de omliggende woningen nog steeds sprake is van een goed woon- en leefklimaat. 4.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het projectgebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. In het projectgebied wordt geen milieugevoelige functie gerealiseerd. Omliggende functies worden dan ook niet gehinderd. 4.5.4
Conclusie milieuzonering
Vanuit het oogpunt van milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.6
Ecologie
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
24
Nunspeet, Hullerweg 120 Ruimtelijke onderbouwing 4.6.1
Gebiedsbescherming
4.6.1.1 Natura 2000-gebieden Algemeen Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. In afbeelding 4.2 is de ligging van het projectgebied (ster) ten opzichte van de Natura 2000 weergegeven. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk.
Afbeelding 4.2: Ligging van het projectgebied ten opzichte van de Natura 2000 (Bron: Atlas Leefomgeving)
Het projectgebied is niet gelegen binnen en ook niet gelegen in de directe omgeving van een Natura 2000gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ is gelegen op een afstand van circa 1 kilometer van het projectgebied. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. In dit geval is daarom een stikstofberekening uitgevoerd. Het volledige rapport is als bijlage 4 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
Nunspeet, Hullerweg 120 Ruimtelijke onderbouwing op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 4.6.1.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Gelders Natuurnetwerk (GNN) Het Nederlands Natuurnetwerk (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In voorliggend geval het Gelders Natuurnetwerk (GNN). In of in de directe nabijheid van het NNN/GNN geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het projectgebied is niet gelegen binnen of direct grenzend aan de concreet begrensde NNN/GNN. Het projectgebied is gelegen op een afstand van circa 900 meter van het dichtstbijzijnde gebied begrensd als NNN/GNN. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en het feit dat het NNN geen schaduwwerking kent, wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN/GNN. 4.6.2
Soortenbescherming
4.6.2.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. 4.6.2.2 Situatie projectgebied In voorliggend geval is een quickscan ecologie uitgevoerd. Het volledige rapport is als bijlage 5 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde vogels, vleermuizen en amfibieën uitsluitend benut als foerageergebied. Grondgebonden zoogdieren (bosmuis, huisspitsmuis en veldmuis) bezetten in het plangebied mogelijk een vaste rust- of voortplantingsplaats. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en voortplantingsplaats van deze soort beschadigd en vernield. De in het plangebied voorkomende beschermde grondgebonden zoogdieren mogen niet gedood worden.
Voor het beschadigen/vernielen van de rust- en voortplantingsplaats geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen. Om te voorkomen dat er beschermde grondgebonden zoogdieren (opzettelijk) gedood worden, dienen ze weggevangen te worden en elders weer losgelaten te worden (zie tabel onder voor toepasbare vangmiddelen). De betekenis van het plangebied als foerageergebied is, voor de in het plangebied voorkomende soorten, niet beschermd. Mits geen grondgebonden zoogdieren (opzettelijk) gedood worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden. 4.6.3
Conclusie
Nader onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming wordt niet noodzakelijk geacht en er zijn geen negatieve effecten te verwachten op Natura 2000-gebieden of het NNN/GNN.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Nunspeet, Hullerweg 120 Ruimtelijke onderbouwing
4.7
Archeologie & cultuurhistorie
4.7.1
Archeologie
4.7.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4.7.1.2 Situatie projectgebied De gemeente Nunspeet heeft de archeologische waarden in dubbelbestemmingen verwerkt. Ter plaatse van het projectgebied (locatie van de cabriokas) geldt deels de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. Op deze gronden is een archeologisch onderzoek nodig bij ingrepen groter dan 500 m 2 en dieper dan 50 cm. Deze oppervlakte wordt overschreden, echter is het bij de realisatie van de kas geen sprake van bodemingrepen dieper dan 50 cm. Een archeologisch onderzoek kan daarom achterwege blijven.
Geconcludeerd wordt dat het aspect ‘archeologie’ geen belemmering vormt voor voorliggend initiatief. 4.7.2
Cultuurhistorie
4.7.2.1 Algemeen De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2023 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 4.7.2.2 Situatie projectgebied Er bevinden zich, op basis van de kaart ‘Gelderse cultuurhistorie’ van de provincie Gelderland, in het projectgebied geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. 4.7.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat archeologisch onderzoek in het kader van voorliggend initiatief niet noodzakelijk is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Nunspeet, Hullerweg 120 Ruimtelijke onderbouwing
4.8
Besluit milieueffectrapportage
4.8.1
Kader
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan of ruimtelijke procedure kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan);
Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. •
Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3);
Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). •
Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4);
Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven.
Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r. Beoordeling gehanteerd. 4.8.2
Beoordeling
4.8.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘de Veluwe’ ligt op circa 1 kilometer afstand van het projectgebied. In dit geval is in paragraaf 4.6 reeds onderbouwd dat er geen sprake is van significante negatieve effecten ten aanzien van dit Natura-2000 gebied. 4.8..2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en daarmee geen sprake van een directe m.e.r.-plicht. In onderdeel D 11.2 van het besluit wordt de “aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen” genoemd. Indien geoordeeld wordt dat sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' is mogelijk een vormvrije m.e.r.beoordeling noodzakelijk. Uit jurisprudentie volgt dat het antwoord op de vraag of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Nunspeet, Hullerweg 120 Ruimtelijke onderbouwing De in voorliggende ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling gaat uit van de realisatie van een cabriokas. Het gaat om een (zeer) kleinschalige ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen niet (onevenredig) toeneemt. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen of een beperking voor andere functies in de directe omgeving. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Tevens blijkt uit dit hoofdstuk en hoofdstuk 5 dat voorliggend initiatief geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. 4.8.3
Conclusie
De in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling is niet m.e.r.-plichtig.
4.9
Spuitzones
4.9.1
Algemeen
Er is in Nederland geen wettelijke regeling die ziet op minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld met daarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en in de buurt gelegen woningen. In artikel 2a van de Wet Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden is een zorgplicht opgenomen die beschrijft dat iedereen de plicht heeft om zorgvuldig om te gaan met gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In de praktijk is daarom een vuistregel ontstaan die uitgaat van een afstand van 50 m tussen de betreffende agrarische gronden en woningen. Deze vuistregel is ontstaan vanuit de fruitteelt. Als die afstand wordt aangehouden wordt enerzijds het agrarische bedrijf niet belemmerd en anderzijds het woon- en leefklimaat bij de woningen gegarandeerd. In de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State is deze afstand geaccepteerd. De afstand van 50 m is een indicatieve afstand. Onder omstandigheden en in een specifiek geval kan ervan worden afgeweken en dus een kortere afstand worden aangehouden. Ook dit is in de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State geaccepteerd. De afstand die wordt aangehouden in een specifiek geval moet worden onderbouwd. Vanuit het Activiteitenbesluit geldt tevens een teeltvrij zone van 1,50 meter bij de aanwezigheid van waterlopen.
Binnen deze zone mag niet gespoten worden en er moet een drift reducerende techniek worden toegepast, waarbij minimaal 75% driftreductie gehandhaafd moet worden. 4.9.2
Situatie plangebied
Ten zuiden van de beoogde cabriokas ligt een woonperceel. De afstand tot de woning binnen dit woonperceel bedraagt 39 meter. De afstand tot het woonperceel bedraagt 20 meter. Hiermee wordt de afstand van 50 meter niet gehaald. Echter kan in dit geval een nuancering aangebracht wordt. Allereerst wordt opgemerkt dat het bespuiten plaats zal vinden binnen de cabriokas. De kas biedt meer bescherming dan wanneer in het ‘open veld’ bespoten zou worden. Daarnaast komt tussen de woning en de kas een winterdichte groenhaag om eventuele overlast te voorkomen. De haag krijgt een hoogte van 3 meter. De bespuiting zal slechts incidenteel plaatsvinden en tijdens de bespuiting zal de kas dichtblijven zodat geen spuitnevel vrij zal komen. Gezien vorenstaande wordt gesteld dat sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de dichtstbijzijnde woning. 4.9.3
Conclusie
Het aspect ‘spuitzones’ vormt geen belemmering voor de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Nunspeet, Hullerweg 120 Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 5
WATERASPECTEN
5.1
Vigerend beleid
5.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 5.1.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2022-2027. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het Nationaal Water Programma 2022–2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. 5.1.3
Provinciaal beleid
Het Regionaal waterprogramma 2021-2027 bevat het waterbeleid van de provincie. Water speelt een grote en veelzijdige rol in Gelderland. Water om te drinken, over te varen en in te zwemmen. Water voor landbouw, natuur en landschap. Maar water kan ook zorgen voor overstromingen. En door klimaatverandering neemt de kans op droogte toe en stijgt de kans op hevige neerslag. Water wordt steeds belangrijker ook voor onze andere opgaven. Zo houdt Gelderland bijvoorbeeld tijdens werkzaamheden rekening met het bodem- en watersysteem. Ook zorgt de provincie dat het meer water vasthouden in de bodem. Zodat er in tijden van droogte meer water is. En de provincie let op de kwaliteit van het grondwater, zodat dit schoon genoeg is om er drinkwater van te maken. Gelderland pakt deze uitdagingen op in gebiedsprocessen. Zo werkt de provincie tegelijk aan andere provinciale en maatschappelijke uitdagingen. 5.1.4
Beleid Vallei en Veluwe
Op 22 november 2021 is het nieuwe waterbeheerprogramma van Waterschap Vallei en Veluwe, het Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027 (BOP) officieel vastgesteld door het algemeen bestuur. De Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI2050) koerst naar een duurzame en water inclusieve leefomgeving. De BOVI2050 beschrijft waar het Waterschap Vallei en Veluwe in 2050 wil staan en geeft kleur aan deze doelstelling. Het BOP is de gebiedsgerichte en tactische uitwerking van de beleidsvisie. Hierin zijn de eigen doelen verbonden aan de maatschappelijke opgaven zoals de klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, hervorming landbouw, natuur- en stikstofopgave en de verstedelijking. Het BOP bevat vier gebiedsprogramma’s. Het projectgebied is gelegen in de gebiedsopgave 'Noord Veluwe'.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Nunspeet, Hullerweg 120 Ruimtelijke onderbouwing Gebiedsopgave Noord Veluwe De Noord-Veluwe en de randmeerkust ontwikkelen zich momenteel in een goede balans tussen stedelijke ontwikkeling, landbouw, natuur en recreatie. De balans behouden tussen de natuur en de groeiende waterrecreatie op de randmeren, de energie- en landbouwtransitie zijn opgaven in de randmeerkustzone.
5.2
Waterparagraaf
5.2.1
Algemeen
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 5.2.2
Watertoetsproces
Waterschap Vallei en Veluwe is geïnformeerd middels de digitale watertoets. Op basis van de gegeven antwoorden heeft het waterschap geconcludeerd de normale procedure van toepassing is. Het algemene advies met de aandachtspunten (vasthouden-bergen-afvoeren, grondwaterneutraal bouwen en schoon houden-scheiden-schoon maken) geldt altijd. Aanvullend wordt geadviseerd om afwegingen te maken over eventuele nieuwe, stedelijke uitbreidingen vanuit de ondergrond, met het oog op de waterhuishouding en altijd klimaatadaptief. Ook kan bij bijvoorbeeld de aanleg van nieuwe parkeerplaatsen gebruik worden gemaakt van waterdoorlatende verharding met bijbehorende afvoer vertragende onderlaag of waterberging op straat en in verlaagde groenstroken 5.2.3
Waterhuishouding projectgebied
Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt.
Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Nunspeet, Hullerweg 120 Ruimtelijke onderbouwing aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Het waterschap adviseert de beslisboom voor het afkoppelen van verhard oppervlak van ons waterschap toe te passen. Planspecifiek Er is in dit geval op het eigen terrein voldoende ruimte om water te infiltreren. Er is geen reden om extra watercompenserende maatregelen te nemen. Daarnaast zal waar nodig verharding worden voorkomen en is er geen sprake van extra riooleenheden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Nunspeet, Hullerweg 120 Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 6
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad naar aanleiding van een omgevingsvergunning moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk plan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan of omgevingsvergunning geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten zijn beperkt tot de ambtelijke kosten, welke worden verhaald middels de gemeentelijke legesverordening. Eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is op grond van artikel 6.12 Wro geen exploitatieplan nodig.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Nunspeet, Hullerweg 120 Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 7 7.1
VOOROVERLEG EN INSPRAAK
Het Rijk
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat deze ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een omgevingsvergunning geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.
7.2
Provincie Gelderland
Het voeren van vooroverleg met de provincie Gelderland is, gelet op het feit dat het gaat om een lokale ontwikkeling die in overeenstemming is met provinciaal beleid, niet noodzakelijk.
7.3
Waterschap Vallei en Veluwe
De watertoets heeft plaatsgevonden middels de website www.dewatertoets.nl. Met de uitgangspunten van het waterschap zal rekening gehouden worden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Nunspeet, Hullerweg 120 Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 8
CONCLUSIE
Op basis van voorliggende ruimtelijke motivering blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met het geldende beleid en regelgeving. Verder gaat de ontwikkeling niet gepaard met significante milieugevolgen, gevolgen voor het woon- en leefklimaat van omliggende woonfuncties of de gebruiksmogelijkheden van omliggende bedrijven. Aan deze ontwikkeling kan via een aanvraag omgevingsvergunning conform de binnenplanse afwijken en conform artikel 2.12, lid 1 onder a sub 3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht medewerking worden verleend.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Nunspeet, Hullerweg 120 Ruimtelijke onderbouwing
BIJLAGEN Bijlage 1
Ruimtelijk kwaliteitsplan
Bijlage 2
Verkennend bodemonderzoek
Bijlage 3
Akoestisch onderzoek industrielawaai
Bijlage 4
Aerius-berekening
Bijlage 5
Quickscan ecologie
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36