CConstaterende datNunspeet
Koppel je AI →
Document · PDF

AP 6g. St.t.i. ruimtelijke onderbouwing

Commissie Ruimte en Wonen 13 september 2021, gemeente NunspeetBij agendapunt: Afgifte (ontwerp-)verklaring van geen bedenkingen Zwolsewegje 64-66 in Nunspeet11.769 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ruimtelijke onderbouwing Zwolsewegje 64 – 66, Nunspeet Nunspeet ONTWERP

Maart 2021

EDOK-RO

Ruimtelijke onderbouwing Zwolsewegje 64 - 66, Nunspeet

EDOK-RO Van Breugelplantsoen 81 3771 VN Barneveld  06 – 1395 0955 @ info@edok-ro.nl  www.edok-ro.nl

Documenttitel

: Ruimtelijke onderbouwing Zwolsewegje 64 -66, Nunspeet

Gemeente

: Nunspeet

Contact

: www.nunspeet.nl

Opdrachtgever

: Slaa + van Asselt architecten BNA

Contactpersoon

: Dhr. J. Slaa

Status :

: Ontwerp

Datum

: 25-03-2021

Opsteller

: EDOK-RO

Contactpersoon

: Dhr. E. Dokter

2

Ruimtelijke onderbouwing Zwolsewegje 64 - 66, Nunspeet

Inhoudsopgave

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer

5 5 5 6 7

Hoofdstuk 2 Het initiatief 2.1 Huidige situatie 2.2 Nieuwe plan

9 9 10

Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid 3.4 Conclusie beleid

13 13 14 15 17

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Inleiding 4.2 Bedrijven- en milieuzonering 4.3 Geluid 4.4 Bodem 4.5 Luchtkwaliteit 4.6 Externe veiligheid 4.7 Water 4.8 Ecologie 4.9 Archeologie 4.10 Besluit milieueffectrapportage

19 19 19 19 21 22 23 26 29 31 32

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

35 35 35

Bijlagen

37

Bijlage 1

Inrichtingstekening

39

Bijlage 2

Akoestisch onderzoek

41

Bijlage 3

Verkennend bodemonderzoek

43

Bijlage 4

Externe veiligheid

45

Bijlage 5

Verantwoording groepsrisico

47

Bijlage 6

Carola berekening

49

Bijlage 7

Watertoets

51

Bijlage 8

Samenvatting watertoets

53

Bijlage 9

Natuurtoets

55

Bijlage 10

Stikstofonderzoek

57

Bijlage 11

Communicatieverslag

59

3

Ruimtelijke onderbouwing Zwolsewegje 64 - 66, Nunspeet

4

Ruimtelijke onderbouwing Zwolsewegje 64 - 66, Nunspeet

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1

Aanleiding

Initiatiefnemer heeft het voornemen om op de locatie Zwolsewegje 64 - 66 in Nunspeet, drie senioren woningen en een twee-onder-een-kapwoning te realiseren. Dit is volgens het vigerende bestemmingsplan niet mogelijk. Initiatiefnemer heeft een principe verzoek tot medewerking gedaan bij de gemeente Nunspeet. De aanvraag is getoetst aan het in de beleidsregel Woningbouw Op Maat neergelegde beoordelingskader en afgezet tegen de overige initiatieven. Op basis van deze afweging is het college tot de conclusie gekomen dat het initiatief geplaatst wordt op de lijst "Dynamisch programma woningbouw 2020/2021". Om het bouwplan te realiseren is een nieuw planologisch kader nodig. Een omgevingsvergunning is hiervoor het meest geschikte instrument. Voorliggende onderbouwing dient als ruimtelijke motivatie behorende bij een dergelijke omgevingsvergunning.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen in de buurt Nunspeet-West, aan het Zwolsewegje, evenwijdig aan de Elburgerweg, de verbindingsweg tussen Nunspeet en Elburg.

Ligging plangebied in Nunspeet Het plangebied is gelegen aan het Zwolsewegje, ter hoogte met de rotonde Elburgerweg - Oranjelaan - Zeeweg.

5

Ruimtelijke onderbouwing Zwolsewegje 64 - 66, Nunspeet

Luchtfoto plangebied (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Voor het plangebied geldt bestemmingsplan 'Nunspeet Noord en Oost', welk is vastgesteld op 12 juni 2013.

Uitsnede vigerend bestemmingsplan met globale plangrens (rode lijn)

6

Ruimtelijke onderbouwing Zwolsewegje 64 - 66, Nunspeet Binnen het plangebied gelden de enkelbestemmingen 'Tuin' en 'Wonen' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Binnen de bouwvlakken zijn vrijstaande woningen toegestaan. De maximum goot- en bouwhoogte bedraagt respectievelijk 4 en 8 meter. Voorgestane ontwikkeling is niet mogelijk. Om dit alsnog mogelijk te maken is deze ruimtelijke onderbouwing opgesteld.

1.4

Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid en van de relevante wetgeving opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en de geldende (milieu)wetgeving. Tot slot bevat hoofdstuk 5 de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan.

7

Ruimtelijke onderbouwing Zwolsewegje 64 - 66, Nunspeet

8

Ruimtelijke onderbouwing Zwolsewegje 64 - 66, Nunspeet

Hoofdstuk 2

Het initiatief

In dit hoofdstuk komt het initiatief aan bod. Daartoe wordt eerst inzicht gegeven in de huidige functie(s) en in de huidige bebouwing binnen het plangebied. Daarna wordt concreet ingezoomd op het beoogde initiatief.

2.1

Huidige situatie

In het plangebied bevinden zich twee vrijstaande woningen met enkele daarbijbehorende bouwwerken. De woningen bestaan uit één bouwlaag met een kap. De woning Zwolsewegje 64 is gebouwd in 1964 en de woning Zwolsewegje 66 in 1993.

Bestaande situatie met globale begrenzing (rode lijn) Hierna volgt een beeld vanaf het Zwolsewegje en vervolgens vanaf de Oranjelaan (bron google earth).

Locatie gezien vanaf het Zwolsewegje

9

Ruimtelijke onderbouwing Zwolsewegje 64 - 66, Nunspeet

Locatie gezien vanaf de Oranjelaan

2.2

Nieuwe plan

De aanwezige bebouwing wordt allemaal gesloopt. In de nieuwe situatie worden vijf senioren woningen gebouwd, bestaande uit een twee-onder-een-kapwoning en drie aaneen gebouwde woningen (zie ook Bijlage 1 Inrichtingstekening).

Inrichtingstekening (bron: Slaa + van Asselt architecten BNA) De drie senioren woningen gaan bestaan uit 1 bouwlaag met kap en de twee-onder-een-kapwoning uit 2 lagen met kap. Hierna wordt een mogelijke impressie weergegeven. De seniorenwoningen krijgen geen voorzieningen op de verdiepingsvloer. Dit wordt opgenomen in een nog te sluiten overeenkomst en als voorwaarde in de uiteindelijke omgevingsvergunning.

10

Ruimtelijke onderbouwing Zwolsewegje 64 - 66, Nunspeet

Voorgevel twee-onder-een-kapwoning

Voorgevel drie seniorenwoningen Duurzaam bouwen Het plan draagt op verschillende manieren bij aan duurzaam bouwen. Zo worden de woningen aardgasloos gerealiseerd en worden op de daken zonnepanelen geïnstalleerd. Ook wordt gebruik gemaakt van luchtwarmtepompen. Vleermuiskasten worden aan de gevel geplaatst. en waterberging vindt op eigen terrein plaats. Parkeren Ten behoeve van de nieuwe woningen gelden volgens de gemeentelijke parkeernota 2014 de volgende normen: Woning type

Aantal

Parkeernorm

Totaal aantal parkeerplekken

Twee-onder-een-kap

2

2,4

4,8

Tussen/hoekwoning

3

2,2

6,6

Totaal

11,4

11

Ruimtelijke onderbouwing Zwolsewegje 64 - 66, Nunspeet Ten behoeve van de realisatie van de vijf woningen zijn afgerond 12 parkeerplaatsen nodig. De twee-onder-een-kapwoning krijgen elk twee parkeerplaatsen op eigen terrein, daarnaast worden negen parkeerplaatsen gerealiseerd in het openbare gebied. Er wordt binnen dit plan voldaan aan de gemeentelijke parkeernorm (zie Bijlage 1 Inrichtingstekening). Verkeer Uitgaande van 8 verkeersbewegingen per etmaal (bron: CROW), vinden er 40 verkeersbewegingen per etmaal plaats. Hiervan vindt 10% plaats tijdens de spits. Dit resulteert in 1 auto per 15 minuten. Deze extra verkeersintensiteit is voor de omliggende wegen geen enkel probleem.

12

Ruimtelijke onderbouwing Zwolsewegje 64 - 66, Nunspeet

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, de ecologische hoofdstructuur, de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. Voorts betreft het enkele specifieke gebieden zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam en Schiphol. In het Barro heeft het Rijk voor deze onderwerpen regels opgesteld waarmee de SVIR juridisch is verankerd richting de lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en het Besluit omgevingsrecht (Bor) zijn deze regels aanvullend vastgelegd. In de structuurvisie worden, naast de onderwerpen van nationaal belang, accenten gelegd op het gebied van bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het beleid betekent een decentralisatie van rijkstaken en bevoegdheden. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en lagere overheden, burgers en bedrijven krijgen, zolang het nationaal belang niet in het geding is, de ruimte om oplossingen te creëren. 3.1.2

Nationaal landschap

Nationale landschappen zijn gebieden met internationaal zeldzame en nationaal kenmerkende kwaliteiten op landschappelijk, cultuurhistorisch en natuurlijk gebied. Deze kwaliteiten moeten worden behouden, duurzaam beheerd, en waar mogelijk versterkt. Uitgangspunt is 'behoud door ontwikkeling': mits de kernkwaliteiten worden behouden of versterkt (ja, mits principe) zijn binnen Nationale landschappen ruimtelijke ontwikkeling- en mogelijk. Er is ruimte voor ten hoogste de natuurlijke bevolkingsgroei (migratiesaldo nul) en voor regionale en lokale bedrijvigheid. De Veluwe is aangewezen als een Nationaal Landschap vanwege de volgende kernkwaliteiten: schaalcontrast van zeer open naar besloten, actieve stuifzanden en de grootte en aaneengeslotenheid van het bos. 3.1.3

Ladder duurzame verstedelijking

Op 1 oktober 2012 is de 'ladder voor duurzame verstedelijking' toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De ladder voor duurzame verstedelijking is opgezet met als primair doel het tot stand brengen van een goede ruimtelijke ordening, door middel van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Concreet houdt dit in dat de ladder als ondersteuning dient voor decentrale overheden (provincies en gemeenten) bij de vraaggerichte programmering van hun grondgebied. Hierdoor kan er een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming plaatsvinden bij ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Daarbij mogen dus enkel criteria een rol spelen die ruimtelijk relevant zijn. De juridische grondslag van de ladder voor duurzame verstedelijking ligt in het Bro (artikel 3.1.6 lid 2), beleidsmatig is de ladder geïntroduceerd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De ladder is daarmee kaderstellend voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van de decentrale overheden, zoals de gemeentelijke bestemmingsplannen en de provinciale inpassingsplannen. Voorheen bestond de ladder uit drie treden die doorlopen moesten worden ter verantwoording van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, maar per 1 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen van kracht geworden. Eén van de belangrijkste is dat de drie treden worden losgelaten.

Feitelijk is er nog maar één trede: "er dient gemotiveerd worden dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte." Het betreft ontwikkelingen zowel binnen als buiten stedelijk gebied. Het realiseren van een ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied moet nadrukkelijk gemotiveerd worden. Bij de motivering moet een goede ruimtelijke ordening het oogpunt zijn. Dit betekent concreet het tegengaan van ongewenste leegstand en het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik. De behoefte moet worden onderbouwd op het niveau van het ruimtelijk verzorgingsgebied van de ontwikkeling zelf. Bij de ene ontwikkeling is het ruimtelijk verzorgingsgebied groter dan bij de andere ontwikkeling. Bij elk plan hoort met andere woorden een bij die ontwikkeling passende onderbouwing.

13

Ruimtelijke onderbouwing Zwolsewegje 64 - 66, Nunspeet Daarbij moet opgemerkt worden dat als de stedelijke ontwikkeling ziet op de vestiging van een dienstenactiviteit, het onderzoek naar de actuele regionale behoefte geen betrekking mag hebben op de economische behoefte, de marktvraag, de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen of een beoordeling in relatie tot de door de gemeenteraad vastgestelde doelen van economische planning. Het onderzoek heeft slechts tot doel om na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De 'ladder voor duurzame verstedelijking' moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving.

Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak (ABRvS 28 juni 2017; ECLI: NL: RVS: 2017: 1724) dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden Het voorliggende plan maakt de ontwikkeling van vijf woningen mogelijk. In dit plan is daarom geen sprake van een woningbouwlocatie en een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro. In het voorliggende plan is de 'ladder voor duurzame verstedelijking' dan ook niet verder doorlopen.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Gelderland en Omgevingsverordening Gelderland

Op 24 september 2014 heeft de provincie Gelderland de Omgevingsvisie vastgesteld. Deze wordt regelmatig geactualiseerd. Het vertrekpunt bij het maken van de Omgevingsvisie zijn de maatschappelijke opgaven die in gesprekken met overheden, organisaties en particulieren zijn benoemd. De provincie kiest er in deze Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan de gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze twee doelen zijn: 1. een duurzame economische structuur; 2. het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving. Deze twee hoofddoelen benadrukken de rol en kerntaken van de provincie als middenbestuur. Zij beïnvloeden elkaar. Economische structuurversterking vraagt om een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Dat is een goede bereikbaarheid en voldoende vestigingsmogelijkheden. Het betekent ook een aantrekkelijke woon- en leefomgeving met de unieke kwaliteiten van natuur, water en landschap in Gelderland. Voor de uitvoering van de Omgevingsvisie werkt de provincie verder aan lopende activiteiten op het gebied van onder andere ruimte, mobiliteit, natuur en water.

Bovendien volgt uit de Omgevingsvisie een concrete vertaling van de visie voor vier grote opgaven in de provincie Gelderland:  de economische kracht van de stedelijke netwerken (Arnhem-Nijmegen, Ede-Wageningen en de Stedendriehoek);  de Gelderse corridor (de spoor-, weg- en waterverbinding tussen de Rotterdamse haven en het Ruhrgebied);  de versterking van de Veluwe als toeristisch aantrekkelijk natuurgebied;  de krimp van de bevolking in de Achterhoek. Woningbouw Een fijne plek om te wonen, voor iedereen, nu en in de toekomst; dat heeft de provincie voor ogen. Samen met bewoners, gemeenten, ontwikkelaars en andere partijen kijkt de provincie voor elk gebied wat er nodig is om dit te realiseren. De provincie ontwikkeld programma's om de leefomgeving te versterken. Zo voorkomen men leegstand, die ontstaat als oude woningen niet meer worden verkocht omdat er zo veel nieuwe woningen komen. Ook wordt zo het risico op onrendabele investeringen

14

Ruimtelijke onderbouwing Zwolsewegje 64 - 66, Nunspeet verkleind. Nieuwe woonlocaties en daar te bouwen woningen moeten passen bij de afspraken die de provincie met de andere partijen in de regio heeft gemaakt. De provincie stelt bij initiatieven voor functieverandering dat deze de aanwezige en te ontwikkelen economie en gebiedskwaliteiten moeten versterken. Dit kunnen initiatieven zijn voor wonen en werken. Bijvoorbeeld bij functieverandering. Voor de provincie betekent dit:  initiatieven koesteren als een kans;  niet vooraf ontwikkelingen uitsluiten;  mogelijkheden zoeken. De provincie voert een beperkte regie op wonen en werken in het buitengebied, namelijk door:  kwalitatieve proceskaders aan te geven om te komen tot locatiekeuzes;  ondersteuning te bieden in de vorm van kennis, begeleiding en inspiratie;  daarbij geldt voor een initiatief in het buitengebied dat het 'nieuwe rood' in het buitengebied een kwaliteitsverbetering moet zijn in het gebied. Nieuwbouw blijft nodig om de woonconsument goed te bedienen en de energietransitie door te voeren. Innovatieve, flexibele en tijdelijke concepten verdienen hierbij meer aandacht. Zo wordt ervoor gezorgd dat er alleen nieuwe woningen worden gebouwd die een daadwerkelijke aanvulling zijn op wat er staat en die ook passen bij de behoefte van de toekomst.

Voor nieuwbouw geldt dat nieuwe woningen de totale opgave om te verduurzamen niet groter mag maken. Gasloos en energieneutraal zijn het uitgangspunt. De provincie wil het stedelijk gebied optimaal benutten en zijn terughoudend met ontwikkelingen in de open en groene ruimte. Hierbij heeft men oog voor aspecten als wateropvang, hittestress en leefbaarheid. Er zijn vanuit de omgevingsvisie geen tegenstrijdige belangen waarmee in de voorliggende ontwikkeling rekening moet worden gehouden. De voorliggende ontwikkeling is daarmee in overeenstemming met de Omgevingsvisie Gelderland.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Omgevingsvisie Nunspeet

De Omgevingsvisie Nunspeet is op 29 november 2018 vastgesteld. De gemeente Nunspeet heeft een integrale toekomstvisie opgesteld voor de gehele gemeente, de Omgevingsvisie Nunspeet. In deze visie kijkt de gemeente Nunspeet vooruit in een periode tot 2030. De gemeente wil blijven bouwen aan een krachtige en vitale gemeente, waar het goed wonen, werken en recreëren is. De gemeente Nunspeet werkt hier graag aan mee met zoveel mogelijk partijen uit de samenleving. De Omgevingsvisie heeft een aantal bijzondere kenmerken, die sterk medebepalend zijn voor het karakter: 1. Grensoverschrijdend De gemeenten Nunspeet, Elburg en Oldebroek (NEO) hebben de gezamenlijke opgaven gedefinieerd die grensoverschrijdend zijn. Dit heeft geleid tot de Gebiedsagenda NEO. 2. Uitnodigend De Omgevingsvisie wil uitnodigend zijn. De koers is in nauw overleg met de inwoners tot stand gekomen. De gemeente wil via de visie inwoners en ondernemers uitnodigen om initiatieven op te pakken, waarvoor de visie de kaders aangeeft; 3. Brede aanpak Inzet van de visie is om de ontwikkelingen breed op te pakken met economische-, sociale, ruimtelijkeen milieu thema’s. Inzet is het behouden en versterken van vitaliteit en leefbaarheid. De Omgevingsvisie onderscheidt 5 integrale thema’s, die zowel ruimtelijke-, sociale-, gezondheids-, economische- als milieuaspecten bevatten, te weten: 1.

Leefbare dorpen met een actieve samenleving. 2. Aantrekkelijke omgevingskwaliteit en identiteit. 3. Een vitaal economisch klimaat. 4. Duurzaam, energieneutraal en klimaatbestendig. 5. Bereikbaar, nabij en toegankelijk.

15

Ruimtelijke onderbouwing Zwolsewegje 64 - 66, Nunspeet De Omgevingsvisie heeft een belangrijke rol in het op gang brengen van investeringen die bijdragen aan het bereiken van beoogde ambities en in het algemeen ook moeten leiden tot een kwaliteitsversterking. Dit is vertaald in gebiedsgerichte uitwerkingen, die IDeekaarten worden genoemd. De IDeekaarten hebben een functie in het inspireren tot initiatieven. Ook bieden de Ideekaarten daarnaast (in hoofdlijnen) ook duidelijkheid over de afweegbare mogelijkheden en welke uitgangspunten belangrijk zijn voor een goede inpassing. Onderhavig plan is gelegen in: Deelgebied 4 Kern Nunspeet. Ambitie: Nunspeet is en blijft de centrumkern van de gemeente. De gemeente ambieert het minimaal behoud en zo mogelijk versterken van het voorzieningenniveau, zowel commercieel als niet-commercieel. De levendigheid en uitstraling van het centrumgebied vormt een belangrijke toeristisch-recreatieve aantrekkingskracht, welke de gemeente graag verder wil uitbouwen met de betrokken ondernemers. Ook naar de toekomst toe heeft de kern Nunspeet een belangrijke opvangfunctie voor de behoefte aan woningen en locaties voor bedrijvigheid. Uitgangspunten kwaliteit:  Veilige, stedenbouwkundig en landschappelijk goed ingepaste spoorkruisingen en een betere verkeersafwikkeling zowel voor snel als langzaam verkeer.

 Aanpak van stationsomgeving (Dorpse karakteristiek herstellen).  Groene structuren versterken en indien mogelijk weer terugbrengen in de kern.  Autoluw centrum, parkeren aan de randen, fietsvriendelijke kern. De ontwikkeling van de vijf extra senioren woningen komt de levendigheid van de kern van Nunspeet ten goede. 3.3.2

Beleidsregel Woningbouw Op Maat

In de Woonvisie is opgenomen dat nieuwbouw noodzakelijk is om tot een passend woningaanbod te komen voor een divers aantal mensen. Tegelijkertijd tonen de prognoses dat op de middellange termijn rekening moet worden gehouden met de terugloop van het aantal huishoudens. Om aan deze ontwikkelingen de juiste sturing te geven, is in de woonvisie het 'strategisch programmeren' geïntroduceerd. Met de provincie Gelderland zijn afspraken gemaakt om de volgende drie maatregelen te nemen:  Temporisering/fasering Molenbeek.  Herprogrammering niet benutte locaties.  Sturen op invulling nieuwe woningbouwinitiatieven. Het doel van het vervolgdocument van de Woonvisie, de Beleidsregel Woningbouw op Maat, is om een strategische aanpak en afwegingskader te ontwikkelen waarmee de gemeente gerichter sturing kan geven aan nieuwe initiatieven voor woningbouw in de gemeente. In de visie staat beschreven waar de gemeente de komende jaren met woningbouw op wil in zetten, hoe zij dit wil bereiken en aan welke criteria de nieuwe initiatieven worden getoetst. Om tot een goed afgestemde woningmarkt te komen, geeft de gemeente de markt veel ruimte. Voor het toetsen van nieuwe initiatieven heeft de gemeente een afwegingskader opgesteld, bestaande uit zeven uitgangspunten: 1. Het benutten van inbreidingslocaties heeft de prioriteit. 2.

Bij inbreidingslocaties inzetten op verbetering ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. 3. Innovatie en maatwerk op individuele locaties in buitengebied. 4. Geen mogelijkheden voor nieuwe uitbreidingslocaties. 5. Het plan past binnen de beschikbare gemeentelijke kwantitatieve woningbouwcapaciteiten tot en met 2024. 6. Doelgroepen / woningtypen passen binnen de behoefte van de woonvisie. 7. Inzetten op kleinschalige locaties, organische groei en flexibele concepten. Planspecifiek Voorliggend plan gaat om een inbreidingslocatie. Door dit plan wordt de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied verbeterd. Aan de realisatie van seniorenwoningen is in Nunspeet grote behoefte. Het initiatief is in lijn met de Beleidsregel Woningbouw op Maat en ten opzichte van de huidige mogelijkheden heeft het plan geen invloed op het woningbeleid van de gemeente Nunspeet.

16

Ruimtelijke onderbouwing Zwolsewegje 64 - 66, Nunspeet 3.3.3

Welstandsnota

Op 9 december 2015 heeft de gemeenteraad van Nunspeet de nieuwe Welstandsnota gemeente Nunspeet vastgesteld om transparant welstandsbeleid te kunnen voeren. Het welstandsbeleid is bedoeld om te zorgen dat bij bouwen en verbouwen de omgeving niet visueel wordt aangetast. De nota staat vol inspirerende voorbeelden, kaartmateriaal en gebiedsbeschrijvingen. Om mensen die een vergunning aanvragen te ondersteunen bij het indienen van een kwalitatief goed plan, zijn proces en inhoud van de welstandsbeoordeling duidelijk beschreven. Het gemeentelijk grondgebied is onderverdeeld in een aantal deelgebieden. Voor elk van deze gebieden dient bij de toetsing de bijbehorende gebiedsbeschrijving betrokken te worden. Het plangebied is gelegen in deellgebied: Woongebied rond het centrum. Stedenbouwkundige kenmerken Het straatbeeld is afwisselend door het gevarieerde wegbeloop, de individuele plaatsing van panden en de onderlinge verschillen in bouwstijl en functie. In het gebied worden historische panden aangetroffen met de kenmerken van de agrarische bebouwing. Gebouwen met een bijzondere functie zijn in veel gevallen door hun forse massa, prominente plaatsing en uitvoerige detaillering goed te onderscheiden. Vrijwel alle bebouwing bestaat uit één of twee lagen met een forse kap en staat direct gericht naar de openbare ruimte.

De bebouwing is meestal van de straat gescheiden door een smalle strook of voortuin. Door de losse setting van de bebouwing vloeit de openbare ruimte op vanzelfsprekende wijze over in de privé-ruimtes. Kenmerkend is de afwisseling in het straatbeeld en het (oorspronkelijke) groene karakter van de openbare inrichting. Het groen van de bomen in de openbare ruimte en op de erven maakt wezenlijk onderdeel uit van de belevingswaarde van de Nunspeetse omgeving. Beleid Het gebied rondom het centrum van Nunspeet is kenmerkend voor de kern. In het gebied bevindt zich nog veel karakteristieke bebouwing, voornamelijk in vrijstaande bebouwing aan de historische linten. Het beleid is gericht op behoud en waar nodig, versterking van de ruimtelijke karakteristiek. Deze komt vooral tot uitdrukking in de losse opstelling van de bebouwing, in het individuele en kleinschalige karakter van de panden enerzijds en in het samenhangende architectonisch karakter van de gevels anderzijds. Verdichting en schaalvergroting is slechts in beperkte mate mogelijk. Nieuwe bebouwing zal wat betreft maat en schaal en ook wat betreft kleur- en materiaalgebruik in harmonie met de bestaande bebouwing ontworpen moeten worden. Scherpe contrasten dienen te worden vermeden. Ingrepen als hekjes, luifels, naamborden e.d. dienen ondergeschikt te blijven aan het ruimtelijke en architectonische beeld van de omgeving.

Wijze van toetsing Langs de belangrijke toegangswegen en de oude linten wordt een uitgebreide toets gehanteerd. In de binnengebieden geldt de eenvoudige toets. Voor ontwikkelgerichte plannen kan aanvullend welstandsbeleid gelden.door de dorpsbouwmeester Het plan is op 17 maart 2021 beoordeeld door de dorpsbouwmeester, waarbij is aangegeven dat het plan op een aantal punten aangepast dient te worden. De lijn van de drie woningen moet meer naar voren liggen, conform eerdere ruimtelijke schets. De woningen aan de Zwolsewegje moeten 1 meter uit de aangegeven rooilijn worden geplaatst. De drie seniorenwoningen moeten worden voorzien van een luifel boven de voordeuren. Het plan is naar aanleiding hiervan aangepast.

3.4

Conclusie beleid

Het initiatief dat met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, sluit aan bij het hiervoor geschetste beleid.

17

Ruimtelijke onderbouwing Zwolsewegje 64 - 66, Nunspeet

18

Ruimtelijke onderbouwing Zwolsewegje 64 - 66, Nunspeet

Hoofdstuk 4 4.1

Milieu- en omgevingsaspecten

Inleiding

Ruimtelijke plannen kunnen van invloed zijn op de omgeving. Anderzijds kan ook de zichtbare en soms niet zichtbare omgeving van invloed zijn op de uitvoerbaarheid van de voorgenomen plannen. In dit hoofdstuk worden de omgevingsfactoren beschreven. Daarnaast wordt per omgevingsfactor beoordeeld wat de invloed op het plan kan zijn.

4.2

Bedrijven- en milieuzonering

4.2.1

Algemeen

Bij de ontwikkeling van gebieden wordt met behulp van de systematiek uit de VNG uitgave "Bedrijven en milieuzonering" (uitgave 2009) bepaald binnen welke straal bedrijven invloed hebben op de omgeving en met welke milieuaspecten (zoals geluid, gevaar, e.d.) rekening gehouden dient te worden. In de VNG uitgave zijn voor de diverse SBI-codes deze zogenoemde milieuzones bepaald ten opzichte van gevoelige functies zoals woningen. Aan de ene kant wordt hiermee bepaald of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat bij omliggende gevoelige objecten. Aan de andere kant wordt bekeken of eventuele nieuwe gevoelige objecten de omliggende bedrijven niet beperken. Naast de geadviseerde milieuzonering op basis van de VNG uitgave kunnen er ook afstandscriteria uit specifieke milieuwetgeving gelden. Uitgangspunten De VNG uitgave gaat uit van twee omgevingstypen: een rustige woonwijk / buitengebied of een gemengd gebied. In een gemengd gebied is sprake van matige tot sterke functiemenging, waar bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies aanwezig zijn. Voor een gemengd gebied zijn de milieuzones kleiner dan voor een rustige woonwijk of buitengebied. In dit plan is voor het zoekgebied uitgegaan van een gemengd gebied. 4.2.2

Onderzoek

In de directe omgeving zijn geen bedrijven gelegen die door de nieuwe woningen worden belemmerd in hun bedrijfsvoering. 4.2.3

Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor onderhavig plan. In de woningen is sprake van een goed woon- en leefklimaat.

4.3

Geluid

4.3.1

Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) heeft tot doel de mensen te beschermen tegen geluidsoverlast ten gevolge van weg-, spoorweg- of industrielawaai. Op basis van deze wet dient bij het opstellen van het bestemmingsplan dan ook aandacht te worden geschonken aan het aspect "geluid". In de Wet geluidhinder is een zonering van industrieterreinen, wegen en spoorwegen geregeld. Enerzijds betekent dit dat (geluids)eisen worden gesteld aan de milieubelastende functies, anderzijds betekent dit dat beperkingen worden opgelegd aan milieugevoelige functies. De verplichting tot het uitvoeren van een akoestisch onderzoek in relatie tot het opstellen van een bestemmingsplan geldt niet indien in dat bestemmingsplan geen mogelijkheden worden geboden voor het realiseren van nieuwe woningen en andere geluidgevoelige objecten. Aangezien er woningen (geluidgevoelige object) in het plangebied wordt gerealiseerd, dient er akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden.

19

Ruimtelijke onderbouwing Zwolsewegje 64 - 66, Nunspeet Met betrekking tot geluid veroorzaakt door het wegverkeer is in de Wet geluidhinder de verplichting opgenomen tot het verrichten van onderzoek naar de geluidsbelasting op de gevels van (nieuw geprojecteerde) woningen en andere geluidgevoelige objecten. Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) hoofdstuk VI, afdeling 1 bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone. Als in deze zone geluidgevoelige bebouwing wordt geprojecteerd dan dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. De breedte van deze zone is afhankelijk van:  de ligging van de weg in stedelijk of buitenstedelijk gebied;  het aantal rijstroken. In stedelijk gebied worden twee typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes:  wegen met een of twee rijstroken: 200 meter;  wegen met drie of meer rijstroken: 350 meter. In buitenstedelijk gebied worden drie typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes:  wegen met een of twee rijstroken: 250 meter;  wegen met drie of vier rijstroken: 400 meter;  wegen met vijf of meer rijstroken: 600 meter. De volgende wegen hebben op grond van artikel 74 Wgh geen zone:  wegen gelegen in een als woonerf aangeduid gebied;  wegen met een maximum snelheid van 30 km/uur.

4.3.2 Onderzoek In maart 2021 is door Kragten een akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting vanwege wegverkeer uitgevoerd (zie Bijlage 2 Akoestisch onderzoek). Conform het gestelde in de Wet geluidhinder (Wgh) wordt een onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting ten gevolge van de zoneringsplichtige (spoor)wegen waarvan de zone het plangebied overlapt. Het plan is gelegen binnen de wettelijk vastgestelde zone van meerdere wegen. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de regels van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 waarbij de geluidbelastingen zijn getoetst aan het stelsel van voorkeurswaarde en maximale ontheffingswaarden uit de Wet geluidhinder. In het rapport is uitgegaan van 2 lagen met kap. Het plan bestaat echter uit 1 laag met kap. tevens is in het uiteindelijke plan blok 1 komen te vervallen en is blok 3 naar het zuidwesten opgeschoven. Wet geluidhinder Ten gevolge van het wegverkeer op de Elburgerweg bedraagt de geluidbelasting ten hoogste 56 dB inclusief aftrek artikel 110g Wet geluidhinder. Hiermee wordt de voorkeurswaarde niet gerespecteerd. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt wel gerespecteerd. In het rapport worden maatregelen onderzocht ten einde het verlagen van de geluidbelasting. Maatregelen teneinde het verlagen van de geluidbelasting stuiten op overwegende bezwaren.

Gemeentelijk geluidbeleid In het gemeentelijk geluidbeleid is een afweging aanvaardbaarheid geluidbelasting opgenomen. Hierbij wordt de ongecorrigeerde gecumuleerde geluidbelasting van de gezoneerde en niet-gezoneerde wegen getoetst aan de GES-scores voor de van toepassing zijnde situatie volgens de GES-systematiek. Ter plaatse van de woningen van blok 2 bedraagt de gecumuleerde geluidbelasting ten hoogste 55 dB. Dit komt conform de GES-score overeen met een kwalificatie “matig”. Ter plaatse van blok 3 bedraagt de gecumuleerde geluidbelasting ten hoogste 61 dB en is de kwalificatie “zeer matig”. In het gemeentelijk geluidbeleid zijn aanvullende voorwaarden opgenomen voor het verlenen van een hogere waarde. Blok 2 voldoet aan de aanvullende voorwaarden voor een hogere waarde voor wegverkeer tussen de 48 en 50 dB en beschikt over een geluidsluwe gevel en buitenruimte. Bronmaatregelen en overdrachtsmaatregelen zijn afgewogen in paragraaf 4.1.3 en stuiten op overwegende bezwaren.

20

Ruimtelijke onderbouwing Zwolsewegje 64 - 66, Nunspeet Blok 3 voldoet aan de aanvullende voorwaarden voor een hogere waarde voor wegverkeer tussen de 53 en 56 dB (inclusief aftrek artikel 110g Wgh). Blok 3 beschikt over een geluidsluwe gevel en buitenruimte. Bij het ontwerp dient rekening te worden gehouden met het situeren van drie geluidgevoelige ruimten aan de geluidluwe gevel (noordwestgevel), gevelmaatregelen en geluidsdempende (mechanische ventilatie). Bronmaatregelen en overdrachtsmaatregelen zijn afgewogen in paragraaf 4.1.3 en stuiten op overwegende bezwaren. Indien het toepassen van bron- en/of overdrachtsmaatregelen stuit op overwegende bezwaren is nieuwbouw alleen mogelijk als door het bevoegd gezag, de gemeente Nunspeet, hogere waarden vastgesteld worden vanwege het wegverkeer op de weg Elburgerweg. Uit een onderzoek naar de geluidwering van de gevel moeten blijken of de vereiste karakteristieke geluidwering van de gevel (GA;k) voldoet aan de eisen uit het Bouwbesluit. Geadviseerd wordt om hierbij uit te gaan van de gecumuleerde geluidbelasting. 4.3.3

Conclusie

Het geluid voldoet aan de uitgangspunten genoemd in het gemeentelijk geluidbeleid voor het verlenen van een hogere waarde. Het onderzoek is als Bijlage 2 Akoestisch onderzoek toegevoegd aan dit plan.

4.4

Bodem

4.4.1

Inleiding

De bodem wordt op vele manieren gebruikt, voor bijvoorbeeld woningbouw, landbouw, aanleg van wegen en winning van grondstoffen. Om te zorgen dat dit nu en in de toekomst mogelijk blijft, is een duurzaam beheer van de bodem belangrijk. Doordat mensen al vele eeuwen gebruik maakt van de bodem heeft zij overal sporen achtergelaten. Deze sporen zijn terug te zien in het landschap en te vinden op en in de bodem. Door bodemsanering worden de ernstige chemische verontreiniging van de bodem aangepakt. Bescherming van de bodem betekent bovendien het voorkomen dat schone grond verontreinigd raakt en het rekening houden met de eigenschappen van de bodem. Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is de bescherming van de bodem. Een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de bodem geschikt is voor de geplande functie en of sprake is van een eventuele saneringsnoodzaak. In artikel 9 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het wijzigen of opstellen van een bestemmingsplan. 4.4.2

Onderzoek

In maart 2021is door Lycens een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het doel van het onderzoek is het bepalen van de bodemkwaliteit op de locatie en daarmee mogelijke verontreinigingen in grond en grondwater te signaleren welke consequenties kunnen hebben voor de geplande planologische procedure, de geplande herontwikkeling van de locatie en de geplande aanvraag van een omgevingsvergunning. Hiervoor is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater beoordeeld door het verrichten van een aantal boringen en het analyseren van een aantal grond- en grondwatermonsters. Het onderzoek is conform de Nederlandse bodemonderzoek" (NEN5740) uitgevoerd.

Norm

"Onderzoeksstrategie

bij

verkennend

Resultaten grond De bovengrond op het noordwestelijk terreindeel bevat een licht verhoogd gehalte aan PCB bevat. Een directe oorzaak voor dit gehalte is niet bekend. Op basis van de rekenregels voldoet de grond aan de achtergrondwaarde. In de bovengrond op het zuidoostelijk terreindeel en in de ondergrond zijn geen parameters verhoogd gemeten.

21

Ruimtelijke onderbouwing Zwolsewegje 64 - 66, Nunspeet De toplaag van de bodem ter plaatse van de druppelzone op het oostelijk terreindeel bevat asbest in een gewogen gehalte van 1,2 mg/kg d.s.. De interventiewaarde (100 mg/kg d.s.) alsmede de normwaarde voor het uitvoeren van nader onderzoek (50 mg/kg d.s.) wordt niet overschreden. De toplaag van de bodem ter plaatse van de druppelzone op het westelijk terreindeel bevat geen asbest. De milieuhygienische kwaliteit van de grond vormt geen belemmering voor de geplande planologische procedure, de geplande herontwikkeling van de locatie en de geplande aanvraag van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen). Resultaten grondwater Het grondwater bevat een licht verhoogde concentratie aan koper en zink. Een directe oorzaak is niet bekend. Mogelijk zijn de verhoogde concentraties gedeeltelijk te relateren aan een natuurlijke oorzaak. De gemeten concentraties overschrijden de streefwaarden in geringe mate en vormen geen belemmering voor de geplande planologische procedure, de geplande herontwikkeling van de locatie en de geplande aanvraag van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen). 4.4.3

Conclusie

De opzet van het uitgevoerde onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat er, ons inziens, milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen zijn voor de geplande planologische procedure, de geplande herontwikkeling van de locatie en de geplande aanvraag van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen). Het aspect bodem is geen belemmering voor de realisatie van de plannen. Het uitgevoerde onderzoek is als Bijlage 3 Verkennend bodemonderzoek toegevoegd aan dit plan.

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1

Algemeen

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:  Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);  Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). 4.5.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn:  woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg;  woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen;  kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

22

Ruimtelijke onderbouwing Zwolsewegje 64 - 66, Nunspeet

4.5.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze ‘gevoelige bestemmingen’ zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen / klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 4.5.1.3 Onderzoek Er is een Worst-case berekening gemaakt voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van het plan op de luchtkwaliteit.

In de tabel is er uitgegaan van 8 verkeersbewegingen per woning per etmaal. Dit resulteert in 40 extra voertuigbewegingen per etmaal. Hierbij is geen rekening mee gehouden dat er in de bestaande situatie ook sprake is van een aantal vervoersbewegingen. Er is op basis van de uitkomsten geen nader onderzoek naar de luchtkwaliteit nodig. 4.5.2

Conclusie

In dit geval is geen onderzoek nodig en kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling Niet In Betekende Mate (NIBM) is aangezien er minder dan 1.500 woningen worden gerealiseerd en dat de gevoelige bestemmingen niet binnen de zones uit het besluit gevoelige bestemmingen vallen.

4.6

Externe veiligheid

4.6.1

Algemeen

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.

23

Ruimtelijke onderbouwing Zwolsewegje 64 - 66, Nunspeet Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. 4.6.2

Onderzoek

In februari 2021 is door Kragten een inventarisatie uitgevoerd van de externe veiligheidsrisico’s ten behoeve van een woningbouwplan aan het Zwolsewegje 64 te Nunspeet (zie Bijlage 4 Externe veiligheid). In het kader van het onderzoek naar het planvoornemen dienen de externe veiligheidsrisico’s ten gevolge van activiteiten in de directe omgeving te worden geïnventariseerd. Externe veiligheidsrisico’s kunnen ontstaan door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen en over transportroutes (weg, spoor en water) en het gebruik of de opslag van gevaarlijke stoffen bij inrichtingen. In deze quickscan zijn de risicobronnen geïnventariseerd en is beoordeeld of de genoemde risicobronnen mogelijk een belemmering vormen voor de invulling van het plangebied. Indien risicobronnen een mogelijke belemmering vormen, is een vervolgonderzoek noodzakelijk. Transport over het water en de weg Het plangebied bevindt zich niet binnen een invloedsgebied van een waterweg of weg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De risico's als gevolg van transport over het water en de weg vormen geen aandachtspunt voor de planvorming waardoor een verantwoordingsplicht niet aan de orde is. Transport over het spoor Op circa 1.075 meter ten zuidoosten van het plangebied bevindt zich de spoorlijn Amersfoort Oost – Hattem (route 360). Deze spoorlijn is opgenomen in het Basisnet spoor.

Gezien de ruimtelijke scheiding is het PAG en het plaatsgebonden risico van deze spoorweg geen aandachtspunt voor de planvorming. Het plangebied ligt wel binnen het invloedsgebied van toxische vloeistoffen (D4). De risico’s als gevolg van transport van gevaarlijke stoffen over het spoor dienen te worden meegenomen in een beperkte verantwoording van het groepsrisico (zie 4.6.2.2). Buisleidingen Het plangebied ligt binnen de 1% letaliteitsafstand van een buisleiding. De invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico moet kwantitatief worden bepaald met behulp van het rekenprogramma Carola. Tevens dienen de risico's als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen te worden meegenomen in een verantwoording van het groepsrisico (zie 4.6.2.1).

24

Ruimtelijke onderbouwing Zwolsewegje 64 - 66, Nunspeet Inrichtingen Het plangebied ligt niet binnen een invloedsgebied van een risicovolle inrichting in de omgeving. De risico’s als gevolg van inrichtingen vormen geen belemmeringen voor de planvorming uit het oogpunt van externe veiligheid. Een verantwoordingsplicht is niet aan de orde. 4.6.2.1 Verantwoording groepsrisico In februari 2021 is door Kragten een verantwoording groepsrisico uitgevoerd vanwege het transport over het spoor en door buisleidingen (zie Bijlage 5 Verantwoording groepsrisico). Aspecten in de verantwoording die bij alle risicobronnen van toepassing zijn, zijn zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Mobiliteit van de aanwezigen Binnen het plangebied worden geen functies gerealiseerd die specifiek voor verminderd zelfredzame personen bedoeld zijn. Dit betekent dat het uitgangspunt is dat de aanwezige personen zich bij een eventuele dreigende situatie zelfstandig in veiligheid kunnen brengen.

Mogelijkheden voor ontvluchting/schuilen De mogelijkheden voor ontvluchting van het gebied, de ontvluchting van gebouwen en de schuilmogelijkheden in gebouwen worden bij de onderscheidenlijke risicobronnen beschouwd aangezien deze afhankelijk zijn van het ongevalsscenario. Risicocommunicatie In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid kan worden verbeterd door maatregelen zoals een waarschuwings- en alarmeringssysteem en risicocommunicatie (hoe te handelen bij een incident, gebaseerd op de relevante scenario’s). In geval van een calamiteit is een snelle alarmering van aanwezige personen binnen het effectgebied essentieel voor een goede zelfredzaamheid. De invulling van de risicocommunicatie dient conform de Wet veiligheidsregio’s door het bestuur van de veiligheidsregio uitgevoerd te worden. De veiligheidsregio ondersteunt en adviseert de gemeenten hierin in voorbereiding op een alarmering bij rampen. Bestrijdbaarheid/Beheersbaarheid De beheersbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om haar taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard.

Hierbij hanteert de regionale brandweer richtlijnen zoals beschreven in de publicatie “Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid” van brandweer Nederland. Bereikbaarheid en bluswatervoorziening Uit bovengenoemde handreiking volgt het advies dat het plangebied en de risicobronnen goed bereikbaar moeten zijn voor hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen, waardoor in geval van calamiteiten het plangebied en de risicobron goed bereikbaar is. Zorgnorm De brandweerzorgnorm is een aanbevolen opkomsttijd die afhankelijk is van het soort object en de risico's voor de aanwezige personen. De opkomsttijd bestaat uit een optelsom van de uitruktijd en de aanrijdtijd. De uitruktijd betreft de tijd die men heeft vanaf het alarmeren totdat men gereed is om te vertrekken naar het plaats van het incident. De uitruktijd voor een beroepskorps ligt lager dan die van een vrijwillig korps, omdat de beroepsmedewerkers zich in de directe nabijheid van de kazerne bevinden.

25

Ruimtelijke onderbouwing Zwolsewegje 64 - 66, Nunspeet Initiatiefnemer zal de plannen ter beoordeling voorleggen aan de Veiligheidsregio, zodat er voldoende blusmogelijkheden en vluchtmogelijkheden aanwezig zijn. 4.6.2.2 Carola berekening In februari 2021 is door Kragten een onderzoek uitgevoerd naar de externe veiligheidsrisico’s van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen ten behoeve van een woningbouwplan.Onderzocht is of de buisleiding een belemmering vormt voor het plangebied. Tevens is bepaald welke effecten het plan heeft op de hoogte van het groepsrisico van de betreffende buisleidingen. De berekeningen hebben overeenkomstig de voorschriften plaatsgevonden met het rekenprogramma CAROLA. Uit de berekening volgt dat het plangebied niet is gelegen binnen een plaatsgebonden 10-6-risicocontour van een buisleiding. Het plangebied ligt wel deels binnen de 100% letaliteitsafstand en geheel binnen de 1%-letaliteitsafstand voor externe veiligheid van buisleiding N-570-20-deel-1, waardoor de invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico voor deze buisleiding is bepaald. Voor de buisleiding is de hoogte van het groepsrisico zowel vóór als ná planrealisatie berekend.

Uit deze berekeningen blijkt dat in de huidige situatie de oriëntatiewaarde als gevolg van buisleiding N-570-20-deel-1 niet wordt overschreden, en tevens lager is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. De planrealisatie leidt niet tot een rekenkundige toename van de hoogte van het groepsrisico voor de buisleiding N-570-20-deel-1. In artikel 12 lid 3 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen juncto artikel 8 van de Regeling externe veiligheid buisleidingen is opgenomen wanneer sprake is van het verantwoorden van het groepsrisico. In onderhavige situatie kan volstaan kunnen worden met een beperkte verantwoording voor buisleiding N-570-20- deel-1. Voor een verantwoording van het groepsrisico moet door het bevoegd gezag advies worden gevraagd bij de regionale brandweer/Veiligheidsregio. De initiatiefnemer zal advies indienen bij de regionale brandweer/Veiligheidsregio. 4.6.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het plan voldoet aan het beleid en de normstelling ten aanzien van externe veiligheid. Het aspect externe veiligheid staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

4.7

Water

4.7.1

Inleiding

Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient in de toelichting op ruimtelijke plannen, een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin staat de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan op de waterhuishouding. In die paragraaf dient uiteengezet te worden of en in welke mate het plan gevolgen heeft voor de waterhuishouding (waaronder grondwater en waterveiligheid). Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets: 'het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren (door de waterbeheerder), afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten'. In een regulier watertoetsoverleg tussen gemeente en waterschap wordt de planvorming voor de ruimtelijke ontwikkelingen besproken. Gezamenlijke conclusie is dat de ruimtelijke ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt met dit bestemmingsplan geen of nauwelijks gevolgen voor het watersysteem hebben. In het plangebied liggen geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde A-wateren), waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Ook wordt er niet meer dan 1500m2 extra verhard oppervlak aangelegd (t.o.v. de bestaande situatie). Dit betekent dat dit plan geen essentiele waterbelangen raakt. Op basis daarvan wordt door het waterschap voor het onderhavige plan een positief wateradvies gegeven.

Waterschap Vallei en Veluwe heeft voor ontwikkelingen waar geen of nauwelijks een waterbelang bestaat een standaard waterparagraaf opgesteld. Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen gelden de volgende algemene uitgangspunten:

26

Ruimtelijke onderbouwing Zwolsewegje 64 - 66, Nunspeet De Europese Kaderrichtlijn Water (2003) De Europese Kaderrichtlijn Water gaat er vanuit dat water geen gewone handelswaar is, maar een erfgoed dat moet worden beschermd en verdedigd. Het hoofddoel van de richtlijn is daarop gebaseerd. De Kaderrichtlijn Water geeft het kader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwater en grondwater. Dat moet ertoe leiden dat: aquatische ecosystemen en gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van deze ecosystemen, voor verdere achteruitgang worden behoed; emissies worden verbeterd; duurzaam gebruik van water wordt bevorderd op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen op lange termijn; er wordt gezorgd voor een aanzienlijke vermindering van de verontreiniging van grondwater. Nationaal Waterplan De hoofddoelstelling voor waterbeheer in Nederland is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP): Nederland, een veilige en leefbare delta, nu en in de toekomst. Het Nationaal Waterplan is tevens een structuurvisie op basis van de Waterwet en de Wet ruimtelijke ordening en is opgesteld voor de planperiode 2009-2015. Waterbeleid in de 21e eeuw (2000) De hoge waterstanden in de rivieren in 1995 en 1996 en de klimaatscenario's waarin naast de zeespiegelstijging ook meer en heviger buien worden voorspeld hebben geleid tot vernieuwde aandacht voor water.

Nederland is met zijn lage ligging en hoge verstedelijkingsgraad kwetsbaar voor wateroverlast en de veiligheid is in de toekomst in het geding. Maar ook door de drogere zomers is er het risico van watertekorten en verdroging. De commissie "Waterbeheer 21e eeuw" heeft in opdracht van de regering duidelijk gemaakt dat we anders moeten omgaan met water en ruimte. Ruimte die nu beschikbaar is voor de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast moet ten minste behouden blijven. De aanwezige ruimte mag niet sluipenderwijs verloren gaan bij de uitvoering van nieuwe projecten voor infrastructuur, woningbouw, landbouw of bedrijventerreinen. Daarbij zijn De trits 'vasthouden, bergen en afvoeren' en' schoonhouden, scheiden en zuiveren' belangrijke uitgangspunten. De trits 'vasthouden, bergen en afvoeren' houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms in een stroomgebied wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren, wordt het water afgevoerd. Bij 'schoonhouden, scheiden en zuiveren' gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste, wanneer schoonhouden en scheiden niet mogelijk is, komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterplan provincie Gelderland Het Provinciaal Waterplan 2010-2015 In het plan staan de doelen voor het waterbeheer, de maatregelen die daarvoor nodig zijn en wie ze gaat uitvoeren. Voor oppervlaktewaterkwaliteit, hoogwaterbescherming, regionale wateroverlast, watertekort en waterbodems gelden provinciebrede doelen. Voor een aantal functies, zoals landbouw, natte natuur, waterbergingsgebieden en grondwaterbeschermingsgebieden, zijn specifieke doelen geformuleerd. Vanwege de Europese Kaderrichtlijn Water is voor bepaalde oppervlaktewateren vastgelegd of het een kunstmatig of sterk veranderd oppervlaktewater is. Ook zijn voor die oppervlaktewateren ecologische doelen geformuleerd. Voor verbetering van de grondwaterkwaliteit zijn maatregelen opgenomen. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) Het thema "water als ordenend principe" loopt als een rode draad door het gehele plan. Dit houdt in dat, voordat er beslissingen worden genomen op ruimtelijk gebied, er wordt bekeken welke gevolgen die hebben voor watersystemen. Het rijk, provincies, gemeenten, waterschappen en drinkwaterbedrijven, hebben besloten maatregelen voor een doelmatiger waterbeheer overeen te komen in dit Bestuursakkoord Water. Het waterschap gaat zich inzetten voor een mooi, veilig, schoon, gezond en duurzaam beheer van het watersysteem en de waterketen.

Het doel is om de kwaliteit van het beheer te vergroten tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten. De burger laten zien wat wordt bereikt en transparant zijn over de kosten. Dat doen de partijen vanuit eigen verantwoordelijkheden waarbij we de expertise en deskundigheid met elkaar delen.

27

Ruimtelijke onderbouwing Zwolsewegje 64 - 66, Nunspeet Waterbeheerprogramma Waterschap Vallei en Veluwe In het Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 heeft waterschap Vallei en Veluwe tactische doelen geformuleerd. Per jaarplan geven wij concreet invulling aan de daadwerkelijke realisatie van deze doelen. Keur Waterschap Vallei en Veluwe Op 1 januari 2014 is de nieuwe Keur met de Algemene ¡V en Beleidsregels van Waterschap Vallei en Veluwe in werking getreden. Het waterschap stelt deze regels vast ter behartiging van de waterschapstaak en het bereiken van de doelstelling zoals genoemd in artikel 2.1 van de Waterwet. Alle handelingen in of nabij een waterstaatswerk worden hieraan getoetst. 4.7.2

Onderzoek

Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Via de digitale watertoets is beoordeeld of en welke waterbelangen voor het plan relevant zijn. In februari 2021 is door EDOK-RO de watertoets ingevoerd, hieruit blijkt:. In het plangebied liggen geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde primaire of Awatergangen), waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Dit betekent dat dit plan geen essentiële waterbelangen raakt. Op basis daarvan wordt door het waterschap voor het onderhavige plan een positief wateradvies gegeven. Aandachtspunten Voor de verdere uitwerking en concretisering van de beoogde ontwikkeling, geeft het waterschap aan dat rekening gehouden moet worden met een aantal algemene en gebiedsspecifieke aandachtspunten voor water.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10468675/1