CConstaterende datNunspeet
Koppel je AI →
Document · PDF

AP 6e. Bijlage 5c - De Kijktuinen Bijlagen regels

Commissie Ruimte en Wonen 6 december 2021, gemeente NunspeetBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan De Kijktuinen14.646 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan De Kijktuinen vastgesteld

bestemmingsplan Bijlagen regels

De Kijktuinen vastgesteld 15-06-2021

bestemmingsplan De Kijktuinen

Inhoudsopgave

Bijlagen regels

5

Bijlage 1

Beleidskader Zonne-energie (2020)

6

Bijlage 2

Parkeernota van de gemeente Nunspeet (2014)

19

3

bestemmingsplan De Kijktuinen

4

bestemmingsplan De Kijktuinen

Bijlagen regels

5

bestemmingsplan De Kijktuinen

Bijlage 1 Beleidskader Zonne-energie (2020)

6

Beleidskader

Zonne-energie

Versie 1.0

Juni 2020

Beleidskader zonne-energie | Gemeente Nunspeet

Inhoudsopgave 1.

Inleiding .......................................................................................................................................... 3 1.1 Achtergrond ......................................................................................................................................... 3 1.2 Status ................................................................................................................................................... 3 1.3 Leeswijzer ............................................................................................................................................ 3

2.

Kaderstelling .................................................................................................................................. 4 2.1 Omgevingsbeleid provincie Gelderland .......................................................................................... 4 2.2 Omgevingsvisie Nunspeet 2030 ....................................................................................................... 5 2.3 Bestemmingsplan Buitengebied 2018 Nunspeet ........................................................................... 5 2.4 Regionale energiestrategie (RES) Noord-Veluwe ......................................................................... 5

3.

De Nunspeetse zonneladder ....................................................................................................... 6 3.1 Opbouw en opzet ladder ................................................................................................................... 6 3.2 Toelichting tredes ............................................................................................................................... 7

4.

Randvoorwaarden zon op land ................................................................................................... 8 4.1 Ruimte & Landschap .......................................................................................................................... 8 4.2 Eigenaarschap & participatie ............................................................................................................ 9 4.3 Communicatie ................................................................................................................................... 10 4.4 Uitvoering ........................................................................................................................................... 10

5.

Procedure ..................................................................................................................................... 12 5.1 Procedure .......................................................................................................................................... 12 5.2 Evaluatiemoment .............................................................................................................................. 12

2

Beleidskader zonne-energie | Gemeente Nunspeet

1. Inleiding Wat is de achtergrond van voorliggend beleidskader? En wat is de status en opbouw van dit document?

1.1 Achtergrond Wij staan aan de vooravond van een grote energietransitie. Nederland heeft zich hieraan gecommitteerd via het Akkoord van Parijs en het nationale Klimaatakkoord. De RES-regio Noord-Veluwe, waar Nunspeet deel van uit maakt, streeft naar 55% CO 2-reductie in 2030, zoals afgesproken in het Gelders Energie Akkoord. De gemeenteraad heeft in het masterplan Duurzaamheid een ambitie vastgesteld van 50% CO2-reductie in het jaar 2025. Om dit te kunnen bereiken is een stevige inspanning nodig op besparing en het opwekken van duurzame energie uit onder andere zon en wind. De gemeente Nunspeet is een gemeente met veel beschermde natuur (een groot deel van het gemeentelijke grondgebied bestaat uit door Europese wetgeving beschermde Natura 2000-gebieden). Ook is er een groot areaal aan goede en vruchtbare agrarische gronden (die met name worden ingezet voor grondgebonden melkveehouderij), het is van belang dat dit areaal beschikbaar blijft voor agrariërs in de gemeente ook met het oog op een eventuele omslag naar een meer biologische manier van akkerbouw en veeteelt. De aanwezigheid van natuur enerzijds en de behoefte aan agrarische gronden anderzijds maken dat de ruimte in Nunspeet (meer dan elders) schaars is voor het opwekken van duurzame energie. De gemeente Nunspeet kiest daarom heel bewust voor een maatwerkbenadering als het gaat om zon op land.

Hiervoor hanteren we een specifieke “Nunspeetse zonneladder” (zie ook hoofdstuk 3). Deze Nunspeetse zonneladder brengt hiërarchie aan in het beoordelen van de geschiktheid van technieken en locaties. Pas wanneer locaties op een lagere trede van de ladder voor een bepaald initiatief niet voldoende beschikbaar of geschikt zijn, komen locaties op een hogere trede in beeld. Voorliggende beleidskader beschrijft de voorwaarden waarbinnen de gemeente Nunspeet mee wil werken aan de hoogste trede van de ladder: zon op land. Dit gaat specifiek om grondgebonden zonnepanelen (zonneveld) tot 2 ha netto1.

1.2 Status Met dit beleidskader geeft de raad het college van B&W de randvoorwaarden waarbinnen de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid voor het realiseren van zonnevelden uit het bestemmingsplan Buitengebied 2018 kan worden toegepast. Dit beleidskader heeft de juridische status van beleidsregels als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb, artikel 1:3, vierde lid, juncto de artikelen 4:81 t/m 4:84).

1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 worden de vigerende kaders beschreven waarbinnen voorliggende beleidskader ‘past’. In hoofdstuk 3 wordt de Nunspeetse zonneladder geïntroduceerd; waar kan wel en waar kan geen zon op land worden gerealiseerd. In hoofdstuk 4 zijn de specifieke randvoorwaarden beschreven waaraan ‘zon op land’ projecten moeten voldoen. Tenslotte is in hoofdstuk 5 beschreven op welke wijze de gemeente om wil gaan met initiatiefplannen.

1 2 Ha netto wil zeggen, exclusief de ruimte die benodigd is voor de (landschappelijk) inpassing. Zie de rand-

voorwaarden in hoofdstuk 4.

3

Beleidskader zonne-energie | Gemeente Nunspeet

2. Kaderstelling In voorliggende hoofdstuk worden de huidige kaders beschreven die van toepassing zijn op zonne-energie in de gemeente Nunspeet. Binnen deze kaders moeten de nieuwe randvoorwaarden vanuit het beleidskader zonne-energie passen.

2.1 Omgevingsbeleid provincie Gelderland Omgevingsvisie “Gaaf Gelderland” Provinciale Staten van Gelderland hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie “Gaaf Gelderland” vastgesteld. Over de energietransitie staat in deze Omgevingsvisie: “[Wij zetten] in op duurzame opwekking. Wind, zon, biomassa, waterstof, geo- en aquathermie en waterkracht; ze zijn allemaal van belang en nodig. Voor het opwekken, opslaan en transporteren van duurzame energie is ruimte nodig; veel ruimte. Windturbines, zonneparken, warmtecentrales, (mest)vergisters, waterkrachtcentrales moeten een plek krijgen in het Gelderse landschap, willen wij onze ambitie halen”. “Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten; dat is wat wij nastreven.” (§ 1) In de diverse regionale energie-strategieën (zie par 2.4.) die momenteel in Gelderland worden opgesteld, wordt dit verder uitgewerkt. In de Omgevingsvisie geven Provinciale Staten ook globaal aan in welke gebieden grote zonneparken (> 2 ha) volgens de provincie mogelijk lijken zijn:

Afbeelding 1: Provinciaal omgevingsbeleid voor zonneparken (Omgevingsvisie Gaaf Gelderland)

Binnen de gemeente Nunspeet ziet de provincie Gelderland alleen onder voorwaarden mogelijkheden voor grote zonneparken in het gebied tussen de oude Zuiderzeestraatweg (Harderwijkerweg, Elburgerweg) en het Veluwerandmeer en binnen de agrarische enclave Elspeet.

4

Beleidskader zonne-energie | Gemeente Nunspeet

2.2 Omgevingsvisie Nunspeet 2030 De raad van de gemeente Nunspeet heeft op 29 november 2018 de Omgevingsvisie Nunspeet 2030 vastgesteld. Deze visie heeft de status van ruimtelijke structuurvisie (Wro) tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet, naar verwachting op 1 juli 2021 of later in 2021. Het ruimtelijk inpassen van duurzame energieopwekking is in deze visie benoemd als één van de 7 inhoudelijke thema’s. Kernpunten daarbij zijn: - Maatwerk leveren door een optimale landschappelijke inpassing; - Prioritair stellen van de maatschappelijk urgente opgave; - Nunspeet profileren als ‘groene gemeente’ in alle opzichten. In de Omgevingsvisie wordt verder aangegeven dat bij de inpassing van duurzame energieopwekking gelet moet worden op gunstige mogelijkheden (denk aan windaanbod en netcapaciteit), alsmede de beleving van het landschap. Tenslotte wordt aangegeven dat een zorgvuldige inpassing essentieel is in Nunspeet gericht op een hoogwaardige ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit. Voorliggend beleidskader kan beschouwd worden als een verdere thematische uitwerking van Thema 4 van de Omgevingsvisie Nunspeet 2030. Uit de omgevingsvisie blijkt ook dat thema’s als recreatie en biodiversiteit belangrijk zijn in de gemeente Nunspeet, de inpassing van zonneweiden mag hier geen negatief effect op hebben.

2.3 Bestemmingsplan Buitengebied 2018 Nunspeet In het geldende bestemmingsplan Buitengebied 2018 is de volgende binnenplanse regeling voor het realiseren van zonnevelden binnen de agrarische bestemming opgenomen: Artikel 3.3.4 Opwekking zonne-energie Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 3.2.4 onder e ten behoeve van de bouw van zonnepanelen en de bijbehorende constructies en installaties met een bouwhoogte van niet meer dan 4 m op of boven het maaiveld, met dien verstande dat: a) de bouwwerken landschappelijk worden ingepast; b) geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke en cultuurhistorische waarden; c) bij aanvragen in de directe nabijheid van de Natura 2000-gebieden Veluwe en Veluwerandmeren, kan alleen omgevingsvergunning worden verleend als aangetoond is dat er geen significant negatieve effecten op de wettelijke instandhoudingsdoelstellingen van deze gebieden zullen optreden. Na vaststelling van voorliggend beleidskader zonne-energie gemeente Nunspeet wordt het volgende lid d. aan dit artikel toegevoegd: d)

aanvragen omtrent zon op land (zonnevelden) worden getoetst aan het Beleidskader Zonne-energie gemeente Nunspeet (juni 2020).

2.4 Regionale energiestrategie (RES) Noord-Veluwe De gemeente Nunspeet participeert in de Regionale Energiestrategie (RES) Noord-Veluwe, de definitieve RES 1.0 wordt naar verwachting in het voorjaar van 2021 afgerond. Ondertussen zijn partijen in onze gemeente (zoals boeren, landgoedeigenaren en ontwikkelaars) zich aan het orienteren op de mogelijkheden die zonne-energie voor hen zou kunnen bieden. Daarom vinden wij het nodig om nu met een helder planologisch beoordelingskader te komen voor initiatieven voor zonne-energie. Indien nodig kan dit beleidskader, na de vaststelling van de definitieve RES Noord-Veluwe door de gemeenteraad, hierop aangepast worden.

5

Beleidskader zonne-energie | Gemeente Nunspeet

3. De Nunspeetse zonneladder In Nunspeet mogen alleen zonneweiden met maatschappelijke en landschappelijke meerwaarde gerealiseerd worden, met een omvang van max. 2 ha netto2 zonneveld en onder strikte voorwaarden. In dit hoofdstuk wordt de ladder die hieraan ten grondslag ligt kort toegelicht.

3.1 Opbouw en opzet ladder De gemeente Nunspeet kiest heel bewust voor een maatwerkbenadering als het gaat om zon op land. Hiervoor hanteren we de “Nunspeetse zonneladder”. Deze ladder brengt hiërarchie aan in het beoordelen van de geschiktheid van locaties. Pas wanneer locaties op een lagere trede van de ladder voor een bepaald initiatief niet voldoende beschikbaar of geschikt zijn, komen locaties op een hogere trede in beeld. In de zonneladder is geen energieopwekking door grootschalige windenergie meegenomen, omdat dit kader betrekking heeft op zonne-energie. De gedachte is echter wel dat grootschalige wind de voorkeur krijgt boven grootschalige zon op land. De hoofreden hiervoor is dat grootschalige windturbines gecombineerd kunnen worden met agrarisch grondgebruik en reeds bestaande hoofdinfrastructuur (mits de provinciale voorwaarden dat ruimtelijke mogelijk maken).

De “Nunspeetse zonneladder” bevat een vertrekpunt en drie tredes: - Vertrekpunt: Uitzonderingsgebieden: grootschalige energieopwekking is niet mogelijk in gebieden met een hoge natuur of agrarische waarde (zie ook paragraaf 2.1); - Trede 1: Zon op dak: bestaande daken van (recreatie)woningen, bedrijven en agrarische bebouwing; - Trede 2: Saneren bestaande bebouwing en verharding: zon op land kan - onder voorwaarden - gerealiseerd worden wanneer er sprake is van het saneren/slopen van recreatieterreinen en agrarische bebouwing. - Trede 3: Zon op land: onder stringente voorwaarden (zie hoofdstuk 4) mogelijk op een beperkt aantal plekken mits er sprake is van maatschappelijk en landschappelijke meerwaarde. In onderstaande figuur is de Nunspeetse zonneladder weergegeven:

NUNSPEETSE ZONNELADDER: Trede:

Omschrijving inhoud:

Trede 3: Zon op land

Alleen met maatschappelijke en landschappellijke meerwaarde; max. 2 ha netto en onder strikte voorwaarden.

Beleidskader

Beleidskader Zonneenergie gemeente Nunspeet

Trede 2: Saneren bestaande bebouwing en verhardingen

Zon op land op voormalige recreatieterreinen en agrarisch bouwblok.

Trede 1: Zon op dak

Zon op dak: (recreatie)woningen Zon op dak: bedrijfsdaken Zon op dak: agrarische bebouwing

Vigerende gemeentelijke bestemmingsplannen.

Vertrekpunt: Uitzonderingsgebieden: geen opwek

Niet mogelijk in gebieden met een hoge natuur- of agrarische waarde.

Vigerende wet- en regelgeving: rijk, provincie en gemeente.

2 2 Ha netto: wil zeggen exclusief de ruimte die benodigd is voor de (landschappelijk) inpassing.

6

Beleidskader zonne-energie | Gemeente Nunspeet

De filosofie achter de zonneladder is dat meer geschikte locaties (als daken), laagwaardige locaties met minder impact en/of een hogere opbrengst voor gaan op het plaatsen van zon op land, omdat dit een groot ruimtebeslag heeft op schaarse agrarische grond.

3.2 Toelichting tredes Onderstaande worden de treden nog kort nader toegelicht: Trede 1: Zon op dak Wij zetten maximaal in op het stimuleren van de benutting van alle geschikte dakvlakken voor zonne-energie, zowel op woningen als op bedrijfsdaken. Zon op woningen Het gebruik van alle geschikte daken op woningen stimuleren. De gemeente ondersteunt woningeigenaren hierbij door het verstrekken van duurzaamheidsleningen (voor de aanschaf van bijv. een zonpv installatie) en het verstrekken van informatie via het gemeente energieloket. Zon op bedrijfsdaken Het stimuleringsbeleid voor bedrijven houdt onder andere in dat parkmanagement of het vormen van energy service companies (onderhoudsbedrijven die dit regelen voor de bedrijven op een bedrijventerrein) door de gemeente wordt ondersteund, zodat collectieve projecten gerealiseerd kunnen worden en bedrijven waar mogelijk ontzorgd worden. Dit doen we onder andere op de bedrijventerreinen De Kolk en Feithenhof in Nunspeet. Zon op agrarische daken (in het buitengebied) Wij stimuleren de plaatsing van zonnepanelen op grote (agrarische) daken. Het plaatsen van zonnepanelen kan een meekoppelkans bieden om asbestdaken te saneren. De gemeente ondersteunt dit actief door het bieden van een revolverend fonds. Zon op recreatiewoningen en -gebouwen In de gemeente Nunspeet zijn veel recreatiebedrijven gevestigd.

Ook bij deze bedrijven stimuleren we de toepassing van zonne-energie op daken. Dit doen we als onderdeel van het programma Vitale Vakantieparken. Trede 2: Saneren bestaande bebouwing en verharding De ontwikkeling van zonne-energie is een kans voor het saneren van laagwaardige recreatieterreinen en het stopzetten van agrarische bedrijven. Saneren laagwaardige recreatiebedrijven Om laagwaardige, verrommelde recreatieterreinen te kunnen saneren, kan tijdelijk gebruik (maximaal 25 jaar) van deze terreinen voor de opwekking van zonne-energie, een optie zijn. Alle randvoorwaarden als uitgewerkt in hoofdstuk 4 zijn van toepassing m.u.v. de criteria 4 en 12. Beëindiging van agrarische bedrijven De verwachting is dat een aantal agrarische bedrijven in de gemeente Nunspeet de komende jaren gaat stoppen dan wel (vrijwillig) zal worden uitgekocht door de overheid om de stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied Veluwe te verminderen. Na de sloop van de bedrijfsgebouwen kan de plaatsing van zonnepanelen binnen het voormalige agrarische bouwblok een optie zijn. Alle randvoorwaarden als uitgewerkt in hoofdstuk 4 zijn van toepassing m.u.v. de criteria 4 en 12. Trede 3: Zon op land (in het buitengebied) De gemeente wil slechts ruimte bieden voor kleinschalige, landschappelijk goed ingepaste zonnevelden in het agrarische buitengebied (binnen agrarische bestemmingen).

Hiervoor zijn de kaders uitgewerkt in hoofdstuk 4. 7

Beleidskader zonne-energie | Gemeente Nunspeet

4. Randvoorwaarden zon op land De randvoorwaarden voor planologische medewerking zijn opgedeeld in 20 randvoorwaarden met betrekking tot ruimte & landschap, eigenaarschap & participatie, communicatie en uitvoering.

4.1 Ruimte & Landschap Zonneweiden zijn van invloed op de ruimtelijke kwaliteit en het landschap, daarom worden de volgende randvoorwaarden gesteld ten aanzien van de inpassing. 1. Buiten de Natura 2000-gebieden Veluwe en Veluwerandmeren en het Gelders Natuurnetwerk (ecologische hoofdstructuur), zoals begrensd in de Omgevingsverordening Gelderland. Buiten de gebieden die bestemming Natuur-Landschap hebben in het bestemmingsplan Buitengebied 2018. 2. Buiten de, vanwege cultuurhistorische, archeologische en landschappelijke waarden, beschermde essen en enken (de gebieden met de dubbelbestemming “Waarde: oude bouwlanden” in het vigerende bestemmingsplan Buitengebied 2018). Als deze waarden op een bepaalde locatie niet meer aanwezig zijn, kan een uitzondering worden gemaakt. De regionale archeoloog en de gemeentelijke landschapsadviseur zullen het gemeentebestuur hierover adviseren. 3. Buiten het belangrijkste beschermde weidevogelgebied van Nunspeet (het gebied globaal begrensd door het Hoge Bijsselse pad, de Kolmansweg, de gemeentegrens met Elburg en het Veluwerandmeer). Naast de waarde als weidevogelgebied heeft dit gebied ook cultuurhistorische (middeleeuwse verkaveling) en landschappelijke waarde (openheid).

Voor dit gebied kan in de Gelderse ZonneWIJzer aansluiting gevonden worden bij het gebied Veluwe en dan meer specifiek bij het gebied Agrarische enclaves3 (Koloniën in Elspeet) en het gebied Veluwerand (strook rondom de Zuiderzeestraatweg). In de Gelderse ZonneWIJzer worden voor deze gebieden diverse bouwstenen aangegeven om landschappelijke inpassing van zonnevelden mogelijk te maken met koppelkansen voor: agrarisch medegebruik, recreatief medegebruik, waterberging, productie van biomassa en het creëren van ecologische meerwaarde. 4. Maximale oppervlakte: 2 hectare (20.000 m 2) per zonneveld4. Deze oppervlakte is netto (exclusief de landschappelijke inpassing). Hierbij is het niet toegestaan een groter aanééngesloten zonneveld aan te vragen; via meerdere vergunningaanvragen. Ook is het niet toegestaan om direct aansluitend aan een reeds bestaand zonneveld(initiatief) een nieuw zonneveld aan te vragen. 5. Een initiatiefnemer moet bij de aanvraag een inrichtingsplan opstellen, bij het opstellen van het inrichtingsplan moet een erkende landschapsarchitect betrokken worden. Voor inspiratie kan daarnaast worden geput uit de Gelderse zonnewijzer (provincie Gelderland, 2019), de Erfgoedatlas Nunspeet (gemeente Nunspeet, 2015) en bijlage 6 van het bestemmingsplan buitengebied.

3 Echter vallen de oude enkgronden en de Rug van Wessingen buiten de Veluwerand-optie vanwege hun

grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde! 4 Zonnevelden tot een oppervlakte van circa 2 hectare kunnen in de regel op het bestaande electriciteitsnetwerk (middenspanningsnet) worden aangesloten. Voor grotere zonneparken is de aanleg van nieuwe stroomkabels naar het Liander-onderstation bij Nunspeet (of het 10 kV station Uddelermeer) nodig, waardoor ook de schaalgrootte fors groter moet (> 5 ha) om een haalbare businesscase te bereiken.

8

Beleidskader zonne-energie | Gemeente Nunspeet

6. De landschappelijke inpassing dient zodanig robuust te zijn dat de inpassing vanaf het moment van ingebruikname van het zonneveld goed is, deze strook bestaande uit struweel moet minimaal 8 meter breed zijn. Hierbij is het van belang dat het zonneveld jaarrond goed is ingepast. 7. Ter versterking van de biodiversiteit moet een zoom van minimaal 2 meter breed (maar bij voorkeur 5 meter), buiten de afrastering, rondom het zonneveld, wordt ingericht als bloemrijk grasland (lokale, inheemse soorten), mede ten behoeve van vlinders en andere insecten. 8. Behoud van het bodemleven vinden wij belangrijk. Daarom wordt op het gehele zonneveld actief bodem- en beplantingsbeheer toegepast zodat de biodiversiteit maximaal bevorderd dan wel in standgehouden wordt, en de bodem zoveel mogelijk geschikt blijft voor agrarisch gebruik, na afloop van het gebruik als zonneveld (zie ook de conclusies en aanbevelingen uit het CLM-rapport “Zonneparken in agrarisch gebied: effecten op de bodemkwaliteit”, 2018).

Schematische weergave landschappelijke inpassing en minimale maatvoering Min. totale breedte = 10 m

Struweel Zoom 2–5m

1m

H e k

Zonneveld

1m

6-9m Kruidenrijke zoomvegetatie om biodiversiteit te versterken

Zonneveld: omvang max 2 ha netto voor de Zon PV installatie + de eventuele benodigde extra ruimte voor een actief bodem en beplantingsbeheer. Zie voor verder richtlijnen en inspiratie de Gelderse zonnewijzer en Gedragscode Holland Solar.

Robuust struweel dat jaarrond zorgt voor een goede inpassing

Afbeelding 3: Schematische weergave landschappelijke inpassing

9. Overlast voor omwonenden door schittering moet worden voorkomen. Wanneer omwonenden (directe buren) hierom vragen dient door middel van onderzoek onderbouwd te worden dat er geen sprake is van hinderlijke schittering.

4.2 Eigenaarschap & participatie Een goede lusten- en lastenverdeling is belangrijk aandachtspunt bij duurzame energieprojecten. Om dat te bereiken worden aan zonneweiden randvoorwaarden gesteld met betrekking tot eigenaarschap en participatie. 10. Wij verwachten van een initiatiefnemer van een zonneveld in de gemeente Nunspeet dat hij zijn eigen bestaande geschikte dakvlakken (woning, bedrijfsgebouwen) ook maximaal benut voor zonne-energie (indien van toepassing). 11. Aantoonbaar lokaal eigenaarschap van tenminste 50% is een vereiste (in lijn met de ambities van het klimaatakkoord).

9

Beleidskader zonne-energie | Gemeente Nunspeet

12. De inwoners van de gemeente Nunspeet moeten de mogelijkheid geboden om te participeren in het zonneveld (voor minimaal 20% van de totale waarde van het zonneveld). 13. Initiatiefnemer zal zich inspannen om, waar mogelijk, lokale bedrijven te betrekken bij de realisatie en het beheer en onderhoud van het zonneveld.

4.3 Communicatie Zonneweiden zijn van invloed op de leefomgeving van derden. Een goede communicatie tussen initiatiefnemer en zijn omgeving is daarom van belang voor het succesvol doorlopen van een ruimtelijke procedure. 14. Voorwaarde voor medewerking: Onderdeel van het afsprakenkader is dat initiatiefnemer zelf zorgt voor een bevordering van het draagvlak voor zijn plannen door zijn omgeving actief bij het plan te betrekken. Dit vindt plaats in de fase tussen de ambtelijke vooroverleg en de daadwerkelijke aanvraag. 15. Straal van betrokkenen: wie er bij de communicatie over een plan geïnformeerd moet worden hangt van de situatie af. Als stelregel hanteren we dat minimaal alle direct omwonenden in een straal van 200 meter rond de potentiele locatie geïnformeerd moeten worden. 16. Wijze van communicatie: er bestaan verschillende mogelijkheden om de communicatie in te richten. Voorwaarde is wel dat er tweerichtingsverkeer mogelijk is. Alleen schriftelijk informeren is dus niet voldoende. Afhankelijk van het plan, de impact en het aantal betrokkenen kan er bijvoorbeeld voor worden gekozen om een inloopavond te organiseren, maar ook om één op één gesprekken te voeren aan de keukentafel. 17. Communicatieverslag: wij verlangen van initiatiefnemer een communicatieverslag.

Hieruit moet tenminste blijken welke omwonenden benaderd zijn en op welke wijze de communicatie heeft plaatsgevonden. Ook moet door de verslaggever aantoonbaar de gelegenheid zijn geboden op het plan te reageren. Het verslag moet uiteraard aangevuld worden met de ontvangen reacties. 18. Geen instemmingsverplichting: een verplichte communicatie met de omgeving betekent niet dat een plan uitsluitend kan doorgaan als de omgeving instemt. Het kan altijd zo zijn dat de belangen van de initiatiefnemer en één of meer omwonenden niet op één lijn komen te liggen. Het is dan aan ons als gemeente om een belangenafweging te maken. NB. Het is dus ook niet zo dat wij een schriftelijk akkoord van omwonenden gaan vragen als indieningseis.

4.4 Uitvoering Aan de voorbereiding van een de realisaties van een zonneveld en de sanering, na exploitatie, stellen wij de volgende voorwaarden: 19. De regionale netbeheerder (Liander NV) heeft een verklaring afgegeven dat er voldoende capaciteit op het elektriciteitsnetwerk beschikbaar is, of tijdig wordt gerealiseerd, om het zonnepark aan te sluiten, voordat het college de omgevingsvergunning verleent.

10

Beleidskader zonne-energie | Gemeente Nunspeet

20. De initiatiefnemer is bereid om in een anterieure overeenkomst vast te leggen dat maximaal 25 jaar na ingebruikname, de installaties (panelen, afrasteringen, omvormers) en eventuele verhardingen desgewenst worden verwijderd op kosten van de initiatiefnemer. De installaties dienen in ieder geval binnen 3 maanden na de datum van buitendienststelling van het zonneveld verwijderd te zijn op kosten van de initiatiefnemer. In de anterieure overeenkomst moet of een ketting bedding of een kwalitatieve verplichting worden opgenomen, dat de verplichtingen tot verwijdering van de installaties en eventuele verhardingen worden doorgezet naar de opvolgende eigenaren.

11

Beleidskader zonne-energie | Gemeente Nunspeet

5. Procedure Ingediende initiatiefplannen worden beoordeeld waarna een vervolgproces wordt doorlopen, tevens zal voorliggend beleidskader geëvalueerd worden.

5.1 Procedure De verwachting is dat na vaststelling van voorliggend beleidskader initiatiefnemers zich zullen melden bij de gemeente. In deze paragraaf wordt toegelicht hoe met deze initiatiefplannen wordt omgegaan. Wij voorzien in ieder geval de volgende stappen: A. Een initiatiefnemer meldt zich bij de gemeente met een plan. Er volgt een ambtelijke ‘vooroverleg’, waarin het project kan worden toegelicht en waarin duidelijk de spelregels en randvoorwaarden vanuit de gemeente worden uitgelegd. B. Na het vooroverleg werkt de initiatiefnemer het plan verder uit tot een initiatiefplan en betrekt de omgeving daarbij conform de notitie omgevingsdialoog en de uitgangspunten zoals uitgewerkt in hoofdstuk 4. Daarna dient de initiatiefnemer een verzoek in. Dit verzoek wordt met een ambtelijk advies aan het college voorgelegd. C. Bij een positief besluit door het college ontvangt de initiatiefnemer een brief van de gemeente Nunspeet met daarin een afsprakenkader. Hierin worden de afspraken over de inpassing, eigenaarschap, participatie, communicatie, procedure en uitvoering vastgelegd. Onderdeel van het afsprakenkader is dat initiatiefnemer zelf zorgt voor een bevordering van het draagvlak voor zijn plannen door zijn omgeving actief bij het plan te betrekken. De gemeente heeft hierbij een inspanningsverplichting.

Opgemerkt wordt dat deze overeenkomst geenszins rechten geeft aan een initiatiefnemer of de gemeente verplicht tot het verlenen van een vergunning, dit mandaat ligt bij de gemeenteraad. D. Tenslotte kan een vergunningsaanvraag worden ingediend. De initiatiefnemer volgt dan de reguliere procedure om omgevingsvergunning op te vragen, mits de aanvraag past binnen het vigerende bestemmingsplan. Zodra de aanvraag is ontvangen wordt de formele procedure doorlopen.

5.2 Evaluatiemoment De werking van dit beleidskader zal 2 jaar na de vaststelling ervan (in juni 2022) door de gemeenteraad worden geëvalueerd, dan wel op het moment dat de gezamenlijke oppervlakte van vergunde zonnevelden in de gemeente Nunspeet de 50 hectare heeft bereikt.

12

bestemmingsplan De Kijktuinen

Bijlage 2 Parkeernota van de gemeente Nunspeet (2014)

19

BIJ.04129 *BIJ.04129*

Parkeernota

Een weergave van de te hanteren beleidsuitgangspunten en daaruit voortvloeiende parkeernormen in de gemeenten Elburg, Hattem, Nunspeet en Oldebroek

Versie 21 juli 2014

-2-

-3-

Inhoud

Blz.

Samenvatting .............................................................................................................................. - 4 Begrippenlijst .............................................................................................................................. - 5 1.1 Aanleiding .......................................................................................................................... - 6 1.2 Doel .................................................................................................................................... - 7 1.3 Maatwerk…………………………………………………………………………………………….-72 Parkeernormen ........................................................................................................................ - 8 2.1 Landelijke richtlijnen en stedelijkheidszone ....................................................................... - 8 2.3 Parkeernormen wonen....................................................................................................... - 9 2.4 Parkeernormen voor functies anders dan wonen ............................................................ - 10 2.5 Dubbelgebruik parkeerplaatsen ....................................................................................... - 11 2.6 Halen en brengen bij scholen ..........................................................................................

- 11 2.7 Fietsparkeervoorzieningen .............................................................................................. - 11 3 Parkeerfonds .......................................................................................................................... - 13 3.1 Parkeerfonds .................................................................................................................... - 13 3.2 Juridisch kader ................................................................................................................. - 13 3.3 Beoordeling en verlening omgevingsvergunning in afwijking van de gemeentelijke parkeereis .............................................................................................................................. - 13 3.4 Berekeningswijze hoogte storting .................................................................................... - 14 3.5 Tarief per parkeerplaats ................................................................................................... - 15 3.6 Besteden gelden parkeerfonds ........................................................................................ - 15 4 Overige parkeeraspecten .....................................................................................................

- 16 4.1 Parkeerregulering ............................................................................................................ - 16 4.2 Parkeren op de rijbaan..................................................................................................... - 16 4.3 Vrachtwagenparkeren ...................................................................................................... - 16 4.4 Parkeren elektrische voertuigen ...................................................................................... - 16 4.5 Parkeren gehandicapten .................................................................................................. - 17 4.6 Parkeerregulering in woonwijken ..................................................................................... - 18 -

Bijlage 1a – Parkeernormen voor de verschillende functies (per 100 m² bvo*, tenzij anders vermeld) ...................................................................................................................................... - 19 Bijlage 1b – Fietsparkeernormen voor de verschillende functies (per 100 m² bvo, tenzij anders vermeld) ...................................................................................................................................... - 23 Bijlage 1c – Overzicht berekeningsaantallen parkeervoorzieningen bij woningen .................... - 24 Bijlage 2 – Onderbouwing parkeernorm ..................................................................................... - 25 Bijlage 3 – Rekenmethode voor halen en brengen bij basisscholen en kinderdagverblijven .... - 26 Bijlage 4 – Werkwijze berekening parkeerbehoefte (gedeeltelijke) nieuwbouw en herbestemming 27 Bijlage 5 – Kostenonderbouwing aanleg parkeervoorziening prijspeil 2013 (bedragen zijn exclusief btw) ............................................................................................................................................. - 30 Bijlage 6 Beleidsregel Laadpalen Elektrisch vervoer (ter illustratie) .......................................... - 32 -

-4-

Samenvatting Hoofddoel 1 De gemeenten voeren een parkeerbeleid dat (afgezien van pieken in de vraag) op acceptabele loopafstand voldoende parkeercapaciteit genereert. Beleidsuitgangspunten 2 De gemeenten hanteren een vaste parkeernorm voor alle functies binnen de bebouwde kom. Deze norm komt overeen met de maximale norm van “schil centrum” uit publicatie 317 van de CROW. 3

De gemeenten maken geen onderscheid in geografische ligging: centrum, schil en rest bebouwde kom.

4

Bij het toetsen van parkeernormen voor woningen moeten de berekeningsnormen worden gebruikt, waarbij er per woning ten minste 0,3 parkeerplaats voor bezoekers in de openbare ruimte of openbaar toegankelijk moet zijn, bij voorkeur binnen 100 m loopafstand.

5

Garages zonder oprit of oprit waarop geen ruimte is om de auto te parkeren, worden in de parkeernorm niet meegeteld.

6

Parkeergelegenheid vindt zo veel mogelijk op eigen terrein plaats.

7

De onderlinge uitwisselbaarheid (het dubbelgebruik) wordt door een parkeeronderzoek (uitgevoerd door een onafhankelijke deskundige) bepaald. Het parkeeronderzoek wordt betaald door de aanvrager.

8

Bij de herinrichting van de openbare ruimte wordt rekening gehouden met de aanwezigheid van voldoende fietsparkeervoorzieningen. Toetsing vindt plaats aan de hand van tellingen en van de kencijfers in bijlage1b.

9

Een parkeerfonds is een goed instrument dat ruimte biedt om mee te werken aan initiatieven die op eigen terrein onvoldoende parkeerplaatsen kunnen realiseren.

10 De gemeenten streven bij herinrichtingen en nieuwbouw naar een indeling in parkeervakken om zodoende de herkenbaarheid te verbeteren. 11 De gemeenten reserveren in ruimtelijke plannen parkeermogelijkheden voor gehandicapten. Het initiatief daartoe wordt genomen door de vergunningplichtige.

-5-

Begrippenlijst Acceptabele loopafstand Als maat voor situering van de parkeerplaatsen ten opzichte van de functies kan de acceptabele loopafstand tussen parkeerplaats en het bestemmingsadres dienen. De acceptatie van die loopafstand hangt af van de parkeerduur en van het motief van het bezoek aan het bestemmingsadres. De acceptatie van loopafstanden vertoont marges. (publicatie 317, CROW, tabel 22; ASVV 2004 figuur 8.6/3). Activiteit Evenement ASVV Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom. Bezettingsgraad Door het aantal geparkeerde voertuigen te delen op de parkeercapaciteit wordt de bezettingsgraad berekend. De bezettingsgraad is een indicator voor de beschikbaarheid van de parkeervoorzieningen. Bvo De vloeroppervlakte van de ruimte, dan wel van meerdere ruimten van een vastgoedobject gemeten (volgens NEN 2580) op vloerniveau langs de buitenomtrek van de (buitenste) opgaande scheidingsconstructie, die de desbetreffende ruimte(n) omhullen. CROW Nationaal kenniscentrum voor infrastructuur, verkeer en openbare ruimte. Drukste structurele parkeerbehoefte De periodiek terugkerende parkeerbehoefte op de drukste momenten. Dubbelgebruik parkeerplaatsen Onderlinge uitwisselbaarheid parkeerplaatsen indien meerdere functies hiervan op verschillende tijdstippen gebruik maken. Functie Gebruik. Functiewijziging Wijziging van het gebruik.

Parkeerbalans Berekenen (on)balans tussen parkeervraag en parkeeraanbod binnen een bepaald gebied. Parkeernorm Dit cijfer geeft weer hoeveel parkeerplaatsen geëist worden bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling

-6-

1 Inleiding 1.1 Aanleiding Op dit moment wordt in nieuwbouwsituaties, na functiewijzigingen en na verbouwingen getoetst aan het parkeerartikel 2.5.30 in de bouwverordening. Op termijn (wanneer is nu nog niet duidelijk) is dat niet meer mogelijk maar zal het parkeren in bestemmingsplannen geregeld moeten worden. Het opnemen van alle concrete parkeernormen, zoals benoemd in bijlage 1 van deze nota, in alle bestemmingsplannen zou ertoe leiden dat alle bestemmingsplannen moeten worden gewijzigd wanneer de parkeernormen worden geactualiseerd. Dat is niet efficiënt. Het is voldoende in de bestemmingsplannen de algemene bepaling op te nemen dat binnen het plan voldaan moet worden aan de parkeernormen, zoals vastgelegd in de door de raad vastgestelde vigerende parkeernota. Dit ter aanvulling op het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoerplan (GVVP), dat het verkeers- en parkeerbeleid op strategisch niveau behandelt. Bepalend voor de te hanteren parkeernormen is het moment waarop de voorgeschreven openbare procedure wordt opgestart. Bijvoorbeeld het moment van eerste publicatie. Omdat dat voor het bestemmingsplan als geheel anders is dan voor latere wijzigingen, kan dat ertoe leiden dat bij op verschillende tijdstippen vastgestelde plannen, en wijzigingen daarop, verschillende parkeernormen van kracht zijn.

De in deze nota opgenomen fietsparkeernormen beogen een bijdrage te leveren aan een fietssysteem dat voor lokale verplaatsingen een aantrekkelijk alternatief is voor autoverplaatsingen. Desondanks is deze nota niet het geëigende instrument om invulling te geven aan het streven naar minder (auto)mobiliteit. Ook al zijn de parkeernormen in deze nota ca. 10 % lager dan de maximum parkeernormen met een vergelijkbare stedelijkheidsgraad. De bedoeling van deze nota is te voorzien in de parkeercapaciteit die hoort bij een gegeven (auto)mobiliteit. Rijksbeleid Door de sterke groei van het autobezit, is de auto in het dagelijks straatbeeld steeds dominanter aanwezig. De toename van deze fysieke aanwezigheid resulteert onder andere in een toenemende vraag naar parkeergelegenheid. Deze landelijke trend doet zich ook voor in Elburg, Nunspeet en Oldebroek. Omdat de in het verleden bebouwde gebieden niet allemaal op deze toename van het autobezit zijn ontworpen, leidt dit op verschillende plaatsen tot capaciteitsproblemen. Hierdoor hebben bewoners niet altijd de ruimte om hun voertuig op redelijke afstand van de te bezoeken locatie te parkeren wat leidt tot illegaal parkeren en frustratie. Daarnaast geeft het rijksbeleid in de rijksnota’s Mobiliteit en Ruimte een prikkel tot aanpassing van het gemeentelijk beleid.

De nota Mobiliteit lijkt de sturing van de mobiliteit door de rijksoverheid geheel achterwege te willen laten. Burgers en bedrijven zijn zelf verantwoordelijk voor hun mobiliteitsgedrag en het maakt daarbij niet uit of zij gebruikmaken van de auto, de fiets of het openbaar vervoer. De overheid krijgt de taak de mobiliteitsvraag te faciliteren. Er wordt wel naar gestreefd de gebruiker te verleiden een keuze te maken voor een in een bepaalde situatie meest gewenste vervoersmiddel, zodat de leefbaarheid en de bereikbaarheid gegarandeerd blijven. De behoefte aan verplaatsen is het gevolg van de combinatie van de ruimtelijke spreiding van activiteiten. De persoonsgebonden behoefte aan en/of noodzaak tot bepaalde activiteiten en de persoonlijke vervoerwijzekeuze. Minder (auto)mobiliteit is dus het gevolg van goed doordachte maatregelen op het vlak van de ruimtelijke ordening en het doordacht inspelen op menselijke behoeften. De kern van de nota Ruimte is het toepassen van efficiëntere manieren om met de ruimte om te gaan. Daarbij wordt gesteld: centraal regelen wat moet, decentraal wat kan. De belangrijkste wijzigingen zijn: - Vervallen van het ABC-locatiebeleid: woningen, bedrijven en voorzieningen worden niet langer gescheiden maar met elkaar gemengd.

- Vervoermanagement: bedrijven en instellingen worden meer gestimuleerd om hun verantwoordelijkheid te nemen ten aanzien van vervoer in relatie met ruimtelijk beleid, milieuzorg en energiebesparing.

-7-

-

Prijsbeleid: minder betalen voor bezit, meer betalen voor het gebruik van de auto. Stimulering gedeeld autogebruik bij inwoners en werknemers.

1.2 Doel Het doel is dat er in nieuwbouwsituaties, na functiewijzigingen en na verbouwingen op acceptabele loopafstand voldoende parkeercapaciteit is om te voorzien in de drukste structurele parkeerbehoefte. De in hoofdstuk 2 en bijlage 1 beschreven parkeernormen (inclusief fietsparkeernormen) fungeren als toetskader bij nieuwbouw, verbouw en functiewijzigingen. Voor bestaande situaties kunnen geen rechten of verplichtingen worden ontleend. Hoofdstuk 3 beschrijft het parkeerfonds. Hoofdstuk 4 gaat in op de overige parkeeraspecten. De gemeenten voeren een parkeerbeleid dat (afgezien van pieken in de vraag) op acceptabele loopafstand voldoende parkeercapaciteit genereert.

1.3 Maatwerk Maatwerk gaat boven de genoemde parkeernormen uit bijlage 1a. Er is de nodige zorg over het ontbreken van maatwerk in deze parkeernota. Maatwerk kan echter op meerdere wijzen worden geboden. Eigen specifiek onderzoek gaat boven de normen. In paragraaf 2.5 wordt bijvoorbeeld ingegaan op dubbelgebruik. Wanneer parkeerplaatsen onderling kunnen worden uitgewisseld (wanneer minimaal twee functies gebruik kunnen maken van dezelfde parkeerplaatsen). Dit houdt dan in dat minder parkeerplaatsen nodig zijn dan in het geval dat er een functie wordt toegevoegd. Om de openbare ruimte beter te benutten wordt gebruik gemaakt van aanwezigheidspercentages. Wanneer meerdere functies van dezelfde parkeerplaatsen gebruik maken dan kan het totale aantal parkeerplaatsen lager zijn dan de som van de parkeerplaatsen die bij elke functie apart horen. Daarnaast kan op grond van de bouwverordening door bijzondere omstandigheden worden afgeweken van de gestelde parkeereis. Wanneer de aanvrager door middel van een privaatrechtelijke overeenkomst kan aantonen dat de parkeerplaatsen op een andere wijze kunnen worden gerealiseerd dan is dat eveneens een grond om het bouwplan door te laten gaan. Er zijn dus diverse mogelijkheden om in de parkeerbehoefte te kunnen voorzien. Maatwerk is mogelijk en hierin wordt meegedacht. Uitgangspunt is wel: het initiatief ligt bij de aanvrager.

De aanvrager dient aan te geven en te (laten) onderbouwen waarom een andere norm voor de uitbreiding/verandering geldt.

-8-

2 Parkeernormen 2.1 Landelijke richtlijnen en stedelijkheidszone Beschikt de aanvrager over gegevens (onafhankelijke praktijkwaarnemingen, onafhankelijk extern onderzoek door deskundig adviesbureau naar genoegen van de gemeente) waaruit een parkeernorm voor het desbetreffende bedrijf en/of het specifieke beoogde gebruik kan worden afgeleid? Zo ja, dan wordt die parkeernorm als uitgangspunt voor de berekening gehanteerd. Anders wordt voor het bepalen van de parkeernorm gebruikgemaakt van de cijfers van het CBS en de richtlijnen van CROW. Het betreft hier CROW-publicatie 317 (Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie. Deze kencijfers zijn ook verwerkt in de ASVV 2012. Deze richtlijnen zijn landelijk geaccepteerd en worden gezien als meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de benodigde parkeerplaatsen. Op basis hiervan wordt voorgesteld de parkeernorm voor woningen, bedrijven en voorzieningen te hanteren. De normen voor de functie wonen en de overige functies zijn gebaseerd op de landelijke kencijfers. Hierbij is rekening gehouden met de autonome ontwikkeling en autonome groei. In bijlage 1a wordt een overzicht gegeven. De CROW-systematiek heeft parkeernormdifferentiatie op basis van de stedelijkheidsgraad per gemeente, niet per kern. De gemeenten conformeren zich daaraan, en zullen dus niet per kern de stedelijkheidsgraad bepalen.

En dus komen de gemeenten ook niet met verschillende parkeernormen per kern. Er wordt voor geen enkele kern onderscheid gemaakt in geografische ligging: centrum, schil centrum en rest bebouwde kom. Voor alle kernen geldt, ongeacht de locatie binnen de kern, één norm zonder bandbreedte. De vastgestelde norm die het meest aansluit bij de gemeentelijke praktijk komt overeen met de maximale norm van “schil centrum”. In bijlage 2 wordt deze praktijkbehoefte nader onderbouwd. Beleidsuitgangspunt 2 De gemeenten hanteren één vaste parkeernorm voor alle functies binnen de bebouwde kom. Deze norm komt overeen met de maximale norm van “schil centrum” uit publicatie 317 van de CROW Beleidsuitgangspunt 3 De gemeenten maken geen onderscheid in geografische ligging: centrum, schil en rest bebouwde kom In publicatie 317 is een nieuwe categorie: ‘buitengebied’ toegevoegd. Voor nieuwbouw en functiewijzigingen buiten de bebouwde kom wordt de maximale norm buitengebied gehanteerd. Vanwege het beperkt voorkomen van de parkeertoets bij functies in het buitengebied wordt hiervoor verwezen naar publicatie 317 van het CROW. In principe vindt parkeren buiten de bebouwde kom op eigen terrein plaats. Ook de stedelijkheidsgraad (het aantal adressen per vierkante kilometer) speelt een rol bij de vraag naar parkeergelegenheid. De volgende vijf stedelijkheidsgraden worden onderscheiden: 1. niet stedelijk; 2.

weinig stedelijk; 3. matig stedelijk; 4. sterk stedelijk; 5. zeer sterk stedelijk. Volgens de cijfers van het CBS en de richtlijnen van de CROW vallen de gemeenten Elburg, Hattem, Nunspeet en Oldebroek onder de noemer ‘weinig stedelijk’. Door hiervoor te kiezen, wordt impliciet rekening gehouden met het aanbod aan openbaar vervoer, dat lager is dan in bijvoorbeeld (zeer) sterk stedelijke gemeenten. Deze nota is geen instrument om het openbaar vervoer te stimuleren.

-9-

2.3 Parkeernormen wonen De parkeernormen voor woningen geven de gelegenheid om te differentiëren per type woning, ingedeeld naar prijsklasse. Deze verdeling komt overeen met de categorieverdeling in de landelijke richtlijnen. De normen gelden bij nieuwbouw en functiewijziging. 1

2

Met de indeling in goedkoop , midden prijscategorieën bedoeld.

en duur

3

worden voor koop- en huurwoningen andere

Bij de totstandkoming van deze norm is rekening gehouden met bezoekers. Voor alle woningen uit bijlage 1a is binnen de parkeernorm 0,3 parkeerplaats voor bezoekers opgenomen. In verband met bezoekers moet deze 0,3 parkeerplaats per woning in de openbare ruimte beschikbaar zijn 4 dan wel openbaar toegankelijk . Dit hoeft niet noodzakelijk voor de woning te zijn maar binnen acceptabele loopafstand. Bij nieuwbouw moeten woningen in de dure klasse in alle gevallen voorzien zijn van parkeergelegenheid op eigen terrein.

Beleidsuitgangspunt 4 Bij het toetsen van parkeernormen voor woningen moeten de berekeningsnormen worden gebruikt, waarbij er per woning ten minste 0,3 parkeerplaats voor bezoekers in de openbare ruimte of openbaar toegankelijk moet zijn, bij voorkeur binnen 100 m loopafstand.

Een voorbeeld ter illustratie: men stelt bij een uitbreidingsplan een norm van 2,1. Er worden twee parkeervakken naast elkaar per woning als oprit aangebracht. In dat geval tellen de twee parkeervakken als 1,7 parkeerplaats (zie tabel 5.1) zodat er nog 0,4 parkeerplaats per woning in de openbare ruimte gezocht zal gaan worden (de norm is immers 2,1). Dit voldoet daarmee aan de wens om minimaal 0,3 parkeerplaats in de openbare ruimte aan te leggen. Parkeren op eigen terrein Bij het aanleggen van een parkeerplaats op eigen terrein bij een woning moet rekening worden gehouden met het gebruik van de parkeerplaats. Privéparkeerplaatsen worden over het dikwijls minder efficiënt gebruikt. Deze zijn over het algemeen niet uitwisselbaar met andere gebruikers. Het inrichten van de tuin als parkeerplaats is een mogelijkheid om zeker te zijn van een vrije parkeerplaats. Voor het gebruik van deze plaats is een inrit nodig. De aanleg van een inrit tot de tuin gaat meestal ten koste van het parkeren op straat, zodat bij het beoordelen van de vergunning de parkeerlast meegewogen moet worden. Dit geldt over het algemeen niet of minder buiten de bebouwde kom.

Het onttrekken van een openbare parkeerplaats voor bijvoorbeeld de aanleg een parkeerplaats in de tuin mag alleen als: - dit niet leidt tot een verhoging van de parkeerdruk in de straat; - het niet ten koste gaat van beeldbepalend groen; - het niet ten koste gaat van de bruikbaarheid en verkeersveiligheid van de weg (niet op gebiedsontsluitende wegen). De Algemene plaatselijke verordening (artikel 2:12 maken, veranderen uitweg) biedt hiervoor het wettelijke kader.

1

Koop: < € 170.000,-, huur: beneden aftoppingsgrens voor 1- en 2 persoonshuishoudens (in 2013: € 535,91/maand)." 2 Koop: € 170.000,- - € 250.000,- v.o.n.; huur: tussen aftoppingsgrens voor 1- en 2persoonshuishoudens (in 2013: € 535,91/maand) en huurtoeslaggrens (in 2013: € 681,02/maand)." 3 Koop: > € 250.000,- v.o.n.; huur: boven huurtoeslaggrens (in 2013: € 681,02/maand). 4 als art. 1, lid 1, sub b in de Wegenverkeerswet 1994

- 10 -

Uitritten kunnen tot problemen leiden als er aan die zijde ook wordt geparkeerd in de straat. Door het aanleggen van de benodigde uitritconstructie vervalt een uitwisselbare parkeerplek. Bovendien kunnen bewoners hun uitrit moeilijk bereiken of uitgaan als voertuigen tot aan de uitrit parkeren

Bij het toepassen van de normen uit bijlage 1a (parkeernormen voor de verschillende functies)moeten deze daarom verrekend worden met de berekeningsaantallen uit bijlage 1c (overzicht berekeningsaantallen parkeervoorzieningen bij woningen). Privéparkeerplaatsen bij de woning moeten bij voorkeur naast elkaar gesitueerd worden. Hierdoor wordt de beschikbare ruimte zo effectief mogelijk benut. Garages krijgen gaandeweg een andere legale functie dan het stallen van de auto, bijvoorbeeld zoals berging, woon- of hobbyruimte. Daarom worden garages bij de woning, zonder oprit of met een oprit waarop geen ruimte is om de auto te parkeren, niet als parkeerplaats beschouwd. Beleidsuitgangspunt 5 Garages zonder oprit of met een oprit waarop geen ruimte is om de auto te parkeren, worden in de parkeernorm niet meegeteld. De vormgeving van straten kan bewoners (en bezoekers) een belangrijke impuls geven om toch vooral op eigen erf te parkeren. Door parkeren in de straat niet toe te staan, kan bijvoorbeeld de loopafstand naar de parkeervoorziening worden vergroot waardoor de behoefte om op eigen terrein te parkeren toeneemt. Het stedenbouwkundig concept en besluiten zijn bepalend voor de verdeling en gebruik van de parkeerplaatsen op eigen erf en op openbaar gebied.

Om de kwaliteit van de openbare ruimte te verbeteren moet, met uitzondering van de directe omgeving rond verkeersaantrekkende voorzieningen, parkeergelegenheid zo veel mogelijk op eigen terrein plaatsvinden. Locatie parkeervoorzieningen Bewoners willen hun auto graag voor de deur parkeren. Wanneer zij de auto op meer dan 100 m van de woning moeten plaatsen, wordt dit vaak gezien als een lange loopafstand. Als iedereen zijn auto voor de deur zou willen parkeren dan creëren wij als gemeenschap echter een groot probleem. De benodigde ruimte hiervoor is ontoereikend. De acceptatie van een afstand wordt in de praktijk bepaald door de aantrekkelijkheid van de looproute, de inrichting van de parkeerplaats, concurrentiekracht van de alternatieven maar ook het vertrouwen in een veilige omgeving. Voor het openbaar vervoer wordt in de regel uitgegaan van een loopafstand van circa 500 m (circa 5 minuten lopen). Daarnaast is een van de eisen voor het afgeven van een gehandicaptenparkeerkaart dat de aanvrager minder dan 100 m zonder onderbreking kan lopen. Beleidsuitgangspunt 6 Parkeergelegenheid vindt zo veel mogelijk op eigen terrein plaats 2.4 Parkeernormen voor functies anders dan wonen Naast de normen voor woningen moeten ook normen vastgesteld worden voor de overige functies (bijlage 1a). Ook voor deze normen is de stedelijkheidsgraad bepalend voor de hoogte van de norm.

Hier geldt hetzelfde als voor de normen voor de functie wonen. Bij opmerkingen in bijlage 1 a, b en c wordt overige relevante informatie gegeven. In sommige gevallen komen functies/voorzieningen op een bepaalde plek niet of nauwelijks voor. Achtereenvolgens komen aan bod: werken, winkelen en boodschappen, sport, cultuur en ontspanning, horeca en (verblijfs)recreatie, gezondheidszorg en (sociale) voorzieningen, onderwijs.

- 11 -

2.5 Dubbelgebruik parkeerplaatsen Bij het maken van herinrichting-, nieuwbouw- en (her)ontwikkelingsplannen komt ook de onderlinge uitwisselbaarheid (dubbelgebruik) van parkeerplaatsen aan de orde. Hierbij gaat het om de mate waarin een parkeervoorziening afwisselend door bewoners of hun bezoekers of werknemers of de bezoekers van kantoren, bedrijven, winkels en andere commerciële voorzieningen kunnen worden gebruikt. Uitwisselbaarheid van parkeerplaatsen zorgt er voor dat de openbare ruimte efficiënt wordt benut. Om deze benutting te bepalen, wordt gebruikgemaakt van aanwezigheidspercentages. Deze percentages worden gebruikt wanneer minimaal twee functies gebruik kunnen maken van dezelfde parkeervoorzieningen. Met een parkeerbalans wordt onderzocht of een gecombineerd gebruik van parkeerplaatsen mogelijk is. Vaak blijkt dat het niet noodzakelijk is om in een gebied de som van de vraag naar parkeerplaatsen van de afzonderlijke functies aan te leggen, doch slechts een deel ervan. De mogelijkheid tot gecombineerd gebruik binnen een gebied hangt af van de mate van openbaarheid en de locatie van de parkeervoorzieningen en de loopafstanden naar de bestemming. De opgenomen parkeernormen en aanwezigheidspercentages geven indicatief de omvang aan van het benodigd aantal parkeerplaatsen. Elke functie en elk gebied heeft zijn eigen karakter en omstandigheden.

De gebruiker moet zich daarom vooraf goed inleven in de kenmerken van de functies en het gebied voordat hij de normen en aanwezigheidspercentages toepast. Parkeeronderzoek kan nauwkeuriger inzicht geven in lokale omstandigheden en in de te hanteren kencijfers. Beleidsuitgangspunt 7 De onderlinge uitwisselbaarheid (het dubbelgebruik) wordt door een parkeeronderzoek (uitgevoerd door een onafhankelijke deskundige) bepaald. Het parkeeronderzoek wordt betaald door de aanvrager. 2.6 Halen en brengen bij scholen Bij het halen en brengen van kinderen wordt veelal gebruik gemaakt van de auto. Door de ligging van de scholen in combinatie met een grote drukte tijdens het aan- en uitgaan van de scholen ontstaan dikwijls opstoppingen in de omliggende straten waardoor de verkeersveiligheid afneemt. Vanuit dit oogpunt verdient het, niet altijd geoorloofde, parkeren bij basisscholen en kinderdagverblijven/crèches bijzondere aandacht. Door een combinatie van dubbelgebruik van parkeerplaatsen van bewoners, handhaving, voorlichting en het stimuleren van fietsgebruik, kan het parkeerprobleem op de piekmomenten worden teruggedrongen. Het aantal aan te leggen parkeerplaatsen is afhankelijk van het type en grootte van de school. In bijlage 3 wordt voor het halen en brengen een rekenmethode weergegeven.

2.7 Fietsparkeervoorzieningen Om het verhaal over parkeernormen compleet fietsparkeerkencijfers toegevoegd (bijlage 1b).

te

maken,

is

deze

paragraaf

met

Voor afstanden tot 7,5 kilometer is de fiets een uitstekend alternatief voor de auto. Met de in opkomst zijnde E-bike zijn afstanden tot 12,5 km, met name voor woon-werkverkeer, goed te fietsen. Voldoende en goede fietsparkeervoorzieningen kunnen leiden tot minder autogebruik en dus tot een geringere behoefte aan parkeerplaatsen voor auto’s. Deze redenering geldt in mindere mate voor woningen, omdat de eigen auto doorgaans in de directe woonomgeving geparkeerd zal worden. Het gewenste aantal fietsparkeervoorzieningen bij een kantoor, een winkel of openbare voorziening wordt bij voorkeur bepaald op basis van tellingen. Dat biedt de beste garantie dat het aanbod past bij de vraag. De fietsparkeerkencijfers zijn bedoeld voor ‘solitaire’ functies. Ze zijn dus niet geschikt voor gebieden met een grote menging van functies, zoals binnensteden. Het drukste moment in de week of in het jaar is maatgevend voor het kencijfer.

- 12 -

Standaard is een marge van plus twintig procent in de kencijfers verwerkt (uitgezonderd woningen). Deze extra parkeercapaciteit is gewenst, omdat fietsers de lege plekken ook moeten kunnen vinden (frictieleegstand). Daarnaast wordt zo enige flexibiliteit geboden om een kleine groei van het fietsgebruik te kunnen opvangen. Voor werklocaties wordt zo veel mogelijk onderscheid gemaakt tussen werknemers en bezoekers. De fietsparkeerplekken voor werknemers worden bij voorkeur inpandig gerealiseerd. Treinstations zijn niet opgenomen in de cijfers. Daar waar geen kencijfers bekend zijn, wordt door middel van tellingen of empirisch het aantal aan te leggen fietsparkeervoorzieningen bepaald. Beleidsuitgangspunt 8 Bij de herinrichting van de openbare ruimte wordt rekening gehouden met de aanwezigheid van voldoende fietsparkeervoorzieningen. Toetsing vindt plaats aan de hand van tellingen en van de kencijfers in bijlage1b.

- 13 -

3 Parkeerfonds

3.1 Parkeerfonds De afgelopen jaren is gebleken dat het bij diverse bouwplannen niet mogelijk is om op eigen terrein te voorzien in parkeerruimte volgens de gemeentelijke parkeernorm. In dit soort gevallen is er vaak geen aangrenzend terrein aanwezig waarop die ruimte kan worden gerealiseerd en ook de bestaande openbare parkeerruimte biedt in de regel geen soelaas voor de extra parkeerdruk. Dat betekent concreet dat in zo’n geval een omgevingsvergunning niet kan worden verleend en dat de realisatie van de door de gemeente gewenste functies op bepaalde locaties niet mogelijk is. Een parkeerfonds kan hier uitkomst bieden. In bepaalde omstandigheden kan dan door het college van burgemeester en wethouders in afwijking van de parkeereis een omgevingsvergunning worden verleend. Voorwaarde is dat de aanvrager van de omgevingsvergunning voor bouwen een financiële bijdrage stort in het parkeerfonds. De middelen in dit fonds worden vervolgens door de gemeente gebruikt voor de aanleg van openbare parkeerplaatsen. Op die manier kan het totale gemeentelijke parkeerareaal in evenwicht worden gehouden en blijft de bereikbaarheid en leefbaarheid binnen de gemeente gewaarborgd. Hieronder wordt eerst het juridisch kader van het parkeerfonds uiteengezet.

Vervolgens wordt aangegeven hoe de gemeentelijke parkeereis wordt vastgesteld en onder welke voorwaarden in afwijking van de parkeereis een omgevingsvergunning wordt verleend. Tot slot komen de hoogte van de parkeerbijdrage en de aanwending van de middelen uit het parkeerfonds aan de orde. 3.2 Juridisch kader Het vragen van een parkeerbijdrage vindt zijn juridische grondslag in de bouwverordening, het zogenoemde ‘parkeerartikel’ 2.5.30 vierde lid. Hierin staat dat het college in afwijking van het bepaalde in het eerste en derde lid van artikel 2.5.30 een omgevingsvergunning kan verlenen als de aanvrager een parkeerbijdrage stort in het gemeentelijk parkeerfonds. Als financiële voorwaarden worden gesteld, neemt de gemeente de verplichting van de aanleg van parkeerplaatsen over. De in afwijking van de parkeereis verleende omgevingsvergunning met financiële consequentie wordt verleend volgens een publiekrechtelijke regeling. De parkeerbijdrage moet op dezelfde wijze als de bouwleges door de aanvrager worden betaald. Er is geen sprake van een contract tussen partijen. In bijlage 1a zijn de parkeernormen opgenomen. In de volgende paragraaf wordt ingegaan op de voorwaarden waaronder vrijstelling van de parkeereis wordt verleend.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10813676/1