CConstaterende datNunspeet
Koppel je AI →
Document · PDF

AP 6c. St.t.i. Ruimtelijke onderbouwing Brinkersweg 2

Commissie Ruimte en Wonen 10 oktober 2022, gemeente NunspeetBij agendapunt: Afgifte verklaring van geen bedenkingen Brinkersweg 2/Dorpsstraat.7.126 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Ruimtelijke onderbouwing Brinkersweg 2, Nunspeet

Gemeente Nunspeet

Brinkersweg 2, Nunspeet Gegevens over het plan: Plannaam: Status: Datum: Projectnummer Buro SRO:

Brinkersweg 2, Nunspeet defintief juli 2021 24.10.18

Gegevens projectbetrokkenen: Opdrachtgever: Contactpersoon opdrachtgever: Betrokken gemeente: Behandelend ambtenaar:

Halbron Vastgoed Groep M. Kobussen (Ebbens Architecten) Nunspeet M. Proper

Gegevens Buro SRO: Projectleider Buro SRO: Bezoekadres vestiging Arnhem Telefoon: E-mail: Internet:

2

E. Mekelenkamp Sweerts de Landasstraat 50 6814 DG te Arnhem 026 – 35 23 125 arnhem@buro-sro.nl www.Buro-SRO.nl

Brinkersweg 2, Nunspeet

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 Hoofdstuk 2 2.1 2.2 Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 Hoofdstuk 5 5.1 5.2

Inleiding Aanleiding voor het initiatief Ligging plangebied Leeswijzer Het initiatief Huidige situatie Toekomstige situatie Beleidskader Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid Uitvoerbaarheid Milieu Water Ecologie Verkeer Cultuurhistorie en archeologie Economische uitvoerbaarheid Procedure Inspraak en overleg Van ontwerp naar vaststelling

5 5 5 5 6 6 7 10 10 11 12 15 15 18 20 21 21 22 23 23 23

Bijlagen bij de ruimtelijke onderbouwing

25

Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5

25 25 25 25 25

Bodemonderzoek Akoestisch onderzoek Watertoets Quickscan Flora en Fauna Parkeeradvies

Brinkersweg 2, Nunspeet

3

4

Brinkersweg 2, Nunspeet

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding voor het initiatief

Halbron Vastgoed Groep en Ebbens Architecten hebben het plan om aan de Brinkersweg in het centrum van Nunspeet een bestaand winkelpand te slopen en een nieuwe winkelruimte met daarboven drie appartementen te realiseren. Het initiatief is strijdig met het geldend bestemmingsplan. Via voorliggend document c.q. ruimtelijke onderbouwing, is gemotiveerd waarom medewerking wordt verleend en waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Brinkersweg in het centrum van Nunspeet. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.

Het plangebied (rode cirkel) en de omgeving (Openstreetmaps)

1.3

Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk is in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 is het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst op grond van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Tevens wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Tot slot gaat hoofdstuk 5 in op de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van overleg en zienswijzen zijn opgenomen.

Brinkersweg 2, Nunspeet

5

Hoofdstuk 2

Het initiatief

In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.

2.1

Huidige situatie

Het plangebied ligt op het achterterrein van het woon-/winkelpand op de hoek van de Dorpsstraat en de Brinkersweg in Nunspeet. De Brinkersweg is een zijstraat van de Dorpsstraat, de belangrijkste winkelstraat van het centrum van Nunspeet. De Brinkersweg is ook een uitloopstraat van het centrum er zijn veel verschillende functies gelegen zoals winkels, een kerk en woningen. In het gedeelte van de Brinkersweg rondom het plangebied zijn veel winkels aanwezig. In noordelijke richting verandert het karakter meer in dat van een woonstraat. Direct aansluitend aan de noordzijde van het plangebied loopt het Kerkpad, een pad dat dient ter ontsluiting van de achterkanten van de woningen aan de omliggende wegen (niet toegankelijk is voor auto's). Het bestaande woon-/winkelpand op het zuidelijk deel van de kavel is gericht op de Dorpsstraat en blijft gehandhaafd. Binnen het plangebied is een winkel voor textielreparatie ''Mode Schaar'' gevestigd. Het pand waarin deze winkel actief is bestaat uit één bouwlaag. Aan de zijde van de Brinkersweg is een overkapping gebouwd die dienst doet als entree van de winkel. Het overige deel van het plangebied bestaat voornamelijk uit aanbouwen en verharding. Aan de noordkant van het plangebied zorgt de combinatie van aanbouwen en klimop ervoor dat het plangebied een rommelige uitstraling heeft. De bouwkwaliteit van het pand is matig.

De bijgevoegde foto's geven een impressie van het plangebied.

Luchtfoto van het plangebied (bron: Omgevingsvisie Gelderland)

6

Brinkersweg 2, Nunspeet

Aanzicht op het plangebied vanaf de Brinkersweg (bron: google streetview)

2.2

Toekomstige situatie

Het plan is om een nieuw woon-/winkelpand te realiseren met een winkelruimte op de begane grond en 3 woningen (maisonettes) op de eerste en tweede verdieping. Om het gebouw te realiseren de bestaande winkelruimte en aanbouwen worden gesloopt. Het woon-/winkelpand Dorpsstraat 54 blijft gehandhaafd. Navolgende afbeeldingen tonen impressies van de toekomstige situatie van het plangebied. In het vervolg van deze paragraaf volgt een toelichting op deze impressies.

3D impressie van de toekomstige situatie met aan het nieuwe pand (bron: Ebbens Architecten)

Brinkersweg 2, Nunspeet

7

3D impressie van de voorkant van het nieuwe pand(bron: Ebbens Architecten)

Toekomstige inrichting plangebied van de begane grond (bron: Ebbens Architecten)

Het nieuwe gebouw is gericht op de Brinkersweg. Het pand sluit qua massa en hoogte (circa 11,5 meter) aan op de winkelpanden in de omgeving. De voorgevel komt wat dichter richting de Brinkersweg te liggen, en sluit qua rooilijn aan op de zijgevel van het bestaande pand Dorpsstraat 54. Hierdoor zorgt het initiatief voor een verlenging van de winkelplint aan deze zijde van de Brinkerweg. Aan de noordkant van het gebouw biedt een inpandige garage plaats aan drie parkeerplaatsen die door de toekomstige bewoners gebruikt kunnen worden.

8

Brinkersweg 2, Nunspeet

Boven de begane grond worden op de eerste en tweede verdieping in totaal drie appartementen gerealiseerd. De appartementen worden circa 100 m² groot, bestaande uit een benedenverdieping (circa 65 m²) en een bovenverdieping (circa 35 m²). De omvang van de appartementen zorgt ervoor dat deze toegankelijk worden voor meerdere doelgroepen (starters, maar ook gezinnen). De appartementen worden verder aan de achterzijde (oostkant) voorzien van een terras. Aan de zijde van de Brinkersweg krijgt het pand drie topgevels die bepalend zijn voor het uiterlijk van het gebouw. Deze topgevels benadrukken de individuele appartementen en zorgen voor een afwisselend beeld. Binnen het plangebied worden drie parkeerplaatsen gerealiseerd in een inpandige garage. Deze parkeerplaatsen zijn via het Kerkpad bereikbaar. Ook worden er langs de Brinkersweg 3 extra langsparkeerplaatsen gerealiseerd. Een nadere toelichting op het aspect verkeer volgt in paragraaf 4.4. Het plan wordt deels op de plek van de huidige tuin op de hoek van het Kerkpad en de Brinkersweg gerealiseerd. Ter compensatie van het verdwijnen van de tuin wordt er gevelgroen gerealiseerd en wordt er een nieuwe boom geplant op de hoek van het Kerkpad en de Brinkersweg. Het hemelwater zal op eigen terrein geborgen worden.

Met de realisatie van voorliggend bouwplan wordt de huidige locatie aan de Brinkerweg opgeknapt en voorzien van een gemengde functie die goed past bij de ligging van het plangebied in het centrum van Nunspeet. De locatie is door de ligging en de nabijheid van voorzieningen zeer aantrekkelijk voor starters en doorstromers en sluit daarmee aan op de woningbehoefte (zie ook paragraaf 3.3).

Brinkersweg 2, Nunspeet

9

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Gebiedsgericht De SVIR benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, de ecologische hoofdstructuur, de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. Voorts betreft het enkele specifieke gebieden, zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam en Schiphol. In het Barro heeft het Rijk voor deze onderwerpen regels opgesteld waarmee de SVIR juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd. In de SVIR worden, naast de onderwerpen van nationaal belang, accenten geplaatst op het gebied van bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het beleid betekent een decentralisatie van rijkstaken en bevoegdheden. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en lagere overheden, burgers en bedrijven krijgen, zolang het nationaal belang niet in het geding is, de ruimte om oplossingen te creëren.

Ladder duurzame verstedelijking Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is 'duurzame verstedelijking'. Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro, artikel 3.1.6 onder 2. De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. In de toelichting van een plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient de behoefte aan die ontwikkeling te worden beschreven. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is. Daar wordt het volgende onder verstaan: "een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur." Per 01 juli 2017 is de ladder voor duurzame verstedelijking herzien.

Bij de herziening zijn onder meer de drie afzonderlijke 'treden' van de ladder losgelaten en is het begrip 'actuele regionale behoefte' gewijzigd in 'behoefte'. Nieuw is dat de laddertoets bij flexibele plannen kan worden doorgeschoven naar het moment van vaststelling van een wijzigings- of uitwerkingsplan. Planspecifiek Gebiedsgericht Het plangebied ligt niet in een van de aangewezen gebieden van de SVIR en het Barro. Ladder duurzame verstedelijking Om te bepalen of bij voorliggend plan de Ladder duurzame verstedelijking van toepassing is, dienst allereerst bekeken te worden of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Dit geldt zowel voor de toekomstige winkelfunctie als voor de woonfunctie die het plangebied krijgt.

10

Brinkersweg 2, Nunspeet

Winkelfunctie De begane grond van het toekomstige pand wordt in gebruik genomen als winkellocatie. Om te bepalen of deze toekomstige winkellocatie als stedelijke ontwikkeling kan worden getypeerd, is het van belang te kijken naar het bruto vloeroppervlak. De ladder stelt dat winkel voorzieningen met een bruto vloeroppervlakte groter dan 500 m² aangemerkt kunnen worden als een stedelijke ontwikkeling. Hiervan is bij voorliggend plan geen sprake. Het totale bruto vloeroppervlakte van de winkelruimte bedraagt een kleine 200 m² en blijft daarmee onder de gehanteerde grens van de ladder. Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling met betrekking tot de toekomstige winkel. Woonfunctie Door het plan worden drie appartementen aan het plangebied toegevoegd. Jurisprudentie heeft uitgewezen dat woningbouwplannen met minder dan 11 woningen niet worden getypeerd als een stedelijke ontwikkeling. Bij zowel de winkelfunctie als de woonfunctie is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder voor duurzame verstedelijking. De ladder is dus niet van toepassing en het plan wordt uitvoerbaar geacht ten aanzien van het Rijksbeleid.

3.2

Provinciaal beleid

Algemeen Het provinciaal beleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland en Omgevingsverordening Gelderland, beide vastgesteld op 19 december 2018 en in werking getreden op 01 maart 2019. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. De visie integreert een vijftal beleidsterreinen: ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. Omgevingsvisie Gaaf Gelderland De provincie wil de focus leggen op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Door daarin te investeren wil de provincie werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Om dat te bereiken wordt de focus gelegd op zeven ambities op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving.

Deze ambities worden hieronder kort samengevat:  Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten;  Een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid;  Een voortvarend en innovatief circulair beleid;  Een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit;  Efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag;  Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat;  Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Naast deze zeven ambities blijft het beleid uit de Omgevingsvisie uit 2014 gelden. Het gaat om de aanwijzing van functies van regionale oppervlaktewateren, van gebieden waar milieukwaliteit bijzondere bescherming behoeft, van Natura 2000-gebieden en van bijzondere natuurgebieden. Omgevingsverordening Gelderland De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal

Brinkersweg 2, Nunspeet

11

beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. In de Omgevingsverordening is onder meer bepaald dat een bestemmingsplan nieuwe woningen alleen mogelijk maakt als die ontwikkeling past binnen een door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale woonagenda. Er dient te worden voldaan aan de eisen van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Planspecifiek In de omgevingsvisie en omgevingsverordening zijn geen nadere regels en beleid opgenomen die van invloed zijn op voorliggend plan. De woningen zijn passend binnen het woningbehoeftebeleid van de gemeente en daarmee voldoet het plan aan de regionale woonagenda. De omgevingsvisie en -verordening staan de uitvoering van voorliggend plan niet in de weg.

3.3

Gemeentelijk beleid

Woonvisie "Goed wonen in de gemeente Nunspeet" De woonvisie "Goed wonen in de gemeente Nunspeet" is vastgesteld op 20 februari 2020. De nieuwe woonvisie beschrijft drie ambities:  Betaalbare en passende woningen voor de lokale behoefte  Een duurzaam huis  Zorgzame en inclusieve wijken Het gemeentebestuur wil dat alle inwoners van de gemeente Nunspeet zo passend mogelijk wonen, en wil de vier kernen 'in balans' houden. Daarvoor is een uitbreiding van de woningvoorraad met circa 670 woningen nodig in de periode 2020 tot 2025, en tot 2030 in totaal 950 woningen. Voor starters is de grootste urgentie, maar ook het passend wonen voor senioren is een grote opgave. Dit vraagt vooral om meer betaalbare woningen: sociale huur en betaalbare koop. In de periode 2020-2025 wil het gemeentebestuur ten minste 135 sociale huurwoningen toevoegen en een vergelijkbaar aantal betaalbare koopwoningen. De gemeente wil een duurzame woningvoorraad die zich kenmerkt door groen en zuinig energieverbruik, dan wel energieneutraliteit. Tevens wil de gemeente goed wonen voor mensen met een zorgbehoefte mogelijk maken. Doelgroepverordening sociale woningbouw De gemeenteraad van de gemeente Nunspeet heeft in 2012 de Verordening doelgroepen sociale woningbouw vastgesteld. Hierin is vastgelegd welke prijs- en inkomensgrenzen gelden als er sprake is van sociale woningbouw in een bestemmingsplan.

Planspecifiek De te bouwen woningen in onderhavig initiatief zijn in 2018 reeds toegekend op basis van de beleidsregel "Woningbouw op Maat" (zie hierna). Hiermee zijn deze woningen onderdeel geworden van de plancapaciteit waarmee de woonvisie is opgesteld. De woningen zijn geschikt voor meerdere doelgroepen en kunnen daarmee voldoen aan de vereisten vanuit de Woonvisie. Beleidsregel Woningbouw Op Maat In de Woonvisie is opgenomen dat nieuwbouw noodzakelijk is om tot een passend woningaanbod te komen voor een divers aantal mensen. Tegelijkertijd tonen de prognoses dat op de middellange termijn rekening moet worden gehouden met de terugloop van het aantal huishoudens. Om aan deze ontwikkelingen de juiste sturing te geven, is in de woonvise het 'strategisch programmeren' geïntroduceerd. Met de provincie Gelderland zijn afspraken gemaakt om de volgende drie maatregelen te nemen:

12

Brinkersweg 2, Nunspeet

a. b. c.

Temporisering/fasering Molenbeek Herprogrammering niet benutte locaties Sturen op invulling nieuwe woningbouwinitiatieven.

Het doel van het vervolgdocument van de Woonvisie, de Beleidsregel Woningbouw op Maat, is om een strategische aanpak en afwegingskader te ontwikkelen waarmee de gemeente gerichter sturing kan geven aan nieuwe initiatieven voor woningbouw in de gemeente. In de visie staat beschreven waar de gemeente de komende jaren met woningbouw op wil in zetten, hoe zij dit wil bereiken en aan welke criteria de nieuwe initiatieven worden getoetst. Om tot een goed afgestemde woningmarkt te komen, geeft de gemeente de markt veel ruimte. Voor het toetsen van nieuwe initiatieven heeft de gemeente een afwegingskader opgesteld, bestaande uit zeven uitgangspunten: 1. Het benutten van inbreidingslocaties heeft de prioriteit; 2. Bij inbreidingslocaties inzetten op verbetering ruimtelijke kwaliteit ter plaatse; 3. Innovatie en maatwerk op individuele locaties in buitengebied 4. Geen mogelijkheden voor nieuwe uitbreidingslocaties 5. Het plan past binnen de beschikbare gemeentelijke kwantitatieve woningbouwcapaciteiten tot en met 2024; 6. Doelgroepen / woningtypen passen binnen de behoefte van de woonvisie; 7. Inzetten op kleinschalige locaties, organische groei en flexibele concepten. Planspecifiek De hiervoor benoemde 7 uitgangspunten van het afwegingskader van de Beleidsregel Woningbouw op Maat zijn hieronder onderbouwd. 1.

Inbreiden voor uitbreiding Het plangebied betreft de herontwikkeling een bestaande detailhandelslocatie en is daarmee een inbreidingslocatie. 2. Bij inbreiding inzetten op verbetering ruimtelijke kwaliteit Voorliggend plan zorgt door een directe verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. De huidige staat van het plangebied oogt vervallen en de bebouwing is in matige staat. Door het plan krijgt de planlocatie een gemengde functie die goed aansluit op de al bestaande functies in de omgeving. Ook vanuit stedenbouwkundig oogpunt draagt het plan bij aan bevordering van de ruimtelijke kwaliteit. De bestaande winkelplint aan dit deel van de Brinkersweg wordt door het initiatief verlengd en sluit aan op de tegenover gelegen winkelplint. Tevens sluit de massa van de nieuwe bebouwing goed aan op de bebouwing uit de directe omgeving. 3. Innovatie en maatwerk op individuele locaties in buitengebied Gezien de ligging in het centrum van Nunspeet is dit aspect niet van toepassing. 4. Geen mogelijkheden voor nieuwe uitbreiding Dit plan betreft geen uitbreidingslocaties en dit aspect is daarom niet van toepassing. 5. Het plan moet passen binnen kwantitatieve woningbouwcapaciteiten tot en met 2024 Door het initiatief worden er drie woningen aan het kwantitatieve woningbestand van de gemeente Nunspeet toegevoegd.

Dit plan is nog niet opgenomen in de tot nu bekende plancapaciteit en daarom is (nog) geen contingent beschikbaar. Met de toekenning van het jaarlijks beschikbare contingent ten gunste van dit project past het plan binnen de plancapaciteit tot en met 2024. 6. Doelgroepen / woningtypen moeten passen binnen de Woonvisie In de woonvisie noemt de gemeente het belang van voldoende woonruimte voor starters en jonge gezinnen. Vanuit het kwalitatieve woningaanbod speelt voorliggend plan in op deze behoefte. Door het plan worden drie koopappartementen van elk 100 m² gerealiseerd. De omvang van de appartementen maakt dat deze geschikt

Brinkersweg 2, Nunspeet

13

zijn voor starters en ook voor kleine gezinnen die in het centrum willen wonen. Het plan draagt daarmee bij aan het streven om jonge mensen voor de gemeente te behouden en ook in het centrum van het dorp te kunnen laten wonen. 7. Inzetten op kleine locaties, organische groei, flexibele concepten Voorliggend plan omvat herstructurering van een oud winkelpand op een centrale plek in het centrum van Nunspeet. Het pand kan worden getypeerd als flexibel concept omdat het voor meerdere functies gebruikt gaat worden. Gezien de onderbouwing van de uitgangspunten van het project past het binnen de Beleidsregel Woningbouw op Maat en is het initiatief uitvoerbaar vanuit het woningbeleid van de gemeente Nunspeet. Geldend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Nunspeet Centrum' , vastgesteld op 29 maart 2012 door de gemeente Nunspeet. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de verbeelding met daarop de bestemmingen van het plangebied en de omgeving.

Uitsnede van het bestemmingsplan ''Nunspeet centrum''

Het gehele plangebied heeft de bestemming 'centrum'. Op het zuidoostelijk deel van het plangebied ligt een bouwvlak, met daarbinnen de maatvoering 'maximum bouwhoogte (m): 9, maximum goothoogte (m): 7'. Ook is er een bebouwingspercentage van 100% voor het bouwvlak opgenomen. Naast de enkelbestemming heeft het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3', ten behoeve van het beschermen van de mogelijke aanwezigheid van archeologische resten. Voorliggend plan is strijdig met het geldend bestemmingsplan omdat er bouwactiviteiten worden uitgevoerd buiten het bestaande bouwvlak.

14

Brinkersweg 2, Nunspeet

Hoofdstuk 4

Uitvoerbaarheid

Voor een buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) de uitvoerbaarheid aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.

4.1

Milieu

4.1.1 Bodem Op grond van de Wet Bodembescherming (Wbb) moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd. Planspecifiek In het kader van voorliggend bouwplan worden grondwerkzaamheden uitgevoerd. Daarom is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het rapport is als bijlage bij de omgevingsvergunning gevoegd. De belangrijkste conclusie van het onderzoek is dat aanvullend onderzoek of nadere maatregelen niet noodzakelijk worden geacht. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het terrein geschikt voor de huidige en de toekomstige bestemming. Gezien deze conclusie wordt het initiatief uitvoerbaar geacht ten aanzien van bodemkwaliteit.

4.1.2 Lucht De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' is het van belang te bepalen wat de bijdrage van het plan is aan die luchtkwaliteit. In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet maakt een onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing.

Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt. Planspecifiek Het initiatief voorziet in de toevoeging van 3 nieuwe woningen in het plangebied. Dit aantal ligt ruim onder de grens van 1.500 huizen en draagt daarmee 'niet in betekenende mate' bij aan de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.

Brinkersweg 2, Nunspeet

15

4.1.3 Geluid De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd:  woningen;  geluidgevoelige gebouwen, zoals scholen, ziekenhuizen, verzorgings- en verpleeghuizen, psychiatrische instellingen en kinderdagverblijven;  geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen en bestemde ligplaatsen voor woonschepen). Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen, geluidbelastingkaarten en actieplannen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek In onderhavig plan is geen sprake van industrielawaai of spoorweglawaai. Hoewel er op de Brinkersweg een snelheidsregime van 30 km/u wordt gehanteerd, is vanwege de relatieve drukte een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlage bij omgevingsvergunning).

Hieruit blijkt dat de geluidbelasting door de Brinkersweg ten hoogste 64 dB zonder aftrek bedraagt. Dat komt overeen met een geluidbelasting van 59 dB na aftrek van 5 dB ex art 110g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh wordt daarmee met 11 dB overschreden. De maximale hogere waarde uit de Wgh van 63 dB na aftrek wordt niet overschreden. In het geluidbeleid 2012 van de gemeente Nunspeet is opgenomen dat het geluid van 30 km wegen in het kader van een goede ruimtelijke afweging wel moet worden beschouwd. Bij het toetsen of sprake is van een “goede ruimtelijke ordening” is aangesloten bij het toetsingskader van de Wgh en het geluidbeleid van de gemeente. Een geluidbelasting van 59 dB kan bij gezoneerde wegen volgens het geluidbeleid van de gemeente in enkele gevallen worden toegestaan. Er worden daarbij aanvullende eisen gesteld. Bronmaatregelen zijn niet mogelijk omdat een lagere verkeerssnelheid dan 30 km/u niet mogelijk is en de klinkers reeds in keperverband zijn gelegd. Er is geen ruimte voor een scherm of wal in deze binnenstedelijke situatie nabij het centrum. Het vergroten van de afstand tot de weg is eveneens niet mogelijk. Gevelmaatregelen om de geluidbelasting in de woning te verlagen zijn in een nieuwbouwsituatie eenvoudig te realiseren.

Er zal voor het aspect geluid sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening als de woningen zijn voorzien van een verblijfsruimte aan de geluidluwe zijde en daarbij wordt voldaan aan de eisen voor de geluidwering conform het Bouwbesluit. Bij een hoogste geluidbelasting van 64 dB zonder aftrek bedraagt de benodigde karakteristieke geluidwering GA;k 31 dB. De benodige akoestische maatregelen zullen worden getroffen. Het initiatief is hiermee uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid.

4.1.4 Milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten.

16

Brinkersweg 2, Nunspeet

De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype en verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'.

Planspecifiek Door de ligging van het plangebied aan de rand van het centrum van Nunspeet zijn er veel verschillende functies in de omgeving gelegen, waardoor sprake is van 'gemengd gebied'. In de omgeving komen reeds woningen voor tussen functies als 'maatschappelijk', 'gemengd' en kantoorfuncties. Door realisatie van voorliggend project verandert daar niets naan: het blijft een gebied met een sterk gevarieerd aantal functies waarbij omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Het woon- werk- en leefklimaat past bij dat van een centrummilieu en voldoet daarmee aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. Het initiatief is uitvoerbaar op het gebied van milieuzonering.

4.1.5 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen. De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting. De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, parkeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn. Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR).

Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers.

Brinkersweg 2, Nunspeet

17

Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan. Planspecifiek Via de website risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website.

Uitsnede risicokaart

Op voorgaande afbeelding is te zien dat ten noordwesten van het plangebied een aardgastransportleiding te zien is. Deze leiding ligt op voldoende afstand (530 m) om geen invloed te hebben op de realisatie van het plan. In de nabijheid van het plangebied liggen geen andere risicovolle inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect externe veiligheid.

4.2

Water

Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.

18

Brinkersweg 2, Nunspeet

Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:  vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd.  schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten.

Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek.

De watertoets bestaat uit twee onderdelen:  de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en  de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan. Planspecifiek Er bevindt zich geen oppervlaktewater in of rondom het plangebied. In de huidige situatie is nagenoeg het gehele plangebied verhard. Door het uitvoeren van voorliggend plan blijft het initiatief onder de grens van 1500 m² verharding die het Waterschap Vallei en Veluwe stelt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Wel geeft het beleid van de gemeente aan dat hemelwater van nieuwbouw op eigen terrein moet worden geborgen. Hiervoor worden de benodigde technische maatregelen getroffen (kratten). De woningen zullen op het bestaande vuilwaterriool worden aangesloten.

Brinkersweg 2, Nunspeet

19

Middels het uitvoeren van de watertoets is het Waterschap Vallei en Veluwe op de hoogte gesteld van het plan. De uitkomsten van de toets zijn als bijlage bij de omgevingsvergunning toegevoegd. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect water.

4.3

Ecologie

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Per 01-012017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora en faunawet en de Boswet opgegaan in de nieuwe Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland. Gebiedsbescherming In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied. Soortenbescherming Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten.

Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Planspecifiek Door voorliggend plan worden er sloop- en bouwwerkzaamheden uitgevoerd binnen het plangebied. Ook is er groen aanwezig op de planlocatie. In dat kader is een quickscan Flora en Fauna uitgevoerd. Het rapport is als bijlage bij de omgevingsvergunning gevoegd. Uit het onderzoek blijkt tevens dat de planlocatie geen essentiële betekenis heeft voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Gelders Natuurnetwerk.

Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Het initiatief is hiermee uitvoerbaar ten aanzien van flora en fauna.

20

Brinkersweg 2, Nunspeet

4.4

Verkeer

Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Onderhavig plan omvat het realiseren van een winkelruimte van ca. 200 m2 en 3 woningen. In de huidige situatie is er een winkelruimte van ca. 120 m2 aanwezig. Er is dus sprake van toename van de gebruiksfuncties en ook een toename in het aantal verkeersbewegingen. Deze toename is echter kleinschalig. De Brinkersweg en ook de omliggende wegen hebben voldoende capaciteit om deze toename op te vangen. In het bouwplan zijn 3 parkeerplaatsen op eigen terrein opgenomen. Daarnaast is de mogelijkheid aangegeven om in openbaar gebied drie extra parkeerplaatsen te realiseren. Hiermee worden in totaal 6 parkeerplaatsen aan de capaciteit bij c.q. nabij het bouwplan toegevoegd. Conform het parkeerbeleid van de gemeente Nunspeet zijn echter 8,2 parkeerplaatsen benodigd (kencijfers CROW met aanwezigheidspercentages). Omdat niet kan voldaan worden aan de benodigde hoeveelheid parkeerplaatsen op eigen terrein, is een onderzoek uitgevoerd dat als bijlage is toegevoegd bij de omgevingsvergunning. Uit het onderzoek blijkt dat de maximale parkeervraag afgerond kan worden naar 8 parkeerplaatsen. Voor de buiten het terrein benodigde 2 parkeerplaatsen heeft de initiatiefnemer een principeovereenkomst afgesloten met de eigenaar van de parkeergarage aan de overzijde.

Hiermee wordt voldaan aan de eis van de gemeente dat de parkeerdruk in de omgeving niet wordt verhoogd. Het initiatief is hiermee uitvoerbaar op het gebied van verkeer.

4.5

Cultuurhistorie en archeologie

In elk bestemmingsplan c.q. ruimtelijke onderbouwing moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie. Cultuurhistorie Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Archeologie De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden.

Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente. Op basis van de Wamz zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Planspecifiek Cultuurhistorie Het huidige pand omvat geen cultuurhistorische waarden. Het nieuwe gebouw wordt ingepast in de bestaande stedenbouwkundige structuur.

Brinkersweg 2, Nunspeet

21

Archeologie Het plangebied ligt op gronden met een archeologische waarden. In het vigerende bestemmingsplan geldt dat op deze gronden tot een oppervlakte van ten hoogste 500 m² mag worden gebouwd. Voorliggend bouwplan heeft een bouwoppervlakte van circa 300 m² en blijft daarmee onder de gestelde grens. De bouw van voorliggend initiatief is toegestaan zonder de uitvoer van archeologisch onderzoek. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect cultuurhistorie en archeologie.

4.6

Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:  het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;  het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;  het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is. Planspecifiek De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de planologische procedure met de initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst afsluiten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges.

Eventuele extra gemeentelijke kosten worden gedekt door de exploitatieovereenkomst. Tevens zal een overeenkomst betreffende planschade worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Deze overeenkomst zal als een separate rapportage worden opgenomen. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd kan worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.

22

Brinkersweg 2, Nunspeet

Hoofdstuk 5 5.1

Procedure

Inspraak en overleg

Onderhavig initiatief is middels de watertoets besproken met het waterschap Vallei en Veluwe. De provincie is in het kader van de jaarlijkse contingentering reeds geraadpleegd. Ook heeft de Veiligheidsregio Noord- en Oost Gelderland het plan beoordeeld. De adviezen zijn verwerkt in deze ruimtelijke onderbouwing. Naar aanleiding van de aanvraag zijn er twee zienswijzen ingediend. De initiatiefnemer is naar aanleiding van deze zienswijzen met de indieners in gesprek gegaan en het ontwerp is aangepast. Er zijn aanpassingen gedaan aan de inkijk vanuit de noordgevel op naastgelegen woningen. Tevens is het parkeerverhaal beter onderbouwd.

5.2

Van ontwerp naar vaststelling

De omgevingsvergunning is voorbereid met toepassing van een uitgebreide procedure ex artikel 2.12 lid 1 onder a sub 3° Wabo juncto artikel 3.10 Wabo. Het ontwerpbesluit ligt met bijbehorende stukken als ontwerp voor een termijn van zes weken ter inzage. Bij het vaststellingsbesluit is hierop nader ingegaan.

Brinkersweg 2, Nunspeet

23

24

Brinkersweg 2, Nunspeet

Bijlagen bij de ruimtelijke onderbouwing Bij de vergunning zijn de volgende bijlagen separaat te raadplegen:

Bijlage 1

Bodemonderzoek

Bijlage 2

Akoestisch onderzoek

Bijlage 3

Watertoets

Bijlage 4

Quickscan Flora en Fauna

Bijlage 5

Parkeeradvies

Brinkersweg 2, Nunspeet

25

26

Brinkersweg 2, Nunspeet

Brinkersweg 2, Nunspeet

27

28

Brinkersweg 2, Nunspeet

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11869463/1