AP 6c. Bijlagen bij de toelichting Bijlage 13 Voortoets en passende beoordeling
Tekst van het document
Voortoets en passende beoordeling stationsgebied Nunspeet 14 februari 2022
Kenmerk
R005-1278875WLI-V05-mdg-NL
Verantwoording Titel
Voortoets en passende beoordeling stationsgebied Nunspeet
Opdrachtgever
Gemeente Nunspeet
Projectleider
Martijn Gerritsen
Auteur(s)
Wendy Liefting en Albert Brouwer
Tweede lezer
Niels Jeurink
Uitvoering meet- en inspectiewerk
Niet van toepassing
Projectnummer
1278875
Aantal pagina’s
44
Datum
14 februari 2022
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon TAUW bv Handelskade 37 Postbus 133 7400 AC Deventer T +31 57 06 99 91 1 E info.deventer@tauw.com
2/44
Kenmerk
R005-1278875WLI-V05-mdg-NL
Inhoud 1
2
3
Inleiding ..................................................................................................................................... 5 1.1
Doel .................................................................................................................................... 5
1.2
Te beschouwen onderdelen ............................................................................................... 6
1.3
Kwaliteit .............................................................................................................................. 6
1.4
Uitgangspunten .................................................................................................................. 6
Situatie en beoogde ontwikkeling .............................................................................................. 7 2.1
Huidige situatie ................................................................................................................... 7
2.2
Beoogde ontwikkeling ........................................................................................................ 8
Voortoets ................................................................................................................................. 11 3.1
Inleiding ............................................................................................................................ 11
3.2
Wettelijk kader .................................................................................................................. 11
3.3
Natura 2000-gebied Veluwe ............................................................................................. 12
3.4
Afkadering effecten .......................................................................................................... 13
3.4.1
Optische verstoring ................................................................................................... 14
3.4.2
Geluidsverstoring ...................................................................................................... 14
3.4.3
Lichtverstoring ........................................................................................................... 15
3.4.4
Verdroging................................................................................................................. 16
3.4.5
Trilling........................................................................................................................ 17
3.4.6
Stikstofdepositie ........................................................................................................ 18
3.5 4
Conclusie ......................................................................................................................... 18
Passende beoordeling ............................................................................................................. 19 4.1
Inleiding ............................................................................................................................ 19
4.2
Wettelijk kader externe saldering ..................................................................................... 19
4.3
Resultaten AERIUS-berekening ....................................................................................... 19
4.4
Is het bos te kwalificeren als een habitattype of leefgebied? ........................................... 22
4.4.1
Inleiding: Over de (kartering van) leefgebieden ........................................................ 22
4.4.2
Leefgebied LG13 Bossen van arme zandgronden en zoekgebied ZGLG13 ............ 24
4.4.3
Zoekgebied H9190 Oude eikenbossen ..................................................................... 25
4.5
Berekende depositie op LG13 .......................................................................................... 29
4.6
Is het bos geschikt als leefgebied van kwalificerende soorten broedvogels? .................. 30
3/44
Kenmerk
4.6.1
Inleiding ..................................................................................................................... 30
4.6.2
Bespreking van de vogelsoorten die (o.a.) leefgebied 13 als leefgebied hebben ..... 31
4.6.3
Aantallen en trends ................................................................................................... 31
4.7 5
R005-1278875WLI-V05-mdg-NL
Conclusie ......................................................................................................................... 36
Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone .......................................................... 37 5.1
Inleiding ............................................................................................................................ 37
5.2
Wettelijk kader .................................................................................................................. 38
5.3
Kernkwaliteiten ................................................................................................................. 39
5.4
Conclusies ........................................................................................................................ 41
6
Conclusies en aanbevelingen.................................................................................................. 42
7
Literatuur ................................................................................................................................. 44
Bijlage 1
Stikstofdepositieonderzoek
Bijlage 2
Uitgangspunten GPS
Bijlage 3
Natura 2000-gebied Veluwe
Bijlage 4
Foto’s locatiebezoek
Bijlage 5
Profiel habitattype H9190 Oude eikenbossen
Bijlage 6
AERIUS verschilberekening
Bijlage 7
Overeenkomst stikstofrechten GPS (geanonimiseerd)
Bijlage 8
Oplegnotitie randeffecten stikstofdepositie
4/44
Kenmerk
R005-1278875WLI-V05-mdg-NL
1 Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft het doel van de toetsing, de relevante natuurwetgeving, de wijze van kwaliteitsborging en de te hanteren uitgangspunten voor de toetsing.
1.1
Doel
De gelijkvloerse spoorwegovergang Elspeterweg nabij het Station te Nunspeet staat geregistreerd in de top van de gevaarlijkste overwegen in Nederland. Er zijn bijna elk jaar incidenten (in 2012 ook met dodelijk afloop). Dit komt door de slechte doorstroming en zware verkeersdruk ter plaatse rondom deze gelijkvloerse overweg. Die situatie moet verbeterd worden. Daarvoor is een nieuwe (her)inrichting van het stationsgebied ontwikkeld. Voorzien wordt in een onderdoorgang voor gemotoriseerd verkeer en een aparte onderdoorgang voor langzaam verkeer. Het plan voorziet verder in een toereikende aansluiting op de bestaande wegenstructuur en een toegang naar het perron. Daarbij wordt in de uitwerking veel aandacht besteed aan het verbeteren van de verblijfs- en ruimtelijke kwaliteit van de Stationsomgeving. Bebouwing maakt plaats voor groen. Dit is eveneens, naast de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid, een belangrijke doelstelling van het project. In opdracht van de gemeente Nunspeet heeft TAUW onderzoek gedaan naar de consequenties van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor deze herontwikkeling van het stationsgebied, inclusief de aanleg van ongelijkvloerse spoorkruisingen. Voor de ontwikkeling is een bestemmingsplanwijziging nodig.
De ontwikkeling kan alleen doorgaan als de vaststelling van het plan niet in strijd is met de natuurwetgeving (artikel 2.7 lid 1 Wnb), en als de benodigde natuurvergunning (als bedoeld in 2.7 lid 2 Wnb)( en/of eventueel benodigde ontheffingen gelet op hoofdstuk 3 Wnb kunnen worden verleend. Deze rapportage betreft een actualisatie van de eerdere rapportage met kenmerk R001-1265284WLI-V04-sec (TAUW, 2019a), die met dit rapport wordt vervangen. De actualisatie is ingegeven vanwege een aangepast ontwerp, wijzigingen in het plangebied en een uitgebreidere en geactualiseerde beoordeling op kwalificerende habitats (ook ingegeven vanwege het AERIUS-model).. In de rapportage volgt het antwoord op de volgende vragen: • Welke onderdelen van de Wet natuurbescherming (hierna te noemen Wnb) zijn van belang? • In hoeverre is de beoogde ontwikkeling (mogelijk) strijdig met de Wnb? • •
Zijn maatregelen en/of een natuurvergunning nodig en zo ja, kan de natuurvergunning worden verleend en het bestemmingsplan worden vastgesteld in overeenstemming met de Wnb? Wat betekent dit voor de verdere planvorming en uitvoering?
5/44
Kenmerk
1.2
R005-1278875WLI-V05-mdg-NL
Te beschouwen onderdelen
Gebieds- en soortenbescherming zijn onderdelen waarop getoetst moet worden. Negatieve effecten op Natura 2000-gebied Veluwe zijn niet op voorhand uit te sluiten. Er is daarom getoetst of de werkzaamheden en de gebruiksfase na realisatie effect kunnen hebben op de instandhoudingsdoelen van de kwalificerende soorten en/of habitattypen en of dit effect significant is. Dat oordeel is relevant voor de vaststelling van het bestemmingsplan (2.7 lid 1 Wnb) en voor de vraag of de natuurvergunning (2.7 lid 2 Wnb) kan worden verleend. Daarnaast zal het plan nog worden getoetst aan het Gelders Natuurnetwerk, welke is geborgd in onder de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Ook zal de Groene Ontwikkelingszone uit de Gelderse Omgevingsverordening worden beschouwd. De effecten van het voornemen op beschermde soorten en een toetsing aan het onderdeel houtopstanden zijn separaat onderzocht en gerapporteerd (kenmerk R002-1278875JNA-V01-efmNL, d.d. 6 september 2021). Deze onderdelen van de Wet natuurbescherming worden derhalve niet nader beschouwd in de rapportage. Voorliggende rapportage heeft derhalve uitsluitend betrekking op de mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden en het Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone (het gebiedsbeschermingsrecht).
1.3
Kwaliteit
TAUW biedt garantie op de volledigheid over aanwezige beschermde gebieden. Door inzet van deskundige ecologen en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethodes wordt de kwaliteit van het onderzoek zoveel mogelijk gewaarborgd. Mede in dit kader is TAUW aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus, een samenwerkingsverband van adviesbureaus die ecologisch advies geven en ecologisch onderzoek verrichten.
1.4
Uitgangspunten
De volgende uitgangspunten zijn van toepassing op de beoogde ontwikkeling: • Er zijn geen ontwikkelingen voorzien binnen de begrenzing van het Natura 2000 gebied Veluwe Voor de verkeersgegevens is gebruik gemaakt van de aantallen zoals die volgen uit het meest recente verkeersmodel, aangeleverd door Goudappel Coffeng.
6/44
Kenmerk
R005-1278875WLI-V05-mdg-NL
2 Situatie en beoogde ontwikkeling Dit hoofdstuk bevat achtergrondinformatie over de huidige situatie, het voorgenomen plan , de uit te voeren werkzaamheden, waarmee ook inzicht wordt geboden in de ontwikkeling waarvoor een natuurvergunning wordt aangevraagd.
2.1
Huidige situatie
Figuur 2.1 toont de ligging van het onderzoeksgebied. n. Het onderzoeksgebied bestaat uit enkele gebouwen en locaties, de belangrijkste zijn met een letter op kaart weergegeven. Het gaat dan om: A. B.
Het stationsgebouw, ten noorden van het station is tevens een onbewaakte fietsenstalling Het stationsplein met daarop een gebouw met een ijssalon en het VVV, ten oosten van het stationsplein is het busstation aanwezig
C.
Pannenkoekenhuis de Stroopstok, dit pand is eind 2020 na aankoop in het kader van de herontwikkeling van de stationsomgeving reeds gesloopt. Fundering is nog aanwezig De parkeerplaats van het Veluwetransferium met aan de randen een speelvoorziening voor
D.
kinderen en verscheidene picknick-/rustplaatsen In figuur 2.2 is een sfeerimpressie van het onderzoeksgebied opgenomen.
Figuur 2.1 Ligging en begrenzing van het plangebied en onderzoeksgebied
7/44
Kenmerk
R005-1278875WLI-V05-mdg-NL
Figuur 2.2 Impressie van het plangebied
2.2
Beoogde ontwikkeling
De ontwikkeling binnen dit ruimere onderzoeksgebied/plangebied betreft de herinrichting van het stationsgebied met de realisatie van een ongelijkvloerse spoorwegkruising (zie ook onder paragraaf 1.1). Bij het voornemen worden daarnaast verkeerstromen van fietsers en gemotoriseerd verkeer zoveel mogelijk gescheiden. In figuur 2.3 is het ontwerp van deze verkeerskundige aanpassingen weergegeven. Als gevolg van de herinrichting worden de volgende werkzaamheden en wijzigingen uitgevoerd: • Sloop van bebouwing op het stationsplein, de voormalige Emté, Restaurant Joris en Restaurant Stroopstok
8/44
Kenmerk
R005-1278875WLI-V05-mdg-NL
•
Stationsgebouw wordt deels aangepast (perronkap boven een lift en trapopgang (zie ook
• •
aanvraag natuurvergunning hieronder) Aanpassingen en vernieuwing van het bestaande spoor De kap van bomen in het onderzoeksgebied om de infrastructuur te wijzigen
• •
Verwijdering, vernieuwing en aanleg van wegen, fiets- en voetpaden, waarbij 2 tunnels onder het spoor worden aangelegd. Zie verder onder kopje aanvraag natuurvergunning Verplaatsing van bushaltes en parkeervoorzieningen
Binnen de grenzen van het onderzoeksgebied gaat de Jumbo mogelijk uitbreiden of vernieuwen, dit is een op zichzelf staande ontwikkeling en wordt dan ook niet meegenomen in de beoordeling (valt ook buiten het bestemmingsplangebied). Aanvraag natuurvergunning Het project waarvoor een natuurvergunning wordt aangevraagd voorziet in het opheffen van de gelijkvloerse overweg Elspeterweg. Deze wordt vervangen door een onderdoorgang voor snelverkeer direct ten westen van de bestaande overweg en een aparte onderdoorgang voor langzaam verkeer die onder het station komt te liggen, met een opgang naar het perron (incl. realisatie perronkap boven de lift). Om voldoende ruimte te creëren voor toe- en afritten moet ook de infrastructuur/stationsplein worden aangepast, waarbij de aansluiting van de F.A. Molijnlaan op de Elspeterweg behouden blijft. Bij de verdere inrichting van deze verkeerskundige aanpassingen wordt in de uitwerking aandacht besteed aan het doortrekken van de sfeer van de Veluwe naar het stationsgebied. Exacte ligging van de onderdoorgangen, de (toe leidende) wegen en fietspaden, hellingspercentages, bochtstralen, perronbreedtes, trappen, liften etc. zijn vastgelegd en het Voorlopig Ontwerp plus (VO+). De voorlopige planning is weergegeven in figuur 2.4. De planning is op hoofdlijnen ingevuld en kan (beperkt) nog wijzigen.
9/44
Kenmerk
R005-1278875WLI-V05-mdg-NL
Figuur 2.3 Project- en plangebied met in het midden de onderdoorgangen.
Figuur 2.4 Een globale planning van het voornemen
10/44
Kenmerk
R005-1278875WLI-V05-mdg-NL
3 Voortoets In dit hoofdstuk worden de effecten van de beoogde ontwikkeling op Natura 2000-gebieden nader beschouwd.
3.1
Inleiding
Figuur 3.1 geeft de ligging van het plangebied weer ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Het plangebied is gedeeltelijk gelegen binnen de begrenzing van Natura 2000-gebied ‘Veluwe’. Dit gebied is aangewezen als zowel Vogel- als Habitatrichtlijngebied. Effecten als gevolg van het voornemen op dit Natura 2000-gebied zijn derhalve niet op voorhand uit te sluiten.
Figuur 3.1 Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden
3.2
Wettelijk kader
De bescherming van Natura 2000-gebieden is wettelijk geborgd in de Wet natuurbescherming. Conform artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming zijn plannen en projecten welke kunnen leiden tot significante gevolgen, zowel op zichzelf als in combinatie met andere plannen en projecten, niet toegestaan zonder dat daarvoor een passende beoordeling is verricht. Een plan of natuurvergunning kan alleen op basis van die passende beoordeling worden vastgesteld respectievelijk verleend, wanneer uit die passende beoordeling met zekerheid volgt dat de natuurlijke kenmerken niet worden aangetast.
11/44
Kenmerk
R005-1278875WLI-V05-mdg-NL
In deze Voortoets wordt nagegaan óf de beoogde ontwikkeling (als plan en project) gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden, en zo ja welke gevolgen. Wanneer (significante) gevolgen op voorhand kunnen worden uitgesloten is geen nadere ecologische beoordeling (passende beoordeling) benodigd. Wanneer significante gevolgen niet op voorhand zijn uit te sluiten moet een passende beoordeling worden gemaakt, rekening houdend met de instandhoudingsdoelen voor dat gebied (artikel 2.8, eerste lid Wnb). Die treft u in dit rapport eveneens aan (zie hoofdstuk 4). Het plan kan uitsluitend worden vastgesteld en de natuurvergunning kan alleen worden verleend, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan respectievelijk het project de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden niet worden aangetast, gelet op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied.
3.3
Natura 2000-gebied Veluwe
Het Natura 2000-gebied Veluwe is als zodanig aangewezen vanwege de aanwezigheid van kwalificerende habitattypen en soorten. De gebiedsspecifieke ecologische vereisten voor de duurzame instandhouding van deze kwalificerende habitattypen en soorten zijn beschreven in instandhoudingsdoelstellingen. Deze zijn weergegeven in tabel 3.1 tot en met tabel 3.3. Tabel 3.1 Kwalificerende Vogelrichtlijnsoorten (broedvogels) Natura 2000-gebied Veluwe Vogelrichtlijnsoort: broedvogels
Doelstelling
Doelstelling
Doelstelling
omvang
kwaliteit
populatie
leefgebied
leefgebied
A072 – Wespendief
=
=
100
A224 – Nachtzwaluw
=
=
610
A229 – IJsvogel
=
=
30
A233 – Draaihals
>
>
(her)vestiging
A236 – Zwarte specht
=
=
400
A246 – Boomleeuwerik
=
=
2.400
A255 – Duinpieper
>
>
(her)vestiging
A276 – Roodborsttapuit
=
=
1.100
A277 – Tapuit
>
>
100
A338 – Grauwe klauwier
>
>
40
12/44
Kenmerk
R005-1278875WLI-V05-mdg-NL
Tabel 3.2 Kwalificerende habitattypen in Natura 2000-gebied Veluwe Habitattypen
Doelstelling
Doelstelling
oppervlak
kwaliteit
H2310 – Stuifzandheiden met struikhei
>
>
H2320 – Binnenlandse kraaiheibegroeiingen
=
=
H2330 – Zandverstuivingen
>
>
H3130 – Zwakgebufferde vennen
=
=
H3160 – Zure vennen
=
>
H3260A – Beken en rivieren met waterplanten (waterranonkels)
>
>
H4010A – Vochtige heiden (hogere zandgronden)
>
>
H4030 – Droge heiden
>
>
H5130 – Jeneverbesstruwelen
=
>
H6230 - *Heischrale graslanden
>
>
H6410 – Blauwgraslanden
>
>
H7110B - *Actieve hoogvenen (heideveentjes)
>
>
H7140A – Overgangs- en trilvenen (trilvenen)
=
=
H7150 – Pioniervegetaties met snavelbiezen
>
>
H7230 – Kalkmoerassen
=
=
H9120 – Beuken- eikenbossen met hulst
>
>
H9190 – Oude eikenbossen
>
>
H91D0 – *Hoogveenbossen
=
=
H91E0C - *Vochtige alluviale bossen
=
>
Tabel 3.3 Kwalificerende Habitatrichtlijnsoorten in Natura 2000-gebied Veluwe Habitatrichtlijnsoort
Doelstelling
Doelstelling
Doelstelling
omvang
kwaliteit
populatie
leefgebied
leefgebied
H1042 – Gevlekte witsnuitlibel
>
>
>
H1083 – Vliegend hert
>
>
>
H1096 – Beekprik
>
>
>
H1163 – Rivierdonderpad
>
=
>
H1166 – Kamsalamander
=
=
=
H1318 – Meervleermuis
=
=
=
H1831 – Drijvende waterweegbree
=
=
=
3.4
Afkadering effecten
Met betrekking tot de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied Veluwe is het van belang te toetsen in hoeverre er negatieve effecten op de aangewezen soorten en habitattypen aan de orde zijn als gevolg van de ontwikkelingen bij stationsgebied Nunspeet. Op basis van de beoogde situatie ten opzichte van de huidige situatie kan een effect optreden in vorm van: • • •
Optische verstoring Geluidsverstoring Lichtverstoring
13/44
Kenmerk
R005-1278875WLI-V05-mdg-NL
•
Verdroging
• •
Trilling Vermesting en verzuring als gevolg van stikstofdepositie
Oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, kunnen op voorhand uitgesloten worden omdat de beoogde ontwikkelingen buiten de Natura 2000-begrenzing zijn gelegen en niet leiden tot verontreiniging. De meeste activiteiten zijn beoogd voor het deel van het plangebied ten noorden van de spoorlijn. Voor deze activiteiten functioneert de spoorlijn als een barrière tussen het Natura 2000-gebied Veluwe. 3.4.1 Optische verstoring Menselijke aanwezigheid kan verstorend werken voor vogelsoorten en habitatsoorten. Optische verstoring leidt vooral tot vluchtgedrag van dieren. De soort reageert bijvoorbeeld op beweging omdat een potentiële vijand wordt verwacht. De daadwerkelijke effecten zijn zeer soort specifiek en hangen af van de schuwheid van de soort en de mate waarin gewenning optreedt aan de verstoringsbron. Bovendien kunnen de effecten afhankelijk zijn van de periode van de levenscyclus van de soort: in de broedtijd zijn soorten over het algemeen schuwer en dus gevoeliger voor optische verstoring (Synbiosys, 2021). Optische verstoring is uitsluitend van toepassing op vogelrichtlijnsoorten en habitatrichtlijnsoorten. De ontwikkelingen nabij stationsgebied Nunspeet kunnen mogelijk leiden tot een toename aan gebruikers van de N310. Hierdoor neemt de optische verstoring ook toe.
In de huidige situatie is er al sprake van een grote mate van optische verstoring door de N310 en de spoorlijn. De toename van gebruikers op de N310 zal zodoende geen nieuwe verstoring veroorzaken. Het betreft enkel een intensivering van de verstoring wat niet zal leiden tot een toename van het vluchtgedrag van soorten aangezien de directe omgeving al verstoord is. Om die reden is een effect op de waarden van Natura 2000-gebied Veluwe uit te sluiten. 3.4.2 Geluidsverstoring Verstoring door geluid wordt veroorzaakt door onnatuurlijke geluidsbronnen. Dit kan een permanente geluidsbelasting zijn zoals wegverkeer of tijdelijk zoals bij evenementen. Geluid is een hoorbare trilling, gekenmerkt door geluidsdruk en frequentie. Geluid treedt vaak op in combinatie met optische verstoring. Geluid kan echter ver dragen waardoor ook verder van de bron een verstorend effect kan optreden op aanwezige soorten. De verstoring door geluid wordt beïnvloed door het achtergrondgeluid en de duur, frequentie en sterkte van de geluidsbron zelf. Geluidsbelasting kan leiden tot stress en/of vluchtgedrag van individuen. Dit kan vervolgens weer leiden tot het verlaten van het leefgebied of bijvoorbeeld een afname van het reproductieproces. In bepaalde gevallen kan ook gewenning optreden, in het bijzonder bij continu geluid.
Voor zeezoogdieren en vogels is in bepaalde gevallen deze dosis-effect relatie goed gekwantificeerd (Synbiosys, 2021).
14/44
Kenmerk
R005-1278875WLI-V05-mdg-NL
Geluidverstoring is uitsluitend van toepassing op Vogelrichtlijnsoorten en Habitatrichtlijnsoorten. Momenteel is er al sprake van een zekere mate van geluidsverstoring op het Natura 2000-gebied Veluwe door de aanwezigheid van de spoorlijnen en de N310, wat de primaire verbinding is van de A28 naar Nunspeet. Tijdens de werkzaamheden is tijdelijke toename van geluidsverstoring te verwachten door heiwerkzaamheden, menselijke aanwezigheid en de inzet van mobiele werktuigen. Met name heien kan in het broedseizoen effecten hebben op vogels met een instandhoudingsdoelstelling, omdat het maximum geluidsniveau hoog is en ver draagt. Wanneer hei-werkzaamheden in het winterseizoen uitgevoerd worden dan zijn effecten uit te sluiten. De andere factoren van geluidsverstoring (menselijke aanwezigheid, mobiele werktuigen) reiken veel minder ver en door de al aanwezige mate van geluidsverstoring zullen deze met zekerheid niet tot effecten leiden. Het doel van het project is om de stationsomgeving verkeersveiliger te maken. Door een betere doorstroom kan het echter voorkomen dat de ontwikkeling ook leidt tot een toename aan gebruikers van de N310. In de verkeersintensiteiten zoals aangeleverd door Goudappel Coffeng wordt in het plangebied over de komende 10 jaar een toename van verkeersbewegingen verwacht.
Op basis van de verkeersintensiteiten zoals aangeleverd door Goudappel Coffeng heeft DGMR onderzocht wat de effecten als gevolg van verstoring door geluid betreffen (DGMR, 2020). Hiervoor is een 42 dB(A) waarde gebruikt voor bosvogels, welke zeer worst-case is en doorgaans gebruikt wordt voor effectbepaling op weidevogels (Tulp et al., 2002; Reijnen et al., 1991). Uit het onderzoek van DGMR blijkt dat een 42 dB(A) contour als gevolg van de huidige situatie over een groot deel van de Veluwe ligt, voornamelijk veroorzaakt door de rijksweg en het spoor. Uit de resultaten volgt dat er niet tot nauwelijks verschil is voor de geluidsbelasting tussen de plansituatie en de autonome situatie. Hierdoor kunnen effecten op het gebied van geluidsverstoring in de permanente situatie worden uitgesloten. 3.4.3 Lichtverstoring Onder lichtverstoring wordt verstoring door kunstmatige lichtbronnen, zoals licht uit woonwijken en industrieterreinen, glastuinbouw et cetera verstaan. Kunstmatige verlichting van de nachtelijke omgeving kan tot verstoring van het normale gedrag van soorten leiden. Met name schemer- en nachtactieve dieren kunnen last hebben van verstoring door licht, doordat zij juist aangetrokken of verdreven worden door de lichtbron. Hierdoor raakt bijvoorbeeld hun ritme ontregeld of verlichte delen van het leefgebied worden vermeden (Synbiosys, 2021).
Lichtverstoring is uitsluitend van toepassing op vogelrichtlijnsoorten en habitatrichtlijnsoorten. Bij de beoogde ontwikkelingen is sprake van een afname van bebouwing in het plangebied. Met name de ontwikkelingen ten zuiden van de spoorlijn zijn relevant voor eventuele lichtverstoring, gezien dit deel van het plangebied nabij het Natura 2000-gebied gelegen is. Er wordt hier geen gebouw gerealiseerd welke hoger is dan de huidige situatie, geen lichtmasten geplaatst of andere ontwikkelingen waarbij sprake kan zijn van lichtverstoring. Negatieve effecten door lichtverstoring zijn uitgesloten
15/44
Kenmerk
3.4.4
R005-1278875WLI-V05-mdg-NL
Verdroging
Verdroging uit zich in lagere grondwaterstanden en/of afnemende kwel. De actuele grondwaterstand is zo lager dan de gewenste/benodigde grondwaterstand. Door verdroging neemt ook de doorluchting van de bodem toe waardoor meer organisch materiaal wordt afgebroken. Op deze wijze leidt verdroging tevens tot vermesting. De verandering in grondwaterstand en soms ook kwaliteit van het grondwater leidt tot een verandering in de soortensamenstelling en op lande termijn van het habitattype. Verdroging is uitsluitend van toepassing op aangewezen habitattypen. Ten behoeve van de aanleg van de tunnel is bij de beoogde uitvoeringsmethode geen bemaling benodigd gezien in dat geval gewerkt zal worden met onderwaterbeton. Hiervoor is minimale onttrekking van water benodigd. Uitvoering middels deze methode is echter nog niet met zekerheid te stellen aangezien nog niet zeker is of overal deze bouwtechniek toegepast kan worden. In de worst-case situatie is mogelijk dus toch sprake van reguliere bemaling. De effecten hiervan zijn onderzocht in het geohydrologisch onderzoek (kenmerk R001-1278875MJS-V04-ndaNL, d.d. 26 maart 2021). Uit dit onderzoek blijkt dat er gedurende de 26 weken waarin bemaling benodigd is een grondwaterstandsverlaging van 5 cm te verwachten is in een straal van 1 km rondom het werkgebied. Figuur 3.2 toont de ligging van het beïnvloedingsgebied.
Figuur 3.2 Verlagingscontour van 5 cm op basis van een bemalingsperiode van 26 weken
16/44
Kenmerk
R005-1278875WLI-V05-mdg-NL
In figuur 3.3 zijn de aangewezen habitattypen van Natura 2000-gebied Veluwe weergegeven ten opzichte van het plangebied welke mogelijk beïnvloed kunnen worden. De aangewezen habitattypen bevinden zich op meer dan een kilometer afstand en omvat voornamelijk droge habitattypen. De tijdelijke bemaling heeft slechts in de directe omgeving effect en dus zijn effecten op de Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen uit te sluiten. Om het effect op individuele bomen te bepalen kan aanvullend een bomen effect analyse (BEA) worden uitgevoerd.
Figuur 3.3 Ligging van het plangebied ten opzichte van kwalificerende habitattypen van Natura 2000-gebied Veluwe
3.4.5
Trilling
Er is sprake van trillingen in bodem en water als dergelijke trillingen door menselijke activiteiten worden veroorzaakt. Voorbeelden hiervan zijn boren, heien, draaien van rotorbladen et cetera. Trilling kan leiden tot verstoring van het natuurlijke gedrag van soorten. Hierbij kunnen individuen tijdelijk of permanent verdreven worden uit hun leefgebied. Over het daadwerkelijke effect van trilling is nog zeer weinig bekend (Synbiosys, 2021). Ten behoeve van de aanlegwerkzaamheden voor de tunnel zijn mogelijk heiwerkzaamheden benodigd. De directe omgeving van de spoorlijn biedt door de reeds aanwezige verstoring geen geschikt broedhabitat voor de kwalificerende broedvogels (zie ook paragraaf 4.6). Daarnaast is in de omgeving van het plangebied geen geschikt habitat aanwezig voor Habitatrichtlijnsoorten waardoor effecten op Habitatrichtlijnsoorten ook zijn uitgesloten. Er is geen sprake van verstoring door trilling. Negatieve effecten zijn uitgesloten.
17/44
Kenmerk
R005-1278875WLI-V05-mdg-NL
In de permanente situatie is er geen toename van activiteiten waardoor een toename van trillingen kan worden verwacht. Effecten als gevolg van trillingen in de permanente situatie zijn uitgesloten. 3.4.6
Stikstofdepositie
Om de effecten als gevolg van stikstofdepositie te bepalen is een berekening opgesteld met behulp van AERIUS Calculator (versie 2020). Hieruit blijkt dat er sprake is van een permanente toename van stikstofdepositie. Om die reden is gekozen voor externe saldering. De stikstofberekening en effecten hiervan worden nader beschouwd in de passende beoordeling in hoofdstuk 4.
3.5
Conclusie
Op basis van bovenstaande paragrafen is vastgesteld dat de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied Veluwe niet worden aangetast als gevolg van optische verstoring, verstoring door geluid, verstoring door licht, verstoring of trillingen. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling zijn er namelijk niet. Effecten als gevolg van stikstofdepositie zijn gezien de permanente toename van stikstof niet uitgesloten. Een passende beoordeling is noodzakelijk gezien effecten niet zijn uitgesloten en gebruik gemaakt wordt van externe saldering.
18/44
Kenmerk
R005-1278875WLI-V05-mdg-NL
4 Passende beoordeling 4.1
Inleiding
Om de effecten als gevolg van stikstofdepositie te bepalen is een AERIUS berekening opgesteld. In deze AERIUS berekening worden de effecten van het plan c.q. aangevraagd project, evenals mitigatie door externe saldering berekend. In bijlage 1 en 2 worden de uitgangspunten en resultaten van de AERIUS berekening (bijlage 6) nader toegelicht. De overeenkomst van de stikstofrechten is te vinden in bijlage 5. Daarnaast is in bijlage 8 een oplegnotitie bijgevoegd die specifiek ingaat op randeffecten, en waarom deze voor het beoogd voornemen niet van toepassing zijn. Paragraaf 4.3 gaat in op de resultaten uit de AERIUS berekening. Vervolgens wordt in paragraaf 4.4 en volgende van dit hoofdstuk beoordeeld of, gelet op de resultaten, sprake is van significante gevolgen vanwege stikstofdepositie, gelet op de relevante instandhoudingsdoelstellingen.
4.2
Wettelijk kader externe saldering
Voor nieuwe projecten, of bestaande projecten die meer willen uitbreiden dan zij aan ruimte kunnen creëren met ‘intern salderen’, bestaat de optie tot ‘extern salderen’. Het principe is dat de netto stikstofdepositie op relevante Natura 2000-gebieden hetzelfde blijft of afneemt ten opzichte van de referentiesituatie. Extern salderen wordt als vorm van mitigatie beschouwd en is daarmee automatisch onderdeel van een passende beoordeling en leidt dus ook tot Wnb-vergunningplicht.. De provincie Gelderland biedt middels de Beleidsregels salderen Gelderland de mogelijkheid tot externe saldering en heeft hier ook voorwaarden aan verbonden. Kernvoorwaarden voor extern salderen zijn: • Er bestaat een directe samenhang tussen de intrekking van de toestemming voor de
•
saldogevende activiteit en de verlening van de natuurvergunning voor de saldo-ontvangende activiteit Een activiteit mag alleen worden ingezet ten behoeve van extern salderen voor zover er een toestemming was voor de N-emissie veroorzakende activiteit in de referentiesituatie en deze sindsdien onafgebroken aanwezig is geweest of nog kan zijn tot het moment van intrekking of wijziging van de toestemming of het sluiten van een overeenkomst tussen de saldogever en de saldo-ontvanger, zodat hervatting van de activiteit mogelijk was zonder dat daarvoor een natuurvergunning of omgevingsvergunning, onderdeel bouwen, voor de realisering van een project is vereist
• •
Uitgangspunt van Gedeputeerde Staten betreft dat alleen gebruik wordt gemaakt van aantoonbaar feitelijk gerealiseerde stikstofemissies Bij verlening van een natuurvergunning wordt 70 % van de stikstofemissie van de feitelijk gerealiseerde capaciteit van de saldogevende activiteit betrokken
4.3
Resultaten AERIUS-berekening
In de nieuwe situatie is, vergeleken met de feitelijk bestaande situatie, sprake van een toename van stikstofdepositie in maximaal 24 ‘hexagonen’. In deze hexagonen is volgens AERIUS sprake van in totaal 3,0 hectare van het (zoekgebied van) habitattype H9190 (oude eikenbossen), 4,4
19/44
Kenmerk
R005-1278875WLI-V05-mdg-NL
hectare van leefgebied LG13 (bossen van arme zandgronden) en 3,3 hectare van het zoekgebied van leefgebied LG13. Hoewel de hexagonen elk 1 hectare groot zijn is het totale oppervlak van habitattypen/ leefgebieden veel kleiner; dit wordt veroorzaakt door het feit dat soms slechts een klein deel van het hexagoon tot een bepaald habitattype/ leefgebied wordt gerekend. In tabel 4.1 zijn de resultaten van de AERIUS berekening weergegeven na toepassing van externe saldering (zie ook bijlage 1 voor het stikstofdepositie-onderzoek). De hexagonen waar de toename is berekend zijn weergegeven in figuur 4.1. De hexagonen waar een toename is berekend hebben in de figuren 4.2 tot en met 4.4 een lichtpaarse kleur gekregen. In de hexagonen met een groenige kleur is sprake van een afname van de stikstofdepositie; in hexagonen met een lichtgrijze kleur ten slotte verandert de omvang van de stikstofdepositie als gevolg van de reconstructie van het stationsgebied niet. Wanneer in tabel 4.1 de aantallen hexagonen van de leefgebieden en het (zoekgebied van) habitattype H9190 worden gesommeerd is de som overigens 28 (en niet 24); dat wordt veroorzaakt door het feit dat in sommige hexagonen meerdere leefgebieden/habitattypen voorkomen.
Tabel 4.1 Habitattypen en leefgebieden waar in de AERIUS-berekening stationsgebied Nunspeet - habitats in Natura 2000-gebied Veluwe een toename is berekend van de stikstofdepositie Code
Omschrijving
habitattype
Aantal
KDW1 (mol
hexagonen
N/ha/jaar)
ZGH9190
Zoekgebied habitattype oude eikenbossen
8
1.071
LG13
Leefgebied bossen van arme zandgronden
12
1.071
ZGLG13
Zoekgebied van leefgebied bossen van arme
8
1.071
zandgronden
1
KDW: Kritische Depositiewaarde per habitattype/leefgebied volgens Van Dobben et al., 2012
20/44
Kenmerk
R005-1278875WLI-V05-mdg-NL
Figuur 4.1 Hexagonen waar als gevolg van het gebruik van de reconstructie van het stationsgebied (na gebruikmaking van externe saldering) een toename of een afname van stikstofdepositie is berekend (paars weergegeven)
De ligging van de hexagonen waar een toename van de stikstofdepositie is berekend ten opzichte van het leefgebied LG13 en het zoekgebied ZGLG13 is weergegeven in de figuren 4.2 en 2.4. De ligging van de hexagonen ten opzichte van het zoekgebied H9190 (oude eikenbossen) is weergegeven in figuur 4.4.
21/44
Kenmerk
R005-1278875WLI-V05-mdg-NL
Figuur 4.2 Ligging hexagonen waar een toename van stikstofdepositie is berekend (lila) en leefgebied LG13 (bossen van arme zandgronden) in geel; bron: AERIUS SCENARIO
Figuur 4.3 Ligging hexagonen waar een toename van stikstofdepositie is berekend (lila) en zoekgebied van leefgebied LG13 (bossen van arme zandgronden) in geel; bron: AERIUS SCENARIO
Figuur 4.4 Ligging hexagonen waar een toename van stikstofdepositie is berekend (lila) en zoekgebied van habitattype H9190 (oude eikenbossen) in geel; bron: AERIUS SCENARIO
4.4
Is het bos te kwalificeren als een habitattype of leefgebied?
4.4.1
Inleiding: Over de (kartering van) leefgebieden
SOVON heeft voor alle Natura 2000-gebieden ‘leefgebiedkaarten’ opgesteld, kaarten die een overzicht geven van de leefgebieden van alle soorten waarvoor voor het betreffende gebied
22/44
Kenmerk
R005-1278875WLI-V05-mdg-NL
instandhoudingsdoelstellingen gelden conform het aanwijzingsbesluit (SOVON, 2017). Deze kaarten zijn gebaseerd op terreinkenmerken en eisen die vogels aan hun habitat stellen. Op basis van die beide criteria is per soort en per Natura 2000-gebied het ‘potentieel geschikte leefgebied’ in kaart gebracht (Sierdsema et al., 2016). De ‘leefgebiedkaarten’ geven dus inzicht in de potentiële geschiktheid van het Natura 2000-gebied Veluwe voor de kwalificerende broed- en niet-broedvogels (zie bijlage 3 voor een lijst met de vogelsoorten). De reeds aanwezige storingsfactoren op en rond de Veluwe (geluid en optische verstoring met name) zijn niet bij het opstellen van deze kaarten betrokken. Ook is geen rekening gehouden met factoren als het voedselaanbod. De ‘zoekgebieden’ zijn delen van het Natura 2000-gebied waar mogelijk sprake is van het betreffende leefgebied: “De afbakening van de PAS-leefgebieden vindt plaats via een combinatie van terreinkenmerken en Natura 2000-leefgebiedenkaarten. Op basis van terreinkenmerken zijn ‘potentiële PAS-leefgebieden’ afgebakend. Op basis van bezet en mogelijk bezet leefgebied van de relevante soorten, zijn ‘PAS-leefgebieden’ en ‘zoekgebieden voor PAS-leefgebieden’ afgebakend (Sierdsema et al., 2016)2. Figuur 4.5 geeft een overzicht van de habitattypen- en leefgebiedenkaart van de Veluwe (bron: ministerie van LNV).
Figuur 4.5 Habitattypen- en leefgebiedenkaart van het deel van Natura 2000-gebied Veluwe nabij Nunspeet
2
Hier dus LG13 en ZGLG13
23/44
Kenmerk
4.4.2
R005-1278875WLI-V05-mdg-NL
Leefgebied LG13 Bossen van arme zandgronden en zoekgebied ZGLG13
Uit de figuren 4.2, 4.3 en 4.5 blijkt dat het bosgebied ten zuidwesten van Nunspeet wordt gerekend tot leefgebied LG13 (‘leefgebied bossen van arme zandgronden’) of een ‘zoekgebied’ voor dit leefgebied. Om de structuur en de soortensamenstelling van de vegetatie en de geschiktheid van het leefgebied LG13 en het zoekgebied ZGLG13 voor broedvogels te kunnen beoordelen is dit deel op 12 juli 2021 bezocht. Bijlage 4 geeft enkele impressies van het gebied. Opvallend is hier het sterk golvende landschap, een overblijfsel van de hier vroeger aanwezige zandverstuivingen. De oudere grove dennen in de boomlaag zijn mogelijk nog geplant tijdens de ‘werkverschaffing’ in de jaren ’30 van de vorige eeuw, toen heidevelden en zandverstuivingen op grote schaal zijn ‘vastgelegd’ om overstuiving van delen van dorpen met zand te voorkomen. Ook de doorsnijding met talrijke wandelpaden is in dit gebied opvallend. Het zoekgebied ZGLG13 ligt in het gedeelte dat het dichtst bij de spoorwegovergang in de drukke Elspeterweg (N310) dichtbij station Nunspeet ligt. Hier zijn enkele horecagelegenheden en het bosgebied wordt hier ook gebruikt als uitloopgebied van Nunspeet (gemeentebos), ook voor het uitlaten van (veelal niet aangelijnde) honden. Hier vlakbij ligt ook het motorcrossterrein van de Motorclub Nunspeet.
24/44
Kenmerk
R005-1278875WLI-V05-mdg-NL
Leefgebied LG13 kan zowel uit naaldhout als loofhout bestaan; in dit geval betreft het vrijwel uitsluitend naaldhout (subtype a), op enkele plaatsen komen daarin overigens ook loofbomen (met name ruwe berk (Betula pendula) en zomereik (Quercus robur)) voor. Het leefgebied heeft de volgende kenmerken (Nijssen et al., 2012): • • •
Vrij laag tot matig hoog opgaand bos met een vrij open structuur Op leemarme, oligo- tot mesotrofe, meestal (matig) droge, zure zandgrond Boomlaag bestaat uit grove dennen. De struiklaag is weinig tot niet ontwikkeld, met eventueel
•
Sporkenhout en Wilde lijsterbes of – vooral bij verstoring van de bodem - tijdelijk Amerikaanse vogelkers Kenmerkend voor het stuifzandlandschap en de leemarme delen van het dekzandlandschap op de hogere zandgronden. Het door grove den gedomineerde bos komt van nature alleen voor als pionierbos op stuifzand; de ondergroei bestaat uit korstmossen en wolfsklauwen en later uit bladmossen
•
Na maximaal 50 jaar gaat zich humus ontwikkelen in de bodem en ontstaan fasen met ‘schrale grassen’, gevolgd door bosbessen, struikhei of kraaihei
Tijdens het veldbezoek is gebleken dat het gehele bosgebied goed past binnen deze beschrijving. Met uitzondering van korstmossen, wolfsklauwen en kraaihei zijn alle genoemde plantensoorten aangetroffen. In het gedeelte dat het dichtst bij de spoorovergang ligt (het zoekgebied ZGLG13) werden ook enkele soorten aangetroffen die mogelijk zijn terug te voeren op verwildering uit tuinen, zoals hulst (Ilex aquifolium), lelietje van dalen (Convallaria majalis) en veelbloemige salomonszegel (Polygonatum multiflorum). De overige soorten die in de ondergroei werden aangetroffen, de struiken en de boomsoorten vertonen echter een grote gelijkenis met de soorten die kenmerkend zijn voor leefgebied LG13. De conclusie hieruit is dan ook dat het gehele bosgebied ten zuiden van de spoorlijn (inclusief het zoekgebied ZGLG13), voor zover onderzocht uiteraard, gerekend mag worden tot leefgebied LG13. 4.4.3 Zoekgebied H9190 Oude eikenbossen De 8 meest noordwestelijk gelegen hexagonen waar een toename van de stikstofdepositie is berekend liggen alle in een gedeelte van het Natura 2000-gebied Veluwe dat alléén als Vogelrichtlijngebied is aangewezen (zie figuur 4.1 en figuur 4.4 in samenhang met onderstaand kaartuitsnede uit het aanwijzingsbesluit). Hier is volgens de resultaten van de AERIUS-berekening sprake van een ‘zoekgebied van habitattype H9190’, kortweg ZGH9190.
25/44
Kenmerk
R005-1278875WLI-V05-mdg-NL
Figuur 4.6 Kaartblad 4 behorende bij het Aanwijzingsbesluit Veluwe
Uit de blauwe arcering aan de linkerzijde op de kaartuitsnede (waarin ZGH9190 volgens AERIUS ligt) volgt dat dit gebied uitsluitend is aangewezen als speciale beschermingszone ingevolge de Vogelrichtlijn. Dit betekent voor de toetsing aan de instandhoudingsdoelstellingen, dat uitsluitend (voor zover relevant) de instandhoudingsdoelstellingen voor de vogelsoorten uit artikel 2 van het aanwijzingsbesluit van toepassing zijn. En dat er in zoverre geen toetsing plaatsvindt aan de instandhoudingsdoelstellingen die zien op het habitattype H9190 Oude Eikenbossen. Nu het gebied wel is geduid als ZGH9190 in AERIUS-Calculator en gelet op de berekende stikstoftoename op de rand van dit Natura 2000-gebied is op 12 juli 2021 deze locatie bezocht en nader beoordeeld op aanwezige natuurwaarden. Een deel van dit gebied wordt gedomineerd door douglasspar (Pseudotsuga menziesii) en Amerikaanse eik (Quercus rubra); zie de foto’s in bijlage 4 voor een impressie. Hiervan is sprake in de 3 lila gekleurde hexagonen die het dichtst bij het Natura 2000-gebied Veluwe zijn gelegen.
26/44
Kenmerk
R005-1278875WLI-V05-mdg-NL
Deze vegetatie past niet binnen het profiel3 van habitattype H9190 (oude eikenbossen); zie voor een gedeelte van dit profiel ook bijlage 5. Ook hier is het bos overigens nog behoorlijk geaccidenteerd, maar minder uitgesproken dan ten zuiden van de spoorlijn. De elders in dit zoekgebied van habitattype H9190 aangetroffen vegetatie heeft wél kenmerken van berken-zomereikenbos, in elk geval in de boom- en de struiklaag, maar mist de daarvoor kenmerkende ondergroei met soorten als bochtige smele (Deschampsia flexuosa), hengel (Melampyrum pratense), pilzegge (Carex pilulifera), fraai hertshooi (Hypericum pulchrum) en boshavikskruid (Hieracium sectie Sabauda) en bladmossen als kussentjesmos (Leucobryum glaucum). Ook de zogeheten ‘typische soorten’ die kenmerkend zijn voor dit habitattype werden niet aangetroffen. Uit het profiel (zie ook bijlage 5) blijkt ook dat -om het gebied te mogen kwalificeren als habitattype ‘oude eikenbossen’ (H9190) sprake moet zijn van vegetatietype 42Aa1 (berken-eikenbos) met eventueel in mozaïek daarmee enkele andere in de tabel genoemde vegetatietypen. Hoewel in een groot deel van het ‘zoekgebied H9190’ dominantie van bramen werd vastgesteld is geen sprake van een goed ontwikkelde vorm van vegetatietype berken-eikenbos (42Aa1).
Dat blijkt te meer uit de ‘beperkende criteria’ waarmee het profiel nadere eisen stelt aan habitattype H9190 (oude eikenbossen). Zo moet de begroeiing ‘onderdeel (zijn, NJ) van een minimaal honderdjarige opstand van zomereik of op een bosgroeiplaats ouder dan 1850 (voorkomen, NJ)’. Aan de hand van oude topografische kaarten van ± 1850 en ± 1920 is nagegaan of in het zoekgebied van habitattype H9190 aan deze beperkende criteria voldaan wordt. Zie respectievelijk figuur 4.6 en 4.7. De historische topografische kaart van omstreeks 1850 (bron: topotijdreis.nl) is te vinden in figuur 4.7. Deze maakt duidelijk dat in die tijd in dit gebied nog geen sprake was van bos maar van heiden en zandverstuivingen (zie kaartuitsnede hieronder met het zoekgebied van H9190 bij benadering in een rode cirkel). Sporen van de vroegere zandverstuivingen zijn in het reliëf ook nu nog makkelijk te vinden.
3
Zie het profielendocument (LNV, 2014)
27/44
Kenmerk
R005-1278875WLI-V05-mdg-NL
Figuur 4.7 Topografische kaart van ± 1850 (bron: topotijdreis.nl) met het zoekgebied van H9190 (bij benadering) in een rode cirkel
Figuur 4.8 Topografische kaart van ± 1920 (bron: topotijdreis.nl) met het zoekgebied van H9190 (bij benadering in een rode cirkel
De historische topografische kaart van omstreeks 1920 (bron: topotijdreis.nl) is te vinden in figuur 4.8. Deze wijkt wezenlijk af van de topografische kaart van 1850, wat gemakkelijk verklaarbaar is door de aanleg van de spoorlijn Amersfoort - Nunspeet – Zwolle (geopend tot Hattemerbroek op 20 augustus 18634).
4
Bron: Wikipedia: Spoorlijn Utrecht - Kampen
28/44
Kenmerk
R005-1278875WLI-V05-mdg-NL
De aanleg van de autosnelweg Amersfoort – Zwolle had pas veel later plaats (dit gedeelte van de A28 tussen Harderwijk en Elspeet werd geopend op 22 oktober 19625). Ook de begraafplaats Nunspeet West (momenteel tussen het zoekgebied en de spoorlijn) is van later datum. Uit figuur 3.2 blijkt dat rond 1920 in het zoekgebied van habitattype H9190 sprake was van een loofbosachtige vegetatie. De zomereiken die nu in dit gebied groeien zijn (zie ook de foto’s in bijlage 4) echter niet ten minste 100 jaar oud, maar hebben veeleer een leeftijd van naar schatting maximaal 40-50 jaar. Omdat hier vanwege deze redenen ook niet wordt voldaan aan de ‘beperkende criteria’ van oude bosgroeiplaatsen wordt geconcludeerd dat hier ook feitelijk geen sprake is van het habitattype H9190 (daargelaten dat het gebied uitsluitend is aangewezen ingevolge de Vogelrichtlijn). Vermoedelijk is hier overigens wél, in elk geval in het gedeelte waar zomereiken dominant zijn in de boomlaag, sprake van leefgebied LG136. Het volledige gebied wordt in het vervolg als onderdeel van LG13 dan ook nader beschouwd.
4.5
Berekende depositie op LG13
Uit bovenstaande paragraaf blijkt dat het gebied ten noorden van de snelweg tot aan de zuidwestzijde van Nunspeet (Elspeterweg) beschouwd dient te worden als LG13. Zie ook figuur 4.9. Dit gebied kan in potentie (zie hierna ook paragraaf 4.5) dienen als leefgebied van een aantal broedvogelsoorten met een instandhoudingsdoelstelling in het Natura 2000-gebied. Uitsluitend aan de rand van dit LG13 leefgebied (dat geen functioneel leefgebied betreft) is sprake van een toename van stikstof. Terwijl voor de overige hexagonen langs deze rand sprake is van een (forse) afname van stikstofdepositie. Gelet op de relevante instandhoudingsdoelstellingen voor vogelsoorten, dient getoetst te worden aan de gevolgen van het plan/project op de kwaliteit van het aaneengesloten leefgebied. Daarom is voor het eerder benoemde gebied (zie de kaart hieronder) de netto depositie berekend. Over al deze hexagonen tezamen is sprake van een netto afname van 19,0 mol/jaar. Gemiddeld per hexagoon in dit LG13 gebied is sprake van een afname van 0,08 mol N/ha/jaar. Deze forse positieve gevolgen komen doordat uitsluitend aan de randen van dit gebied (deels zelfs buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied) sprake is van een toename, maar de afnames in ditzelfde gebied zijn veel groter waardoor over het gehele gebied genomen sprake is van een duidelijke afname van stikstofdepositie.
En daarmee van een verbetering van de kwaliteit van het (potentiële) leefgebied.
5
Bron: A28 (Nederland) - Wegenwiki In afwijking van het leefgebied LG13 ten zuiden van de spoorlijn betreft het hier dan het andere, door loofbomen gedomineerde subtype) 6
29/44
Kenmerk
R005-1278875WLI-V05-mdg-NL
Figuur 4.9 Hexagonen met Lg13 in de ruimere omgeving van de berekende toenames
4.6
Is het bos geschikt als leefgebied van kwalificerende soorten broedvogels?
4.6.1
Inleiding
Uit paragraaf 4.3 blijkt dat het grootste gedeelte van het onderzochte gebied qua samenstelling en structuur van de vegetatie geheel tot leefgebied LG13 gerekend mag worden. Dat geldt ook voor het zoekgebied ZGLG13 én voor het grootste gedeelte van het gebied dat is aangeduid als zoekgebied H9190 oude eikenbossen. Uit paragraaf 4.4 volgt dat in dit gedeelte van het leefgebied sprake is van een (netto) afname van stikstofdepositie, zodat ter plaatse in dit LG13 gebied gelet op stikstof sprake is van een verbetering van de kwaliteit van dit leefgebied. In dit hoofdstuk wordt volledigheidshalve nog toegelicht waarom het gebied ondanks de kwalificatie als LG13 ook niet geschikt is als leefgebied van nachtzwaluw, draaihals, wespendief7 en zwarte specht, de enige kwalificerende soorten broedvogels die van dit leefgebied gebruik kunnen maken (zie ministerie van EL&I, 2012)8.
7
Dat ook de wespendief leefgebied LG13 als leefgebied heeft blijkt niet rechtstreeks uit (ministerie van EL&I, 2012) maar uit de opsomming van natuurdoeltypen waarvan de soort als leefgebied gebruik maakt. Daaronder het natuurdoeltype 3.64 (bos van arme zandgrond), nagenoeg identiek aan leefgebied LG13 8 In zoverre betreft dit ook een nadere toelichting waarom de storingsfactoren zoals besproken in hoofdstuk 3 niet tot significante gevolgen kunnen leiden, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen
30/44
Kenmerk
4.6.2
R005-1278875WLI-V05-mdg-NL
Bespreking van de vogelsoorten die (o.a.) leefgebied 13 als leefgebied hebben
4.6.2.1 Waarnemingen Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) De soorten met een instandhoudingsdoelstelling in Natura 2000-gebied Veluwe (zie bijlage 3 voor compleet overzicht) die als leefgebied LG13 hebben zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. Van de 10 soorten broedvogels met een instandhoudingsdoelstelling betreft het (alleen) de draaihals, de wespendief, de zwarte specht en de nachtzwaluw. Voor de 6 andere broedvogelsoorten met een instandhoudingsdoelstelling in dit Natura 2000-gebied is het habitat niet geschikt, vooral door het ontbreken van heide/ zandverstuivingen. Van deze soorten heeft ook de boomleeuwerik ‘bos op arme zandgrond’ als leefgebied, maar dan dus vooral daar waar dat in de buurt van droge heiden en zandverstuivingen voorkomt (Ministerie van LNV, 2008). Ook voor Habitatrichtlijnsoorten als kamsalamander en vliegend hert, soorten die ook gebruik kunnen maken van leefgebied LG13/ natuurdoeltype 3.64, is dit gebied ongeschikt als leefgebied. Voor de kamsalamander vanwege het ontbreken van geschikt open water, voor het vliegend hert vanwege het ontbreken van oude eikenstobben. In de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) zijn alleen ‘losse waarnemingen’ van de zwarte specht te vinden. Waarnemingen van vastgestelde territoria of broedgevallen ontbreken in dit gebied.
Ook van de 3 andere soorten (draaihals, nachtzwaluw en wespendief) ontbreken waarnemingen; van de nachtzwaluw zijn de dichtstbijzijnde waarnemingen gedaan op en rond het gebied Leuvenhorst en het Hulshorsterzand, op vrij grote afstand van Nunspeet ten zuiden van de autosnelweg A28. Van de draaihals zijn uit dit gebied en de wijde omgeving daarvan geen waarnemingen in de NDFF te vinden. Van de wespendief zijn ten slotte alleen ten zuiden van de A28 territoria bekend, op ruime afstand van het onderzoeksgebied. 4.6.3 Aantallen en trends De 4 vogelsoorten hebben een instandhoudingsdoelstelling als broedvogel. De doelstelling heeft betrekking op de omvang en het areaal van het leefgebied van de soorten. Voor de wespendief, de zwarte specht en de nachtzwaluw geldt een ‘behoudsdoelstelling’: “Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste xxx paren”. Voor de draaihals geldt een uitbreidingsdoelstelling: “Uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied ten behoeve van (her)vestiging populatie”. Uit de trends voor de Veluwe blijkt dat deze voor nachtzwaluw en draaihals positief zijn (figuur 4.10 resp. 4.11).
31/44
Kenmerk
R005-1278875WLI-V05-mdg-NL
Nachtzwaluw
Figuur 4.10 De trend van de nachtzwaluw is positief, zowel landelijk als op de Veluwe (bron: SOVON)
Het aantal broedparen van de nachtzwaluw op de Veluwe werd in de periode 2013-2015 geschat op ± 860, een verdubbeling ten opzichte van de eeuwwisseling (Vogel en Sierdsema, 2018) en ruimschoots hoger dan de instandhoudingsdoelstelling van 610 broedparen.
32/44
Kenmerk
R005-1278875WLI-V05-mdg-NL
Draaihals
Figuur 4.11 De trend van de draaihals is (na een dip tussen 2005 en 2010) inmiddels weer duidelijk positief (bron: SOVON)
In de periode 2014-2016 werd het aantal broedparen van de draaihals op de Veluwe geschat op ruim 40 (Nijssen et al., 2019). Ook voor de draaihals wordt de instandhoudingsdoelstelling (‘hervestiging populatie’) dus gehaald.
33/44
Kenmerk
R005-1278875WLI-V05-mdg-NL
Zwarte specht
Figuur 4.12 In Nederland als geheel is de zwarte specht sinds 2000 met ongeveer 30 % afgenomen (bron: SOVON)
Figuur 4.13 De trend van de zwarte specht op de Veluwe is grillig (bron: SOVON)
34/44
Kenmerk
R005-1278875WLI-V05-mdg-NL
In de periode 2003-2014 werd de populatie van de zwarte specht geschat op 384-402 broedparen (Sierdsema, 2015 in Nijssen et al., 2019). Daarmee wordt de instandhoudingsdoelstelling van 400 broedparen zeer waarschijnlijk niet gehaald. De huidige trend van de Zwarte Specht op de Veluwe is - mede door de lastige inventarisatie en interpretatie van de data – moeilijk te beoordelen, maar waarschijnlijk licht negatief (Nijssen et al., 2019). Voor de wespendief geldt dat er te weinig gegevens zijn om een trend uit te kunnen afleiden. Voor Natura 2000-gebied Veluwe is alleen van 2018 een schatting van het aantal broedparen (94 paren), enigszins onder de instandhoudingsdoelstelling van 100 broedparen. Conclusie: uit de voorgaande informatie volgt dat de instandhoudingsdoelstellingen van de nachtzwaluw en de draaihals in Natura 2000-gebied Veluwe momenteel worden gehaald. Of de instandhoudingsdoelstelling van de zwarte specht ook gehaald wordt is onzeker; vermoedelijk is het aantal broedparen momenteel nog (enigszins) lager dan de instandhoudingsdoelstelling en is de trend licht negatief. Ook voor de wespendief geldt dat de instandhoudingsdoelstelling momenteel vermoedelijk nog niet wordt gehaald; de trend van deze soort is bij gebrek aan voldoende gegevens van de aantallen broedparen in Natura 2000-gebied Veluwe onbekend.
4.6.3.1 Verstoringsgevoeligheid De 4 broedvogels gelden alle als matig gevoelig tot gevoelig voor verstoring (Krijgsveld et al., 2008); zie ook verstoringsgegevens per soort in tabel 4.2. Tabel 4.2 Basisgegevens met betrekking tot verstoring van 4 soorten broedvogels met een instandhoudingsdoelstelling in Natura 2000-gebied Veluwe Soort
Maximale verstorings-
Verstoringsgevoeligheid volgens
afstand (m)
(Krijgsveld et al., 2008)
Bron
Draaihals
135
Waarschijnlijk matig
Bijlsma, 2006
Nachtzwaluw
300
Gemiddeld tot groot
Krijgsveld et al., 2008
Wespendief
100
Matig
Krijgsveld et al., 2008
Zwarte specht
100
-
Groot Bruinderink et al.,, 2006
Hoewel de wespendief als relatief weinig gevoelig voor verstoring geldt betekent dat zeker niet dat elk gebied geschikt is als leefgebied. Bij bebouwing (meer dan 1 woning per ha) geldt een gebied als ongeschikt leefgebied. Hetzelfde geldt voor grote recreatieterreinen met ruwweg meer dan 100 overnachtingsplaatsen per ha. De Wespendief kan gekarakteriseerd worden als tolerant ten opzichte van mensen, mits de dichtheid van mensen niet te hoog is en de omgeving niet teveel ontbost (kroonprojectie minimaal 60 %). Gebieden met een te hoge recreatiedruk, loslopende honden en met een concentratie van activiteiten aan de randen en op overgangen gelden als ongeschikt leefgebied (van Manen et al., 2011).
35/44
Kenmerk
4.6.3.2
R005-1278875WLI-V05-mdg-NL
Verstoring in het gebied
In en in de directe omgeving van het onderzochte gebied zijn tijdens het veldbezoek veel bronnen van verstoring vastgesteld: • Spoorlijn Zwolle – Nunspeet – Amersfoort, ten minste 2 intercity’s en 2 sprinters per uur per • • •
richting Autosnelweg A28 met plaatselijke parkeerplaats (‘Hendriksbos’) Bedrijventerrein Nunspeet; bij sommige bedrijven wordt in elk geval bij sommige installaties vrij veel geluid geproduceerd Wegverkeer op de ‘Industrieweg’, van deze ontsluitingsweg over het bedrijventerrein wordt vrij veel gebruik gemaakt
•
Er zijn vrij veel wandelpaden en fietspaden door het bos, waarvan er sommige vrij intensief gebruikt worden. Dat heeft ook te maken met de nabije woonwijken van Nunspeet; hier laten veel inwoners hun honden uit, zo bleek ook tijdens het veldbezoek
• •
Motorcrossterrein (in gebruik op woensdag- en zaterdagmiddag) Begraafplaats wordt intensief onderhouden waarbij bijvoorbeeld gebruik wordt gemaakt van motorzagen, bladblazers en snoeizagen
Al deze verstoringsbronnen tezamen maken dat het onderzochte bos weliswaar qua structuur en soortensamenstelling geschikt is als habitat van vooral zangvogels (gezien werden diverse algemene soorten broedvogels onder andere grote bonte specht, koolmees, merel en boomklever) maar dat meer aaneengesloten weinig tot niet verstoord leefgebied van meer verstoringsgevoelige soorten, waaronder leefgebied van de 4 genoemde soorten broedvogels, ontbreekt. Dit blijkt ook uit de schaarse waarnemingen van de 4 kwalificerende soorten broedvogels in de ruime omgeving van dit bosgebied.
4.7
Conclusie
Het leefgebied LG13 (bossen van arme zandgronden) is aanwezig in de omgeving van het plangebied (de bosrand ten zuidwesten van Nunspeet). De (enige) 4 broedvogelsoorten met een instandhoudingsdoelstelling in Natura 2000-gebied Veluwe die van dit leefgebied in potentie gebruik kunnen maken zijn draaihals, nachtzwaluw, wespendief en zwarte specht. Van de draaihals en de nachtzwaluw worden de instandhoudingsdoelstellingen momenteel (ruimschoots) gehaald, van de wespendief en de zwarte specht vermoedelijk nog niet (helemaal). Van geen van de 4 soorten zijn territoria of broedgevallen vastgesteld in het onderzochte gebied rond Nunspeet. Dat wordt verklaard door de talrijke in en rond dit bosgebied aanwezige verstoringsbronnen. Alleen van de zwarte specht zijn enkele waarnemingen van foeragerende vogels bekend, wat tot de conclusie leidt dat dit gedeelte van het leefgebied LG13 niet geschikt is als broedgebied van de 4 broedvogelsoorten. Ook in zoverre leidt de (geringe) toename van stikstofdepositie aan de rand van dit onderzochte bosgebied, daargelaten dat netto sprake is van een forse afname van stikstofdepositie in dit LG13-gebied, niet tot gevolgen op de kwalificerende vogelsoorten, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen die volgen uit het aanwijzingsbesluit voor Natura 2000-gebied Veluwe.
36/44
Kenmerk
R005-1278875WLI-V05-mdg-NL
5 Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone 5.1
Inleiding
Het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone zijn de uitwerking van het Natuurnetwerk Nederland in de provincie Gelderland. Dit betreft een netwerk van natuurgebieden waarmee de biodiversiteit behouden en versterkt wordt. Planten en dieren kunnen zich van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Soorten raken hierdoor niet geïsoleerd en hebben dus minder kans op uitsterven. Het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone is planologisch beschermd via het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro); de regelgeving is nader uitgewerkt in de provinciale omgevingsverordening (Provincie Gelderland, 2020). In Gelderland bestaat het NNN uit het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO). Voor beiden gelden regels voor behoud van natuur en nieuwe activiteiten. Verschil zit in dat in de GO kleinschalige bestaande activiteiten mogen uitbreiden waar in het GNN geen nieuwe activiteiten zijn toegestaan zonder dat getoetst is aan de voorwaarden zoals opgenomen in de provinciale omgevingsverordening. Figuur 5.1 geeft de ligging van het plangebied weer ten opzichte van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en Groene Ontwikkelingszone (GO). De GO bestaat uit gebieden met andere bestemmingen dan natuur en is ruimtelijk verweven met het GNN en hangt daar functioneel mee samen.