AP 6c. Bijlage Toelichting en Regels best. plan Stationsomgeving Nunspeet
Tekst van het document
Bestemmingsplan Stationsomgeving Nunspeet Gemeente Nunspeet
COLOFON Gegevens over het plan: Plannaam: Identificatienummer: Status: Datum: Projectnummer Buro SRO:
Stationsomgeving Nunspeet NL.IMRO.0302.BP01197-vg01 vastgesteld 30 juni 2022 24.10.39
Gegevens projectbetrokkenen: Opdrachtgever: Contactpersoon opdrachtgever:
Gemeente Nunspeet Dhr. van der Velden
Gegevens Buro SRO: Projectleider Buro SRO: Bezoekadres vestiging Arnhem: Telefoon: E-mail: Internet:
Dhr. M. Geerts Sweerts de Landasstraat 50, 6814 DG te Arnhem 026 – 35 23 125 arnhem@buro-sro.nl www.buro-sro.nl
2
Stationsomgeving Nunspeet
Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 Hoofdstuk 2 2.1 2.2 2.3 Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 Hoofdstuk 5 5.1 5.2 Hoofdstuk 6 6.1 6.2 6.3 6.4
5 Inleiding Aanleiding voor het bestemmingsplan Ligging plangebied Leeswijzer Het initiatief Huidige situatie Toekomstige situatie Duurzaamheid Beleidskader Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid Uitvoerbaarheid Milieu Water Ecologie Verkeer Cultuurhistorie en archeologie Explosieven Economische uitvoerbaarheid Juridische planbeschrijving Algemeen Wijze van bestemmen Procedure Algemeen Verslag vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro Verslag inspraak ex artikel 3.1.6 Bro Verslag zienswijzen
7 7 7 7 8 8 9 12 14 14 15 16 19 19 25 27 28 30 31 32 33 33 33 34 34 34 34 34
Bijlagen bij de toelichting
35
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10 Bijlage 11 Bijlage 12 Bijlage 13 Bijlage 14
37 39 41 43 45 47 49 51 53 55 57 59 61 63
Ontwerptekening Toelichting op het ontwerp Ambities duurzaamheid Milieuhygiënisch bodem- en verhardingsonderzoek Nunspeet Verkennend bodem- en asbestonderzoek spoorzone Onderzoek luchtkwaliteit Akoestisch onderzoek Onderzoek trillingen Onderzoek externe veiligheid m.e.r.-beoordeling stationsgebied Nunspeet Geohydrologisch onderzoek Natuurtoets Voortoets en passende beoordeling Nader onderzoek soorten
Stationsomgeving Nunspeet
3
Bijlage 15 Bijlage 16 Bijlage 17 Bijlage 18 Bijlage 19 Bijlage 20
Verkeersmodel Modellenstudie Stationsomgeving Verkeerskundig onderzoek Memo Parkeren Veluwetransferium Nunspeet Archeologische onderbouwing Onderzoek Niet Gesprongen Explosieven
Regels Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2 Hoofdstuk 2 Artikel 3 Hoofdstuk 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Hoofdstuk 4 Artikel 10 Artikel 11
4
65 67 69 71 73 75
77 Inleidende regels Begrippen Wijze van meten Bestemmingsregels Verkeer Algemene regels Anti-dubbeltelbepaling Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
79 79 81 82 82 83 83 83 83 84 84 85 86 86 86
Stationsomgeving Nunspeet
Toelichting
Stationsomgeving Nunspeet
5
6
Stationsomgeving Nunspeet
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding voor het bestemmingsplan
De verkeerssituatie in het stationsgebied wordt gedomineerd door het verkeer op de Elspeterweg in combinatie met de aanwezige gelijkvloerse spoorwegovergang. De gemeente Nunspeet heeft een plan gemaakt om het Stationsgebied opnieuw in te richten en de verkeerssituatie in dit gebied te reconstrueren met als doel het opheffen van de als onveilig ervaren overweg Elspeterweg een verkeersveilige ontsluiting realiseren én een fraai verblijfsgebied te maken. De overweg wordt vervangen door twee onderdoorgangen. Eén voor snelverkeer en één voor langzaam verkeer welke met een opgang direct van uit de onderdoorgang toegang geeft tot het perron. Omdat de bestemmingen in de onderliggende bestemmingsplannen niet overal deze werken mogelijk maken, worden deze aangepast zodat het project uitgevoerd kan worden. In dit document wordt toegelicht en gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen tegen het centrum van de kern Nunspeet en de Veluwe. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.
Ligging plangebied in de omgeving (rood omcirkeld). Bron: www.openstreetmap.org
1.3
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de bestaande situatie en van het plan. Daarna wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 wordt de haalbaarheid van het project getoetst op grond van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Ook wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische opzet van het plan. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op de wijze hoe burgers en andere belanghebbenden betrokken zijn bij het plan (maatschappelijke uitvoerbaarheid). Hierin zijn de uitkomsten van inspraak, vooroverleg en zienswijzen opgenomen.
Stationsomgeving Nunspeet
7
Hoofdstuk 2
Het initiatief
In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.
2.1
Huidige situatie
In de stationsomgeving van Nunspeet komen vele verkeerstromen samen. Het spoor vormt een gelijkvloerse kruising met de Elspeterweg. Dagelijks gaan er grote verkeersstromen het dorp in en uit via de Elspeterweg. Deze weg vormt dan ook een van de twee belangrijkste ontsluitingswegen van Nunspeet. Voor zover het zijn bestemming niet in het stationsgebied zelf heeft, verspreidt al dit verkeer zich via het stationsgebied naar elders in of buiten Nunspeet. De huidige overweg Elspeterweg is een belangrijke en drukke ontsluiting met de A28. De overweg is breed en de doorstroming op de overweg is onvoldoende waardoor deze als onveilig wordt ervaren. Aan de noordzijde van de overweg bevinden c.q. bevonden zich tot voor kort twee supermarkten (Jumbo en voormalige Emté) en een oud pannenkoekenrestaurant welke niet meer in gebruik is. Aan de zuidkant van de spoorlijn bevindt zich nu nog het (pand van) café-restaurant Joris.
Huidige situatie van de stationsomgeving Nunspeet
8
Stationsomgeving Nunspeet
2.2
Toekomstige situatie
Het besluitvormingsproces in fasen Onderzoeksfase Nadat een westelijke rondweg rond Nunspeet niet mogelijk bleek is in opdracht van de gemeenteraad door het college in het najaar van 2016 een onderzoekstraject gestart naar de verbetering van de verkeerskundige en ruimtelijke kwaliteit van het stationsgebied. Tegelijkertijd heeft het college bij het ministerie van I & W een aanvraag ingediend om de gevaarlijke spoorwegovergang Elspeterweg op te nemen in het Landelijke Programma Veiligheid Overwegen (LVO). Deze aanvraag is gehonoreerd en vervolgens is onder leiding van ProRail een onderzoek naar de verbetering van de veiligheid op de overweg gestart. Voor beide trajecten is een integraal Plan van Aanpak opgesteld dat op 29 juni 2017 door de gemeenteraad is vastgesteld. De gemeente Nunspeet heeft in de raadvergadering van 29 juni 2017 unaniem besloten een onderzoek in te stellen naar de verbetering van de Stationsomgeving. Het betrokken O-team (onafhankelijk adviesteam namens het ministerie van Binnenlandse Zaken) heeft de gemeente geadviseerd bij de ontwikkeling en er zijn werkateliers georganiseerd door ontwerpbureau West 8 om samen met een brede vertegenwoordiging van de lokale bevolking, ondernemers en instellingen na te denken over de toekomstige invulling van het stationsgebied.
Het resultaat van het LVO-traject is dat het ministerie op 12 juni 2018 een intakebeslissing heeft genomen. Met deze beslissing is de spoorwegovergang is het kader van in het Landelijke Programma Veiligheid Overwegen (LVO) toegelaten tot de 5e tranche van het LVO. In het besluit wordt aangegeven dat het ministerie onder voorwaarden bereid is een substantiële financiële bijdrage (€ 8,4 mln.) te leveren aan een oplossing van de spoorproblematiek Elspeterweg, indien die oplossing bestaat uit het volledig afsluiten van de overweg door middel van de realisatie van een onderdoorgang. In navolging van het ministerie heeft ook de provincie aangegeven hieraan financieel te willen bijdragen (€ 2,6 mln.). Reden hiervoor is dat de Elspeterweg zowel een drukke als een belangrijke verkeersader is voor de gemeente Nunspeet. De spoorkruising in de Elspeterweg heeft een negatief effect op de bereikbaarheid van de gemeente en uit de LVO-studie blijkt dat de bouw van een onderdoorgang van de overweg de enige maatregel is om de problematiek op de overweg te mitigeren. Parallel aan het traject om te worden toegelaten tot het LVO is gewerkt aan een variantenstudie. Op 22 mei 2018 is het rapport 'Onderzoek verbetering Stationsgebied, Samenvatting Proces en Advies' opgeleverd.
Bij totstandkoming van het rapport zijn de belangrijkste stakeholders in een proces van co-creatie bij het onderzoek betrokken. Uitwerkingsfase oktober 2018 – mei 2020 De Raad heeft op 27 september 2018 unaniem besloten in te stemmen met de uitwerking van het projectgebied met daarin een gescheiden onderdoorgang voor gemotoriseerd verkeer en een onderdoorgang voor langzaam verkeer inclusief een toegang naar het perron, met aandacht voor het doortrekken van de sfeer van de Veluwe naar het stationsgebied waar zo een aantrekkelijk verblijfsgebied ontstaat. In het project 'verbetering Stationsomgeving' is vervolgens gewerkt aan de uitwerking van de door de raad vastgestelde voorkeursvariant. De doelstelling van de uitwerkingsfase was het opleveren een Voorlopig Ontwerp (VO+) dat een oplossing aandraagt waarbij de stationsomgeving verkeersveilig en bereikbaar is en waarbij het verkeer doorstroomt in een omgeving die aantrekkelijk, groen en uitnodigend is. De uitwerking vormt de basis om te komen tot realisatie. Belangrijk onderdeel van de opdracht was verder om de samenleving van Nunspeet te betrekken bij de uitwerking.
Stationsomgeving Nunspeet
9
In de uitwerkingsfase zijn alle directe stakeholders in het gebied in maart en april 2019 middels klankbord- en werkgroepen betrokken. Rond het Veluwe Transferium zijn stakeholders ook individueel benaderd. De in de onderzoeksfase geformuleerde uitgangspunten konden met dit ontwerp nagenoeg allemaal worden ingevuld. Met de mogelijkheid in 2019 om een deel van de locatie van de voormalige EMTE-supermarkt te verwerven kon de inrichting van het gebied zelfs worden verbeterd. Daarnaast kwam uit de klankbordgroep nadrukkelijk de wens om aandacht te schenken aan de sociale veiligheid rond de onderdoorgang voor langzaam verkeer. In de laatste klankbordgroep is er een aangepast ontwerp gepresenteerd waarbij deze onderdoorgang wordt verbreed en vorm gegeven wordt middels leggers in het landschap. Tevens is deze onderdoorgang voorzien van een schuin en groen talud. Deze aanpassing had ook gevolgen voor de inrichting van het Stationsplein en de ligging van de F.A. Molijnlaan. Het uiteindelijke ontwerp met genoemde aanpassingen kon rekenen op brede steun. De uitwerking heeft op 28 mei 2020 geleid tot een unaniem raadsbesluit om over te gaan tot realisatie van de voorgestelde verbeteringen voor de stationsomgeving en de aanleg van de onderdoorgangen. De raad heeft hierbij tevens de benodigde financiële middelen beschikbaar gesteld.
Met dit besluit is tevens voldaan aan de eisen voor de Rijks- en provinciale bijdragen. Realisatiefase juni 2020 - heden Hiermee was het moment aangebroken om op basis van het op 28 mei 2020 door de gemeenteraad genomen realisatiebesluit over te gaan tot het uitwerken van het Voorlopig Ontwerp Plus (VO+) naar een beeldvormend en tot slot technisch uitgewerkt Definitief Ontwerp (DO) dat door de gemeenteraad diende te worden vastgesteld. Op 16 december 2021 heeft de Raad het DO vastgesteld. Het vastgestelde beeldvormende DO dient als basis voor het aanbestedingsdossier van het gemeentelijke deel. Tevens dient het als input voor het deel waarvoor ProRail aanbestedende dienst is. Ook in deze fase zijn de gemeente stakeholders en de gemeenteraad nadrukkelijk betrokken bij het opstellen van het DO. Op basis van dit DO kon het voorliggende bestemmingsplan worden vervaardigd. Het plan De herontwikkeling van het stationsgebied van Nunspeet biedt een duurzame oplossing voor zowel de wegverkeersveiligheid, de spoorveiligheid, en zorgt alsmede voor een goede aansluiting van het stationsgebied op zowel het dorp als de Veluwe. Met project wordt de overgang in de N310 verwijderd en een groot deel van het stationsgebied vernieuwd. De huidige overgang wordt vervangen door twee onderdoorgangen: voor gemotoriseerd verkeer en voor fietsers/voetgangers.
Daarmee wordt direct de openbare ruimte aangepakt, om naast veiligheid ook de kwaliteit van de openbare ruimte een impuls te geven. De voornaamste, nu voorziene, wijzigingen in het gehele gebied in de stationsomgeving zijn de volgende: 1. ondertunneling spoor door de Elspeterweg en een langzaamverkeerverbinding ter hoogte van het treinperron; 2. het verleggen van de meest noordelijke rotonde naar het westen; 3. herinrichting en deels verdiept aanleggen van omliggende wegen; 4. aanleg van een fietsverbinding parallel aan het spoor; 5. herinrichting van het stationsplein, naastgelegen rotonde en fietsvoorziening; 6. herinrichting gebied rond het transferium aan de zuidzijde van het spoor. De herinrichting van de terreinen rond de supermarkten, sloop voormalig pannenkoekenrestaurant Stroopstok en verplaatsing restaurant Joris zijn ook noodzakelijk t.b.v. realisatie van het beoogde plan. Deze worden / zijn in andere (bestemmings)plannen opgenomen en / of vallen op basis van overeenkomsten buiten de scope van voorliggend bestemmingsplan.
10
Stationsomgeving Nunspeet
In navolgende afbeelding is het ontwerp opgenomen van de herontwikkeling van het stationsgebied.
Ontwerp herinrichting stationsgebied Nunspeet. Bron: West 8 Bovenstaande afbeelding is ook als bijlage 1 opgenomen bij dit plan zodat er beter ingezoomd kan worden op het plan.
Sfeerimpressies, bron: West 8
Stationsomgeving Nunspeet
11
Meer achtergronden en impressies zijn te vinden in bijlage 2. Het ontwerp is uiteindelijk nog op enkele punten aangepast, met name op het Stationsplein. Voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op het planologisch mogelijk maken van de infrastructuur en verblijfsruimte in het gebied. Een groot deel van de voorgenomen ontwikkelingen kunnen al uitgevoerd worden binnen de vigerende bestemmingsplannen. Op een aantal plekken vormen de ontwikkelingen een conflict met de nu geldende bestemmingen. In navolgende afbeelding is aangegeven waar een conflict bestaat met het vigerende bestemmingsplan en waar de ontwikkeling nu middels voorliggend bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt.
Overzicht conflict gebieden met de vigerende bestemmingsplannen (conflict = grijs gearceerd) Omwille van de duidelijkheid is het plangebied van voorliggend bestemmingsplan gelijk van vorm als het projectgebied maar, zie bovenstaande afbeelding, grote delen van het plangebied kent al een bestemming welke in lijn zijn met het plan.
2.3
Duurzaamheid
In een duurzame leefomgeving wordt bewust omgegaan met energie, klimaat, grondstoffen, ruimte, water en groen. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn een logisch moment om de verschillende aspecten van duurzame stedenbouw vanaf het begin in de planvorming mee te nemen.
12
Stationsomgeving Nunspeet
Bouwbesluit Het Bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe woningen en utiliteitsgebouwen. De maat voor energiezuinigheid heet Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Voor woningen geldt sinds 2015 een Energie Prestatie Coëfficiënt van 0,4 op gebouwniveau. Vanaf 2020 is deze verlaagd richting een coëfficiënt dichter bij de nul. Vanaf 2020 moeten alle nieuwe gebouwen voldoen aan de BENG-eisen. Dit is rijksbeleid, waarbij BENG staat voor Bijna EnergieNeutrale Gebouwen. Kansen Bij de herinrichting van een perceel en bij nieuwbouw liggen kansen om duurzaamheid te verbeteren. Het energieneutraal maken van een gebouw kan beter bij de bouw dan achteraf. Nieuwbouw biedt de kans om meteen voor een duurzame wijze van verwarming te kiezen, maar ook andere duurzaamheidsaspecten zijn bij nieuwbouw relatief eenvoudig te realiseren, zoals het opwekken van duurzame energie. Het is van belang de kansen voor het opwekken van duurzame energie te benutten om de gestelde toename van duurzaam opgewerkte energie te behalen. Sinds 1 juli 2018 moeten nieuwe woningen gasloos worden gebouwd. Daarnaast kan bij de inrichting van de buitenruimte rekening worden gehouden met water- en hittestress. Het aanplanten van groen is goed voor de klimaatbestendigheid, omdat het bijdraagt aan het verminderen van de hittestress en het verbeteren van het watervasthoudend vermogen van het gebied.
Planspecifiek In het document 'Ambitiebepaling d.m.v. Ambitieweb' (zie bijlage 3) zijn de duurzaamheidsambities voor de herontwikkeling van het stationsgebied opgenomen. De ambities zijn met behulp van Ambitieweb in 12 thema's vervat. Ten aanzien van de drie thema’s Bereikbaarheid, Ruimtelijke kwaliteit en Ecologie & biodiversiteit is een hoge ambitie gesteld, de overige thema's hebben hoofdzakelijk een 'extra' ambitieniveau in het kader van duurzaamheid.
Stationsomgeving Nunspeet
13
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Gebiedsgericht De SVIR benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. Voorts betreft het enkele specifieke gebieden zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam en Schiphol. In het Barro heeft het Rijk voor deze onderwerpen regels opgesteld waarmee de SVIR juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd. In de SVIR worden, naast de onderwerpen van nationaal belang, accenten geplaatst op het gebied van bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het beleid betekent een decentralisatie van rijkstaken en bevoegdheden. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en lagere overheden, burgers en bedrijven krijgen, zolang het nationaal belang niet in het geding is, de ruimte om oplossingen te creëren.
Ladder duurzame verstedelijking Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is 'duurzame verstedelijking'. Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2). De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. In de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient de behoefte aan die ontwikkeling te worden beschreven. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is: "een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur." Per 01 juli 2017 is de ladder voor duurzame verstedelijking herzien.
Bij de herziening zijn onder meer de drie afzonderlijke 'treden' van de ladder losgelaten en is het begrip 'actuele regionale behoefte' gewijzigd in 'behoefte'. Nieuw is dat de laddertoets bij flexibele plannen kan worden doorgeschoven naar het moment van vaststelling van een wijzigings- of uitwerkingsplan. Planspecifiek Gebiedsgericht Het plangebied ligt niet in een van de aangewezen gebieden van de SVIR en het Barro. Het plan heeft daarmee geen effect op de aspecten met een nationaal ruimtelijk belang.
14
Stationsomgeving Nunspeet
Ladder duurzame verstedelijking Jurisprudentie wijst uit dat infrastructuurprojecten niet als nieuwe stedelijke ontwikkelingsprojecten worden beschouwd. Een nadere toets aan de ladder in het kader van de herstructurering van de infrastructuur in het stationsgebied kan hiermee achterwege blijven. Conclusie Het initiatief past binnen het rijksbeleid.
3.2
Provinciaal beleid
Algemeen In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid. Op 24 september 2014 is door Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Deze is op 19 december 2018 geactualiseerd op basis van de nieuwe omgevingsvisie. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. Omgevingsvisie Gaaf Gelderland De provincie wil de focus leggen op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Door daarin te investeren wil de provincie werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Om dat te bereiken wordt de focus gelegd op zeven ambities op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving.
Deze ambities worden hieronder kort samengevat: Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten; Een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid; Een voortvarend en innovatief circulair beleid; Een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit; Efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag; Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat; Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik De provincie en partners gaan nieuwe ontwikkelingen bezien in samenhang met de bestaande voorraad. Als leidend principe wordt de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik gehanteerd. De juridische basis hiervoor is de ladder voor duurzame verstedelijking die het Rijk heeft vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Omgevingsverordening Gelderland De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal.
De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. Planspecifiek Ter plaatse van het plangebied is de volgende relevante regel uit de visie en verordening van toepassing: Regels water en milieu: intrekgebieden Het plangebied ligt binnen een door de provincie aangewezen 'intrekgebied'. Artikel 3.33 van de verordening
Stationsomgeving Nunspeet
15
stelt dat bestemmingsplannen welke ontwikkelingen mogelijk maken binnen dit gebied, geen bestemmingen dienen op te nemen die de winning van fossiele energie, zoals aardgas, aardolie, schaliegas en steenkoolgas, mogelijk maakt. Voorliggend plan maakt zulke bestemmingen niet mogelijk. Regels natuur: Groene ontwikkelingszone Het plangebied ligt binnen een door de provincie aangewezen 'Groene ontwikkelingszone' (zie tevens paragraaf 4.3 voor nadere toelichting). Artikel 2.52 van de verordening stelt dat bestemmingsplannen geen nieuwe grootschalige ontwikkeling mogelijk mogen maken in dit gebied die leiden tot significante aantasting van de kernkwaliteiten van de Groene ontwikkelingszone. Onderhavig gebied ligt in gebied 'Noordrand Veluwe', waar gradiënt Veluwe, onderdeel van Nationaal Landschap Veluwe en onderdeel van Natura 2000gebied Veluwe met de bijbehorende habitats en soorten de kernkwaliteiten vormen. De voorgenomen ontwikkeling betreft de verplaatsing van de reeds bestaande weg waarmee negatieve effecten beperkt zullen zijn. Aangenomen wordt dat met het uitvoeren van de voorgenomen herinrichting nauwelijks sprake is van aantasting van de kernkwaliteiten. Mogelijk verlies van groen areaal dient (in de directe omgeving) te worden gecompenseerd. Nunspeet streeft in haar plan naar een groene entree onder andere door brede groene taluds op gronden die thans verhard zijn.
Van een afname zal nagenoeg geen sprake zijn. Het naastgelegen Veluwe Transferium is en blijft bovendien een ontvangstlocatie voor bezoekers van de Veluwe (RegioDeal) waarbij groen een belangrijk aspect blijft. Gezien de uitvoering van het project van groot openbaar belang is voor de verkeersveiligheid van het stationsgebied wordt het project uitvoerbaar geacht. Regels Landschap: Nationaal landschap buiten Gelders natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone en Nieuw Hollandse Waterlinie Een klein deel van de ondertunneling spoor door de Elspeterweg en de langzaamverkeerverbinding ter hoogte van het treinperron vallen binnen het 'Nationaal landschap buiten Gelders natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone en Nieuw Hollandse Waterlinie '. Artikel 2.56 van de verordening stelt dat binnen deze gebieden alleen bestemmingen mogelijk zijn die de kernkwaliteiten van een Nationaal Landschap niet aantasten. Het plangebied ligt in het nationaal landschap Veluwe. Zoals ook hiervoor gesteld betreft de ontwikkeling de verplaatsing van de reeds bestaande weg en maakt voorliggend bestemmingsplan slechts enkele beperkte gedeeltes van de reeds uitvoerbare infrastructuur mogelijk. Geconcludeerd wordt dat de negatieve effecten beperkt zullen zijn. Bovendien is de uitvoering van het project van groot openbaar belang voor de verkeersveiligheid van het stationsgebied.
Ladder voor duurzaam ruimtegebruik In voorgaande paragraaf 3.1, onder het rijksbeleid, is reeds gemotiveerd dat voorliggend plan niet is aan te merken als een stedelijke ontwikkeling. Een nadere toetsing aan de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik is daarmee niet aan de orde. Het initiatief past binnen de omgevingsvisie en omgevingsverordening Gelderland.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Omgevingsvisie 2018 Nunspeet De gemeente Nunspeet heeft een integrale toekomstvisie voor de gehele gemeente opgesteld, de Omgevingsvisie Nunspeet. De omgevingsvisie Nunspeet is opgebouwd in thema's en een gebiedsgerichte uitwerking. De visie heeft als planhorizon 2030. Eén van de thema's is de ontwikkeling van de stationsomgeving als levendig knooppunt in Nunspeet. Door ontwikkelingen door de jaren heen is bij deze hoofdentree van de kern Nunspeet een situatie ontstaan waarbij meerdere opgaven samenkomen en met name verkeerskundig te wensen overlaat. De gemeente wil de stationsomgeving in Nunspeet veiliger en aantrekkelijker maken en het dorp en de Veluwe beter verbinden met het station. De doelen voor het stationsgebied zijn: Een betere aanhaking verkrijgen op het centrum, de recreatiefuncties en de bedrijventerreinen; Verbeteren van de verkeersveiligheid en verkeersdoorstroming Versterken ruimtelijke verblijfskwaliteit
16
Stationsomgeving Nunspeet
Een duidelijkere relatie verkrijgen met de Veluwe en het transferium Verminderen van de belasting voor woon-, leef- en onderneemklimaat.
Plan specifiek De herontwikkeling van het stationsgebied sluit direct aan op de genoemde doelen in de omgevingsvisie. Met de verplaatsing en het verdiept aanleggen van de weg is de gelijkvloerse spoorwegovergang verleden tijd, wat zorgt voor een sterke verbetering in de verkeersveiligheid. De ontwikkeling zorgt voor een betere toegankelijkheid van het centrum van Nunspeet vanuit het zuiden en vice versa de Veluwe en het transferium vanuit de kern Nunspeet. De herontwikkeling van het stationsgebied in zijn geheel zorgt voor een verbetering van de ruimtelijk kwaliteit aldaar, waarmee het een prettige plek zal worden om te verblijven. De gebieden in voorliggend bestemmingsplan spelen een belangrijke rol in de mogelijkheid tot herontwikkeling van de benodigde infrastructuur. 3.3.2 Gemeentelijke verkeers- en vervoersbeleid (GVVP) De gemeente Nunspeet heeft in 2009 het gemeentelijke verkeers- en vervoersbeleid (GVVP) vastgesteld. Dit plan is in 2015 geactualiseerd. Als hoofddoel van het GVVP geldt het met elkaar in samenhang beschouwen en beoordelen van de diverse ontwikkelingen en plannen die actueel zijn op dit moment. De beoordeling vindt plaats in het perspectief van het beoogde wensbeeld: waar wil de gemeente staan over pakweg 10 jaar als het gaat om het verkeer en vervoer.
Alleen dan kan worden beoordeeld of maatregelen zinvol zijn; immers, iedere maatregel zou eraan moeten bijdragen dat de gemeente dichter bij haar wensbeeld komt, of in ieder geval daar niet verder van afgeraakt. Het GVVP vervult daarmee dus tevens de functie van toetsing/beoordelingskader voor maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer. Het GVVP is een plan op hoofdlijnen en bevat geen concrete uitwerkingen en detailvoorstellen. Planspecifiek De stationsomgeving in een van de hoofdthema's in het GVVP. Uitgangspunt voor dit gebied is dat er gezocht dient te worden naar een oplossing die de verkeersdruk rond het station niet laat toenemen en het liefst vermindert en de omgeving van het station een sfeer meegeeft die past bij die van de F.A. Molijnlaan. Dit betekent dat autoverkeer geen overlast meer moet veroorzaken. Uitgangspunt voor het Stationsplein is een kwaliteitsvolle omgeving, met een groene aanblik en dorpse uitstraling. Daarbij moet gestreefd worden naar een laagwaardige verkeersafwikkeling, dat wil zeggen dat autoverkeer in alle richtingen is toegestaan, maar rustig rijdend en met prioriteit voor de verblijfskwaliteit. Voorliggend initiatief voorziet in de herinrichting van het stationsgebied met als doel een verkeersveilige ontsluiting realiseren. De focus ligt op de reconstructie van de Elspeterweg en de kruising met het spoor in Nunspeet.
Daarmee voldoet het initiatief aan de ontwikkelingsrichting in het GVVP. Een actualisatie van het GVVP is aanstaande. In de maand februari 2020 is het geactualiseerde plan open gesteld voor inspraak. Op 17 januari 2022 zal het geactualiseerde GVVP en de zienswijzenota ten behoeve van de vaststelling worden behandeld door de commissie Ruimte en Wonen. Voorliggend bestemmingsplan past ook binnen dit aanstaande GVVP.
Stationsomgeving Nunspeet
17
3.3.3 Geldend bestemmingsplan Het plangebied ligt binnen het planologische regime van drie bestemmingsplannen, te weten: Bestemmingsplan Spoorzone, vastgesteld op 27 november 2014 door de gemeenteraad van Nunspeet; Bestemmingsplan Nunspeet centrum, vastgesteld op 29 maart 2012 door de gemeenteraad van Nunspeet; Bestemmingsplan Nunspeet West, vastgesteld op 02 juli 2009 door de gemeenteraad van Nunspeet. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de vigerende bestemmingsplannen:
Uitsnede van de vigerende bestemmingsplannen (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Het realiseren van de herinrichting is voor een groot deel reeds mogelijk in de geldende bestemmingsplannen. Hier geldt ter plaatse de bestemming 'Verkeer' en deze bestemming blijft behouden. Op een aantal plekken in het plangebied is de huidige bestemming conflicterend met de beoogde ontwikkeling zoals reeds aangegeven in paragraaf 2.2. Op deze locaties gelden de bestemmingen 'Centrum', 'Groen', 'Horeca', 'Bedrijf', Natuur Landschap', 'Wonen', 'Verkeer - Transferium' en 'Verkeer - Railverkeer'' en binnen deze bestemmingen is de reconstructie van de wegen niet toegestaan waardoor voorliggend plan in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Naast de genoemde enkelbestemmingen gelden voor een gedeelte van het plangebied ook de dubbelbestemmingen 'Leiding – Riool' en 'Waarde – Archeologie 3', de gebiedsaanduiding 'geluidzone – motorsportterrein' en de functieaanduiding 'railverkeer'. Om de reconstructie van de infrastructuur in zijn geheel te kunnen uitvoeren is voorliggend bestemmingsplan opgesteld.
18
Stationsomgeving Nunspeet
Hoofdstuk 4
Uitvoerbaarheid
De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
4.1
Milieu
4.1.1 Bodem Op grond van de Wet Bodembescherming (Wbb) moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd. Planspecifiek In het kader van voorliggend initiatief is een milieuhygiënisch bodem- en verhardingsonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 4. Op het grootste deel van plangebied is grondverzet mogelijk onder de voorwaarden van het Bbk met de bodemkwaliteitskaarten als milieuhygiënische verklaring. De grond met interventiewaarde overschrijdingen en verontreiniging met asbest (o.a. ter plaatse van het voormalig pannenkoekenrestaurant) mag niet worden hergebruikt en dient voorafgaand aan de graafwerkzaamheden te worden gesaneerd en/of onder BUSmelding te worden uitgevoerd. De zone direct rond de sporen is separaat onderzocht, zie bijlage 5. In dit onderzoek wordt geconcludeerd dat er matig of sterk verhoogde gehalten zware metalen aanwezig zijn, gerelateerd aan het langdurige gebruik als spoorzone. Voor deze zone is grondverzet mogelijk onder voorwaarden van grondwerkzaamheden dienen onder BUS-melding te worden uitgevoerd.
Geconcludeerd wordt dat onder genoemde voorwaarden het plangebied vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt is voor de toekomstige bestemming. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bodem. 4.1.2 Lucht De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' zijn twee aspecten van belang. Ten eerste of de luchtkwaliteit ter plaatse de nieuwe functie toelaat (de gevoeligheid van de bestemming) en ten tweede wat de bijdrage is van het plan aan die luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit ter plaatse In de Wet milieubeheer zijn normen opgenomen voor de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht ter bescherming van de mens. De twee belangrijkste stoffen zijn PM10 en PM2,5(fijnstof) en NO2 (stikstofdioxide). Voor grenswaarde van PM10 en NOx bedraagt 40 µg/m3, van PM2,5 is dat 25 µg/m3. Bijdrage aan luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet maakt een onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
Stationsomgeving Nunspeet
19
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt. Planspecifiek Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de NSL Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Door de metingen ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Uit metingen van het dichtstbijzijnde rekenpunt 702163 (aan de A28 ter hoogte van plangebied) zijn de volgende concentraties naar voren gekomen: NO2 PM10 PM2,5 (fijnere fractie (stikstofdioxide) (fijnstof) van fijnstof) 3 3 Gemeten totale concentratie 16,9 µg/m 16,8 µg/m 10,0 µg/m3 3 jaargemiddelde 2018 (µg/m ) Grenswaarde concentratie 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3 (µg/m3) De gemeten concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. Bijdrage initiatief Voorliggend initiatief betreft de herinrichting van het stationsgebied van Nunspeet en met name de reconstructie van de Elspeterweg en de kruising met het spoor. Door de herinrichting zal er sprake zijn van een wijziging van de verkeersintensiteiten op de omliggende wegen. Rondom de planwegen en de omliggende wegen zijn daarom de gevolgen op de luchtkwaliteit onderzocht, zie bijlage 6. Geconcludeerd wordt dat er ten aanzien van het initiatief op alle toetspunten wordt voldaan aan de grenswaarden uit de Wetmilieubeheer. Ook is er geen sprake van een dreigende overschrijding van de grenswaarden. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit. 4.1.3 Geluid De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh).
De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd: woningen; geluidgevoelige gebouwen, zoals scholen, ziekenhuizen, verzorgings- en verpleeghuizen, psychiatrische instellingen en kinderdagverblijven; geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen en bestemde ligplaatsen voor woonschepen). Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.
20
Stationsomgeving Nunspeet
Planspecifiek In het kader van voorliggend bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de mogelijke gevolgen van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai, zie bijlage 7. Geconcludeerd wordt dat de (cumulatieve) geluidbelasting, ook na toepassing van maatregelen om de geluidbelasting op woningen te verlagen, de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. De maximaal toelaatbare waarde van de Wet geluidhinder wordt evenwel niet overschreden. Voor de woningen waarbij een hogere waarde benodigd is, in totaal 99 woningen, worden gelijkoplopend met de procedure van voorliggend bestemmingsplan, hogere waarden vastgesteld. Het aspect geluid staat hiermee niet aan uitvoering van dit bestemmingsplan in de weg. 4.1.4 Trillingen Bij het aspect trillingen gaat het in de afweging meestal om bescherming van personen tegen trillingshinder. Er kan echter ook sprake zijn van verstoring van activiteiten door trillingen (bijvoorbeeld laboratoria of computercentra). In Nederland bestaat tot op heden geen wetgeving voor het voorkomen van hinder of schade door trillingen. In de praktijk wordt veelal aangesloten bij de SBR-richtlijn "Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen".
Deze richtlijn bestaat uit drie delen: Deel A, Schade aan gebouwen Deel B, Hinder voor personen in gebouwen Deel C, Storing aan apparatuur Planspecifiek In het kader van voorliggend initiatief is een onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van de herinrichting van het stationsgebied in Nunspeet op trillingen naar de omgeving, zie bijlage 8. In dit rapport zijn de gevolgen van het project qua trillingen naar de omgeving tijdens de aanleg en in de gebruiksfase inzichtelijk gemaakt. Geconcludeerd wordt dat de aanlegfase geen verhoogd schaderisico geeft voor omringende panden, maar dat in het pand Elspeterweg 4 mogelijk enige trillinghinder gedurende een beperkte periode (een dag) kan optreden. De herinrichting van het Stationsplein heeft in de gebruiksfase een positieve invloed op trillingen door wegverkeer, aangezien door het initiatief de trillingsterkten in nagenoeg alle woningen rondom het Stationsplein significant afneemt en voor zowel licht- als zwaar verkeer wordt voldaan aan de geldende streefwaarden. Ten aanzien van het railverkeer treden er geen veranderingen op in de optredende trillingsterkte. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect trillingen. 4.1.5 Milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies.
Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten. De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
Stationsomgeving Nunspeet
21
Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Planspecifiek Voorliggend initiatief betreft de herinrichting van het stationsgebied van Nunspeet en met name de reconstructie van de Elspeterweg en de kruising met het spoor. Voor wat betreft het aspect milieuzonering m.b.t. bedrijven en gevoelige functies zoals bijvoorbeeld woningen heeft voorliggend plan geen consequenties. Verdere toetsing is niet nodig (noot: evident is dat er wel effecten te onderzoeken zijn op het vlak van milieu zoals weglawaai e.a.. Deze komen in andere paragrafen aan bod). Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect milieuzonering.
4.1.6 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen. De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting. De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, parkeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn. Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR).
Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan. Planspecifiek Via de website risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website.
22
Stationsomgeving Nunspeet
Uitsnede risicokaart (Bron: risicokaart.nl) Op 14 maart 2019 is een onderzoek uitgevoerd naar de externe veiligheid ten behoeve van onderdoorgangen Nunspeet, zie bijlage 9. In dit onderzoek wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling van de onderdoorgangen geen invloed heeft op het milieuaspect externe veiligheid met betrekking tot de spoorlijn. Daarnaast voorziet voorliggend plan niet in meer kwetsbare objecten in het gebied. Gelet op voorstaande is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het plan. 4.1.7 Milieueffectrapportage Om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over het nieuwe bestemmingsplan dient op grond van de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. vooraf te worden beoordeeld of er ten gevolge van de ontwikkelingen uit dit plan ook belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden. Op basis van die beoordeling moet worden beslist of voor het bestemmingsplan een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Die beoordeling is neergelegd in het gecombineerd plan- en project-m.e.r.-beoordelingsbesluit welke als bijlage 10 bij dit bestemmingsplan is opgenomen. Het betreft een gecombineerde project-/ plan-m.e.r.-beoordeling. Het project-mer-beoordelingsbesluit is voor het bestemmingsplan nodig omdat er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage bij Besluit m.e.r. categorie D11.2).
Het plan-mer-beoordelingsbesluit is nodig voor het bestemmingsplan nu ook een passende beoordeling voor het bestemmingsplan is verricht (artikel 7.2a Wm en artikel 3 van het Besluit m.e.r.). De ontwikkeling van het stationsgebied wordt geclassificeerd als een stedelijk ontwikkelingsproject, waardoor het onder de D lijst, artikel 11.2, van het Besluit m.e.r. valt. Categorie D-11.2 luidt als volgt: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.' De volgende drempelwaarden worden hierbij gehanteerd: Een oppervlakte van 100 ha of meer Een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op een totaaloppervlakte van circa 5 hectare. De geplande ontwikkeling blijft dus ver beneden de drempelwaarden van de m.e.r.-beoordelingsplicht. Voor activiteiten die
Stationsomgeving Nunspeet
23
op de D lijst voorkomen maar onder drempelwaarden liggen, dient wel een vormvrije project-m.e.r. beoordeling te worden uitgevoerd. Deze beoordeling dient plaats te vinden aan de hand van de criteria die zijn opgenomen in bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn. In het rapport 'm.e.r.-beoordeling stationsgebied Nunspeet' van Tauw (bijlage 10) is getoetst aan die criteria. Vanwege de passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming geldt er gelet op artikel 7.2a lid 1 van de Wm voor een bestemmingsplan in beginsel een plan-mer-plicht. Dat is echter anders wanneer sprake is van een geval als bedoeld in artikel 3 lid 1 Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Op 18 december 2020 is namelijk de twintigste tranche Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet in werking getreden (zie Stb. 17 december 2020, nr. 528). Daarmee is ter uitwerking van artikel 7.2a lid 2 Wm een nieuw artikel 3 aan het Besluit m.er. toegevoegd. Op basis van het eerste lid van dat artikel geldt voor onder meer bestemmingsplannen niet meer automatisch een plan-mer-plicht als er een passende beoordeling moet worden gemaakt. De in de wet opgenomen uitzondering is van toepassing op gemeentelijke plannen die het gebruik bepalen van kleine gebieden (artikel 3 lid 1 sub a) dan wel die zien op kleine wijzigingen van bestaande plannen (artikel 3 lid 1 sub b).
Voor dergelijke bestemmingsplannen geldt in eerste instantie dan een verplichting tot het uitvoering van een plan-m.e.r.-beoordeling. In dit geval is sprake van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een klein gebied. De term 'kleine gebieden' betekent dat de omvang van het gebied gering moet zijn vergeleken met het grondgebied van de desbetreffende lokale instantie, in dit geval het grondgebied van de gemeente Nunspeet. Het plangebied heeft een oppervlakte van ca. 5 hectare. Wanneer dat wordt afgezet tegen de oppervlakte van het gemeentelijke grondgebied (= circa 12.953 hectare), moet geconcludeerd worden dat het gebied circa 0,386% van het totale gemeentelijk grondgebied bedraagt. In dit geval is er dus sprake van 'kleine gebieden' als bedoeld in artikel 3 lid 1 sub a Besluit mer. Zie hierover ook de conclusie van advocaat-generaal Kokott (van 8 september 2016, ECLI:EU:C:2016:665. Kokott acht een oppervlakte van ten hoogste 5% van het gebied dat binnen het lokale bestuursniveau valt, een richtcijfer om te kunnen spreken van een 'klein gebied'. Het voorgaande betekent dat nu sprake is van een gemeentelijk bestemmingsplan dat het gebruik bepaalt van 'kleine gebieden' en waarvoor een passende beoordeling moet worden verricht, een plan-m.e.r.beoordelingsbesluit nodig is. In die beoordeling moet getoetst worden of het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.
In die beoordeling moet rekening worden gehouden met de criteria in bijlage II bij de smb-richtlijn (zie art. 3 lid 3 Besluit mer). Deze plan-beoordeling voor 'kleine gebieden' is inhoudelijk gelijk aan de (beoordelings-)criteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn zoals de gelden voor een project-m.e.r.-beoordeling. Een project-m.e.r.-beoordeling kan daarom volgens de Afdelingsrechtspraak ook dienst doen als een plan-m.e.r.-beoordeling. Zie hierover expliciet ABRS 19 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1054. Gelet op de inhoud van het door Tauw opgestelde rapport 'm.e.r.-beoordeling stationsgebied Nunspeet' (bijlage 10) en na een integrale afweging van de daarin beschreven milieueffecten aan de hand van de selectiecriteria uit bijlage III van de m.e.r.-richtlijn (en daarmee gelet op bijlage II van de smb-richtlijn) heeft het college van burgemeester en wethouders geconcludeerd dat de ontwikkeling niet leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het bestemmingsplan heeft dan ook geen aanzienlijke milieueffecten. In dit oordeel zijn de in het rapport beschreven eisen en voorwaarden (mitigerende maatregelen) die in acht zullen worden genomen betrokken. Reden waarom in het gecombineerd plan- en project-m.e.r.-beoordelingsbesluit is besloten dat er daarom voor het bestemmingsplan gelet op de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r.
geen milieueffectrapport opgesteld hoeft te worden.
24
Stationsomgeving Nunspeet
4.2
Water
Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden.
Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
Watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek gaan, voorafgaand aan de vaststelling van het plan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen: de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan.
Stationsomgeving Nunspeet
25
Beleid waterschap Vallei en Veluwe In het Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 heeft waterschap Vallei en Veluwe tactische doelen geformuleerd. Per jaarplan geeft het waterschap concreet invulling aan de daadwerkelijke realisatie van deze doelen. Daarnaast heeft het waterschap de Keur met de Algemene en Beleidsregels van Waterschap Vallei en Veluwe vastgesteld. Alle handelingen in of nabij een waterstaatswerk worden hieraan getoetst. In de Algemene beleidsregels (3e wijziging, 2017) bij de Keur 2013 wordt ten doel gesteld dat een uitbreiding van het verhard oppervlak in principe, vanuit waterhuishoudkundig oogpunt, waterbalans neutraal moet plaatsvinden. Voor ruimtelijke ontwikkelingen gelden op basis van bovengenoemd beleid de volgende uitgangspunten: Hemelwater wordt op basis van de trits 'vasthouden-bergen-afvoeren' zoveel mogelijk ter plaatse vastgehouden. Wanneer bergen en lozen in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is kan geloosd worden op oppervlaktewater. Lozen op de riolering is in principe niet toegestaan; Afvalwater, niet zijnde 'schoon' hemelwater aansluiten op het riool; Houdt bij het ontwerp rekening met de gemiddelde hoogste grondwaterstand; De ontwikkeling dient in de gebruiksfase grondwaterneutraal te zijn.
Structurele drainage of andere middelen om grondwater af te voeren zijn in principe niet toegestaan; Geen uitlogende materialen gebruiken op plaatsen die in contact kunnen komen met (grond)water; Er is sprake van een vrijstelling van het compenseren van de toename van verhard oppervlak als de toename minder is dan 1.500 m² in stedelijk gebied. In landelijk gebied geldt deze vrijstelling ook, tenzij de afvoer niet plaatsvindt in een oppervlaktelichaam met de aanduiding 'water met natuurfunctie zijnde Hen-Sed water' op de natuurkaart behorende bij de Algemene Regels van de Keur. Dan is er sprake van een vrijstelling bij een toename van het verhard oppervlak van minder dan 4.000 m². Planspecifiek Omdat het aanleggen van de onderdoorgang effect kan hebben op de grondwaterstromingen en - standen is hiertoe onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 11). Het onderzoek heeft als doel inzicht te krijgen in de mogelijke effecten van de bemaling op de omgeving. Het onttrekkingsdebiet en waterbezwaar zijn uitgerekend, evenals de verlagingen in de omgeving. Dit onderzoek is opgesteld in lijn met richtlijn BRL SIKB 12000, protocol 12010. Ten behoeve van de aanleg van de tunnel is bij de beoogde uitvoeringsmethode geen bemaling benodigd gezien in dat geval gewerkt zal worden met onderwaterbeton. Hiervoor is minimale onttrekking van water benodigd.
Uitvoering middels deze methode is echter nog niet met zekerheid te stellen aangezien nog niet zeker is of (overal) deze bouwtechniek toegepast kan worden. In de worst-case situatie is mogelijk dus toch sprake van reguliere bemaling. Dat is daarom als zodanig ook onderzocht in de passende beoordeling (zie bijlage 13). Hierin is geconcludeerd dat ook in dit worst-case scenario effecten op de Natura 2000instandhoudingsdoelstellingen zijn uit te sluiten. Op basis van voorstaande kan dan ook geconcludeerd worden dat dit aspect niet aan uitvoering in de weg staat.
26
Stationsomgeving Nunspeet
4.3
Ecologie
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland. Gebiedsbescherming In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat bij ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moet worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende Natura 2000gebied. Soortenbescherming Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten.