CConstaterende datNunspeet
Koppel je AI →
Document · PDF

AP 6a. St.t.i. Bijlage 1. Quickscan Flora Fauna

Commissie Ruimte en Wonen 12 februari 2024, gemeente NunspeetBij agendapunt: Afgifte (ontwerp) verklaring van geen bedenkingen Harderwijkerweg 38-40 In Nunspeet (Woningbouw op Maat).6.345 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan Natuurtoets Harderwijkerweg 38-40 te Nunspeet Inventarisatie en beoordeling in het kader van natuurwetgeving en beleid

Steenbergen Bouwregisseurs

definitief

(085) 4871265 info@ecogroen.nl www.ecogroen.nl

Quickscan Natuurtoets Harderwijkerweg 38-40 te Nunspeet Inventarisatie en beoordeling in het kader van natuurwetgeving en beleid

22-338

3 november 2022

definitief

A. (Arjan) van Vuuren & H. (Harma) Scholten

J. (Jelske) Miedema

Steenbergen Bouwregisseurs

© Ecogroen bv Alles uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, mits onder vermelding van bron en status. Van Vuuren, A. & H. Scholten (2022). Quickscan Natuurtoets Harderwijkerweg 38-40 te Nunspeet. Inventarisatie en beoordeling in het kader van natuurwetgeving en beleid. Rapport 22-338. Ecogroen bv

Inhoud Samenvatting

1

1.

Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling 1.2 Huidige situatie en voorgenomen ontwikkeling 1.3 Leeswijzer

3 3 3 4

2.

Wettelijk kader en methode 2.1 Wettelijk kader 2.2 Onderzoeksmethode

5 5 7

3.

Gebiedsbescherming 3.1 Natura 2000 3.2 Natuurnetwerk Nederland

8 8 9

4.

Soortbescherming 4.1 Zoogdieren 4.2 Vogels 4.3 Amfibieën 4.4 Overige soortgroepen

10 10 13 15 15

5.

Advies groene leefomgeving en biodiversiteit 5.1 Inleiding 5.2 Groen dak 5.3 Halfverharding 5.4 Nestgelegenheden voor huismus 5.5 Verblijfplaatsen voor vleermuizen 5.6 Insecten- en bijenhotel

16 16 16 17 18 19 20

6.

Geraadpleegde bronnen Bijlage 1 – Beoogde situatie

22

Samenvatting Inleiding Maatschap DW is voornemens om een perceel in het centrum van Nunspeet om te vormen. De transformatie wordt begeleid door Steenbergen Bouwregisseurs. Het voornemen is om de huidige bebouwing gedeeltelijk te slopen en te vervangen door vijf seniorenwoningen. Voor een ontwikkeling is een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk. Omdat uitvoering van het bestemmingsplan mogelijk gepaard gaat met negatieve gevolgen voor beschermde natuurwaarden heeft Steenbergen Bouwregisseurs Ecogroen gevraagd om een quickscan natuurtoets uit te voeren. In voorliggend rapport zijn de methodiek en de uitkomsten van de toetsing beschreven.

Resultaten gebiedsbescherming • Het plangebied ligt niet in Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Veluwe op circa 650 meter afstand. Vanwege de afstand tot het plangebied en de tussenliggende bebouwing en infrastructuur zijn directe effecten als oppervlakteverlies en verstoring op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden uitgesloten. • Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied met stikstofgevoelige habitattypen is Veluwe op 650 meter afstand van het plangebied. Als gevolg van het plan kan een toename optreden van stikstofdepositie op de hiervoor gevoelige habitats en leefgebieden. • Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natuurnetwerk Nederland (Gelders Natuurnetwerk [GNN] in provincie Gelderland). Het dichtstbijzijnde onderdeel van het GNN is gelegen op 650 meter afstand van het plangebied. Vanwege de afstand tot het plan en de tussenliggende bebouwing en infrastructuur is geen afbreuk te verwachten aan de kernkwaliteiten van het Gelders Natuurnetwerk.

Resultaten soortbescherming • In het plangebied zijn potentiële vaste rust- en voortplantingsplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Het betreft de zolder, ruimte onder de dakbedekking en kieren en spleten in muren van de voormalige wasserij, vleermuizen hebben hier toegang tot de spouw. • In het plangebied zijn potentiële nestplaatsen van huismus aangetroffen. Het betreft openingen in het dak, kieren en gaten in muren. • In het plangebied is broedbiotoop aanwezig van algemene vogelsoorten. Het betreft vogels zoals houtduif, Turkse tortel, merel, roodborst en winterkoning die broeden in groenelementen. • In het plangebied zijn geen vaste rust- en voortplantingsplaatsen van steenmarter aangetroffen. Het plangebied maakt mogelijk onderdeel uit van niet-onmisbaar foerageergebied van steenmarter. • In het plangebied zijn geen overige beschermde grondgebonden zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, ongewervelden en flora aangetroffen of te verwachten, met uitzondering van soorten waarvoor in provincie Gelderland bij ruimtelijke ingrepen vrijstelling geldt van ontheffingsplicht.

Quickscan Natuurtoets Harderwijkerweg 38-40 te Nunspeet

01

Advies en vervolgstappen • Geadviseerd wordt om een stikstofberekening van de aanleg- en gebruiksfase uit te (laten) voeren om eventuele negatieve gevolgen op Natura 2000-gebieden in beeld te brengen. Om inzichtelijk te maken of er tijdens de aanleg- en gebruiksfase sprake is van effecten op Natura 2000-gebied als gevolg van stikstofdepositie wordt geadviseerd om een stikstofberekening uit te voeren met rekenprogramma AERIUS. • Nader onderzoek naar de functie van het plangebied voor vleermuizen is noodzakelijk om te bepalen of door het plan verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. Het onderzoek bestaat uit vijf nachtelijke bezoeken in de periode van half mei t/m september. • Nader onderzoek naar de functie van het plangebied voor huismus is nodig om te bepalen of door het plan verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. Het onderzoek bestaat uit twee inventarisatieronden in de van 1 april tot half mei. • Geadviseerd wordt de werkzaamheden zoveel mogelijk buiten het broedseizoen uit te voeren. Voor de meeste te verwachten soorten kan de periode tussen 1 maart en 15 juli worden aangehouden als broedseizoen. Indien werkzaamheden in de periode half februari tot half november worden opgestart, wordt geadviseerd om voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcontrole door een ter zake deskundige uit te laten voeren.

Tijdens de broedvogelcontrole wordt bepaald of zich broedende vogels ophouden binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Bij het aantreffen van nesten van vogels wordt in overleg met een ecologisch deskundige bepaald hoe de werkzaamheden op een zorgvuldige wijze binnen de kaders van de Wet natuurbescherming kunnen worden uitgevoerd.

Quickscan Natuurtoets Harderwijkerweg 38-40 te Nunspeet

02

1. Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling Maatschap DW is voornemens om een perceel in het centrum van Nunspeet om te vormen. De transformatie wordt begeleid door Steenbergen Bouwregisseurs. Het voornemen is om de huidige bebouwing gedeeltelijk te slopen en te vervangen door vijf seniorenwoningen. Voor de ontwikkeling is een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk. Om het bestemmingsplan vast te kunnen stellen, moet worden aangetoond dat bij uitvoering van het plan geen strijdigheid optreedt met het natuurbeschermingsrecht. In opdracht van de Steenbergen Bouwregisseurs zijn in deze quickscan natuurtoets de effecten van het voornemen getoetst aan de beschermingskaders van de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland. Aanvullend hierop zijn aanbevelingen gegeven voor het versterken van de natuur in het plangebied. In voorliggend rapport worden de methodiek en de uitkomsten van de toetsing beschreven.

1.2 Huidige situatie en voorgenomen ontwikkeling Het plangebied is gelegen aan de Harderwijkerweg 38-40 te Nunspeet. Op het perceel bevinden zich in de huidige situatie twee woonhuizen onder één kap (Harderwijkerweg 40), een aangebouwde wasserij en schuren die bij de wasserij horen (Harderwijkerweg 38). De woning blijft bij het voornemen behouden en wordt met een deel van het perceel verkocht. De woning maakt vanwege deze splitsing geen onderdeel uit van het plangebied. De wasserij is gebouwd rond 1940 en heeft een spouwmuur. Het dak is afgewerkt met golfplaten en dakleer. Aan de noordzijde van de wasserij is later een uitbouw gerealiseerd, deze uitbouw heeft een spouwmuur en een plat dak. Op het terrein achter de wasserij staat een oud bijgebouw zonder spouwmuur, waarvan het dak reeds verwijderd is. De rest van het plangebied bestaat uit verhardingen en gras (zie figuur 1.1). Bij het voornemen worden geen bomen gekapt, ook de hagen langs het plangebied blijven behouden. De wasserij en de schuren worden gesloopt om ruimte te maken voor de nieuwbouw. Op de kavel waar zich nu de wasserij, schuren, verharding en gras bevinden worden vervolgens vijf grondgebonden seniorenwoningen, parkeerplaatsen en een toegangsweg gerealiseerd. De exacte uitwerking van de bebouwing is nog niet bekend. Voor een plattegrond van de nieuwe situatie wordt verwezen naar bijlage 1.

Quickscan Natuurtoets Harderwijkerweg 38-40 te Nunspeet

03

Figuur 1.1: Plangebied (rode contour) en globale ligging (uitsnede). Bron kaartondergrond: PDOK.

1.3 Leeswijzer Het toetsingskader waarbinnen de natuurtoets is uitgevoerd en de gebruikte methodiek zijn beschreven in hoofdstuk 2. Op basis van de verzamelde informatie volgt een toetsing van de te verwachten gevolgen voor Natura 2000-gebieden en op het Natuurnetwerk Nederland (hoofdstuk 3). Daarop volgt een beschrijving van te verwachten effecten op beschermde soorten (hoofdstuk 4). In elk hoofdstuk is beschreven of en zo ja, welke, vervolgstappen nodig zijn om het bestemmingsplan te kunnen wijzigen. In hoofdstuk 5 is een aantal maatregelen opgenomen voor de natuurinclusieve inrichting van het plangebied. Tot slot wordt een overzicht gegeven van gebruikte bronnen bij de toetsing (hoofdstuk 6).

Quickscan Natuurtoets Harderwijkerweg 38-40 te Nunspeet

04

2. Wettelijk kader en methode 2.1 Wettelijk kader Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, soorten en houtopstanden. Aangezien er bij de voorgenomen ontwikkelingen geen bomen gekapt worden, blijft het onderdeel houtopstanden in voorliggend rapport buiten beschouwing. In onderstaand kader 2.1 is een samenvatting van de relevante wetteksten gegeven. Kader 2.1 Wet natuurbescherming Zorgplicht (artikel 1.11) De Wet natuurbescherming (ook: Wnb) kent een zorgplicht voor natuur en soorten. De zorgplicht is altijd van kracht, ook ten aanzien van niet beschermde natuur. Artikel 1.11 schrijft voor dat iedereen voldoende zorg in acht neemt voor beschermde gebieden, in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Iedereen die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn/haar handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een beschermd gebied of voor in het wild levende soorten, laat deze handelingen achterwege of voorkomt de gevolgen. Dit laatste kan door het treffen van maatregelen ter voorkoming van schade of -als zelfs dat niet kan- de ontstane schade zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Een voorbeeld van (een maatregelen in het kader van) zorgplicht is het werken in de minst kwetsbare periode van soorten.

Natura 2000 (hoofdstuk 2) Hoofdstuk 2 regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bestaande uit Habitatrichtlijngebieden (HR) en Vogelrichtlijngebieden (VR). Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen geformuleerd voor de bescherming van natuurlijke habitats, habitats van soorten en leefgebieden van vogels. Artikelen 2.1 tot en met 2.11 van de Wet regelen de bescherming van (de doelen voor) Natura 2000-gebieden. Artikel 2.7 verplicht om vooraf te beoordelen of plannen en projecten in of in de nabijheid van Natura 2000-gebieden significant negatieve gevolgen kunnen hebben op de voor deze gebieden geformuleerde doelen. Als uit de beoordeling blijkt dat geen significant negatieve gevolgen optreden dan kan een plan worden vastgesteld of is een vergunning voor een project niet nodig. Zijn significant negatieve gevolgen niet uit te sluiten dan is een nadere beoordeling nodig. Artikel 2.8 bevat de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan voor het vaststellen van een plan of het verlenen van een vergunning. Het bevoegd gezag is meestal de provincie waar (het grootste deel van) de ingreep of handeling plaatsvindt, soms is dat het Rijk. Soorten (hoofdstuk 3) Hoofdstuk 3 regelt de bescherming van soorten. De bescherming van soorten is verdeeld over de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10.

Het betreft de bescherming van: • Vogels zoals genoemd in de Vogelrichtlijn (artikel 3.1), in de praktijk vaak onderverdeeld in: – Vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals huismus, gierzwaluw en buizerd. – Overige vogels, waarvan nesten alleen tijdens het broedseizoen zijn beschermd (periode van nestbouw, ei-leg, broeden en voeren van de jongen op het nest). • Soorten (exclusief vogels) van de Habitatrichtlijn (bijlage IV) en de Verdragen van Bern (bijlage II) en Bonn (bijlage I), zoals bedoeld in artikel 3.5. • Andere soorten (artikel 3.10), onderverdeeld in: – Soorten waarvoor een ontheffing vereist kan zijn. – Soorten waarvoor -op basis van de betreffende provinciale verordening- vrijstelling van de verbodsbepalingen geldt. Indien effecten niet zijn uit te sluiten moet -voorafgaand aan het vaststellen van een plan- zijn beoordeeld of er uitzicht is op het verkrijgen van een ontheffing. Als er aantoonbaar uitzicht is op het verkrijgen van een ontheffing dan kan het plan worden vastgesteld. Als bij ruimtelijke ingrepen verbodsbepalingen worden overtreden dan is het noodzakelijk om een ontheffing aan te vragen bij het bevoegd gezag, tenzij gewerkt kan worden volgens een goedgekeurde gedragscode. Het bevoegd gezag is meestal de provincie waar (het grootste deel van) de ingreep of activiteit plaatsvindt, soms is dat het Rijk. Voor het verkrijgen

Quickscan Natuurtoets Harderwijkerweg 38-40 te Nunspeet

05

van een ontheffing moet zijn beschreven hoe de initiatiefnemer ervoor zorgt dat schade aan beschermde soorten tot een minimum beperkt blijft, welke mitigerende en compenserende maatregelen nodig zijn, dat alternatieven ontbreken, aan welk wettelijk belang wordt voldaan en dat de staat van instandhouding van de betreffende soort niet in gevaar komt.

Toetsing bestemmingsplannen Ten behoeve van vaststelling of wijziging van een bestemmingsplan dient (conform jurisprudentie 1) ten aanzien van Natura 2000 de Wet natuurbeschermingstoets uitgevoerd te worden. Deze is vastgelegd in artikel 2.7 lid 1 Wnb & artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming. Dit houdt kortweg in dat voorafgaand aan vaststelling van het bestemmingsplan moet worden nagegaan of (uitvoering van) het plan kan leiden tot mogelijk significant negatieve gevolgen op een Natura 2000-gebied. Volgens vaste jurisprudentie bestaat deze toets uit een vergelijking tussen de huidige feitelijke, planologisch legale situatie en de toekomstige maximale plansituatie. Ten aanzien van soortbescherming (Hoofdstuk 3, Wnb) is in de Wet natuurbescherming geen toetsingskader opgenomen ten aanzien van plannen. Voor soortbescherming wordt in het kader van plannen de uitvoerbaarheidstoets uitgevoerd, die volgt uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Met deze toets wordt de vraag of de beschermingsregimes uit de Wnb de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat beantwoord. Vrij vertaald wordt bepaald of er een ontheffing nodig is en zo ja, of er uitzicht is op het verkrijgen van een Wnb-ontheffing voor het project dat voortvloeit uit het bestemmingsplan.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en provinciale verordening De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en uitgewerkt in provinciale verordeningen. In het Barro staat dat bij provinciale verordening gebieden moeten worden aangewezen die het NNN vormen. De ligging van die gebieden wordt geometrisch vastgelegd. Bij provinciale verordening worden in het belang van de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden, regels gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen waarbij in bepaalde gevallen wordt afgeweken van het bestemmingsplan. Voor nieuwe ontwikkelingen binnen of nabij het NNN, waarbij een nieuw bestemmingsplan wordt vastgesteld of een omgevingsvergunning wordt verleend waarbij in bepaalde gevallen wordt afgeweken van het bestemmingsplan, geldt een ‘neetenzij’-afweging. Dit houdt kortweg in dat significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet toegestaan is. Regels voor beoordeling van effecten op het NNN zijn vastgelegd in provinciale verordeningen en verankerd in de bestemmingsplannen. Indien geen sprake is van een nieuw vast te stellen bestemmingsplan, dan wel dat een omgevingsvergunning voor afwijken bestemmingsplan niet vereist is, is toetsing aan het NNN niet aan de orde.

________________________________________________________________________________ 1 ECLI:NL:RVS:2020:2318

Quickscan Natuurtoets Harderwijkerweg 38-40 te Nunspeet

06

2.2 Onderzoeksmethode Voorliggende quickscan natuurtoets is gebaseerd op literatuur- en veldonderzoek. Bij het literatuuronderzoek zijn bekende verspreidingsgegevens van beschermde soorten uit de Nationale Databank Flora en Fauna geraadpleegd (NDFF, 2022). Bij raadpleging van de NDFF is rekening gehouden met de juridische houdbaarheid van gegevens (3-5 jaar). Er is gezocht naar waarnemingen van de afgelopen 10 jaar, waarnemingen ouder dan 3-5 jaar geven een beeld van de ecologische potenties van het gebied. Aan de hand van beschikbare bronnen, zoals de interactieve atlas van provincie Gelderland is bepaald of het plangebied in de nabijheid van Natura 2000-gebieden ligt. Zie hoofdstuk 6 voor een volledig overzicht van de geraadpleegde bronnen. De verzamelde informatie uit het literatuuronderzoek vormt de basis voor het veldbezoek dat op 21 september 2022 onder gunstige weersomstandigheden (droog, helder, windstil en 15 °C) is uitgevoerd door een ecoloog van Ecogroen. Tijdens het veldbezoek zijn het plangebied en de directe omgeving geïnspecteerd op potentieel aanwezige (stand- en verblijfplaatsen van) beschermde flora en fauna. De bebouwing is onder andere geïnspecteerd op potenties voor verblijfplaatsen van vleermuizen en nesten van vogels.

Aan de hand van de verzamelde informatie uit het literatuuronderzoek en het veldbezoek is bepaald welke effecten kunnen optreden op beschermde soorten en gebieden en welke gevolgen dit heeft voor de voorgenomen ontwikkeling.

Quickscan Natuurtoets Harderwijkerweg 38-40 te Nunspeet

07

3. Gebiedsbescherming 3.1 Natura 2000 Het plangebied ligt niet binnen Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Veluwe op 650 meter afstand van het plangebied (figuur 3.1). Veluwe is aangewezen als Vogel- en Habitatrichtlijngebied. Andere Natura 2000-gebieden, zoals Veluwerandmeren en Arkemheen liggen op respectievelijk 3,5 en 21 kilometer afstand van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen ontwikkelingen, de afstand tot nabijgelegen Natura 2000-gebieden en de tussenliggende bebouwing en infrastructuur is een direct negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden uitgesloten. Er is bijvoorbeeld geen sprake van negatieve effecten zoals oppervlakteverlies, versnippering of verstoring door licht of geluid. Effecten als gevolg van stikstofdepositie zijn echter niet uitgesloten (zie volgende paragraaf).

Figuur 3.1: Plangebied (rode punt) in relatie tot omliggende Natura 2000-gebieden (rode en groene vlakken). Bron kaartondergrond: PDOK.

Effecten van stikstof Als gevolg van het plan kan een toename optreden van stikstofdepositie op de hiervoor gevoelige habitats en leefgebieden. Om inzichtelijk te maken of er tijdens de aanleg- en gebruiksfase sprake is van een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied wordt geadviseerd om een stikstofberekening uit te voeren. Een toename van stikstofdepositie wordt in beeld gebracht met behulp van het rekenmodel AERIUS.

Quickscan Natuurtoets Harderwijkerweg 38-40 te Nunspeet

08

3.2 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natuurnetwerk Nederland (Gelders Natuurnetwerk [GNN] in provincie Gelderland). Het dichtstbijzijnde onderdeel van het GNN is gelegen op 650 meter afstand van het plangebied (figuur 3.2). Vanwege deze afstand en de tussenliggende bebouwing en infrastructuur is geen afbreuk te verwachten aan de kernkwaliteiten van het Gelders Natuurnetwerk. Zo is er bijvoorbeeld geen sprake van verlies van verbinding, rust of donkerte in het natuurnetwerk als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen. Omdat er geen sprake is van aantasting van de kernkwaliteiten van het Gelders Natuurnetwerk, zijn vervolgstappen ten aanzien van het GNN niet aan de orde.

Figuur 3.2: Ligging van het plangebied (rode punt) in relatie tot het GNN (groene vlakken). Bron kaartondergrond: PDOK.

Quickscan Natuurtoets Harderwijkerweg 38-40 te Nunspeet

09

4. Soortbescherming 4.1 Zoogdieren Vleermuizen Het leefgebied van vleermuizen bestaat uit verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden. In onderstaand kader (kader 4.1) worden deze onderdelen nader beschreven en op welke wijze ze beschermd zijn. Kader 4.1 Vleermuizen Verblijfplaatsen Verblijfplaatsen kunnen zich bevinden in donkere en voor vleermuizen bereikbare ruimten in bomen, huizen, kelders et cetera en kunnen aanwezig zijn in de vorm van kraamverblijven/ zomerverblijven, baltslocaties/ paarverblijven en winterverblijven. Verstoring, beschadiging, vernietiging of het verwijderen van deze verblijfplaatsen is verboden. Vliegroutes Voor oriëntatie tijdens de trek van en naar hun verblijfplaatsen en foerageergebieden gebruiken vleermuizen veelal jarenlang dezelfde structuren. Vanwege dit traditiegetrouwe gedrag van vleermuizen vormen bepaalde lijnvormige structuren (bijvoorbeeld rijen woningen, watergangen en bomenrijen) een belangrijk onderdeel van een vliegroute. Wanneer alternatieve structuren ontbreken zijn dergelijke structuren ‘onmisbaar’ en zodoende beschermd. Foerageergebieden Locaties waar insecten aanwezig zijn, bijvoorbeeld langs randen van bossen, bomenrijen of boven water zijn van belang als foerageergebied voor vleermuizen.

Foerageergebied van vleermuizen geniet binnen de Wet natuurbescherming echter geen juridische bescherming, tenzij het onmisbaar is voor het voortbestaan van een populatie.

Binnen enkele honderden meters van het plangebied zijn recente (< 3 jaar oude) waarnemingen bekend van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis. Ook oudere waarnemingen (< 10 jaar oud) tonen aanwezigheid van deze soorten in de omgeving van het plangebied (NDFF, 2022). Verblijfplaatsen In het plangebied zijn potentiële verblijfplaatsen aangetroffen van gebouwbewonende vleermuissoorten. Het betreft kieren in muren, ruimte onder de daklijst en in de dakbedekking (figuur 4.1 & 4.2) en de zolder van de voormalige wasserij (zie figuur 4.3 en 4.4). De ruimtes in de bebouwing, zoals kieren in muren die leiden naar de spouw, de zolder en ruimte onder dakbedekking zijn geschikt als zomer-, kraam en paarverblijfplaats van vleermuissoorten zoals laatvlieger, ruige- en gewone dwergvleermuis. In bebouwing zijn geen sporen van gewone grootoorvleermuis aangetroffen, waardoor verblijfplaatsen van gewone grootoorvleermuis niet te verwachten zijn. De schuur aan de noordoostkant van het perceel heeft geen dak en geen ruimte in de muren, hiermee is de schuur niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Aangezien potentiële verblijfplaatsen bij de sloop van de voormalige wasserij verloren gaan, is aanvullend onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk.

Quickscan Natuurtoets Harderwijkerweg 38-40 te Nunspeet

10

Figuur 4.1 & 4.2: Kieren in muren en ruimte onder de daklijst, ruimte in de dakbedekking. Foto’s: Ecogroen.

Figuur 4.3 & 4.4: De zolder is van buitenaf toegankelijk voor vleermuizen. Foto’s: Ecogroen.

Aanvullend onderzoek naar vaste verblijfplaatsen van vleermuizen dient te worden uitgevoerd conform het geldende Vleermuisprotocol (Netwerk Groene Bureaus & Vleermuisvakberaad, 2021). Aanvullend onderzoek In deze situatie is het noodzakelijk om in de periode van half mei tot en met september vijf bezoeken te brengen. Het gaat hierbij om twee fasen: • Drie nachtelijke bezoeken in de periode half mei tot half juli welke gericht zijn op kraamkolonies en zomerverblijfplaatsen; • Twee nachtelijke bezoeken van half augustus tot eind september gericht op baltslocaties en paarverblijfplaatsen. Aan de hand van de resultaten van het aanvullend vleermuisonderzoek wordt bepaald of de verbodsartikelen van de Wet natuurbescherming vaststelling van het bestemmingsplan in de weg staan. Indien verblijfplaatsen worden aangetroffen zijn vervolgstappen noodzakelijk. Vliegroutes In het plangebied zijn geen vliegroutes te verwachten. Bij de voorgenomen ontwikkelingen gaan geen lijnvormige structuren verloren die onderdeel uitmaken van een potentiële vliegroute. Mogelijk maken de laanbomen en woningen langs de Harderwijkerweg onderdeel uit van een vliegroute, deze elementen

Quickscan Natuurtoets Harderwijkerweg 38-40 te Nunspeet

11

blijven echter behouden. Vervolgstappen ten aanzien van vliegroutes van vleermuizen zijn niet aan de orde. Foerageergebieden De tuin in het plangebied is geschikt als foerageergebied van vleermuizen. Bij de voorgenomen ontwikkelingen gaan mogelijk enkele elementen verloren, zoals het grasveldje aan de noordkant van het perceel. In de omgeving zijn echter ruimvoldoende alternatieve foerageergebieden beschikbaar, zoals tuinen, lanen en de bosrijke omgeving van Nunspeet. Omdat bij de voorgenomen ontwikkelingen geen onmisbaar foerageergebied verloren gaat, zijn vervolgstappen ten aanzien van foerageergebieden van vleermuizen niet aan de orde.

Steenmarter In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen van steenmarter bekend (NDFF, 2022). De dichtstbijzijnde waarneming is gedaan op circa 275 meter afstand van de begrenzing van het plangebied. Verblijfplaatsen In verblijfplaatsen van steenmarters worden sporen aangetroffen in de vorm van uitwerpselen en prooiresten. In voorliggende situatie zijn geen sporen van steenmarter aangetroffen in de bebouwing. Verblijfplaatsen van steenmarter zijn derhalve niet te verwachten in de bebouwing. Vervolgstappen ten aanzien van verblijfplaatsen van steenmarter zijn niet aan de orde. Foerageergebied In het plangebied is geschikt leefgebied aangetroffen voor prooidieren van steenmarter, zoals vogels en knaagdieren. Mogelijk maakt het plangebied daarmee onderdeel uit van het foerageergebied van steenmarter. Bij de herinrichting van het plangebied gaat dit foerageergebied grotendeels verloren. Vanwege de vele uitwijkmogelijkheden betreft het echter geen onmisbaar foerageergebied. In de omgeving van het plangebied zijn ruimvoldoende tuinen en plantsoenen aanwezig waar steenmarters voedsel kunnen vinden. Aangezien er geen sprake is van verlies van essentieel foerageergebied, zijn vervolgstappen ten aanzien van foerageergebieden van steenmarter niet aan de orde.

Overige zoogdieren Op basis van het veldbezoek, bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2022) en terreinkenmerken, worden geen vaste rust- en voortplantingsplaatsen van overige zoogdieren van de Habitatrichtlijn en verdragen van Bern en Bonn (zoals bever en Noordse woelmuis) of Nationaal beschermde soorten (zoals eekhoorn en wezel) verwacht. Vervolgstappen met betrekking tot overige soorten zijn niet aan de orde. Wel zijn in het plangebied mogelijk vaste verblijfplaatsen van algemeen voorkomende grondgebonden zoogdiersoorten met een provinciale vrijstelling aangetroffen en/of te verwachten, zoals bosspitsmuis en egel. Bij uitvoering van het bestemmingsplan kunnen enkele verblijfplaatsen of exemplaren van deze grondgebonden zoogdieren geschaad worden. In voorliggende situatie geldt voor deze soorten in de provincie Gelderland een vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor het nemen van vervolgstappen niet aan de orde is.

Quickscan Natuurtoets Harderwijkerweg 38-40 te Nunspeet

12

De zorgplicht (zie kader 2.1) geldt wel voor deze soorten. Hierin kan invulling worden gegeven door onder andere werkzaamheden uit te voeren buiten de kwetsbare (voortplantings)periode van te verwachten soorten, de werkzaamheden op een langzaam tempo en in één richting uit te voeren.

4.2 Vogels Bij vogels wordt onderscheid gemaakt in twee categorieën met een verschillend beschermingsregiem (zie kader 2.1). Van veel vogels zijn nesten alleen gedurende het broedseizoen beschermd. Voor een aantal vogelsoorten geldt echter dat de nestlocatie inclusief de functionele leefomgeving jaarrond beschermd zijn (zie kader 4.2). Kader 4.2 Vogels met jaarrond beschermde nestplaatsen Onder jaarrond beschermde nesten van vogels wordt in Gelderland verstaan: in functie zijnde nesten van de boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw. Voor sommige andere soorten geldt dat de nesten jaarrond beschermd zijn als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.

Vogels waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn Huismus Tijdens het veldbezoek zijn huismussen aangetroffen in het plangebied. Het gaat om twee foeragerende dieren in de beukhaag aan de oostkant van het plangebied. In de bebouwing in het plangebied zijn bovendien potentiële nestplaatsen van huismus aangetroffen. Het betreft openingen in het dak, kieren en gaten in muren (zie figuur 4.5 en 4.6). Om te bepalen of sprake is van schade aan nesten van huismus is aanvullend onderzoek noodzakelijk.

Figuur 4.5 & 4.6: Mogelijke nestplaatsen van huismus. (Foto’s: Ecogroen).

Vervolgstappen ten aanzien van huismus Huismusonderzoek wordt vormgegeven conform het Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2022). Conform het kennisdocument zijn twee inventarisatieronden nodig in de periode 1 april - medio mei, met minimaal

Quickscan Natuurtoets Harderwijkerweg 38-40 te Nunspeet

13

10 dagen tussen beide bezoeken. In het onderzoek wordt nest-, broed- en territoriumindicerend gedrag van huismus geobserveerd om broedgevallen en territoria van huismus vast te stellen. Indien broedgevallen worden aangetroffen wordt tevens in kaart gebracht of, en zo ja welke elementen (zoals hagen en struiken) in de direct omgeving onderdeel uitmaken van de functionele leefomgeving van de mussen. Afhankelijk van de resultaten van het huismusonderzoek zijn mogelijk vervolgstappen noodzakelijk. Gierzwaluw In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen van gierzwaluw bekend (NDFF, 2022). Het betreft waarnemingen van overvliegende en foeragerende dieren boven het centrum van Nunspeet. In de bebouwing zijn echter geen geschikte broedplaatsen voor gierzwaluw aangetroffen, waardoor nesten van gierzwaluw niet te verwachten zijn. Om de nestplaats veilig in en uit te kunnen vliegen hebben gierzwaluwen enige hoogte (minimaal 3 meter) en een vrije aanvliegroute nodig. Kieren en ruimtes in het dak zijn in voorliggende situatie aangetroffen op maximaal 2 meter hoogte, of hebben geen vrije aanvliegroute (zie figuur 4.5). Daarom is uitgesloten dat gierzwaluwen de bebouwing kunnen gebruiken als nestplaats. Aangezien nesten van gierzwaluw niet te verwachten zijn in de bebouwing in het plangebied, zijn vervolgstappen ten aanzien van gierzwaluw niet aan de orde.

Overige vogels waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn Op basis van het veldbezoek, bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2022) en terreinkenmerken zijn in het plangebied geen jaarrond beschermde nesten te verwachten van de soorten genoemd in kader 4.2. In het plangebied zijn echter wel potentiële nestplaatsen aangetroffen van vogels waarvan de nesten bij zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden beschermd zijn. Het betreft nestplaatsen voor koolmees, pimpelmees, spreeuw in gaten en kieren in de bebouwing en potentiële nestplaatsen van ekster in de bomen langs de Harderwijkerweg. Bij de sloop van de bebouwing gaan mogelijk nestplaatsen verloren van koolmees, pimpelmees of spreeuw. In voorliggende situatie zijn voor deze soorten echter ruim voldoende uitwijkmogelijkheden beschikbaar, waardoor geen sprake is van zwaarwegende ecologische omstandigheden. Voorbeelden van uitwijkmogelijkheden zijn de bebouwing in het centrum Nunspeet, vogelhuisjes in tuinen en holtes in bomen in de omgeving. Nesten van koolmees, pimpelmees en spreeuw vallen hiermee onder het beschermingsregime van algemene broedvogels, wat betekent dat nesten alleen beschermd zijn wanneer zij in gebruik zijn (zie ook onderstaande paragraaf).

Overige vogels De bebouwing is geschikt als broedbiotoop van kauw en Turkse tortel. Door de aanwezigheid van bomen en de haag zijn in en om het plangebied algemene vogelsoorten als houtduif, Turkse tortel, merel, roodborst en winterkoning te verwachten. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die soorten, nesten, eieren of vaste rust- of verblijfplaatsen beschadigen of verstoren. Van belang is of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd, omdat deze per soort en vaak per jaar kan verschillen. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd, omdat deze per soort en vaak per jaar kan verschillen. Daarmee is het dus van belang of een broedgeval wordt beschadigd of verstoord, ongeacht de datum. Voor de meeste soorten kan de periode

Quickscan Natuurtoets Harderwijkerweg 38-40 te Nunspeet

14

tussen 1 maart en 15 juli worden aangehouden als broedseizoen. Houtduif en Turkse tortel kunnen tot in december broedsels beginnen, maar ook al voor februari starten met nestelen. Daarom adviseren we – zeker wanneer werkzaamheden binnen de periode van half februari tot half december worden gestart om een broedvogelcontrole uit te voeren. Tijdens de broedvogelcontrole wordt bepaald of zich broedende vogels ophouden binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Bij het aantreffen van nesten van vogels wordt in overleg met een ecologisch deskundige bepaald hoe de werkzaamheden op een zorgvuldige wijze binnen de kaders van de Wet natuurbescherming kunnen worden uitgevoerd. Indien deze voorzorgsmaatregelen in acht worden genomen, zijn geen vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming zijn voor vogels (zonder jaarrond beschermde nesten) aan de orde.

4.3 Amfibieën Op basis van het veldbezoek, terreinkenmerken, habitateisen en bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2022) worden geen amfibieën zonder provinciale vrijstelling (zoals kamsalamander en Alpenwatersalamander) verwacht. Rond het projectgebied zijn op grond van het veldbezoek vaste rust- of voortplantingsplaatsen van nationaal beschermde soorten met provinciale vrijstelling, zoals gewone pad en bruine kikker te verwachten. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van verbodsbepalingen bij ruimtelijke ingrepen. Vervolgstappen met betrekking tot Nationaal beschermde amfibieën met provinciale vrijstelling zijn niet aan de orde.

4.4 Overige soortgroepen Op basis van het veldbezoek, terreinkenmerken, habitateisen en bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2022) worden geen beschermde planten, reptielen en ongewervelden verwacht in of nabij het plangebied, met uitzondering van soorten waarvoor in provincie Gelderland vrijstelling van ontheffingsplicht geldt. Vervolgstappen voor deze soorten zijn niet aan de orde.

Quickscan Natuurtoets Harderwijkerweg 38-40 te Nunspeet

15

5. Advies groene leefomgeving en biodiversiteit 5.1 Inleiding De initiatiefnemer heeft het voornemen om niet alleen aan de wettelijk verplichtingen in het kader van de Wet natuurbescherming te voldoen, maar wil ook een natuurinclusief gebouw tot stand brengen. De belangstelling voor biodiversiteit is de laatste jaren toegenomen, zeker nadat bekend is geworden dat een derde van onze planten- en diersoorten in hun voortbestaan wordt bedreigd en op de Rode Lijst staat. Een robuuste, biodiverse natuur is nodig voor frisse lucht, schoon water en om de effecten van klimaatverandering te verzachten. De opdrachtgever heeft Ecogroen gevraagd om in de rapportage ook een bovenwettelijk ecologisch advies op te stellen voor de groene inrichting van het terrein en de seniorenwoningen. Dit advies dient als input om het plan verder uit te werken. In de volgende paragrafen zijn onderstaande maatregelen uitgewerkt: • Aanleg van een groen dak • De aanleg van halfverhardingen • Aanbrengen van nestplaatsen voor vogels • Aanbrengen van verblijfplaatsen voor vleermuizen • Aanbrengen van bijenhotels

5.2 Groen dak Groene daken werken isolerend (verkoelend in de zomer, als deken in de winter), vangen fijnstof af, hebben een sponswerking waardoor regenwater wordt vastgehouden waardoor piekafvoeren worden voorkomen en zijn belangrijke biotopen voor droogteminnende planten en insecten. Voor daken van vrijwel elke hellingshoek (van een plat dak tot sterk hellende daken) zijn opties beschikbaar om een groen dak te realiseren, bij de toepassing moet echter wel rekening gehouden worden met de draagkracht van de dakconstructie. Bij het streven naar een hoge biodiversiteit is het belangrijk om te werken met vooral inheems plantmateriaal. Op groene daken zijn plantensoorten van droge, zandige, voedselarme en zonnige omstandigheden het best op hun plaats. Sedumdaken met vetplanten als muurpeper, tripmadam en wit vetkruid zijn kant en klaar te koop, evenals een ‘wildflower-mat’, waarin lage kruidachtige planten als grasklokje, muizenoor en tijm zijn verwerkt (Sempergreen, 2022). Ook is het mogelijk om de soortenrijkdom op een sedumdak te verhogen door het D2 - Bloemrijk dakmengsel voor ecologische dakbegroeiing van Cruydthoeck bij te zaaien (figuur 5.1).

Quickscan Natuurtoets Harderwijkerweg 38-40 te Nunspeet

16

Figuur 5.1: Groen dak op een sterk hellend dak. Bron: Sempergreen

5.3 Halfverharding Door grastegels op parkeerplaatsen te gebruiken krijgen diverse plantensoorten nog de kans om zich hier te vestigen. Deze tegels bevatten uitsparingen waartussen gras en andere planten groeien (zie figuur 3.3). Dit zorgt ervoor dat regenwater sneller de grond in trekt en zo vastgehouden wordt in de grond, zodat er geen plassen ontstaan en het riool minder belast wordt. Door de uitsparingen in tegels niet in te zaaien komen gebiedseigen plantensoorten op.

Quickscan Natuurtoets Harderwijkerweg 38-40 te Nunspeet

17

Figuur 5.2: Grastegels kunnen voor diverse planten een uitkomst bieden (foto: Ecogroen).

5.4 Nestgelegenheden voor huismus Huismussen zijn talrijk aanwezig in de buurt van menselijke bebouwing, bij voorkeur in de buurt van oudere bebouwing, waar in gaten en onder dakpannen wordt gebroed, in een groene omgeving met schuilplekken in bomen en struiken. Zij foerageren in tuinen en op kruidenrijke plaatsen. De huismuspopulatie is afgenomen door het verdwijnen van geschikte nestlocaties in combinatie met het verdwijnen van groene tuinen en ruigtes. In de nieuwbouw zijn mogelijkheden om broedgelegenheid voor mussen te creëren door het inbouwen of ophangen van nestkasten. De pannendaken van de seniorenwoningen kunnen daarnaast geschikt gemaakt worden voor huismus door de dakvoet toegankelijk te maken. Dit kan worden uitgevoerd door de panlatten en eventueel vogelschroot verhoogd aan te brengen. Huismuskasten (figuur 5.3) zijn te gebruiken als opbouwkast maar kunnen ook ingemetseld worden bij nieuwbouwprojecten. Het plaatsen van meerdere nestkasten bij elkaar is wenselijk, omdat huismussen in de regel in kolonies broeden. De kasten dienen te worden geplaatst op een hoogte van minimaal 3 meter op de noord- of oostgevels van de bebouwing op een afstand van minimaal 50 cm van elkaar, of zo geplaatst dat de mussen elkaar vanuit de nestopening niet kunnen zien.

Op zuid- en westgevels kunnen eveneens huismuskasten worden toegepast, mits deze afgeschermd worden van direct zonlicht door een overstek. Bij inbouw wordt de voorzijde van de kast gelijk met de voorzijde van de gevel geplaatst. De isolatie in de spouw kan doorlopen achter de kast dus er ontstaat geen koudebrug. Moet er toch isolatie weggesneden worden dan is het belangrijk om de isolatie ruim om de omtrek van de kast weg te snijden. De ruimte achter de kast moet in dat geval opgevuld worden met een harde isolatie. Niet alleen huismussen, ook mezen kunnen gebruik maken van deze voorziening.

Quickscan Natuurtoets Harderwijkerweg 38-40 te Nunspeet

18

Figuur 5.1 Nestkasten voor huismus. Inbouwsteen (links) en op te bouwen gevelkast (rechts) (bron: Vivarapro, 2022).

5.5 Verblijfplaatsen voor vleermuizen Er zijn verschillende opties voor het realiseren van vleermuisverblijven. Voor gebouwbewonende soorten is het toegankelijk maken van spouwmuren voor vleermuizen vaak de beste optie (zie figuur 5.4). In de meeste bouwstijlen kunnen deze worden gerealiseerd door het inmetselen van geschakelde inbouwstenen van bijvoorbeeld het type IB-VL-06 van Vivara van 21 x 50 x 15 cm. Bij toepassing van één steen per locatie dient deze als zomerverblijf of paarverblijf voor één of enkele vleermuizen. De inbouwstenen zijn ook geschikt als kraamverblijf, hiervoor moeten wel meerdere stenen aan elkaar geschakeld worden zodat er een grotere ruimte ontstaat. De vleermuizen kunnen op deze manier van de ene naar de andere ruimte kruipen. Hierdoor ontstaat er een grote ‘vleermuiskast’ in de spouw (figuur 5.5). De vleermuisinbouwstenen dienen op een hoogte van minimaal 3 meter te worden geplaatst. Door de stenen verspreid en gekoppeld op de noord- en zuidgevels in te metselen ontstaat er meer variatie in locatie en microklimaat, waardoor de kans groter is dat geschikte condities voor vleermuizen worden gecreëerd. Het belangrijkste is dat de gevel met het vleermuisverblijf niet rechtstreeks wordt verlicht. Ook een vrije in- en uitvliegruimte is van belang.

Figuur 5.4 Het realiseren van een toegankelijke spouw via open stootvoegen is vaak de beste optie om verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen te realiseren (foto: Ecogroen).

Quickscan Natuurtoets Harderwijkerweg 38-40 te Nunspeet

19

Figuur 5.5 Voorbeeld van gekoppelde vleermuisvoorzieningen in de gevel. Vleermuizen kunnen zich van binnenuit verplaatsen tussen de stenen. Bron: renovatietotaal, 2022).

5.6 Insecten- en bijenhotel Wilde, solitaire bijen zijn familieleden van de bekende honingbij. In ons land komen zeker 300 soorten solitaire bijen voor. De vrouwtjes van solitaire bijen hebben wel angels maar kunnen mensen niet steken. Ze leven, in tegenstelling tot de honingbij en hommels, niet in een kolonie. Een solitair vrouwtje maakt een nestje in de grond, in een leemwand of in bestaande gangen in hout. Deze dieren zijn van buitengewoon groot belang voor de natuur, onder andere omdat ze bloemen bestuiven. Daarnaast worden vergroten zij het voedselaanbod voor andere dieren zoals zangvogels. Houtblokken, waarin gangen geboord zijn van verschillende diameters, vormen ideale nestplaatsen voor vele soorten bijen, zoals metsel- en klokjesbijen. Andere soorten kunnen terecht in bundels riet, bamboe of blokken leem. Door de nestgelegenheden aan te bieden op een zonnige plaats (zuidzijde) in een houten frame met overkapping wordt een optimaal insecten- of bijenhotel gecreëerd (zie figuur 5.2). Deze zijn zelf te maken, maar er bestaan ook prefab-insectenhotels. Bijenhotels kunnen worden geplaatst aan de gevels of bergingen.

Quickscan Natuurtoets Harderwijkerweg 38-40 te Nunspeet

20

Figuur 5.4 & 5.5: Voorbeelden van kleine bijenhotels. Foto’s: Ecogroen.

Quickscan Natuurtoets Harderwijkerweg 38-40 te Nunspeet

21

6. Geraadpleegde bronnen Literatuur BIJ12 (2017a). Kennisdocument Huismus Passer domesticus. Versie 2.0, juli 2022 BIJ12 (2017b). Kennisdocument Gewone Dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus. Versie 1.0, juli 2017. BIJ12 (2017c). Kennisdocument Gewone Grootoorvleermuis. Plecotus auritus Versie 1.0, juli 2017. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2020). Vleermuisprotocol 2021, oktober 2020. www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl

Internet NDFF (2022) NDFF uitvoerportaal (https://ndff-ecogrid.nl). Laatste raadpleging oktober 2022. Renovatietotaal (2022) (via https://renovatietotaal.nl) Sempergreen (2022) (via https://Sempergreen.com) Vivarapro (2022) (via https://Vivarapro.nl)

Quickscan Natuurtoets Harderwijkerweg 38-40 te Nunspeet

22

Bijlage 1 – Beoogde situatie

5 senioren woningen

parkeren senioren woningen

toegangsweg

perceel 245 m2

toegangsweg

parkeren

belendend perceel

bestaand woonhuis

0

1

10

Harderwijkerweg

gewijzigde situatie

JOHANHOFMAN Architect

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13708505/1