AP 6a Bijlage - Voorstel inrichting OFGN 29 augustus 2022
Tekst van het document
Innovatie en ondernemerschap in Nunspeet Voorstel aan raad en college van Nunspeet voor de inrichting van een ondernemersfonds
Aart van Bochove Augustus 2022
2
Inhoud
1. Status van deze notitie 2. Hoe moet je het concept van een ondernemersfonds plaatsen? 3. Waarom in Nunspeet? 4. Een ondernemersfonds in het kort 5. Relatie met de ozb 6. Omvang van het fonds 7. Overwegingen bij de inrichting van het fonds 8. Balans gemeentebreed en gebiedsgericht in Nunspeet 9. Financiële contour van het fonds 10. De positie van de agrarische sector 11. De governance van een ondernemersfonds 12. De rol van draagvlak 13. Het discussieverloop in Nunspeet 14. Doorkijk door de bestedingen 15. Recapitulatie: wat vragen we van de gemeente? Bijlage: detailoverzicht van alle contacten bij de voorbereiding van het voorstel
3
1. Status van deze notitie
Deze notitie bevat een voorstel aan het College van B&W en Gemeenteraad van Nunspeet om over te gaan tot de inrichting van een ondernemersfonds. Het voorstel heeft een lange voorgeschiedenis. In het collegeprogramma 2018-2022 is in de paragraaf ‘Een sterke economie’ opgenomen dat “de gemeente de lokale economie stimuleert, faciliteert en versterkt. Een ondernemersfonds kan werken als aanjager van de lokale economie.” De belangstelling in de lokale politiek was mede geïnspireerd door het succesvolle voorbeeld in buurgemeente Heerde. Vanuit politiek Nunspeet is het ondernemersfonds geagendeerd bij de Bedrijvenkring Nunspeet (BKN) en Nunspeet Onderneemt Samen (NOS). Er is binnen en buiten de verenigingen de overtuiging gegroeid dat een ondernemersfonds een belangrijk instrument voor Nunspeet kan zijn. Maar door corona is de voorbereiding lang uitgesteld. We achten thans het moment gekomen om in meer definitieve zin met de politiek te praten. Het voorstel is uitgewerkt door een werkgroep onder voorzitterschap van Ronald Cleijsen met steun van de Gemeente Nunspeet en de Provincie Gelderland. Penvoerder was bureau Blaauwberg uit Leiden. Het voorstel bevat een uitvoerige bijlage, met daarin een opsomming van de vele contacten die aan het opstellen van deze notitie vooraf zijn gegaan.
Een ondernemersfonds is een structurele financiële positie om de gezamenlijke omgevingsbelangen van ondernemers te financieren, om de organisatiegraad en betrokkenheid te verhogen en om een stabiel speelveld te scheppen tussen samenwerking van ondernemers onderling en tussen ondernemers en derde partijen, zoals gemeente en provincie. De positie wordt gefinancierd vanuit een meeropbrengst van de ozb voor niet-woningen. Dat maakt steun van de gemeenteraad onontbeerlijk. En die steun maakt een grondige voorbereiding weer noodzakelijk. Het resultaat van die voorbereiding treft u aan in deze notitie. Bij de gesprekken over nut, noodzaak en inrichting van het ondernemersfonds is volop gebruik gemaakt van inzichten opgedaan in de 50 reeds bestaande fondsen. De tekst hieronder heeft daardoor een ‘estafette karakter’ gekregen. We schetsen steeds het landelijk speelveld en de keuze die de werkgroep voor Nunspeet daarin maakt op basis van de lokale omstandigheden en ambities.
2. Hoe moet je het concept van een ondernemersfonds plaatsen?
We maken heftige tijden mee. Na 2009 sloeg de kredietcrisis grote bressen in het midden- en kleinbedrijf. Het heeft veel bedrijven jaren gekost om daar financieel van te herstellen. Dat was amper achter de rug of corona diende zich aan. En nu beleven we een oorlog in onze omgeving, loopt de inflatie op, is de arbeidsmarkt ernstig gespannen en zijn aanvoerketens verstoord. We denken niet dat het op korte termijn rustiger wordt. Het zal ‘volatiel’ blijven. Daar komen dan de echte beleidsopgaven bij, zoals de energietransitie, de klimaatadaptatie, de vergrijzing. We moeten flink aan het werk. Wat betekent dat voor het bedrijfsleven?
4
We moeten goed voorbereid zijn. Een goed klimaat hebben om samen te werken – onderling en met de overheid. Ook een goed klimaat om informatie en signaleringen uit te wisselen. Een goed georganiseerd speelveld, met stabiele gespreksrelaties. We horen vaak het begrip veerkracht: het vermogen om tegenslagen op te vangen zonder er aan onderdoor te gaan en ook het vermogen om snel in te spelen op kansen die zich voordoen. Dat kan heel praktisch zijn. Zo opent de overheid voortdurend nieuwe subsidieregelingen, waarmee bedrijven een deel van hun investeringen (in bijvoorbeeld de energietransitie) kunnen aanpakken. Maar dan moet je wel plannen klaar hebben liggen en professionele capaciteit beschikbaar hebben om nog meer plannen te maken. Dat is wat we voor Nunspeet beogen: een goed georganiseerd speelveld, zodat we tegen een stootje kunnen. Twintig jaar geleden kon elk bedrijf nog voor zichzelf opereren. Er waren standsorganisaties voor de belangenbehartiging en de overheid werd aangesproken op de randvoorwaarden van het ondernemen, zoals ruimte en bereikbaarheid. Maar die tijd is geweest. Ondernemers hebben er gezamenlijk veel taken bij gekregen: veiligheid, schoon en heel houden van de omgeving, afstemming met het onderwijs, marketing en promotie, meedenken over de ruimte, over de arbeidsmarkt, over de energietransitie.
We accepteren die verantwoordelijkheden: de overheid kan het niet alleen. En we willen die verantwoordelijkheid ook: we zoeken een partnerschap met de overheid als het gaat om de vaststelling van de sociaaleconomische agenda. We weten dat niet alle ondernemers er zo in staan. Er zijn collega’s die hun blik beperken tot de bedrijfspoort en alles daar buiten aan anderen laten. Maar juist de lokaal georganiseerden willen wel verder kijken. Dat is ook vanuit een goed begrepen eigen belang. Met onze bedrijven zorgen we voor werk, inkomen en leefbaarheid. Daar hebben we een stabiele omgeving voor nodig, open lijnen, goede informatievoorziening. En ook de mogelijkheid om eigen investeringen te doen. Het is niet motiverend om bij elk goed plan eerst met de pet rond te moeten gaan, hetzij naar ‘rijke’ bedrijven, hetzij naar de overheid. De afgelopen twintig jaar is er in het land veel belangstelling geweest voor de ‘weg van het geld’: zorg dat ondernemers een investeringspositie hebben die structureel is, zodat er plannen voor de langere termijn gemaakt kunnen worden; een positie waar iedereen aan mee betaalt en geen ‘freeriders’ meer zijn; en een positie die het mogelijk maakt om de belangen professioneel aan te pakken. Er is maar één weg om dat te regelen: de belastingkas. Dat brengt lokale ondernemers in contact met de lokale overheid.
Het gaat om vier verschillende belastingen: de toeristenbelasting, de ozb, de reclamebelasting en de biz-belasting. Het idee van een regeling via de belasting is inmiddels breed geaccepteerd, het gaat wel steeds praktisch om de goede mix, omvang, aansturing. En het gaat nooit alleen om het geld. Het geld is een middel om ‘eigenaarschap’, verantwoordelijkheid en organisatiekracht los te maken. De toeristenbelasting wordt alleen geheven bij ondernemers die accommodatie aanbieden. En de biz en reclamebelasting zijn heffingen voor kleinere, afzonderlijke gebieden. De biz is daarnaast bedoeld voor goed te plannen investeringen (in een verplicht vijfjarenplan) en zit erg aan gemeentelijke regels en toezicht vast. Een ondernemersfonds op woz-basis is het enige mechanisme waarin iedereen mee doet en dat geschikt is voor een gemeentebrede ‘boost’, de regie volledig bij de ondernemers legt en op langere termijn stabiel is.
5
3. Waarom in Nunspeet?
Er wordt hard gewerkt in Nunspeet. Op 1000 leden van de beroepsbevolking (15-64 jaar) hebben we 848 banen. Dat is behoorlijk meer dan het landelijk gemiddelde van 803. Op toeristisch-recreatief terrein zijn we nog groter: 56 banen per 1000 inwoners van 15 tot 74 jaar tegen landelijk 44. En er is ook steeds nieuwe aanwas: 14% van onze banen wordt door zzpers ingenomen (landelijk 11.4%). Dat zijn mooie cijfers. Landelijk gezien is er een trek van bedrijven, jonge mensen en jonge ondernemingen naar de steden en tekent zich zelfs een zekere ‘braindrain’ af. Nunspeet ontsnapt daaraan. We zijn economisch vitaal, een trekpaard voor de noordelijke Veluwe. Dat schept een verantwoordelijkheid. Het gaat nu goed, maar we willen toekomstbestendig zijn Ook de voorzieningen zijn goed en de saamhorigheid is behoorlijk. Dat blijkt er onder meer uit dat onze streekmarketingorganisatie VVV Nunspeet Uit De Kunst door ondernemers is geïnitieerd (en niet door de gemeente). Maar alweer: dat vergt onderhoud. Op de bedrijventerreinen is nu een parkmanager actief en in de kern van Nunspeet een centrummanager, beiden parttime. Die worden nu betaald door de Provincie Gelderland. Dat is tijdelijk geld. Er moet een structurele oplossing komen: centrum- en parkmanagement behoren zo langzamerhand tot de basisuitrusting van een lokale economie.
We zien het opbouwen van een gezamenlijke positie in deze gebieden ook als opmaat naar de energietransitie. Daar is organiserend vermogen voor nodig. Vrij recent is ‘ondermijning’ toegevoegd aan de urgenties die overheid en bedrijfsleven met elkaar delen. Op 22 mei dit jaar liet burgemeester Van de Weerd van Nunspeet in een interview in NRC weten dat ook op de Veluwe een burgemeester een ‘crime fighter’ is die alert moet zijn op witwassen, illegaal pandgebruik en ander vormen van verknoping van onder- en bovenwereld. Ook Nunspeet is kwetsbaar. Alweer: organiserend vermogen en ‘boots on the ground’ hebben in de werkgebieden zijn hard nodig. Overigens kunnen we ook een kanttekening plaatsen bij het succesverhaal van Nunspeet: er zit weinig vermogen in het vastgoed. De waarde van het zakelijk vastgoed staat buiten de steden al jarenlang onder druk. Die in Nunspeet bedraagt ongeveer 550 miljoen. Dat is weinig in vergelijking met even grote gemeenten als Ermelo (712 miljoen), Dalfsen (650 miljoen) en Winterswijk (717 miljoen). De trend is dalend, net als in een groot deel van het land. Het kapitaal trekt naar de steden toe. Ter vergelijking: in 2011 bedroeg de vastgoedwaarde in Nunspeet nog 577 miljoen. In Amsterdam steeg tussen 2011 en 2020 de vastgoedwaarde van 33 naar 42 miljard. Dat zijn toch cijfers die in niet-stedelijk Nederland een frons mogen oproepen.
Dan is er een reeks generieke zaken, die voor meer plekken maar zeker ook voor Nunspeet gelden:
Tal van praktische voorzieningen die voor bedrijven belangrijk zijn, zijn veel gemakkelijker te organiseren en zijn veel goedkoper door ze gezamenlijk aan te pakken: promotie, beveiliging, afvalbehandeling, personenvervoer, internet, infrastructuur. Gezamenlijk aanbesteden levert flinke kostenvoordelen op Er komen grote uitdagingen op het bedrijfsleven af. De zorg om goed geschoold personeel is daar één van, duurzaamheid en de energietransitie komen daarbij. Dat zijn kwesties die vragen om een gezamenlijke aanpak door bedrijven. Daar zijn instrumenten voor nodig. De grens tussen economie en samenleving vervaagt. Bedrijven zijn niet meer alleen scheppers van welvaart en werkgelegenheid, maar ook van maatschappelijke kwaliteit. Een 6
relevant signaal is de omarming door VNO-NCW van ‘brede welvaart’: niet alleen het nationaal inkomen, maar het hele spectrum van opleiding, gezondheid en vestigingsmilieu hoort bij de strategische doelen van het bedrijfsleven De overheid heeft volwassen tegenspel nodig. Er kan niet meer volstaan worden met een bedrijfsleven dat overheidsregels uitvoert. De bedrijfsomgeving is in de brede zin van het woord uiteindelijk meer een verantwoordelijkheid van de bedrijven dan van de overheid. Daar komt bij dat ondernemers belang hebben bij stabiliteit. Wisselende meerderheden in gemeenteraden en doorstroming van bestuurders en ambtenaren vragen om een antwoord van het bedrijfsleven: een eigen kennispositie en een goed vermogen tot overleg Vaak is slechts een minderheid van de in een gebied aanwezige bedrijven georganiseerd. Zij betalen contributie en zorgen voor voorzieningen of activiteiten waar vervolgens alle nietgeorganiseerden ook van profiteren. De niet-leden staan bekend als ‘freeriders’. Maar dat is een negatief begrip. Het is soms ook wel begrijpelijk dat ondernemers zich niet verenigen: de context is niet stabiel, het zijn altijd dezelfde actievelingen die het werk doen en er is altijd tekort aan geld. Met de pet rond moeten voor zelfs eenvoudige uitgaven is enorm demotiverend. Een fonds zorgt ervoor dat iedereen meebetaalt, het is eerlijker.
Het zorgt er ook voor dat er kwaliteit en continuïteit is. Na de komst van een fonds vliegt de organisatiegraad vaak omhoog: als context en structuur helder zijn en de collectepet kan blijven hangen, wordt het veel aantrekkelijker om erbij te zijn.
Al deze redenen onderstrepen de ambitie om te komen tot een structurele financiële positie voor het lokale bedrijfsleven. De stad Leiden was de eerste die daar in 2005 de consequenties aan verbond. Daar vroeg het bedrijfsleven in 2004 om een verhoging van de ozb voor niet-woningen, onder de conditie dat de opbrengst van die verhoging integraal aan een nieuw op te richten ondernemersfonds zou worden uitgekeerd. De formule heeft zich als stabiel bewezen en is in tal van gemeenten tot de infrastructuur van het bedrijfsleven gaan behoren. Het wordt ervaren als een bonus voor het vestigingsklimaat: een goede organisatie en een goede articulatie van ondernemersbelangen versterken de concurrentiepositie van de ondernemingen. Laten we ten slotte een paar woorden besteden aan de vraag wat er gebeurt als het fonds er niet komt. Natuurlijk blijft het in dat geval nog steeds goed ondernemen in Nunspeet. Een mooie omgeving, centrale ligging, hardwerkende bevolking. En we redden het vast nog wel een tijdje zonder parkmanagement en andere voorzieningen. Maar toch:
Niet laten doorgaan van het fonds lost niets op. Het is een gratuite buiging naar tegenstanders van collectiviteit, zonder alternatief. Je kunt er een jaar of wat op wachten, dan begint de discussie weer Het is niet echt fair naar de reeds georganiseerde ondernemers die hun verantwoordelijkheid nemen en tijd en geld steken in de zorg voor het vestigingsklimaat De overheid loopt de kans mis om een goed georganiseerde partner naast zich te krijgen. En moet weer in z’n eentje voor Nunspeet zorgen Er gaan praktische kansen aan Nunspeet voorbij.
Van dat laatste een voorbeeld. In het kader van het Gelders Energieakkoord is de Provincie Gelderland bezig met het inrichten van regionale agentschappen waar ondernemers gratis deskundigheid en ondersteuning kunnen verkrijgen bij de energietransitie van hun bedrijf. De kosten van de agentschappen bedragen een miljoen per agentschap per jaar. De kosten worden voor het overgrote deel gedragen door de provincie en de zeven of acht samenwerkende gemeenten in de regio. Van ondernemers worden bedragen van 30.000 tot 50.000 per jaar verwacht. Die laatste 7
bedragen zijn voorwaardelijk: de vele tonnen gaan pas komen als die tienduizenden op tafel liggen. Begrijpelijk: zonder meebetalen geen ‘ownership’. Maar het wel een probleem. Wie zou het moeten doen? Namens wie? Voor hoelang? Met welke zeggenschap? Ondernemersfondsen dragen een billijke, goed gestructureerde en stabiele oplossing aan.
4. Een ondernemersfonds in het kort Een ondernemersfonds bestaat op basis van een met de gemeente af te spreken verhoging van de ozb voor niet-woningen. De opbrengst van die verhoging wordt 1 op 1 beschikbaar gesteld aan het fonds. In een gemeentebreed fonds:
…doet de hele categorie niet-woningen – zowel commerciële bedrijven als ‘not for profit’ ondernemingen mee door een extra opbrengst van de ozb …krijgen de ondernemers de extra opbrengst integraal terug, in de vorm van een subsidie aan het Ondernemersfonds Nunspeet, dat als stichting met een eigen bestuur optreedt …krijgen gebieden of sectoren toegang tot de middelen in het fonds, mits ze beschikken over een democratisch georiënteerde samenwerkingsvorm (meestal een vereniging) ...spant het bestuur van het fonds zich in om ook in de witte vlekken in het gebied een bundeling tot stand te brengen van ondernemers, zodat overal georganiseerd kan worden meegepraat over de bestedingen uit het fonds …worden afspraken gemaakt met de gemeente over ‘non-interventie’ (de gemeente bemoeit zich niet met de bestedingen uit het fonds, tenzij daartoe uitgenodigd, bijvoorbeeld in het geval van noodzakelijke cofinanciering) en ‘non-substitutie’ (de gemeente schuift geen overheidstaken op het fonds af) …kan gespaard worden over jaargrenzen heen, er is geen bestedingsdwang.
Natuurlijk zijn al deze regels weer in de tijd veranderlijk. Dat principe van non-substitutie, bijvoorbeeld, moet in het begin stevig gemarkeerd worden. Maar na verloop van tijd zijn gemeente en verenigingen aan hun rol gewend en zal eerder sprake zijn van samenwerking en cofinanciering. Om de aansluiting van de werkwijze van het fonds op de lokale economie te waarborgen, verplicht elk fonds zich tot een periodieke evaluatie. Een goed georganiseerde ‘uitvraag’ onder de gebruikers van het fonds en een vergelijking met goede praktijkvoorbeelden van elders moeten dan zicht geven op het vervolg. Het voorstel is om dat ook in Nunspeet te doen. In de landelijke praktijk wordt een startperiode van ten minste drie volledige jaren aangehouden, gevolgd door een eerste evaluatie in het vierde jaar. De ervaring is dat met die drie jaar het fonds voldoende tijd heeft gekregen om zichzelf te bewijzen. De organisatie staat, de bestedingen zijn losgekomen, nieuwe partijen zijn in positie gekomen, de non-profit is aangehaakt, en daar waar ondernemers nog niet waren georganiseerd hebben ze dat kunnen doen. Gebruikelijk is dat het fondsbestuur zelf een evaluatie initieert, de gemeente wordt uitgenodigd bijkomende vragen te stellen. Uitgaande van die landelijke norm zal het nieuwe fondsbestuur dus in het vierde jaar van zijn bestaan een evaluatie initiëren.
In het slechtste geval kan de conclusie zijn dat het fonds niet gebracht heeft wat er van verwacht werd en dat er geen goede vooruitzichten zijn. In dat geval kan besloten worden dat het fonds verdwijnt en de ozb neerwaarts wordt aangepast. In een gunstig geval kan daarentegen besloten 8
worden om het fonds een permanente status te geven. Ook dan is het slim om periodiek te evalueren, teneinde scherp te blijven. We gaan hieronder op enkele aspecten van een fonds nader in.
5. Relatie met de ozb
De gemeentewet geeft de gemeenteraad de mogelijkheid om voor de beide categorieën woningen en niet-woningen een verschillend ozb-tarief vast te stellen. De gemeenteraad heeft daarmee een beleidsvrijheid om hetzij woningeigenaren, hetzij eigenaren en gebruikers van zakelijk vastgoed te ontzien dan wel zwaarder te belasten. Een ondernemersfonds maakt gebruik van deze mogelijkheid: de gemeenteraad kan besluiten om de ozb voor niet-woningen extra te verhogen. In het taalgebruik is dan sprake van een ‘opslag’ of iets dergelijks, maar dat is formeel niet juist. De ozb is een algemeen dekkingsmiddel en geen doelbelasting. De gemeenteraad heeft het recht om de ozb te verhogen om aan meer ‘algemene middelen’ te komen, ongeacht waar die algemene middelen aan besteed worden. Formeel vraagt een ondernemersfonds dus een subsidie aan uit de algemene middelen. Maar er is een ‘herenakkoord’ tussen de gemeente en de aanvragers dat de algemene middelen verruimd worden door de ozb te verhogen. De raad heeft ten principale het recht om de belasting te verhogen om een fonds mogelijk te maken, zelfs zonder een aanvraag daartoe. Dat is ook enkele keren gebeurd, met als recent voorbeeld de raad van Heerlen. Daar had B&W de analyse dat de stad dringend toe was aan een extra instrument voor economische ontwikkeling.
Het college stelde de komst van een fonds voor, te financieren vanuit een belastingverhoging. Dat is ook gebeurd. Het bijzondere van Heerlen is dat de ondernemers zonder mankeren zowel de belastingverhoging als het ondernemersfonds als een voldongen feit hebben geaccepteerd, onder het motto dat het tijd werd om een einde te maken aan zich voortslepende discussies. Dat is politiek wel opmerkelijk: een raad die niet uitgebreid een participatie- of draagvlaktraject in gaat, maar zelf de eigen verantwoordelijkheid neemt.
De stijging van de ozb is niet door de wet, maar wel door politieke afspraken beperkt. De moraal is dat de ozb-stijging globaal de prijsindexering moet volgen. Maar bij het toetsen van die moraal werd weer een uitzondering gemaakt voor gevallen waarin de stijging te maken had met de komst van een ondernemersfonds. Kortom: er zijn geen wettelijke beletselen. De enige voorwaarde is dat het fonds in dienst staat van een publieke waarde. Wanneer in de statuten of een convenant staat dat het fonds er is voor economische stimulering, is dat genoeg. Een aspect van dit gebruiksgemak is dat de ozb-stijging voor de hele categorie niet-woningen geldt. Belastingrecht is gelijkheidsrecht en de gemeenteraad kan geen uitzonderingen maken. Deze omstandigheid wordt soms als een nadeel gezien – ook partijen als zorg, onderwijs, sport en cultuur betalen ozb en doen dus mee – en soms ook als een voordeel: een ondernemersfonds op ozb-basis schept een samenhang in bijna de hele economie. Alleen ondernemers die geen gebruik maken van vastgoed (thuiswerkende zzp'ers) doen niet mee. 9
6. Omvang van het fonds Het voorstel is om in Nunspeet te starten met een fonds op basis van een meeropbrengst van 70 euro per ton woz-waarde. De totale waarde van de categorie niet-woning in Nunspeet bedraagt 500 miljoen (wat – zoals we al zagen – weinig is in vergelijking met even grote gemeenten als Dalfsen, Ermelo en Winterswijk). Met een meeropbrengst van 70 euro komen we op een fonds van omstreeks 386.000 euro (het zal in de praktijk iets minder zijn vanwege oninbare posten en leegstand). Die 70 euro wordt verdeeld conform de in Nunspeet gebruikelijke verdeelsleutel: 55% rekening eigenaar, 45% rekening gebruiker. De 70 euro is een balans tussen twee uitgangspunten. Het eerste uitgangspunt is dat je een extra last wilt die voor het overgrote deel van de ozb-betalers niet merkbaar is in de kostenstructuur. Het tweede uitgangspunt is dat de opbrengst voldoende moet zijn om voor een reeks van jaren te kunnen werken en bouwen. Die 70 euro is een ervaringsgetal: veel van de 50 fondsen in het land hebben dat als basis. Al zijn er uitschieters tot 95 euro, wanneer er veel ambities leven. Een fondsomvang van 386.000 kan, maar is niet uitbundig en zal tot scherpe keuzes moeten leiden. Het feit dat zakelijk Nunspeet letterlijk niet zoveel waard is, zit grote ambities een beetje in de weg.
Het verzoek aan de gemeente is om de geprognostiseerde opbrengst van de ozb niet-woningen voor 2023 te verhogen met 70 euro per ton woz-waarde. Voor 2024 is de vraag om de meeropbrengst uit te drukken als percentage van de totale ozb-opbrengst. Omdat de gemeente de totale opbrengst indexeert, is de voeding van het fonds automatisch ook geïndexeerd. Belastingrecht is gelijkheidsrecht. De verhoging geldt voor iedereen. Dat laat onverlet dat er aan private kant – buiten de belastinginning om – verrekeningen plaats kunnen vinden, wanneer daar een redelijke grondslag voor is. Een voorbeeld waar het dan om kan gaan, zijn ondernemers in de bijstand, voor wie ook een lastenverhoging van enkele tientjes al problematisch kan zijn. Verder ontstaat er natuurlijk ruimte om de contributie van ondernemersverenigingen te verlagen. Gezamenlijke voorzieningen waren financieel tot op heden een zaak van georganiseerde ondernemers. Nu straks iedereen meebetaalt, is de financiële druk op de contributie lager.
7. Overwegingen bij de inrichting van het fonds
Zoals opgemerkt werken de meeste fondsen met een zogeheten trekkingsrechtensysteem. Het grote voordeel van een gebiedsgewijs trekkingsrecht is het eigenaarschap: elk terrein, winkelcentrum of ander gebied krijgt een budget. Dit bevordert de samenhang en de organisatiekracht enorm. Maar het geld blijft wel zichtbaar in een centrale kas en verdwijnt niet naar kleine subfondsen. In de praktijk wordt er naar toe gewerkt dat elk gebied een rechtsvorm heeft (meestal een vereniging of een commissie van een vereniging), die plannen maakt en de ondernemers erbij betrekt. De plannen worden voorgelegd aan het bestuur van de stichting. Dat bestuur toetst marginaal (op criteria als: is er geld? Zijn er relaties met andere gebieden?) en kan vragen stellen. Bij goedkeuring betaalt het fonds de rekening en verrekent de btw (ondernemersfondsen zijn btw-plichtig).
10
Tegenover de voordelen van het eigenaarschap, nabijheid en betrokkenheid staat het nadeel van de ‘territoriumdrift’. Bij vroeg gestarte fondsen zijn wel ervaringen dat gebiedsverenigingen hun trekkingsrecht gingen afschermen. Bovendien zijn er steeds meer ambities die over de grenzen van een gebied gaan. Daarom wordt in de latere fondsen rekening gehouden met een flink stuk ‘gemeentebreed’, waarover de ondernemers in gezamenlijkheid beschikken. Er zijn zelfs enkele fondsen die 80% van hun middelen gemeentebreed besteden en alleen nog wat ‘handgeld’ voor kleinere projecten in gebieden overhouden. Het beste voorbeeld is de Drentse gemeente Westerveld, een samengestelde gemeente van vier oude dorpen. Nog steeds zijn veel activiteiten strikt lokaal, maar ze worden wel allemaal aan een gemeentebrede tafel besproken. Dat heeft zeer goed uitgepakt. Westerveld heeft met een betrekkelijk klein fonds een enorme dynamiek bereikt. Een korte illustratie. Het grootste fonds in het land – Utrecht – heeft ruim 70 trekkingsgerechtigde partijen, grotendeels gebieden, een paar sectoren. Het op een na grootste fonds – Groningen – heeft er vijf, vier stadsdelen en een ‘kenniscluster’. Helmond heeft er zelfs maar drie: een bedrijvencluster, een wijkencluster en een cluster ‘overig’ met daarin de zorg, cultuur en onderwijs.
Deze drie voorbeelden geven al aan hoe veel variatie mogelijk is, op basis van lokale voorkeuren:
Utrecht heeft een paar grotere en heel veel kleinere gebieden. In Utrecht zijn zeer veel zzp’ers van het creatieve soort, die zich graag manifesteren in de verenigingen. Zij zorgen voor veel informatie en beweging, zodat er ook in kleine gebieden goede plannen tot stand komen. Er is veel kader. Het ondernemersfonds zelf speelt een rol in het stadsbrede agenderen van zaken, met nieuwsbrieven en manifestaties. Groningen voert de discussie vooral op stadsdeelniveau. De bestedingen kunnen zeer wel op kleinschalig niveau – straat of buurt – plaats vinden, maar het feit dat ondernemers met elkaar op wat grotere schaal het gesprek voeren, zorgt voor kwaliteit en scherpte. Groningen heeft in enkele jaren tijd maar liefst een kwart van het fonds vrij gemaakt voor stadsbrede bestedingen. Daar horen zaken bij die niet goed passen in de stadsdeelstructuur: stimuleren van technische starters, ict, popmuziek en cultuur, organiseren van bedrijfsbelangen in het licht van de aardbevingsschade. Helmond heeft een koepel voor alle bedrijventerreinen met een uitvoerende stichting voor parkmanagement, die alle terreinen bedient. Daarnaast een koepel voor alle winkelgebieden.
Het centrum van de stad heeft een grotere financieringsbehoefte dan de rest en heeft bovenop het ondernemersfonds ook nog een gebiedsgerichte reclamebelasting, die in z’n vormgeving naadloos aansluit op de beheersystematiek van het fonds.
In alle drie de voorbeelden is een eerste leereffect zichtbaar: begin met wat er al is. Utrecht had geen grote stadsbrede verenigingen en moest de gebiedsindeling van de grond af aan opbouwen. Groningen had toen het fonds kwam al een paar sterke stadsdeelverenigingen. En Helmond had al een grote traditie in parkmanagement, van waaruit weer goede contacten waren met de binnenstad.
Grotere fondsen – inclusief ‘the original’ Leiden – zijn alsnog ruimte aan het maken voor ‘stadsbreed’. ‘Stadsbreed’ is lastig, omdat er geen format voor is. Het blijft ondernemersgeld en dus moeten ondernemers er over mee kunnen praten. Dat levert veel informatie en beweging op, maar het vergt wat stuurmanskunst. Vertegenwoordigers van alle sectoren bij elkaar, daar gaat de meeste dynamiek van uit.
11
8. Balans gemeentebreed en gebiedsgericht in Nunspeet
De werkgroep die dit plan heeft uitgewerkt, is tot volgende voorkeuren gekomen:
Er leven evident gemeentebrede ambities in Nunspeet: energietransitie, marketing, belangenbehartiging. Het voorstel is om 30% van het fonds te bestemmen voor gemeentebrede bestemmingen De drie kleinere dorpen Hulshorst, Vierhouten en Elspeet kunnen – wanneer de ondernemers ter plekke dat wensen – beschikken over hun eigen trekkingsrecht (minus 30% gemeentebreed). De inschatting is voorlopig dat de drie dopen hechten aan hun herkenbaarheid Voor Nunspeet zelf wordt de waarde-opbouw wel zichtbaar gemaakt aan de hand van het woz-bestand – wat is bedrijventerrein, wat is dorpskern, wat is ‘not for profit’- maar komen geen afzonderlijke trekkingsrechten. Er komt een ‘Westerveld tafel’: alle partijen uit het dorp kunnen voorstellen ontwikkelen en die worden in onderling overleg van prioriteiten en besluiten voorzien. Zoals al opgemerkt: dat vergt enige stuurmanskunst, maar de dynamiek die uitgaat van het bij elkaar brengen van verschillende takken van bedrijvigheid, is op zich al een mooi resultaat Er komt een apart trekkingsrecht voor de agrarische sector. De agrarische sector blijft ook buiten het gemeentebrede stuk. Het trekkingsrecht wordt ingezet conform de wens van de agrarische sector. We lichten dat hieronder verder toe Bij de niet-agrarische bedrijvigheid in het buitengebied gaat het voor een belangrijk deel om horeca en accommodaties.
Voorstel is om de opbrengsten uit deze sector toe te voegen aan de rubriek ‘gemeentebreed’. We verwachten dat het zal gaan om plannen als marketing en internettoegankelijkheid, die aan een Nunspeetbrede tafel beter tot hun recht komen.
Verder is het zaak de positie van VVV Nunspeet Uit de Kunst te borgen. Deze marketingorganisatie krijgt een subsidie van de gemeente en leeft verder van donaties van bedrijven. Het is plausibel om tenminste een zekere basisfinanciering uit het ondernemersfonds beschikbaar te stellen, waar bovenop bedrijven dan specifieke diensten kunnen inkopen.
Voor deze gemengde aanpak gelden tenminste twee voorwaarden:
Een gunfactor. Als de vraag ‘What is in it for me?’ voor op de lippen ligt, gaat het niet werken. Die vraag leidt eerder tot een dichtgetimmerd systeem waar elke euro teruggaat naar het gebied waar hij vandaan komt. Als de vraag wordt: ‘What is in it for Nunspeet?’ kan het een succes worden. Er zijn kundige ondernemers-woordvoerders en bestuurders van verenigingen nodig, die zowel inhoud en innovatie kunnen aandragen als tot besluiten kunnen komen. Dat geldt ook voor de not-for-profit. Een hogere ozb is voor bijvoorbeeld sportverenigingen zeker een last. Daar staat de komst van een nieuw speelveld met mogelijk veel steun voor de verenigingen vanuit de omgeving tegenover. Die kans moet gezien worden.
12
9. Financiële contour van het fonds
We gaan nu de consequenties van alle voorgaande overwegingen in beeld brengen. Daartoe sommen we eerst de waarde opbouw van het zakelijk onroerend goed in de gemeente op. Het meest actuele woz-bestand van de gemeente stelt de zakelijke vastgoedwaarde in Nunspeet vast op ruim 551 miljoen euro. Als we rekenen met een bijdrage van € 70 per 100.000 woz-waarde komen we tot een fondsomvang van circa € 386.000. In onderstaande tabel geven we een indruk van de waarde opbouw naar zes categorieën: de vier dorpen, het buitengebied en de landbouw. Voor Nunspeet geven we daarbij weer wat het aandeel is van de bedrijventerreinen. Nunspeet Bedrijventerrein Lepelingen I en II Bedrijventerrein Feitenhof Bedrijventerrein De Kolk Nunspeet overig Elspeet Hulshorst Vierhouten Buitengebied Landbouw Totaal
€ 257.000 € 34.000 € 53.000 € 26.000 € 144.000 € 20.000 € 4.000 € 5.500 € 61.000 € 38.500 € 386.000
Nog een aantal opmerkingen bij dit overzicht:
De dorpstotalen hebben betrekking op al het zakelijk vastgoed binnen de bebouwde kom. De vuistregel voor Elspeet, Hulshorst en Vierhouten dat de verdeling circa 1/3 horeca en retail is, 1/3 non-profit en 1/3 mkb. In Nunspeet is het mkb aanmerkelijk groter met een grote presentie op de bedrijventerreinen
In het buitengebied is de recreatieve sector sterk vertegenwoordigd met circa 40% van de totale inleg. Daarnaast zijn er grote zorg- en onderwijscomplexen te vinden in de natuurgebieden die gezamenlijk circa 1/3 van de waarde vertegenwoordigen. De overige circa 25% bestaat uit verspreide mkb-bedrijven
Voor alle categorieën geldt dat slechts het ozb-plichtige deel is meegeteld. Zo is het aandeel van de landbouw voornamelijk opgebouwd uit de opstallen. De weide- en cultuurgrond telt niet mee. De gemiddelde ’inleg’ per landbouwobject is circa € 250. Een agrarisch ondernemer is dus 250 euro aan het fonds kwijt. Dat is een slag lager dan het gemiddelde van alle belastingplichtigen (bijna € 290)
Vakantiehuizen zijn formeel ‘woningen’ en betalen niet mee. De gemeenschappelijke gebouwen als kleedhokken, kantines en overdekte zwembaden worden wel weer als nietwoning beschouwd. Eenzelfde situatie doet zich voor bij zorgcomplexen met een vorm van
13
opvang en overnachting. Ook hier tellen enkel de gemeenschappelijke delen van de panden mee voor het fonds
Er is nog een toets nodig of de genoemde zorgcomplexen in het woz-bestand volledig als niet-woning kunnen worden beschouwd. Dit kan nog leiden tot een lichte aanpassing van de bedragen – circa 25.000 van het fonds is afkomstig uit deze grotere complexen.
We komen tot het volgende voorstel om per 1 januari 2023 mee te starten:
De 38.500 agrarische opbrengst – precies 10% van de zakelijke woz-waarde van Nunspeet – komt geheel beschikbaar voor een trekkingsrecht van de agrarische sector. We lichten dat hieronder in een aparte paragraaf toe. Blijft over een fonds met effectief 347.000 euro
Er komt een perceel ‘gemeentebreed’ in het Ondernemersfonds Nunspeet. Dat gaat bestaan uit 30% van het fonds (minus landbouw), dat is 104.000 euro. Dit perceel wordt ingezet voor Nunspeetbrede plannen, met daarin vier prioritaire bestedingen: o De energietransitie. Zoals het er nu uit ziet, wordt de energietransitie een van de voornaamste acties van ondernemend Nunspeet. De uitvoering is uiteindelijk een zaak van individuele bedrijven, maar ‘schaalmaken’ is noodzakelijk voor goede plannen, aantrekken van deskundigheid en kostenreductie. Heel Nunspeet kan van elkaar leren. Het fonds heeft hier stellig een taak in het financieren van organiserend vermogen o Marketing en promotie. VVV Nunspeet Uit De Kunst heeft baanbrekend werk gedaan en dat moet worden voortgezet, inclusief een betrouwbaar partnerschap voor de gemeente o Digitale bereikbaarheid. Met name in het buitengebied is een stabiele en hoogwaardige toegang tot internet een noodzaak, zeker voor recreatiebedrijven (en ook agrarische ondernemingen, mochten die mee willen doen) o De beheerskosten van het fonds zelf. De norm onder ondernemersfondsen is dat 6% van de fondsomvang nodig is voor beheer (administratie, jaarrekening, website) en ontwikkeling (fondsmanagement, informatie, verenigingen ondersteunen).
Voor het beheer van het Nunspeetbrede perceel komt een overlegtafel met vertegenwoordigers van alle partijen met trekkingsrecht
Er komt een trekkingsrecht voor het buitengebied (minus de landbouw) van 42.700 euro (de ozb-meeropbrengst van 61.000, minus het gemeentebrede stuk). Het gaat in het buitengebied om toerisme en zorg. Met beide partijen wordt overlegd hoe zij het trekkingsrecht gaan uitoefenen. In dat overleg zal ook de mogelijkheid worden besproken om het buitengebied met ‘gemeentebreed’ te verbinden. We houden het immers voor mogelijk dat de partijen in het buitengebied terreinoverstijgende bestedingen zullen willen inzetten (zoals marketing, personeelsvoorziening, beveiliging)
De kern Nunspeet krijgt een trekkingsrecht van 180.000. Er vindt geen segmentering plaats naar de bedrijventerreinen en ‘overig Nunspeet’ (detailhandel, dorpseconomie). Heel Nunspeet besluit in gezamenlijkheid over de bestedingen. Wel wordt de financiële inbreng per terrein in acht genomen bij besluiten over en planning van de bestedingen. De 14
bestedingen zijn in beginsel lokaal van aard (parkmanagement, promotie, beveiliging, onderhoud, kennis, enzovoort)
De kern Elspeet krijgt een trekkingsrecht van 13.000. Vanuit het fonds wordt Elspeet ondersteund in het oprichten van een vereniging of alliantie die gebruik kan maken van dit trekkingsrecht
De kern Hulshorst krijgt een trekkingsrecht van 3500 euro
De kern Vierhouten krijgt een trekkingsrecht van 4000 euro.
We denken met deze aanpak een goede balans te treffen tussen de voordelen van ‘gebiedsgericht’elke alliantie z’n eigen geld, eigenaarschap, betrokkenheid – en de voordelen van gemeentebreed of overstijgend – dynamiek, visie, solidariteit. Maar we tekenen aan dat elke indeling tijdelijk is. Je hebt een indeling nodig om een werkstructuur te kunnen ontwikkelen, maar de economie verandert razendsnel. Om de paar jaar moet je de werkstructuur weer evalueren en zo nodig aanpassen.
Tot slot een belangrijke ‘disclaimer’ over de genoemde bedragen. Het fonds gaat uiteindelijk draaien op basis van de gerealiseerde ozb-opbrengst. Die kan afwijken van de begrootte opbrengst. Hij kan lager uitvallen door leegstand (geen betalende gebruikers), door bezwaren tegen de waarde of door inningsproblemen. Hij kan hoger uitvallen door areaalgroei of hertaxaties. Om voorbereid te zijn op een tegenvallend resultaat (en de daaruit voortvloeiende noodzaak om een verkregen voorschot terug te betalen aan de gemeente) zal het fonds een weerstandsreserve van 5% van de fondsomvang aanhouden. Die reserve zal direct het eerste jaar worden opgebouwd, zodat het fonds niet in de betalingsproblemen kan komen. Dat betekent dat de genoemde bedragen in 2023 5% lager zullen uitvallen.
10. De positie van de agrarische sector Natuurlijk zit niet elke ondernemer te springen om de komst van een ondernemersfonds. Het heeft uiteindelijk toch te maken met visie op het ondernemerschap en visies kunnen onderling verschillen. Het spreekt vanzelf dat er een zekere scheidslijn loopt tussen georganiseerden en nietgeorganiseerden, maar er is ook een grote tussengroep. Na de komst van een ondernemersfonds melden zich vaak ondernemers die zich niet thuis voelden in de ondernemersorganisaties, maar wel actief willen worden in concrete projecten. Als er een structuur staat en er is geld, trekt dat creatieve mensen aan. Visies op een gezamenlijk instrument als een ondernemersfonds zijn niet aan een economische sector gebonden, met uitzondering van de landbouw. Ook in de landbouw zijn weldegelijk voorstanders van fondsvorming. Hoe dichter bij de consument en hoe meer betrokken bij marketing, hoe meer deelneming in gezamenlijke activiteiten met andere lokale ondernemers voor de hand ligt. Maar grotere groepen agrariërs staan kritisch tegenover fondsvorming. Het is lastig om dat precies te duiden. De landbouw gold voorheen bij uitstek als een sector met veel samenwerking en collectieve 15
arrangementen. Die zijn in recente jaren ernstig in verval geraakt. Er wordt wel een vertrouwenscrisis gesignaleerd tussen een groot deel van de landbouw enerzijds en de institutionele omgeving anderzijds. Een ondernemersfonds geeft de agrariërs in een gemeente de gelegenheid om in elk geval op lokaal niveau weer aan een krachtenbundeling te werken. En natuurlijk geldt in onze ogen voor agrariërs wat voor alle ondernemers geldt: iedereen heeft belang bij een goed georganiseerd speelveld en bij gezamenlijke acties voor het vestigingsklimaat en de voorzieningen. We zitten allemaal in dezelfde boot. In de agrarische sector in Nunspeet wordt dit inzicht niet gedeeld (of nog niet gedeeld). Er zijn in mei 2022 twee openbare bijeenkomsten geweest – In Elspeet en Nunspeet – met een opkomst van omstreeks 40 personen per avond. Dat waren in grote meerderheid agrarisch ondernemers. Hoewel daar informatie werd verschaft en ruimte voor discussie werd geboden, bleek de pap op voorhand al gestort te zijn. De aanwezigen kwamen niet voor het gesprek, maar voor het laten horen van een tegenstem. In de praktijk in andere fondsen blijken na aanvankelijke strubbelingen ook vanuit de agrarische sector goede voorstellen en plannen te komen, die alsnog een hartelijke samenwerking mogelijk maken.
Maar op dit moment – in de hitte van de stikstofcrisis – willen we het nieuwe fonds niet belasten met deze discussie. Het uitgangspunt is dat het nieuwe fonds zich voor iedereen inspant, ook voor de landbouw. Dat betekent voorlopig dat het gehele trekkingsrecht beschikbaar komt voor de sector, zonder participatie in gemeentebrede acties. Het officiële contact is tot op heden verlopen via LTO. Het fonds zal met LTO overleggen over het beheer van het agrarisch trekkingsrecht.
11. De governance van een ondernemersfonds
De ‘good practice’ in ondernemersfondsen is een scheiding van de beheersfunctie en van het inhoudelijk werk. Het is te vergelijken met de bankiersfunctie. Een bankier financiert de activiteiten van ondernemers en gaat het gesprek met hen aan over de continuïteit, maar gaat niet op hun stoel zitten. En een bankier houdt enige afstand van de politieke hitte van alledag. In de ‘governance’ van een fonds moet dus een knip te zien zijn tussen het beheer en toezicht aan de ene kant en het platform waar de besluiten over bestedingen genomen worden aan de andere kant. Eerst de beheersfunctie. Het fonds krijgt de rechtsvorm van een stichting. Er is elders in het land geëxperimenteerd met een coöperatieve vereniging, maar dat bleek onnodig ingewikkeld. Een stichting dus. Die krijgt statutair de taak om als contractpartner van de gemeente op te treden, het convenant met de gemeente beheren, tijdig rekening en verantwoording af te leggen, te zorgen voor een beheer van de middelen in het fonds en contact te onderhouden met de partijen die gebruik maken van het fonds. Veel ‘vroege’ fondsen begonnen met een breed samengesteld bestuur, waarin de partijen met trekkingsrecht vertegenwoordigd waren. Maar dat lijkt wat achterhaald. Voor Nunspeet kan volstaan worden met een compact bestuur – 3 tot 5 onafhankelijke personen.
Het moeten wel beweeglijke mensen zijn, die de ambities van ondernemers begrijpen. Statutair krijgt het bestuur de 16
eindverantwoordelijkheid. Het kan dus ook bestedingen tegenhouden. Maar in de praktijk zal het zich in inhoudelijk opzicht terughoudend opstellen. Er moet wel rekening worden gehouden met een pioniersperiode. De eerste drie jaren van een fonds zijn nieuw. Er moet van alles gebeuren, bijvoorbeeld zorgen dat ook in ‘witte vlekken’ van de gemeente waar geen georganiseerde ondernemers zijn, toch activiteiten van de grond komen. Na enkele jaren komt het bestuur doorgaans in rustiger vaarwater. De inhoudelijke besluiten over de bestedingen vinden aan gebruikerskant plaats. Plannen worden voorgelegd aan het stichtingsbestuur, dat zal de plannen van gebruikers doorgaans als hamerstuk behandelen en de rekening betalen. Het is van belang dat de opinie- en besluitvorming aan gebruikerskant in een democratisch klimaat plaats vindt. Elke ozb-betaler moet in de gelegenheid zijn om mee te praten. Dat zal vaak in een vereniging zijn: een vereniging is een rechtsvorm met – op papier – een zeer democratisch karakter. In Nunspeet moet per trekkingsgerechtigde gekeken worden wie het trekkingsrecht gaat uitoefenen, in Nunspeet zelf zal het om een samenwerking gaan van NOS en BKN. Aan deze twee kan ook gevraagd worden om regie te voeren over de rubriek ‘gemeentebreed’, met inachtneming van de inbreng vanuit de kleinere dorpen en het buitengebied.
In Vierhouten, Elspeet en Hulshorst zal gestreefd worden naar lokale ondernemersverenigingen. En voor de agrarische sector gaan we uit van LTO als woordvoerder. In een democratie hoort iedereen tegen iemand anders aan te praten. Een vaste gespreksrelatie bevordert de scherpte, de verantwoording en de transparantie. In de meeste fondsen is daarom sprake van een adviesraad, raad van toezicht of toetsingscommissie; een partij zonder bevoegdheden – afgezien van een informatie- en adviesrecht – die met iedereen om tafel kan. Er is nog beraad nodig of deze functie ook voor Nunspeet zin heeft. Wellicht zit er al genoeg dynamiek in de dualiteit tussen stichtingsbestuur en gebruikers. Het praktisch advies is om bij fondsen groter dan 150.000 euro niet meer alleen op vrijwilligerswerk te vertrouwen, maar een administratief bureau in te huren, eventueel aangevuld met een fondsmanager voor opbouwwerk. Het idee is dat de ondernemers hun werk als bestuurslid – hetzij van het fonds, hetzij van gebruikende verenigingen – om niet doen, maar zich wel kunnen concentreren op besturen en niet aan uitvoerend werk hoeven deel te nemen. Daar kunnen ze capaciteit voor inhuren. In het algemeen geldt: wees niet bang om met geld uit het fonds capaciteit en deskundigheid in te huren.
Jonge, ondernemende en creatieve mensen blijken graag voor georganiseerde ondernemers te willen werken en kunnen heel veel dynamiek toevoegen. Het is gebruikelijk dat zowel in het stichtingsbestuur als in gebruikende verenigingen een ’standing invitation’ geldt voor een gemeentelijk contactpersoon, meestal een ambtenaar economische zaken. Het geld en de activiteiten zijn ‘voor en door ondernemers’, maar een goede ambtelijke communicatie tussen ondernemers en gemeente kan zeer bijdragen aan informatiedeling. Overigens is bij betalingen vanuit ondernemersfondsen vrijwel standaard het ‘vier ogen principe’ aan de orde.
17
12. De rol van draagvlak De vroege starters onder de ondernemersfondsen (Leiden, Lisse, Gouda, Leeuwarden) zorgden voor een alertheid in politiek Den Haag: kennelijk was er bereidheid om op lokaal niveau te investeren in het ondernemingsklimaat. Er is een wetgevingsproces in gang gezet dat uiteindelijk heeft geleid tot de biz-regeling. Voor de lokale ondernemers is het naast elkaar bestaan van het ‘Leids model’ en de biz wel opportuun. Zoals al aangegeven is de biz een aangewezen pad wanneer de ambitie uitgaat naar het financieren van beperkte voorzieningen (bijvoorbeeld beveiliging) op een overzichtelijk terrein. Wanneer de ambitie is om het vestigingsklimaat in de hele gemeente een stimulans te geven voor de langere termijn, dan kom je bij een ondernemersfonds uit. Voor gemeenteraden is het naast elkaar bestaan van de twee modaliteiten in zoverre lastig dat ze om een andere taakopvatting van de gemeenteraad vragen. De biz bevat een nauw omschreven ‘draagvlakpeiling’. Er is precies bepaald hoe de ondernemers in een gebied geïnformeerd moeten worden en moeten worden uitgenodigd om een stem uit te brengen. De rol van de raad is feitelijk beperkt tot toezicht houden op het correct uitvoeren van de wettelijke voorschriften. Bij een ondernemersfonds is de raad veel meer teruggeworpen op de eigen verantwoordelijkheid.
Er zal altijd weerstand zijn tegen een plan, biz of ondernemersfonds. In het geval van de biz zijn daar stemprocedures voor. In het geval van het ondernemersfonds is de enige stemming die er echt toe doet, die in de gemeenteraad. Er zijn fondsen op de kaart gekomen omdat college en raad een eigen verantwoordelijkheid namen, ongeacht een eventueel draagvlak onder ondernemers. Er waren bizzen mislukt en langs de weg van draagvlakpeilingen zou er weinig tot stand gaan komen. Met die eigen verantwoordelijkheid van de gemeente kunnen goede resultaten worden geboekt. In het geval van de gemeente Heerlen maakte het voldongen politieke feit een einde aan lange discussies tussen ondernemers. Het fonds was er, en de ondernemers gingen er zonder mankeren mee aan de slag. Soms moet je als gemeente ook gewoon een knoop doorhakken. Bij een ondernemersfonds is de vraag aan de politiek niet wat de belastingplichtigen er van vinden (dat vraagt de gemeente ook niet bij een belastingverhoging ten bate van de algemene dienst), maar of er voldoende vertrouwen is in het voorstel. Het vertrouwen wordt niet getalsmatig onderbouwd (zoveel procent voor, zoveel procent tegen), maar met argumenten, zoals elk politiek voorstel dat geld kost onderbouwd moet worden. Dat gebeurt aan de hand van vragen als:
Is het duidelijk op welk probleem het voorstel een antwoord is? Heeft dat probleem ook een publiek karakter? Is het aannemelijk dat het belang van inwoners en bedrijven in Nunspeet met het voorstel gediend is? Is het initiatief betrouwbaar in de zin dat er goede mensen en organisaties achter staan en dat er een goede uitvoeringspraktijk tot stand kan komen? Zijn er voorbeelden van elders en zijn daar leereffecten van benut? Zijn de financiële gevolgen van het voorstel hanteerbaar en is er dekking? Zijn er anderszins risico’s voor de gemeente? Is er kritiek op en weerstand tegen het voorstel onder betrokken bedrijven en organisaties in Nunspeet? Hoe ziet de balans van argumenten pro en argumenten contra er uit? Is er een gerede kans dat het voorstel tot een succesvolle uitvoeringspraktijk leidt?
18
Om het kort uit te drukken: bij de biz kan de raad volstaan met toezicht houden op een peiling, bij een ondernemersfonds gaat het om de politieke bereidheid zelf verantwoordelijkheid te nemen en een goed burgerinitiatief te steunen.
Dat neemt niet weg dat er gestreefd moet worden naar een goed draagvlak. Maar het gaat bij ‘draagvlak’ niet om een referendumachtige stemming. We beleven in deze jaren best een lastig politiek klimaat, waarin ‘neezeggers’ het gemakkelijk hebben: je kunt volstaan met en peiling aan te vragen, zelfs zonder deel te nemen aan een debat met uitwisseling van argumenten (het zogenaamde ‘participatiepopulisme’) en zonder het probleem – in dit geval de ondergeorganiseerdheid van ondernemers – aan te spreken. Wat nodig is, is een draagvlak in de zin van actieve betrokkenheid, van de bereidheid om dit voor Nunspeet nieuwe concept niet alleen een kans te geven, maar er ook aan bij te dragen en er gebruik van te maken. Bij de georganiseerde ondernemers is vrijwel altijd een intrinsieke motivatie om samen op te trekken. Nietgeorganiseerden zijn lastiger te bereiken. Een complicatie is dat het bij discussies over het ondernemersfonds elders in het land vaak niet over de extra belastingdruk gaat. Tal van groepen die in het geweer komen tegen een ondernemersfonds, laten een ‘reguliere’ ozb-verhoging volkomen langs zich glijden. Kennelijk zit de weerstand niet in het geld, maar in het concept van ‘voor en door ondernemers’ zelf, in het opbouwen van een nieuwe onderhandelingspositie.
Een stabieler speelveld is ook een gecompliceerder speelveld: je kunt niet zomaar meer nee zeggen of op een andere partij (inclusief de gemeente) mopperen, als je zelf ook toegerust bent om in actie te komen. De mogelijkheid om ‘te schoppen’ wordt kleiner. Laten we er nog een politieke overweging aan toevoegen. In ondernemerskring is vaak de vraag te horen: ‘What is in it for me?’ Dat is een volkomen legitieme vraag. Het fonds is een investering, hoe beperkt de bijdrage via de ozb ook maar is in de totale kostenstructuur van een individuele belastingplichtige. Maar het blijft een investering waar iets voor terug moet komen. Soms kan dit zeer concreet worden ingevuld, bijvoorbeeld door een kostenvoordeel bij gezamenlijke aanbesteding van beveiliging of andere diensten. Soms vergt het voordeel iets meer voorstellingsvermogen, bijvoorbeeld als het gaat om een goed georganiseerd speelveld met toegang tot informatie. Maar een ondernemersfonds moet zeker een plausibel antwoord kunnen geven op de vraag ‘what is in it for me’. Daarnaast staat een even legitiem motief, namelijk ondernemers die willen investeren in betere relaties met de overheid, verantwoordelijkheid willen dragen voor hun omgeving, breed in het zakenleven willen staan. Een ondernemersfonds moet aan zowel het smalle als het brede motief recht doen.
Dat is in de praktijk zeker zichtbaar: compacte, goede projectvoorstellen naast een mooie vleug idealisme. Intussen blijft het een tikje merkwaardig dat een voorstel voor een ondernemersfonds aan veel zwaardere draagvlakeisen moet voldoen dan een regulier beleidsvoorstel dat geld kost. Kan het zijn dat dit niet zozeer te maken heeft met het geld en de lastendruk maar meer met het uitgangspunt van ‘ondernemerszelfbestuur’? In twee grote Gelderse gemeenten – Arnhem en Nijmegen – is ooit de ozb verhoogd om geld te verkrijgen voor een economisch stimuleringsbudget. In beide gevallen heten de budgetten ‘ondernemersfonds’, maar het zijn subsidierubrieken in handen van B&W. Ze zijn te benaderen met aanvragen die aan subsidiecriteria moeten voldoen. Arnhem en Nijmegen missen de meerwaarde 19
van een ondernemersfonds in termen van betrokkenheid, zelfbestuur en gezamenlijk ondernemerschap. De raden hadden opvallend genoeg destijds geen moeite met deze constructie. Wellicht is bij een ondernemersfonds niet de lastenverhoging zelf, maar de introductie van de zeggenschap door ondernemers over een klein deel van de belastingcapaciteit wel de reden voor de complexe politieke afweging. Zo bezien is het ondernemersfonds ook een test hoe ver de politiek wil gaan met participatie. Participatie is een zeer populair concept in de politiek. Maar in de uitwerking is participatie vaak niet meer dan een extra processtap in de reguliere beleidsvoorbereiding. Dat is bij het fonds niet zo. Het gaat nu om participatie in de zin van echte verantwoordelijkheidsdeling.
13. Het discussieverloop in Nunspeet Het ondernemersfonds komt op de kaart als gevolg van een ‘herenakkoord’ tussen initiatiefnemers en gemeenteraad. Om hun voorstel te onderbouwen, raadplegen de initiatiefnemers natuurlijk tallozen van hun collega’s. Die raadplegingen zijn niet perse gericht op het verkrijgen van een ja of nee. De propositie past niet goed in zo’n zwart-wit keuze. De gesprekken gaan ook over voorwaarden, op te lossen problemen, verwachtingen. We geven hieronder een feitelijke opsomming van gesprekken en activiteiten, met in telegramstijl enkele uitkomsten. Een volledig overzicht van alle contacten vindt u in de bijlage bij deze notitie. Stichting Welzijn Nunspeet Ervaren probleem is niet zozeer goederen verkrijgen. Probleem is gebrek aan geld om goede mensen in te kunnen huren. Of het fonds daar in kan helpen, is mede afhankelijk van de manier waarop het beheerd wordt en de manie waarop aanvragen tot stand komen Zorgcentrum Oranjehof Enthousiasme over het fonds. Publicitaire medewerking en ambassadeursfunctie aangeboden Kindcentrum Nunspeet Concept van een ondernemersfonds is goed bekend uit andere gemeenten. Er zijn vragen over beheer en besluitvorming CNS Nunspeet Zes scholen, 1300 leerlingen. CNS wil maatschappelijke rol spelen en is enthousiast over plannen voor een fonds.
Wel vragen over financiële betrokkenheid van het onderwijs Pluimzorg Hulshorst Informatie is ter kennis genomen Dorpshuis de Wieken Informatie is ter kennis genomen De Grote Wiede Zorgboerderij. Wijst op smalle marges in zorg en landbouw. Vragen over beheer en besluitvorming Boerenbedrijf Hulshorst Geen vertrouwen in het fonds Het Venster Nunspeet Welzijnsorganisatie. Enthousiast over het fonds, wil bijdragen aan publiciteit. Vraagt naar beheer en besluitvorming Zorgcentrum Ittmanshof Enthousiast over het fonds, ziet meerwaarde voor samenwerking. Vraag naar beheer en besluitvorming
20
Wijkontmoetingscentra Nunspeet Enthousiasme over fonds, goed voor samenwerking en verbinding Bureau Hervormde kerk Kerken betalen geen ozb, maar oprichting van een fonds is interessant Noord-Veluws Museum Vraag over hoe fonds zich verhoudt tot andere initiatieven Doenersdreef Hulshorst Woonzorgboerderij. Zeer enthousiast over fonds. onderneming zoekt naar netwerk, daar kan fonds bij helpen Nunspeet Onderneemt Positief over fonds. Vragen over beheer en bestuur. De discussie was wat gemankeerd, omdat de wozgegevens van de gemeente op dat moment nog niet bekend waren. Bij een stemmig in april bleek de steun niettemin unaniem Nunspeet Uit de Kunst Nunspeet uit de Kunst – partij in de toeristische sector - heeft vragen over hoe de vrijwillige bijdragen aan NUK zich verhouden tot de geldstroom naar en uit het ondernemersfonds. Na beraad heeft Nuk besloten positief en actief te willen meedenken en deel uit te gaan maken van de initiatiefgroep LTO Noord LTO Noord volgt ondernemersfondsen – ook dat in Nunspeet – met belangstelling. Maar in Nunspeet zijn weinig leden Bedrijvenkring Nunspeet De ledenvergadering van de Bedrijvenkring heeft in april over het fonds gestemd. Er waren één tegenstem en één onthouding. Alle anderen voor Agrarische sector Op 18 april was een avond voor ondernemers uit de agrarische sector. Er zijn 180 schriftelijke uitnodigingen verstuurd.
De opkomst was twee personen. Bij deze twee was een positieve houding ten opzichte van het op te richten fonds Publiekscommunicatie in mei 2022 In mei vonden publieksbijenkomstenplaats in Elspeet en Nunspeet. De bijenkomsten waren aangekondigd in Huis aan Huis Nunspeet. Twee voor het fonds nog nieuwe netwerken zijn schriftelijk uitgenodigd: alle sportverenigingen en beweeg-aanbieders en alle leden van het platform wonen welzijn zorg Publieksbijeenkomst Elspeet De 40 aanwezigen waren grotendeels uit de agrarische sector afkomstig. De stemming was op voorhand al zeer negatief. Door het ontbreken van woz-gegevens konden enkele financiële vragen niet beantwoord worden. Inmiddels is gebleken dat de bedragen die onder de agrarisch ondernemers circuleerden (gemiddeld 750 euro per bedrijf) niet kloppen (het agrarisch gemiddelde is 250 euro) Publieksbijeenkomst Nunspeet Er waren weer vooral agrarisch ondernemers. Ondanks de positieve inbreng vanuit buurgemeente Heerde bij monde van wethouder W. Meijer, was de stemming vanaf het begin negatief Dorpsgemeenschap Vierhouten Voor de komst van het fonds, bereid tot deelnemen in initiatiefgroep Nestlé Nederland Er is twee keer met Nestlé gesproken. Het bedrijf staat zeer positief tegenover de oprichting van het fonds.
het bedrijf realiseert zich de grootste bijdrage van alle ondernemingen te zullen gaan leveren, maar ziet dat als een investering in een goed werken leefklimaat in de gemeente Nunspeet. Nestlé zal deel gaan nemen in de initiatiefgroep Buurtvereniging Hulshorst Positief over het fonds, bereidheid del te nemen aan de initiatiefgroep Sportbedrijf Nunspeet
21
Fonds is een goed middel voor nieuwer samenwerkingen in het kader van een gezonde sportomgeving in de gemeente Nunspeet. Bereid deel te nemen aan de initiatiefgroep
De discussie is gemankeerd geweest door het ontbreken van inzicht in het woz-bestand. Het wozbestand is vertrouwelijk, maar het College van B&W kan besluiten om het beschikbaar te stellen voor onderzoeksdoeleinden. Gegevens over individuele betalers moeten daarbij geheim blijven. Pas na tussenkomst van onderzoeksbureau Blaauwberg is van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Niettemin is het mogelijk geweest om in korte tijd met een groot aantal ondernemers over het concept van het fonds te praten. De opbrengst van die consultaties is vrij eenduidig:
Vrijwel unanieme steun vanuit het georganiseerde bedrijfsleven Belangstellende nieuwsgierigheid vanuit de not-for-profit Hartelijke steun vanuit enkele grote ondernemingen Harde afwijzing door de agrarische sector.
Het is lastig om een getal op de consultaties te plakken. Daar hebben we ook niet naar gestreefd. Het fonds is een zakelijke propositie aan ondernemend Nunspeet. Je kunt niet van iedereen verwachten daar een afgerond oordeel over te hebben. Er zijn ook ondernemers die er voorlopig niets van vinden en voor noch tegen zijn. Op de hand gewogen, schatten we in dat de bedrijven die niet tegen het fonds zijn gezamenlijk meer dan 70% van de woz-waarde van de Gemeente Nunspeet vertegenwoordigen. Belangrijker dan een eventuele telling vinden we dat er voldoende enthousiasme en creativiteit is om echt van start te gaan en een succes te maken van het fonds. Er zitten niet alleen ondernemers te wachten op bestedingen, maar ook op de mogelijkheid om echt aan de slag te gaan.