AP 6a Bijlage Visie Natuurbrandbeheersing VNOG
Tekst van het document
Nota voor
:
vergadering algemeen bestuur
Datum
:
28 oktober 2021
Onderwerp
:
Visie Natuurbrandbeheersing VNOG 2021
Agendapunt
:
4
Kenmerk
:
AB/2123
Portefeuillehouder:
dhr. J.N. Rozendaal
Bijlage:
1. Visie Natuurbrandbeheersing VNOG
Inleiding Het Algemeen Bestuur heeft bij het vaststellen van de Toekomstvisie VNOG op 15 januari 2020 de VNOG opdracht gegeven om samen met postcommandanten1 een visie voor natuurbrandbestrijding voor de VNOG op te stellen. De voorliggende visie gaat in op de (inter)nationale ontwikkelingen, de beheersing en de bestrijding van natuurbranden, de slagkracht versus de risico's en het realiseren van de visie. Met 12 postcommandanten is uitgebreid ingezoomd op de opkomsttijden van de natuurbrandvoertuigen in de natuurgebieden en op de zwaartepunten. Er is uitgezocht hoe de VNOG in de toekomst optimaal gebruik kan maken van de 5 reserve combivoertuigen door deze tijdens het natuurbrandseizoen om te ruilen met TS-en Basis op 5 posten. Daarnaast is er door de 12 deelnemende postcommandanten input geleverd voor het Programma van Eisen voor de aanschaf van nieuwe natuurbrandvoertuigen. De VNOG is ervan doordrongen dat inzet op slagkracht alleen niet de oplossing is, maar er preventieve maatregelen nodig zijn om het risico op (onbeheersbare) natuurbranden verkleind en beperkt moet worden. Daarin werkt de VNOG nauw samen met partners als buurregio’s en de provincie Gelderland. N.B. Met de burgemeesters van Elburg, Putten, Nunspeet, Heerde, Oldebroek, Harderwijk en Ermelo is de visie uitvoerig besproken. Advies-besluit 1. In te stemmen met de “Visie Natuurbrandbeheersing VNOG 2021”. 2.
Reserve combivoertuigen strategisch te plaatsen in plaats van TS-en Basis tijdens het natuurbrandseizoen. 3. De reserve combivoertuigen in het natuurbrandseizoen te plaatsen op de posten Vaassen, Ermelo, Harderwijk, Nunspeet en Winterswijk.
1
De postcommandanten van de posten Elspeet, Oldebroek, Nunspeet, Eerbeek, Putten, Wezep, Ermelo, Hierden, Epe, Elburg, Hoog Soeren en ’s-Heerenberg hebben deelgenomen.
Pagina 1 van 4
Beoogd effect Door een visie op te stellen geeft de VNOG aan waar zij de komende jaren haar pijlen op richt en wat de concrete activiteiten zijn. Door samen met de postcommandanten in te zoomen op de slagkracht van de VNOG (het basisscenario) en de risico's is duidelijker geworden wat de opkomsttijden in de natuurgebieden en op de zwaartepunten zijn en waar het slim inzetten van reserve combi voertuigen de slagkracht en/of de opkomsttijden verbeteren. Argumenten 1.1 De VNOG heeft een vastgestelde visie voor de komende 4 jaren. De VNOG is constant bezig met de voorbereiding op zeer grote (onbeheersbare) natuurbranden. In de visie is verwoord waar de VNOG de komende 4 jaren haar pijlen op richt. In het visiedocument is ook aangegeven welke activiteiten de komende jaren verder worden opgepakt. 1.2 Innovatie is een onderdeel van de visie op natuurbrand en kan kennis opleveren die in de bredere brandweerpraktijk in te zetten is. De VNOG werkt aan proeven om drones in te zetten bij het sneller detecteren van natuurbranden en het delen van informatie. Daarnaast wordt onderzocht of satellietdata inzetbaar is om het risico op grote natuurbranden nog beter in te schatten. Dit past ook bij de visie van de VNOG op het gebied van informatiegestuurd werken. 2.1 Dan worden de opkomsttijden en de slagkracht verbeterd.
In het basisscenario zijn 11 natuurbrandvoertuigen minder opgenomen voor de operationele sterkte in vergelijking met de huidige situatie. Door tijdens het natuurbrandseizoen (dat loopt van februari tot half september) 5 TS-en Basis uit de operationele sterkte te ruilen met de 5 reserve combivoertuigen worden de slagkracht en de opkomsttijden bij natuurbranden verbeterd en wordt materieel optimaal en risicogericht ingezet. 3.1 Op deze posten is het mogelijk een TS-basis om te ruilen en de slagkracht en/of opkomsttijden te verbeteren. In overleg met de postcommandanten is uitgezocht bij welke kazernes de TS-basis tijdelijk vervangen de beste resultaten oplevert. Bij het maken van keuzes is o.a. gekeken naar opkomsttijden, risico's, branden in de afgelopen jaren en consequenties voor het opleiden/ oefenen. Het omwisselen van deze voertuigen kan pas plaats gaan vinden als het totale voertuigpark van de VNOG voldoende op sterkte is. Kanttekeningen 2.1 De ambities van het bestuur worden in de Achterhoek niet overal gehaald De operationele sterkte van de VNOG blijft, zoals door het bestuur is besloten, conform het basisscenario. Het basisscenario voldoet op de meeste plekken op de Veluwe ruimschoots aan de ambitie van het bestuur om in 30 minuten een eerste peloton ter plaatse te krijgen in de natuurgebieden. In de Achterhoek wordt deze ambitie niet overal gehaald.
Omdat de natuurgebieden in de Achterhoek veel kleiner zijn dan op de Veluwe en de vegetatie in het algemeen minder brandbaar is, is het risico op onbeheersbare natuurbranden veel kleiner. Het tijdelijk plaatsen van de reserve natuurbrandvoertuigen op enkele posten in de Achterhoek leidt ertoe dat de VNOG slim gebruik maakt van de middelen die het bestuur ter beschikking stelt. Op de plekken waar een eerste peloton niet binnen 30 minuten beschikbaar is, wordt dit als verantwoord beschouwd.
Pagina 2 van 4
2.2 De posten die tijdens het natuurbrandseizoen een TS-Basis omruilen voor een reserve combi voertuig leveren gedurende het natuurbrandseizoen hun Basis-TS in. Deze voertuigen worden toegevoegd aan de andere reservevoertuigen zodat het totaal hetzelfde blijft en het onderhoud, reparaties, opleiden en oefenen door kan gaan. Er zijn genoeg reservevoertuigen i.v.m. onderhoud, storingen, opleiden en oefenen. Het planbare onderhoud aan natuurbrandvoertuigen wordt zoveel mogelijk buiten het natuurbrandseizoen uitgevoerd. 2.3 Het jaarlijks omruilen van voertuigen moet geregeld worden. In overleg met postcommandanten worden afspraken gemaakt over het ruilen van voertuigen. Uitvoering/ communicatie/ inwerkingtreding De visie treedt in werking na vaststelling door het AB. Rapportage/ evaluatie De visie wordt iedere vier jaar geëvalueerd en bijgesteld. Personele consequenties Het personeel van de post Winterswijk krijgt er een taak bij (natuurbrandbestrijding) en wordt hiervoor opgeleid en geoefend. Het personeel van Harderwijk voert deze taak nu al uit en zal dit in de toekomst blijven doen. Financiële consequenties Er zijn beperkte financiële consequenties op het gebied van vakbekwaamheid. Post Winterswijk wordt opgeleid en geoefend en post Harderwijk blijft oefenen. Deze beperkte meerkosten worden opgevangen in de exploitatiebegroting.
Pagina 3 van 4
Het algemeen bestuur van de Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland; Bijeen in de vergadering d.d. 28 oktober 2021; Gelezen het voorstel van het dagelijks bestuur d.d. 6 oktober 2021;
Besluit: 1. In te stemmen met de “Visie Natuurbrandbeheersing VNOG 2021”. 2. Reserve combivoertuigen strategisch te plaatsen in plaats van TS-en Basis tijdens het natuurbrandseizoen. 3. De reserve combivoertuigen in het natuurbrandseizoen te plaatsen op de posten Vaassen, Ermelo, Harderwijk, Nunspeet en Winterswijk.
De secretaris
De voorzitter
drs. D.G.L. Kransen
A.J.M. Heerts
Apeldoorn, 28 oktober 2021
Pagina 4 van 4
VISIE Natuurbrandbeheersing VNOG 2021
Contactgegevens Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland Postbus 234 7300 AE Apeldoorn www.vnog.nl
2 | |
Inhoud Bestuurlijke samenvatting
4
Voorwoord
5
1. Inleiding
6
1.1 1.2
Dekking en spreiding Leeswijzer
6 6
2. Missie, visie en strategie
7
2.1 2.2
Missie Visie
3. Ontwikkelingen 3.1 3.2 3.3
7 7
8
Kenmerken Maatschappelijke ontwikkelingen Gebiedsgerichte aanpak
8 8 9
4. Visie op natuurbrandbeheersing
10
4.4 4.5 4.6
11 11 11 12
4.1 4.2 4.3
Weerbaardere vegetatie Compartimentering van en binnen natuurgebieden Elimineren en voorkomen van brand bevorderende landschapselementen Bereikbaarheid, toegankelijkheid en berijdbaarheid Bluswater Natuurbrandbewuste aanpak
10 10
5. Visie op de bestrijding van natuurbranden
13
5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9
13 13 13 14 14 14 15 15
5.1 5.2
Aanpak van een natuurbrand Materieel en materialen specifiek voor natuurbrandbestrijding Inzetten en opschalen met natuurbrandvoertuigen Natuurbrandverkenners Het inzetten van de slagkracht van de VNOG Verlenen van bijstand aan andere regio’s VNOG en specialismen GBO -SO Inzet van externen in de VNOG Vakbekwaamheid
6. Slagkracht versus risico’s
6.1 6.2 6.3 6.4 6.5
Opkomsttijden Opkomsttijden in natuurgebieden in de VNOG Opkomsttijden bij risico objecten Opkomsttijden in relatie tot brandvoortplanting in toegankelijk terrein Waar kunnen reservevoertuigen de opkomsttijd verbeteren?
7. Hoe gaan we de visie realiseren?
7.1 7.2 7.3 7.4 7.5 7.6
Informatiepositie Gebiedsgerichte aanpak Betrokken partijen en de uitvoering Vakbekwaamheid Materieel Operationeel Optreden
Bijlagen
13
16 16 16 16 15 16
18
18 18 18 19 19 19
20
| 3
Bestuurlijke samenvatting Het scenario Natuurbranden staat al vele jaren hoog in het regionaal risicoprofiel van de VNOG (zeer waarschijnlijk/ impact zeer ernstig). De VNOG heeft dan ook veel kennis en expertise opgebouwd in dit vakgebied. De opwarming van de aarde zorgt ervoor dat er meer biomassa in de natuur komt. In droge perioden wordt deze biomassa brandbaar en neemt de vuurlast en daarmee de kans oponbeheersbare branden toe. De gebiedsgerichte aanpak is een methode die de VNOG en de VGGM inzetten om gebieden zo in te richten dat de risico’s zoveel mogelijk beperkt worden. Een gedeelte van de maatregelen kan op korte termijn effect sorteren, het omvormen van natuurgebieden zal daarentegen tientallenjaren vergen. Het bestuur van de VNOG heeft op 15 januari 2020 besloten om de operationele organisatie compact en efficiënt in te richten op basis van de risico’s in het verzorgingsgebied. Het uitgangspunt “1 peloton natuurbrandvoertuigen in 30 minuten”, dat ook in het Dekkingsplan terugkomt, is hierbij gehanteerd (AB besluit van 10 december 2020). Berekeningen geven aan dat in de natuurgebieden op de Veluwe het uitgangspunt gehaald wordt met het basisscenario (op veel risicovolle plaatsen zelfs 2 pelotons in 30 minuten). In de natuurgebieden in de Achterhoek waar het risico veel minder groot is wordt het uitgangspunt niet (overal) gehaald.
De VNOG gaat tijdens het natuurbrandseizoen op strategische posten reserve natuurbrandvoertuigen plaatsen in plaats van standaard tankautospuiten. De slagkracht voor natuurbrandbestrijding neemt hierdoor toe met 4 voertuigen op de Veluwe en 1 in de Achterhoek. Hierdoor wordt het materieel optimaal ingezet in de VNOG. Het basisscenario, het dekkings- en spreidingsplan en het aantal reservevoertuigen blijft zoals het bestuur heeft vastgesteld. Het inzetten van o.a. satelliet data, een simulatiemodel, drones voor bewaking en operationele informatie moeten ervoor zorgen dat gericht getrainde brandweermensen snel een succesvolle bestrijding kunnen starten. Om het veiligheidsniveau te behouden c.q. te verhogen krijgt brandpreventie op vakantieparken en het ontruimen van deze parken extra aandacht. Ook wordt er door de VNOG invloed uitgeoefend bij natuurbeheerders om natuurbrandpreventieplannen op te stellen (zoals de gemeente Nunspeet al heeft gedaan). Landelijk wordt er vanuit Grootschalig Brandweer Optreden – Specialistisch Optreden (GBO SO natuurbranden) steeds meer data verzameld om meer wetenschappelijk inzicht te krijgen in o.a. brandvermogens en slagkracht. De VNOG werkt hieraan mee door data aan te leveren en mee te denken in de ontwikkeling van een database.
De resultaten kunnen in de toekomst gebruikt worden om ons Dekkings- en Spreidingsplan regelmatig te toetsen aan de nieuwste inzichten en bij te stellen waar nodig. Deze inzichten worden ook gebruikt om onder meer de inzetten van het Fire Bucket Operation Team verder te ontwikkelen. Gezien de dynamiek, de onvoorspelbaarheid, de grote natuurgebieden en de risico’s is het beheersen en bestrijden van natuurbranden ook de komende jaren een voortdurende prioriteit van de VNOG.
4|
Voorwoord Het bestuur van de VNOG heeft op 15 januari 2020 besloten om de operationele organisatie compact en efficiënt in te richten op basis van de risico’s in het verzorgingsgebied. Concreet betekent het dat het aantal natuurbrandvoertuigen dat beschikbaar is om te worden ingezet in de komende 6 jaar verlaagd wordt van 37 naar 26 (conform het basisscenario met 10 specialistische natuurbrandvoertuigen en 16 combi voertuigen). In samenhang met dit besluit is er op 15 januari 2020 afgesproken om voor het onderdeel natuurbrandbestrijding samen met de postcommandanten een visie op te stellen. In de afgelopen maanden is er door experts uit de VNOG samen met postcommandanten en burgemeesters hard gewerkt aan de nu voorliggende Visie Natuurbrandbeheersing VNOG. Het nu voorliggende document gaat in op vele ontwikkelingen, de beheersing en bestrijding van natuurbranden, slagkracht en risico’s en het realiseren van de visie. Deze visie wordt neergelegd voor de komende 4 jaren. De visie is geen keurslijf, maar geeft richting. Er wordt volop ontwikkeld aan methoden om de natuur in de regio bestendiger te maken en aan een betere informatiepositie. Nieuwe ontwikkelingen die nu nog niet in beeld zijn worden daar natuurlijk in meegenomen en in 2025 krijgt deze visie een update.
De VNOG - als autoriteit op het gebied van veiligheid - werkt ondertussen met vele partijen samen om veilig wonen, werken en recreëren in de natuur in de regio mogelijk te maken en te houden. Namens het Algemeen Bestuur VNOG J.N. Rozendaal Portefeuillehouder Natuurbrand
| 5
1.1
Dekking en spreiding
Op 15 januari 2020 heeft het Algemeen Bestuur van de VNOG besloten om voor het onderdeel “Dekking en Spreiding” te kiezen voor het basisscenario. Deze keuze heeft tot gevolg dat in de komende 6 jaar het aantal natuurbrandvoertuigen gaat afnemen. Daarnaast is er afgesproken om voor het onderdeel natuurbrandbestrijding samen met de postcommandanten een visie op te stellen. De actuele (inter)nationale ontwikkelingen en praktijkervaring dienen hiervoor de basis te zijn. In deze visie komen het veiligheidsniveau, de aanrijtijden, afspraken over risico-objecten, het benodigde materieel en de plaatsing en verdeling van het materieel aan bod. Op het trainen en opleiden van de brandweereenheden wordt ook ingegaan. De visie moet passen binnen de financiële en inhoudelijke kaders van de toekomstvisie en de richtinggevende uitspraken van het Algemeen Bestuur zoals benoemd in de Reader . Omdat de inrichting van een bestrijdingsorganisatie nauw samenhangt met het risicoprofiel is ervoor gekozen om van dit moment gebruik te maken om ook de visie voor natuurbrandbeheersing te beschrijven. Dit past ook binnen de opdracht om nog eens goed te kijken naar de diverse risico-objecten en de slagkracht die de VNOG er tegenoverstelt.
6|
1.2
Leeswijzer
In het eerste hoofdstuk wordt er ingezoomd op de missie, visie en strategie van de VNOG en Brandweer NL. In het tweede hoofdstuk worden diverse ontwikkelingen besproken die van grote invloed zijn op de risico’s. Het derde en vierde hoofdstuk gaat over de visie op respectievelijk de beheersing en de bestrijding van de risico’s. In het vijfde hoofdstuk worden de risico’s en de slagkracht besproken. Het laatste hoofdstuk gaat over de strategie die we volgen om de risico’s in natuurgebieden in de VNOG te beheersen en waar nodig natuurbranden te bestrijden. Omdat er behoefte is aan meer duidelijkheid over opkomsttijden in natuurgebieden is er een uitgebreide bijlage met achtergrondinformatie toegevoegd.
In de bijlagen een overzicht met afkortingen, relevante bestuurslagen, berekeningen van opkomsttijden en een overzichtsplaatje met brandweerkazernes.
2.
Missie, visie & strategie
2.1 Missie
2.2 Visie
Het management van de VNOG heeft de missie ‘samen werken aan veiligheid’ als volgt uitgewerkt:
In juni 2016 heeft Brandweer NL de landelijke visie
“De VNOG creëert de voorwaarden voor een omgeving waarin inwoners en bezoekers gezond en veilig kunnen wonen, werken en recreëren. Het (brand)risicoprofiel is leidend voor alle activiteiten van de VNOG. De focus ligt op wat er veel is: natuur en agrarisch gebied, de vele evenementen, het hoge aantal recreatieparken en de vele zorgorganisaties in de regio. De operationele organisatie is compact en efficiënt ingericht op de risico’s van het verzorgingsgebied. Medewerkers worden gericht getraind en er wordt realistisch geoefend zodat deskundigheid wordt vergroot.”
“Samen werken aan natuurbrandbeheersing” vastgesteld. Aan deze visie hebben diverse medewerkers van de VNOG een bijdrage geleverd of zijn met de uitwerking bezig. De visie van de VNOG sluit aan op de landelijke visie voor het grootschalig en het specialistisch optreden bij natuurbranden. De strategie omvat de activiteiten die de VNOG gaat uitvoeren (en in veel gevallen al aan het uitvoeren is) om de visie werkelijkheid te laten worden.
De missie geeft aan waar de VNOG voor staat en is het bestaansrecht van de organisatie voor langere tijd. In deze “Visie Natuurbrandbeheersing VNOG” geeft de organisatie aan waar de organisatie voor gaat, op welke concrete doelen de VNOG haar activiteiten de komende jaren richt op het gebied van natuurbrandbeheersing- en bestrijding.
| 7
3.
Ontwikkelingen
3.1
Kenmerken
De opwarming van de aarde leidt tot extremere weersomstandigheden met perioden van grotere droogte en hogere temperaturen afgewisseld met extreme buien. De extra natte perioden leiden tot sneller groeiende en meer vegetatie. Tijdens de extreme droge periodes droogt de grond en de vegetatie uit en is er meer brandbaar materiaal. De verwachting is dat de opwarming van de aarde voorlopig niet stopt en deze trends doorzetten en impact gaan hebben op de gezondheid van mensen en het maatschappelijk leven. Om de snelle opwarming van de aarde te vertragen en op termijn te stoppen wordt er ingezet om meer CO2, stikstofoxiden en fijnstof af te vangen. De landelijke bossenstrategie waarbij het uitgangspunt is om 30% meer bos te creëren en bestaand bos te revitaliseren is hier een mooi voorbeeld van.
8|
3.2
Maatschappelijke ontwikkelingen
De Provincies, de Waterschappen en Rijkswaterstaat werken aan het voorkomen van onomkeerbare schade door in gebieden met wateraanvoer de watertekorten aan te vullen. In gebieden die afhankelijk zijn van regenwater (veelal de hoge zandgronden) wordt gewerkt aan een klimaatbestendige natuur door het verhogen van grondwaterstanden en het vasthouden van water. Internationaal wordt er steeds meer gefocust op de toename van de biomassa in de natuur. Na een droge periode is een groot gedeelte van de biomassa droog waardoor de vuurlast flink toeneemt. Deze vuurlast kan zo hoog worden dat natuurbranden niet meer te bestrijden zijn. Deze inzichten leiden ertoe dat er steeds
meer aandacht is en komt voor de vuurlast in de natuur en er maatregelen getroffen worden om deze last te beperken (zoals begrazen en beheerbranden). Met meer materieel is deze toenemende vuurlast niet te compenseren. Om branden beheersbaar te houden wordt er vooral ingezet op natuurbrandbeheersingsmaatregelen, risicocommunicatie, alerteringssystemen, bewaken van natuurgebieden, snelle (door) melding, toegankelijkheid van gebieden, de eerste slagkracht en de beschikbaarheid van bluswater. Er kan gekeken worden hoe gemeenten of provincies vanuit het bestuursrecht grote en kleine natuurbeheerders (waaronder campings en vakantieparken) kunnen bewegen hun terreinen natuurbrandbestendig te maken. Bijvoorbeeld via vergunningen of certificering.
3.3
Gebiedsgerichte aanpak
De grootte van de natuurgebieden en de grootte van de natuurbranden in Amerika, Australië en de Europese Mediterrane gebieden zijn niet met de natuurgebieden en natuurbranden in Nederland te vergelijken. In de ontwikkelingen, inzichten en de te treffen maatregelen zitten, in ieder geval op hoofdlijnen, wel veel overeenkomsten. Het intensieve gebruik van de natuurgebieden in Nederland maakt het beheersen erg complex. Vanuit de gebiedsgerichte aanpak, die samen met Veiligheids- en Gezondheidsregio GelderlandMidden (VGGM) en de Provincie Gelderland wordt uitgevoerd, werkt de VNOG aan: 1. De nieuwe Bomen- en Bossenstrategie (m.n. het Uitvoeringsprogramma bomen en bos van december 2020) 2. Project Natura 2000 (recreatiezonering, natuurbescherming, inrichting bermen, etc.) 3. Programma Veluwe op 1 (verhoging van de attractiviteit en natuurwaarde van de Veluwe voor recreatie) 4. Vitale vakantieparken (aantrekkelijkheid van accommodaties/ permanente bewoning door arbeidsmigranten)
| 9
4. Om het natuurbrandrisico zoveel mogelijk te beheersen kiest de VNOG ervoor om mee te denken en invloed uit te oefenen op de inrichting van natuurgebieden. Door ervoor te zorgen dat er een vorm van compartimentering is en brandoverslag beperkt wordt, er voldoende bluswater beschikbaar is en natuurgebieden voor de brandweer toegankelijk zijn, worden branden minder groot en heeft de brandweer meer kans om branden (snel) te blussen. Over het algemeen geldt dat als er preventief geen maatregelen worden getroffen deze repressief niet goed gemaakt kunnen worden. Populair gezegd gaan meer brandweerauto’s het ontbreken van een compartimentsgrens niet goed maken. De VNOG wil, samen met de VGGM, de risico’s in de natuurgebieden in de regio’s, acceptabel houden door met alle partijen samen te werken. Omdat het veel partijen zijn met diverse belangen is een gecoördineerde, afgestemde en structurele aanpak nodig. Daarnaast zullen afspraken en maatregelen op de realisatie ervan gemonitord moeten worden. De methodiek van de gebiedsgerichte aanpak (zie hoofdstuk 6) is ontwikkeld om onder andere afspraken te kunnen maken over onderstaande uitgangspunten, maatregelen en/ of voorzieningen.
4.1 Weerbaardere vegetatie Door het omvormen van zeer natuurbrandgevaarlijke vegetatie naar minder brandgevaarlijke vegetatie is de natuur weerbaarder te maken tegen natuurbrandgevaar. Dit kan door omvormen van bepaalde naaldbossen tot loofbossen en het meer realiseren van gemengde bossen. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat de mogelijkheden hiervoor sterk afhankelijk zijn van de bodemgesteldheid en grondsoort.
4.2 Compartimentering Compartimentering wordt ingezet om: • Natuurgebieden in te delen in kleinere vakken. • Een natuurbrand te beperken tot een van tevoren afgesproken deelgebied (waarbij de slagkracht van de brandweer in overweging wordt genomen). • Kwetsbare natuur te beschermen tegen brand. • Kwetsbare vitale- en mobiliteitsinfrastructuur te beschermen. •
10 |
Kwetsbare objecten en hun gebruikers/
• •
bewoners te beschermen tegen brand. Kapitaal (zoals gebouwen, waardevol hout) te beschermen tegen brand. Schade aan terreinen en de inrichting van terreinen beperken (dat kan ook rijschade zijn door bluswerkzaamheden).
Om een natuurgebied te compartimenteren kunnen brandsingels, brandgangen, brandcorridors en brandstroken worden aangelegd. Aan de grootte van de compartimenten zijn in Nederland geen formele eisen gesteld. Brandsingel Een brandsingel bestaat uit een kern van loofhoutbomen die in combinatie met loofhoutachtige mantelvegetatie zijn aangeplant op een compartimentsgrens om brandoverslag te voorkomen. De brandsingel is meestal gecombineerd met een berijdbaar pad. De breedte van de brandsingel is afhankelijk van de vuurlast die opgevangen dient te worden. Brandgang Een brandgang is een open ruimte en onder andere bedoeld voor bijvoorbeeld mobiliteitsinfra/vitale infrastructuur, en is afhankelijk van de ligging in de natuur aan één of beide zijden voorzien van een brandsingel. Brandcorridor Een brandcorridor is een verbreedde brandgang met verminderd brandbare vegetatie met aan één of beide zijden een brandsingel. Brandstrook Een brandstrook is een zichtbare strook met lage vegetatie in een heide of grasgebied en is berijdbaar voor natuurbrandvoertuigen. 4.3 Elimineren en voorkomen van brand bevorderende landschapselementen In natuurgebieden kan plaatselijke begroeiing zorgen voor een snelle ongewenste branduitbreiding. Bij de inrichting en het beheer dient rekening te worden gehouden met:
Brandbare bermen Bermen langs parkeerplaatsen, spoorbanen, snelwegen kunnen ervoor zorgen dat er brandoverslag plaats vindt naar natuurgebieden. Randbeheer kan toegepast worden om de vuurlast laag te houden. Trapvorming Door een oplopende hoogte in vegetatie kunnen “natuurladders” ontstaan (trapvorming) waarbij een loopvuur omhoog kan klimmen naar de kronen. Door het weghalen van een laag begroeiing, het plaatsen van loofhout tussen naaldhout en door tak- en tophout niet te reduceren kan het risico op kronenvuur beperkt worden.
2.6.2 Beheersing door compartimenteren met natuurbrandbeheersingsmaatregelen
Windtunneleffect Bij bospaden, spoor- en snelwegen, hoogspanning tracés en corridors kunnen windtunneleffecten optreden. De wind zorgt in de “tunnel” voor een verhoogde druk waardoor er stormschade kan ontstaan. Tijdens een natuurbrand in een “tunnel” zal de brand zich versneld ontwikkelen. Het windtunneleffect is te voorkomen door onder andere: • Het aanleggen van meanderende corridors. • Bij omvorming een fasering toe te passen zodat er geen tijdelijke windtunnels ontstaan • Het creëren van inhammen in bospaden en open plekken op kruisingen, door een mantelvegetatie of door het ombuigen van rechte paden naar een meanderende structuur. • Het aanleggen van een meanderende zoom, een mantel of kernvegetatie bij het aanleggen van spoor-, snelweg- en hoogspanningstracés.
Beheersen biomassa/tak- en tophout op compartimentsgrenzen Om een natuurbrand te kunnen beheersen moet de vuurlast op o.a. de compartimentsgrenzen beheerst worden. Immers de hoeveelheid brandstof bepaald voor een groot gedeelte de intensiteit en dode vegetatie levert hieraan een belangrijke bijdrage.
4.4 Bereikbaarheid, toegankelijkheid en berijdbaarheid Om op te kunnen treden bij incidenten in natuurgebieden moet de locatie voor de hulpverleners met het materieel bereikbaar zijn. Praktisch gezien betekent dit dat er op een eenvoudige manier toegang mogelijk moet zijn en dat de paden zo zijn ingericht en onderhouden dat het materieel naar het incident kan rijden en er circuits gereden kunnen worden.
De VNOG en VGGM hanteren de afspraken die met de Vereniging van Bos- en Natuureigenaren (VBNE) zijn gemaakt over de berijdbaarheid van paden: • Primaire hoofdwegen (houttransportwegen) zijn 6 meter breed en stronkvrij bij 6 meter hoog takvrij aan de stam (is 4,2 meter vrije hoogte op het pad) • Secundaire wegen zijn 4,5 meter breed en hebben een takvrije zone van 6 meter hoog aan de stam (is 4,2 meter vrije hoogte op het pad) • Op kruispunten van paden en wegen moet er voldoende ruimte zijn om een bocht te kunnen maken met grote brandweervoertuigen. Dit zijn zogenaamde bochtstralen.
4.5 Bluswater Tijdens het bestrijden van natuurbranden wordt in eerste instantie het water uit de watertank van de natuurbrandvoertuigen en waterwagens gebruikt. Om deze weer te vullen en watertransportsystemen te voorzien van water zijn bluswatervoorzieningen nodig. De VNOG hanteert hiervoor de landelijke ‘Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaaheid’. In deze handreiking wordt uitgegaan van cirkels met een diameter van 2 km om een verantwoorde bluswater capaciteit te realiseren.
| 11
Tevens wordt aangegeven dat bij de positionering van bluswatervoorzieningen het goed is om met het volgende rekening te houden: • Op basis van de aanwezige bluswaterbronnen in de gebouwde omgeving en het als bluswater beschikbare open water in een natuurgebied, moet beoordeeld worden of er binnen een afstand van 2 km voldoende bluswater te operationaliseren is. • Het is belangrijk dat de bluswatervoorzieningen op logische punten worden aangebracht. Hierbij moet rekening worden gehouden met de opstelplaatsen, met de mogelijkheid tot het kiezen van meerdere rijrichtingen en met een zo veilig mogelijke opstelling met betrekking tot de brandbaarheid van de omliggende vegetatie. Dit gaat altijd in overleg met de eigenaar/natuurbeheerder. • Landelijk is er afgesproken om in een natuurbrandvoertuig van minimaal 3.000 liter water te voorzien voor de eerste inzet. De VNOG heeft de voorkeur om de voertuigen met een watertank van 4000 liter uit te rusten (inclusief 500 liter reserve). Na de eerste inzet dient de watertank weer zo snel mogelijk gevuld te worden. De slagkracht vanaf de tweede inzet wordt grotendeels bepaald door de aanwezigheid van bluswater.
4.6 Natuurbrandbewuste aanpak Als onderdeel van de gebiedsgerichte aanpak is er de natuurbrandbewuste aanpak (Fire wise) voor gebruiksfuncties als recreatieondernemingen, zorginstellingen en de woon- en bedrijfsfunctie binnen dan wel grenzend aan natuurgebieden. De natuurbrandbewuste aanpak biedt een handelingsperspectief om preventief maatregelen te treffen om gebouwen/objecten te beschermen en veilig te vluchten of te schuilen. Daarnaast worden er tips gegeven hoe de brandbestrijding te ondersteunen. Deze aanpak zet de VNOG onder andere in om de risico’s op en rondom campings en verzorgingsinstellingen in natuurgebieden te beperken.
12 |
5. Voor het succesvol bestrijden van een natuurbrand is een snelle detectie essentieel. Net als bij andere incidenten is de VNOG gedeeltelijk afhankelijk van melders in het gebied. Omdat met name op de Veluwe uitgestrekte dunbevolkte natuurgebieden zijn met weinig passanten, wordt in het natuurbrandseizoen een vliegtuig ingezet om detectie te versnellen. VNOG werkt aan drones om detectie efficiënter en effectiever te maken.
5.1
Aanpak van een natuurbrand
De Natuurbranden kunnen onvoorspelbaar zijn, zich zeer snel uitbreiden en bedreigend zijn voor mens, natuur en infrastructuur. Natuurbranden moeten dan ook zo snel mogelijk onder controle worden gebracht. De eerste uitruksterkte wordt dan ook constant aangepast aan het actuele natuurbrandrisico. Over het algemeen geldt dat de brand zich het snelst met de wind mee uitbreidt. Als het snel uitbreidende gedeelte, de kop van de brand, onder controle is zal de brand veel minder snel uitbreiden. Op de flanken breidt een brand ook uit maar minder snel. Aan de staart van de brand breidt een brand zich langzaam tegen de wind in uit. Het toepassen van een offensieve aanval in het terrein op de kop van de brand kan zorgen voor een snelle knockdown. Op gras- en of heidevelden is dit een bekende en beproefde werkwijze. Als deze werkwijze niet kan worden toegepast, kan er gekozen worden om defensief op te treden in het terrein, offensief of defensief vanaf de paden. Tijdens één inzet wordt er vaak van verschillende werkwijzen gebruik gemaakt. Plaatselijke omstandigheden (soort vegetatie, zwaartepunten, inrichting van het terrein en de beschikbaarheid van bluswater) en de beschikbare slagkracht zijn bepalend voor de keuzes die er gemaakt worden. Het bestrijden van natuurbranden met (veel) kronenvuur is een bijzondere uitdaging.
De vlammenzee die hierbij kan ontstaan is zeer gevaarlijk en bestrijding vanaf de grond is in veel gevallen niet mogelijk. De helikopters van Defensie kunnen wel een rol spelen bij het temperen van het vuur, maar of de bluscapaciteit die nodig is geleverd kan worden is maar zeer de vraag. De brandweer zal dan ook altijd haar uiterste best doen om kronenvuur te voorkomen.
5.2 Materieel en materialen specifiek voor natuurbrandbestrijding Voor het blussen van natuurbranden conform de beschreven aanpak worden er voor de blussing natuurbrandvoertuigen ingezet
(de combi-voertuigen en specialistische natuurbrandvoertuigen zoals genoemd in het dekkings- en spreidingsplan). Deze voertuigen zijn terreinvaardig, kunnen rijdend blussen en zijn voorzien van dakmonitoren en een bumpermonitor. Vanaf deze voertuigen kan ook afgelegd worden. Op de voertuigen zijn enkele handgereedschappen aanwezig. Als er veel handwerk noodzakelijk is dan zal er apart handgereedschap aangevoerd moeten worden en kan er gebruik gemaakt worden van de handcrew uit het GBO-SO. Om veilig te kunnen werken zijn de voertuigen voorzien van een ringleidingsysteem voor ademlucht en een ringleidingsysteem voor de bescherming van het voertuig (waterscherm). Daarnaast zijn de voertuigen voorzien van onder andere een takkenscherm, een lier en rondom verlichting om ook in het donker op te kunnen treden. De natuurbrandvoertuigen worden bemenst door minimaal vier personen (chauffeur, bevelvoerder en 2 manschappen) en hebben een zitplaats voor opleidingen/ stages. De wens van de postcommandanten is om ook de specialistische voertuigen met 6 personen te kunnen bemensen. N.B. De combi- en specialistische voertuigen worden in eerste instantie volgens de kazerne volgorde tabel in pelotons ingezet. De specialistische voertuigen zijn lichter dan de combivoertuigen. Ze zijn compacter en hebben een kleinere draaicirkel.
Daarnaast zijn deze voertuigenterreinvaardiger door de gunstige aanloop-, afloop-en hellingshoek en de grotere bodemvrijheid. Door deze specifieke eigenschappen kunnen dezevoertuigen sneller en verder moeilijk berijdbaar terrein in.
5.3 Inzetten en opschalen met natuurbrandvoertuigen Op basis van het actuele risicobeeld (dat tot stand komt op basis van onder andere meetstations, satellietdata en informatie van natuurbeheerders) wordt het inzetvoorstel bepaald door de HOvD West (uitbreidingsrisico normaal, groot of zeer groot). De centralist of de bevelvoerenden kunnen verder opschalen als daar aanleiding toe is. De opschaling vindt pelotonsgewijs plaats conform het Grootschalig Brandweeroptreden zoals beschreven in het OPN. Verdere opschaling gaat op basis van bijstandsaanvragen aan andere veiligheidsregio’s. Als Command & Control systeem wordt gebruikt gemaakt van LCMS-mobiel. Bij zeer grote branden kan de beeldvorming ondersteund worden door simulaties te draaien met het Natuurbrandverspreidingsmodel (NBVM).
13 |
5.4
Natuurbrandverkenners
De natuurbrandverkenners worden primair ingezet op de kop van de brand met als doel het verkrijgen van een continu beeld van de uitbreidingsmogelijkheden. Zij adviseren de flankcommandant c.q. taakcommandant over de uitbreidingsmogelijkheden en de techniek/tactiek. Zij laten zich adviseren door de terreinbeheerders/BOA’s. Incidenteel kunnen de verkenners ingezet worden voor het begidsen van voertuigen indien de BOA’s afwezig zijn. In 2021 wordt er gestart met het uitbreiden van het werkgebied Epe, Voorst en Apeldoorn naar het hele VNOG-gedeelte van de Veluwe. Evaluaties worden ingezet om inzicht te krijgen in de voortgang en deeffectiviteit.
5.5 Het inzetten van de slagkracht van de VNOG Slagkracht kun je onderverdelen in de eerste inzet, de opschaling, het doorzettingsvermogen en de restdekking. De eerste inzet Op basis van het actuele risico alarmeert de centralist 2 natuurbrandvoertuigen en een OvD (uitbreidingsrisico normaal) of 4 natuurbrandvoertuigen en 2 OvD-en (uitbreidingsrisico hoog). In beide gevallen wordt ook een waterwagen en de natuurbeheerder mee gealarmeerd. Bij het uitbreidingsrisico zeer hoog worden nog meer ondersteunende eenheden en functionarissen mee gealarmeerd. De opschaling Na de eerste inzet wordt er opgeschaald in pelotons natuurbrandvoertuigen en pelotons waterwinning . Omdat er gestart is met de voertuigen die het eerst bij de brand kunnen zijn zal de opkomsttijd van het opgeschaalde materieel veel hoger zijn. De opschaling vindt plaats vanuit het materieel en personeel dat verderop in de regio’s VNOG en VGGM voorhanden is voor de eerste slagkracht. Daarnaast zijn er afspraken met het ASK en het ISK en kan er bijstand worden gevraagd van andere regio’s in Nederland. Doorzettingsvermogen De VNOG kan heel snel reageren met heel veel mensen en materieel als er behoefte is. Hier staat tegenover dat het doorzettingsvermogen (meerdere dagen in stand houden van slagkracht) alleen vanuit de eigen regio beperkt is.
Doorzettingsvermogen kan gecreëerd worden door het inzetten van andere regio’s die geschikt materieel hebben,
14 |
defensie en loonwerkers. Bij het vaststellen van de materieelsterkte is geen rekening gehouden met natuurbranden die meerdere dagen duren. Restdekking Omdat voor de eerste inzet en de eerste opschaling de reguliere kazerne volgorde tabel gebruikt wordt is er in de omgeving van de brand geen restdekking meer aanwezig voor een volgende natuurbrand. Als het er naar uit ziet dat de inzet vele uren gaat duren wordt er een restdekking georganiseerd (door nog niet ingezette voertuigen te gaan verplaatsen).
5.6 Verlenen van bijstand aan andere regio’s Het Landelijk Operationeel Coördinatie Centrum (LOCC) van het Ministerie van Veiligheid en Justitie is belast met de coördinatie van bijstand. Tijdens zeer grote natuurbranden wordt de VNOG vaak gevraagd om bijstand te leveren. Bijna jaarlijks levert de VNOG bijstand met het ondersteuningsteam Fire Bucket Operations (FBO). Kennis en expertise van de VNOG en VGGM maakt dat defensie met deze regio's samenwerkt bij zeer grote branden. Daarnaast komt het regelmatig voor dat er ook één of meerdere pelotons natuurbrandbestrijding worden geleverd. Omdat de repressieve organisatie compacter wordtingericht en gebaseerd is op het eigen verzorgings-gebied zal het leveren van bijstand in de toekomst een grotere impact hebben op de restdekking van de natuurgebieden van de VNOG. Tijdens een grote natuurbrand in een andere regio is het risico in de VNOG over het algemeen ook hoog. Als de Algemeen Commandant Brandweer (AC-B) besluit om bijstand te verlenen maakt hij gebruik van tabellen die ook in het meldkamersysteem zijn ingevoerd. Afhankelijk van de bijstandsaanvraag of de klus die er uitgevoerd moet worden kiest hij in de toekomst voor een peloton combi- voertuigen of een peloton specialistische voertuigen op basis van nieuw op te stellen bijstandstabellen waarbij rekening is gehouden met de restdekking.
Verlenen van meerdere pelotons bijstand (gelijktijdig) is alleen mogelijk als de situatie in de VNOG het toelaat. N.B. Landelijk en regionaal is niet afgesproken hoeveel natuurbrandvoertuigen als bijstand geleverd kunnen of mogen worden vanuit de VNOG. Demorele verplichting versus de zorg voor het eigengebied leveren een stevig dilemma op.
5.7 VNOG en specialismen GBO -SO
Vakbekwaamheid
Bij zeer grote natuurbranden en/of bij natuurbranden die in ontoegankelijk gebied woeden kan het GBO-SO specialisme Fire Bucket Operations (FBO) worden ingezet. De helikopters van defensie worden ondersteund door gespecialiseerd zijn een aanvulling op de grondeenheden en verhogen de slagkracht maar zijn over het algemeen pas na vele uren inzetbaar. De handcrew is gespecialiseerd in het zware handwerk om met name in ontoegankelijk terrein stoplijnen te maken, branden te blussen en nabluswerkzaamheden uit te voeren. Het specialisme “voorbranden” is in ontwikkeling om vuur met vuur te bestrijden op heide- en grasvlakten maar is nog niet operationeel in Nederland. De verwachting is dat de handcrew van de Veiligheidsregio’s IJsselland en Twente zich deze werkwijze als eerste eigen gaat maken. De postcommandanten vinden dit specialisme ook interessant voor de VNOG en passend bij de vegetatie en de risico’s op de Veluwe.
Vakbekwaam worden In de landelijke les- en leerstof en de opleidingen voor manschappen, chauffeurs, bevelvoerders, OvD-en en HOvD-en komt het onderwerp natuurbrand niet of nauwelijks voor. Alle opgeleide, nieuwe, functionarissen die een rol kunnen spelen bij de bestrijding dienen bijgeschoold te worden. Het Operationeel Plan Natuurbrandbestrijding (OPN) en de aandachtskaarten kunnen hierbij gebruikt worden. Op korte termijn komt er landelijk binnen de Elektronische Leeromgeving (ELO) een module beschikbaar met basisinformatie over het bestrijden van natuurbranden. Het personeel wordt op basis van implementatieplannen bijgeschoold om nieuwe materialen en materieel in te kunnen zetten.
5.8 Inzet van externen in de VNOG Tijdens natuurbranden kunnen loonwerkers de bestrijding ondersteunen met klepelaars, frezen en giertanks. Het inzetten gebeurt bij voorkeur via de natuurbeheerders in de gebieden waar de brand al onder controle of in de nablusfase is. Door het inzettenvan frezen, klepelaars en giertanken kunnen stop-lijnen gemaakt worden. Het inzetten van loonwer-kers vindt op ad hoc basis plaats en er worden dusgeen waakvlamovereenkomsten voor afgesloten.
Vakbekwaam blijven De brandweermensen oefenen zoveel mogelijk realistisch (‘Train as you fight’). Ieder zijn eigen rol op basis van logische ensceneringen in de natuurlijke omgeving, reëel qua tijd en tempo en met de middelen die tijdens incidenten ook beschikbaar zijn. Als er mogelijkheden zijn om een stukje gras of heide af te branden dan wordt onderzocht of dit moment in te passen is in een oefening. In het oefenprogramma gaan de oefeningen van klein naar groot en van basisinzetten naar complex(ere) inzetten. De focus ligt op de risico’s en vegetatiesoorten die er in de VNOG voorkomen. Omdat we de Veluwe delen met VGGM en we samen de bestrijding uitvoeren wordt het oefenprogramma samen opgesteld en wordt er ook samen geoefend. Het veilig optreden zal in de komende jaren extra aandacht behoeven. Ervaringen van collega’s in het zuiden van het land bevestigen weer dat natuurbranden onvoorspelbaar en risicovol kunnen zijn. Meer samen oefenen met de natuurbeheerders kan ertoe leiden dat we slimmer optreden in de natuur en de maatregelen, die er vanuit de gebiedsgerichte aanpak zijn gerealiseerd, gebruiken bij het maken van een inzetplan.
15 |
6. 6.1
Opkomsttijden
In Nederland zijn geen wettelijke en/ of wetenschappelijk vastgestelde opkomsttijden voor natuurbrandbestrijdingsvoertuigen; het bestuur kan zelf het ambitieniveau vaststellen. Omdat het bestuur in 2020 heeft gekozen om uit te gaan van een opkomsttijd van 30 minuten voor het 1e peloton natuurbrandbestrijding worden berekeningen in deze visie in ieder geval gerelateerd aan dit ambitieniveau. In de landelijke visie grootschalig brandweeroptreden worden wel operationele prestaties genoemd. Voor het eerste natuurbrandbestrijdingspeloton wordt er van een opkomsttijd van 30 minuten uit gegaan. Dit komt overeen met het advies van de “Commissie Verlaan” en de doelstelling in het Operationeel Plan Natuurbrandbestrijding om binnen 30 minuten voldoende slagkracht ter plaatse te hebben. Deze 30 minuten wordt ook in het dekkingsplan van de VNOG genoemd dat op 10 december 2020 door het Algemeen Bestuur is vastgesteld. N.B. De dekkings- en spreidingsmodule en de kazerne volgorde tabellen (KVT) die gebruikt zijn voor het berekenen van opkomsttijden geven een indruk van de tijd die het kost om voertuigen ter plaatse te krijgen. Andere tools, andere vakverdelingen, andere rijsnelheden van paden en wegen of andere uitruktijden (dag of nachtsituatie) geven andere opkomsttijden.
6.2 Opkomsttijden in natuurgebieden in de VNOG Veruit het grootste gedeelte van de Veluwe kan, volgens de dekkings- en spreidingsmodule, voorzien worden van het eerste peloton natuurbrandvoertuigen binnen 30 minuten. Op basis van kazerne volgorde tabellen is berekend dat de opkomsttijden van natuurbrandvoertuigen op de grote gras- en heidevelden op de Veluwe, ook een tweede peloton binnen een half uur ter plaatse kan zijn bij gelijktijdig alarmeren van twee pelotons. In de praktijk wordt het tweede peloton nog niet gealarmeerd bij de eerste melding van een natuurbrand. De centralist zal pas een tweede peloton alarmeren als uit de melding(en) blijkt dat één peloton niet toereikend is. Op aanvraag van een bevelvoerende zal de centralist ook een tweede peloton alarmeren. In bijlage 3.7 zijn de resultaten van de berekeningen opgenomen.
16 |
In de komende jaren wordt het aantal natuurbrandvoertuigen minder. Op basis van bovenstaande berekening is het aannemelijk dat de kans op een succesvolle eerste inzet kleiner wordt in de gebieden waar de slagkracht minder wordt. Vooral als het harder waait is de kans groter dat heteerste peloton de brand niet onder controle krijgt en er flink opgeschaald moet worden.
6.3
Opkomsttijden bij risico-objecten
Tijdens het opstellen van het basisscenario in 2019 zijn er berekeningen uitgevoerd om helder te krijgen wat het effect is op de opkomsttijden in de nieuwe situatie. De opkomsttijden bij het verdeelstation van Liander en het verpleeghuis Sonnevanck bij Harderwijk en in de omgeving van Philadephia en Samoza in Nunspeet zijn in bijlage 3.5 opgenomen. Om een nog beter beeld te krijgen zijn de opkomsttijden bij diverse recreatieparken en verzorgingsinstellingen gecheckt (zie bijlage 3.6). Hierbij is uitgegaan van een melding van een natuurbrand waardoor het meldkamersysteem alleen natuurbrandvoertuigen selecteert. Als er een woningbrand gemeld wordt in een natuurgebied dan worden ook de “normale” tankautospuiten in het inzetvoorstel meegenomen en kan de opkomsttijd korter zijn. In de Achterhoek kan in de gemeente Montferland (Zeddam en Stokkum), Recreatiepark Reehorst (Vorden) en camping Jena (Hummelo) het eerste peloton ook in 30 minuten ter plaatse zijn. Het natuurgebied bij het bungalowpark Kooiveld (Winterswijk) kan, met behulp van natuurbrandvoertuigen uit Delden en Haaksbergen (Veiligheidsregio Twente) binnen 35,5 minuten van het eerste peloton worden voorzien.
6.4 Opkomsttijden in relatie tot brandvoortplanting in toegankelijk terrein Een snelle opkomst is een voorwaarde om snel een natuurbrand te kunnen bestrijden. De bestrijding wordt echter pas effectief vanaf het moment dat het eerste water wordt ingezet. In bijlage 3.4 is een theoretische benadering opgenomen om een beeld en gevoel te krijgen van het aantal voertuigen dat nodig is bij diverse windsnelheden.
De windsnelheid is immers de meest bepalende factor voor de snelheid van voortplanting en daarmee de grootte van de slagkracht die nodig is om de voortplanting te stoppen. Deze berekeningen gaan verder dan alleen de opkomsttijd door rekening te houden met het gereedmaken van het voertuig en het rijden door het terrein. Daarnaast wordt er een verband gelegd met de grootte van het te bestrijden vuurfront. De berekeningen zijn op basis van diverse aannames en niet (voldoende) wetenschappelijk onderbouwde vuistregels en moeten dus als indicatief beschouwd worden! Uit het rekenvoorbeeld blijkt dat bij een opkomsttijd van 1 peloton in 13 minuten (uitgangspunt van het Slagkracht model waarin geen voertuigen van buurregio’s zijn meegenomen) natuurbranden op een open toegankelijke vlakte tot een windsnelheid van 8,5 m/s te beheersen zijn. Bij een opkomsttijd van 30 minuten is het break-evenpoint bereikt bij een windsnelheid van 5 m/s. De berekeningen van de opkomsttijden in natuurgebieden volgens het basisscenario laat zien dat het eerste peloton op de Veluwe over het algemeen tussen de 13 en 22 minuten ter plaatse kan zijn. Gerelateerd aan windsnelheden volgt hieruit dat op veel plaatsen een eerste peloton tot een windsnelheid van ongeveer 6,5 m/s toereikend kan zijn.
De inrichting conform het basisscenario zorgt voor een iets mindere opkomsttijd van het eerste peloton op de Noord West kant van de Veluwe maar blijft ruimschoots binnen de 30 minuten.
6.5 Waar kunnen reservevoertuigen de opkomsttijd verbeteren? De VNOG heeft naast de operationele voertuigen in het basisscenario de beschikking over 5 reserve natuurbrandvoertuigen. Deze voertuigen zijn bestemd voor het vakbekwaam worden en blijven en om in te zetten bij het uitvoeren van onderhoud en/of storingen, voor wedstrijden en voor de jeugdbrandweer. Door op verschillende posten de TS-Basis om te ruilen voor een reserve natuurbrandvoertuig kan de opkomsttijd van het eerste peloton verbeterd worden en wordt de totale slagkracht vergroot. Er worden spelregels opgesteld zodat de betrokken afdelingen en posten hiermee rekening kunnen houden. Het dekkings- en spreidingsplan blijft van kracht en het materieel wordt optimaal benut. Na het natuurbrandseizoen worden de 5 voertuigen weer omgewisseld. De posten Vaassen, Nunspeet, Ermelo, Harderwijk en Winterswijk zijn de posten waar deze omwisseling in de toekomst plaats gaat vinden. N.B. Reservevoertuigen kunnen ook ingezet worden bij het verlenen van bijstand aan andere regio’s, om onze eigen dekking acceptabel te houden en/of om in te zetten in de bijstand vragende regio.
17 |
7. Omdat natuurbrand prominent in het risicoprofiel staat wil de VNOG goed voorbereid zijn en blijven op dit incidenttype. Landelijke ontwikkelingen worden dan ook op de voet gevolgd of geïnitieerd en diverse medewerkers nemen deel aan landelijke overleggen en netwerken. In onderstaande paragrafen wordt ingezoomd op wat er daadwerkelijk de komende jaren gaat gebeuren.
7.1
Informatiepositie
De VNOG blijft de komende jaren investeren in het verbeteren van haar informatiepositie door landelijk te participeren in vele (GBO SO) projecten. Het inzetten van satellietdata voor het inschatten en evalueren van de risico’s en voor risicocommunicatie, het uitvoeren van natuurbrandonderzoek en het opstellen van vuistregels en een landelijke database natuurbranden zijn daar voorbeelden van. De VNOG onderzoekt samen met de VGGM en diverse externe partijen de mogelijkheden die drones kunnen bieden bij het bewaken van de Veluwe en het realiseren van vroegtijdige meldingen met bewegende beelden. Een ander innovatief project van de VNOG is het ontwikkelen van handzame verplaatsbare meetstations. Het LCMS-mobiel, dat in de natuurbrandvoertuigen gebruikt wordt als Control & Commandsysteem, wordt vanuit het IFV door ontwikkeld. Dit landelijkesysteem wordt ook door VGGM gebruikt en zorgt voor een uitwisseling van operationele informatie tussen bevelvoerenden. Simulaties uit het natuurbrandbestrijdingsmodel kunnen een toegevoegde waarde hebben tijdens het bestrijden van zeer grote branden.
7.2
Gebiedsgerichte aanpak
Op 23 augustus 2017 is er tussen de provincie Gelderland, de VNOG en VGGM een intentieverklaring ondertekend om te komen tot een gebiedsgerichte aanpak Natuurbrandbeheersing. Conform de landelijke handreiking gebiedsgerichte aanpak is er een traject gestart om de risico-houdende functies Natuurbeheer, Infra (Mobiliteit en Vitale) , Recreatie, Zorg en Wonen/Werken integraal aan te pakken. Onder regie van de regio’s en
18 |
met ondersteuning van de Provincie gaan de risicohouders de risico’s integraal en gecoördineerd beoordelen en worden er maatregelen afgesproken om de kans op onbeheersbare natuurbranden te verkleinen. De afspraken en maatregelen worden gemonitord en indien nodig voorgelegd aan de provinciale commissie Natuurbrandbeheersing. In oktober 2019 is de gebiedsgerichte aanpak formeel van start gegaan voor de Veluwe en de Achterhoek. Om de risico’s in te schatten wordt er bij de gebiedsgerichte aanpak gebruik gemaakt van producten uit het GBO-SO programma zoals de Risico Index Natuurbranden (RIN) en het Natuurbrandverspreidingsmodel (NBVM). FireWise biedt handvatten om risico objecten minder kwetsbaar te maken voor een naderende natuurbrand en om de kans op overslag van brand vanuit een object naar een natuurgebied te voorkomen. In hoofdstuk 3 is de visie op een weerbaardere natuur, compartimentering, brand bevorderende elementen, bereikbaarheid, toegankelijkheid, bluswatervoorziening en de natuurbrandbewuste aanpak beschreven. Deze visie wordt gehanteerd bij de gebiedsgerichte aanpak. De aankomende twee jaar staan in het teken van de inventarisatie, de analyse, het formuleren van risicobeheersingsvoorstellen en het maken van afspraken over de besluitvorming en realisatie.
Daarna gaat het om het daadwerkelijk realiseren van de afgesproken maatregelen, het monitoren van de voortgang en het geografisch vastleggen. Een gedeelte van de maatregelen levert op korte termijn al een veiligere omgeving op. Omvormingen in de natuur leveren pas na vele jaren een bijdrage aan de brandveiligheid. Met natuurbeheerders, waaronder gemeenten met grote arealen natuurgebied, en infrabeheerders zal gewerkt worden aan natuurbrandpreventieplannen binnen de natuurbeheerplannen van deze organisaties. Voor de gebruiksfuncties zal actief met ondernemers en de gemeenten de risico’s in beeld gebracht worden en bij knelpunten zullen handelingsperspectieven worden aangereikt. Zo worden voor vakantieparken in natuurgebieden brandpreventieadviezen gegeven en ondersteuning aangeboden bij het opstellen ontruimingsplannen. Op realisatie zal gemonitord worden en gemeenten
zullen hierover worden geïnformeerd zodat zo nodig handhavend kan worden opgetreden.
7.3 Betrokken partijen en de uitvoering De VNOG ziet onderstaande partijen als partner in de gebiedsgerichte aanpak: De natuurbeheerders (zoals Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, Geldersch Landschap en Kastelen en Kroondomeinen), beheerders van infrastructuren (zoals Prorail, Rijkswaterstaat en Tennet) en recreatiebedrijven, zorginstellingen en eigenaren van woon- en werkgebouwen worden gezien als de risicohouders. De bestuurslagen die de risico’s reguleren zijn het Rijk, de Provincie Gelderland, de gemeenten met natuurgebieden en de waterschappen Samen met de VGGM wil VNOG verbinden en samenwerken. Concreet gaan we het volgende doen: • Er wordt regie gevoerd om te komen tot een gebiedsgerichte aanpak; • De structuur waarlangs de gebiedsgerichte aanpak vormgegeven wordt, wordt gefaciliteerd; • De risico’s, die niet zomaar oplosbaar zijn, worden bestuurlijk geagendeerd • De voortgang en realisatie van de afgesproken maatregelen worden gemonitord De Veluwe en de Achterhoek zijn ingedeeld in 9 gebieden met een gebiedscommissie met een burgemeester uit dat gebied die voorzitter is. Onder de gebiedscommissies ressorteren meerdere functionele, dan wel geografische werkgroepen. Voor grote knelpunten binnen de gebieden is er een provinciale commissie die hierover strategische besluiten kan nemen.
7.4
hierbij gewenst is om hun post op niveau te krijgen en te houden. Er is de komende jaren in ieder geval behoefte aan training op het gebied van straalpijpvoering, het voertuig ‘natuurbrand gereedmaken’ en pelotonsoefeningen. Het programma wordt afgestemd met Materieel & Logistiek om de beschikbaarheid van materieel te kunnen garanderen. Omdat in de reguliere brandweeropleidingen het onderwerp natuurbrand nagenoeg niet voorkomt worden er bijscholingsprogramma’s opgesteld voor de diverse niveaus. Het volgen van deze programma’s zal kort na het afronden van de reguliere opleiding plaats moeten vinden.
7.5
Materieel
Om het materieel de komende jaren op het afgesproken niveau te brengen van het basisscenario zijn er diverse programma’s en projecten gestart. De planning geeft aan dat over ongeveer 5 jaar de nieuwe situatie is bereikt die op 15 januari 2020 is afgesproken. Vanuit de postcommandanten is er input geleverd aan de denktank natuurbrandvoertuigen. De denktank zorgt ervoor dat deze ideeën meegenomen worden in het aanbestedingstraject.
7.6
Operationeel Optreden
Ieder jaar zijn er natuurbranden in de VNOG. Veel van deze branden worden snel en professioneel geblust en worden onderdeel van de statistiek. Maar daarnaast komen er ook meer branden waar vele beroeps en nog veel meer vrijwilligers een flinke strijd gaan leveren tegen het vuur. Een strijd waarbij de onvoorspelbaarheid van natuurbranden ons parten kan spelen, waar we constant alert moeten zijn en blijven, en waarbij het uiterste van onze mensen gevraagd gaat worden.
Vakbekwaamheid
De vakbekwaamheidsorganisaties van de VNOG en VGGM stellen een meerjarig oefenprogramma op dat past binnen het oefenbeleidsplan 20222026 van de VNOG. Vanuit dit oefenprogramma worden jaarplannen gemaakt en worden oefeningen opgesteld. Door ‘train-de-trainersessies’ te organiseren voor instructeurs komt er binnen de posten weer meer kennis op het gebied van natuurbrandbestrijding. Zo kan een gedeelte van de (basis)oefeningen op de post plaatsvinden. Daarnaast worden er vanuit de vakbekwaamheidsorganisatie oefeningen aangeboden. Posten kunnen zelf aangeven hoeveel oefeningen nodig zijn en welke ondersteuning
19 |
20 |
Bijlagen
21 |
Bijlage 1 Lijst met gebruikte afkortingen ACB ASK BOA ELO FBO GBO-SO HOvD ISK LCMS LOCC NB NBVM OPN OvD RIN TS VBNE VGGM VNOG
22 |
Algemeen Commandant Brandweer Artillerie Schietkamp Bevoegd Opsporingsambtenaar Elektronische Leeromgeving Fire Bucket Operations Grootschalig Brandweeroptreden Specialistisch Optreden Hoofd Officier van Dienst Infanterie Schietkamp Landelijk Crisismanagement Systeem Landelijk Operationeel Coördinatie Centrum Natuurbrand Natuurbrandverspreidingsmodel Operationeel Plan Natuurbrandbestrijding Officier van Dienst Risico Index Natuurbranden Tankautospuit Vereniging van bos- en natuureigenaren Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden Veiligheidsregio Noord- en Oost Gelderland
Bijlage 2 Bestuurslagen Het Rijk Het Rijk is verantwoordelijk voor nationale regelgeving waarin de Europese regelgeving is geïmplementeerd. Hierbij biedt de nieuwe Natuurbeschermingswet 2017 diverse aanknopingspunten. Een gedeelte van deze wet zal ondergebracht worden binnen de Omgevingswet. Vanuit dat kader zal er ook een nationale omgevingsvisie worden opgesteld waarmee de landelijk opererende infrabeheerders als Rijkswaterstaat, Prorail, Tennet, Gasunie, etc. te maken krijgen.
De provincie De provincie heeft vanuit het decentralisatie-akkoord met het Rijk de verantwoordelijkheid en financiële middelen gekregen voor het realiseren van de door het Rijk in Europees verband afgesproken natuurdoelstellingen en de nationale natuurdoelstellingen. Daarnaast kunnen provincies eigen provinciale doelstellingen hebben. Het totale scala is opgenomen in de provinciale natuurvisie. De realisatie laten de provincies over aan de zogenaamde terrein beherende organisaties als Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, etc. In de omgevingsvisie van de provincie Gelderland is ook aandacht voor het natuurbrandrisico. Naar verwachting komt dit risico terug in de omgevingsplannen van de provincie en gemeenten. Op ambtelijk niveau is met de provincie Gelderland afgesproken dat alle provinciale wegen die door brandgevaarlijke natuurgebieden lopen in de komende 10 jaar worden heringericht als brandsingel.
De gemeenten De gemeenten dragen bij aan de realisatie van de provinciale- en de eigen natuurdoelstellingen. Daarnaast zijn de gemeenten bij uitstek de bestuurslaag waar allerlei ruimtelijke plannen tot ontwikkeling komen. Gemeenten verlenen vergunningen die voor de realisatie van ruimtelijke ontwikkelingen relevant zijn.
Het waterschap Het waterschap is een bijzondere bestuursorganisatie die onder andere verantwoordelijk is voor de kwaliteit van het meeste oppervlaktewater en het grondwater. Daarnaast zijn zij verantwoordelijk voor de instandhouding van waterschapselementen als dijken en bruggen en voor het beheersen van het waterpeil m.b.v. pompen en sluizen. Veel natuurgebieden hebben ook een belangrijke waterschap functie.
23 |
Bijlage 2 Opkomsttijden en de bestrijding Inleiding De aanleiding om juist nu een visie voor natuurbrandbeheersing op te stellen is het besluit van het bestuur om voor het onderdeel Incidentbestrijding te kiezen voor het basisscenario (15 januari 2020). Deze keuze staat voor een compacte en efficiënte operationele organisatie passend bij de risico’s in het verzorgingsgebied. Het basisscenario is tot stand gekomen door uit te gaan van: • Alle posten in de VNOG blijven bestaan en voeren minimaal de basisbrandweerzorg taken uit • Op iedere post komt een TS Basis. Als de post ook ingezet wordt voor natuurbrandbestrijding dan kan er een combi geplaatst worden • Om 2 pelotons specialistische natuurbrandvoertuigen te kunnen formeren worden er (naast Hoog Soeren) 8 specs verdeeld over posten • Enkele posten krijgen een tweede TS als de risico’s in het verzorgingsgebied hiertoe aanleiding geven • Op basis van bovenstaande verdeling kan er ook opgeschaald worden bij grotere incidenten Naar aanleiding van deze keuzes zijn er diverse vragen en opmerkingen gekomen over de toekomstige slagkracht en de risico’s die hiermee afgedekt kunnen/ moeten worden als het gaat om natuurbranden. Bij het berekenen van opkomsttijden is rekening gehouden met de burenhulp van aangrenzende regio’s (in het project Risicogerichte Slagkracht was dit niet het geval).
In deze uitgebreide bijlage komen achtereenvolgens de volgende onderwerpen aan bod: 1. Wat is er in diverse documenten te vinden over opkomsttijden? 2. De rekentools van de VNOG 3. Overzicht van opkomsttijden na implementatie van het basisscenario 4. Risico, slagkracht en opkomsttijd; een theoretische benadering 5. Welke berekeningen zijn er voor de bestuurlijke besluitvorming al uitgevoerd? 6. Opkomsttijden in andere natuurgebieden en bij risico objecten in de VNOG 7. Waar kunnen reservevoertuigen de opkomst verbeteren?