AP 6a Bijlage toelichting en regels Weversweg fase 2 Hulshorst vastgesteld
Tekst van het document
Bestemmingsplan Weversweg fase 2 Hulshorst Gemeente Nunspeet
COLOFON Gegevens over het plan: Plannaam: Identificatienummer: Status: Datum: Projectnummer Buro SRO:
Weversweg fase 2 Hulshorst NL.IMRO.0302.BP01210-vg01 Vastgesteld Februari 2024 24.20.02
Gegevens projectbetrokkenen: Opdrachtgever:
Gemeente Nunspeet
Gegevens Buro SRO: Projectleider Buro SRO: Bezoekadres vestiging Arnhem: Telefoon: E-mail: Internet:
Mevr. L. Brouwer Sweerts de Landasstraat 50, 6814 DG te Arnhem 026 – 35 23 125 arnhem@buro-sro.nl www.buro-sro.nl
2
Weversweg fase 2 Hulshorst
Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 Hoofdstuk 2 2.1 2.2 2.3 Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 3.4 Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 Hoofdstuk 5 5.1 5.2 Hoofdstuk 6 6.1 6.2 6.3 6.4
5 Inleiding Aanleiding voor het bestemmingsplan Ligging plangebied Leeswijzer Het initiatief Huidige situatie Toekomstige situatie Duurzame stedenbouw Beleidskader Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid Uitvoerbaarheid Milieu Water Ecologie Verkeer Cultuurhistorie en archeologie Klimaatadaptatie Economische uitvoerbaarheid Juridische planbeschrijving Algemeen Wijze van bestemmen Procedure Algemeen Verslag vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro Verslag inspraak ex artikel 3.1.6 Bro Verslag zienswijzen
7 7 7 7 8 8 9 10 11 11 13 14 16 21 21 27 29 30 31 33 34 35 35 36 37 37 37 37 37
Bijlagen bij de toelichting
39
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10 Bijlage 11 Bijlage 12
41 43 45 47 49 51 53 55 57 59 61 63
Schetsontwerp Beplantingsplan i.r.t. molenbiotoop Verkennend bodemonderzoek Quickscan externe veiligheid Externe veiligheid buisleidingen Verantwoording hoogte groepsrisico Digitale watertoets Quickscan Wet natuurbescherming Voortoets stikstofdepositie Nader onderzoek kerkuil en steenuil Archeologisch onderzoek Zienswijzennota
Weversweg fase 2 Hulshorst
3
Regels Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2 Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Hoofdstuk 3 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Hoofdstuk 4 Artikel 13 Artikel 14
65 Inleidende regels Begrippen Wijze van meten Bestemmingsregels Agrarisch Groen Verkeer Wonen Algemene regels Anti-dubbeltelbepaling Algemene aanduidingsregels Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
67 67 70 71 71 72 72 72 75 75 75 75 75 77 78 79 79 79
Bijlagen bij de regels
81
Bijlage 1
83
4
Parkeernota van de gemeente Nunspeet (2014)
Weversweg fase 2 Hulshorst
Toelichting
Weversweg fase 2 Hulshorst
5
6
Weversweg fase 2 Hulshorst
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding voor het bestemmingsplan
De gemeente Nunspeet is bezig om ten zuidwesten van de kern Hulshorst een nieuwe woningbouwlocatie te ontwikkeling: Weversweg fase 2. De eerste fase van Weversweg is inmiddels uitgevoerd en bestond uit het ontwikkelen van 55 woningen. Voorliggend plan voorziet in de ontwikkeling van de tweede fase van Weversweg. Met dit plan worden 37 woningen gerealiseerd. Deze ontwikkeling past niet in het geldende bestemmingsplan. Omdat het initiatief wel passend is op de locatie, wordt medewerking verleend aan een herziening van het bestemmingsplan. In dit document wordt dit toegelicht en gemotiveerd waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen ten zuiden van de Harderwijkerweg aan de rand van de bebouwde kom van Hulshorst. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.
Ligging plangebied in omgeving (bron: openstreetmap.org)
1.3
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de bestaande situatie en van het plan. Daarna wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 wordt de haalbaarheid van het project getoetst op grond van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Ook wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische opzet van het plan. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op de wijze hoe burgers en andere belanghebbenden betrokken zijn bij het plan (maatschappelijke uitvoerbaarheid). Hierin zijn de uitkomsten van inspraak, vooroverleg en zienswijzen opgenomen.
Weversweg fase 2 Hulshorst
7
Hoofdstuk 2
Het initiatief
In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.
2.1
Huidige situatie
Het plangebied is globaal gelegen tussen de Harderwijkerweg, Klarenweg, het Molenpad en de Braambosch / Vlakken Eng in Hulshorst. Ten oosten van het plangebied ligt de gerealiseerde woonwijk Weversweg fase 1 met verschillende woningtypen, waaronder vrijstaande woningen, twee-onder-één-kap woningen en rijwoningen. Ten noorden en westen van het plangebied staan voornamelijk vrijstaande woningen binnen de lintbebouwing van de Harderwijkerweg en de Klarenweg. Ten zuiden van de planlocatie ligt het buitengebied met voornamelijk agrarische gronden. De onderstaande afbeelding toont een luchtfoto van het plangebied in de omgeving. In de huidige situatie bestaat het plangebied grotendeels uit grasland.
Luchtfoto plangebied (bron: kadastralekaart.com)
8
Weversweg fase 2 Hulshorst
2.2
Toekomstige situatie
Met het plan worden 37 woningen in het plangebied toegevoegd. Het volledige schetsontwerp van dit plan is te vinden in bijlage 1. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van het schetsontwerp. Navolgend wordt het plan op hoofdlijnen toegelicht.
Impressie toekomstige situatie (ontwerp: Buro SRO)
Programma Het woningbouwprogramma in het plangebied Weversweg fase 2 bestaat uit vier verschillende woningtypen. Dit betreft 10 rug-aan-rug woningen (sociale huur) in het noordelijk deel van het plangebied, 12 rijwoningen en ten zuiden daarvan 9 levensloopbestendige woningen in het centrale deel van het plangebied en 6 tweeonder-één-kapwoningen in het zuidelijk deel van het plangebied. Groen- en waterstructuur Met het plan wordt door het plangebied een centrale verbindende groenstructuur met bomenrij gerealiseerd. Nabij de rijwoningen komt een centrale groene ruimte met ruimte voor waterberging en een speelterrein. De bestaande haag en bomen worden zoveel mogelijk gehandhaafd. Aan de westkant van het plangebied wordt opgaand groen langs de randen toegevoegd. Het zuidoostelijk deel van het plangebied wordt ingericht als bloemenweide. Hier is tevens ruimte voor een wadi. Op deze gronden waren met de eerste stedenbouwkundige opzet voor Weversweg fase 1 en fase 2 ook woningen beoogd. Mogelijk worden deze gronden hier in de toekomst nog voor gebruikt.
Weversweg fase 2 Hulshorst
9
Ontsluitingsstructuur en parkeren Op het terrein worden meerdere erftoegangswegen gerealiseerd. De woningen worden via deze wegen ontsloten op de Braambosch en Vlakken Eng. Parkeren vindt plaats binnen het plangebied in parkeerkoffers. Deze worden op meerdere plaatsen toegevoegd rond de beoogde woningen. Bij een aantal hoekwoningen van de starterswoningen en bij alle twee-onder-één-kap woningen is ruimte voor parkeren op eigen terrein. Op de verkeers- en parkeersituatie wordt nader ingegaan in paragraaf 4.4. Tevens voorziet het plan in het toevoegen van voetpaden en verbindingen voor langzaam verkeer.
2.3
Duurzame stedenbouw
In een duurzame leefomgeving wordt bewust omgegaan met energie, klimaat, grondstoffen, ruimte, water en groen. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn een logisch moment om de verschillende aspecten van duurzame stedenbouw vanaf het begin in de planvorming mee te nemen. Bouwbesluit Het Bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe woningen en utiliteitsgebouwen. De maat voor energiezuinigheid heet Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Voor woningen geldt sinds 2015 een Energie Prestatie Coëfficiënt van 0,4 op gebouwniveau. Vanaf 2020 wordt deze verlaagd richting een coëfficiënt dichter bij de nul. Vanaf 2020 moeten alle nieuwe gebouwen voldoen aan de BENG-eisen. Dit is rijksbeleid, waarbij BENG staat voor Bijna EnergieNeutrale Gebouwen. Kansen Bij de herinrichting van een perceel en bij nieuwbouw liggen kansen om duurzaamheid te verbeteren. Het energieneutraal maken van een gebouw kan beter bij de bouw dan achteraf. Nieuwbouw biedt de kans om meteen voor een duurzame wijze van verwarming te kiezen, maar ook andere duurzaamheidsaspecten zijn bij nieuwbouw relatief eenvoudig te realiseren, zoals het opwekken van duurzame energie. Het is van belang de kansen voor het opwekken van duurzame energie te benutten om de gestelde toename van duurzaam opgewerkte energie te behalen. Sinds 01-07-2018 moeten nieuwe woningen gasloos worden gebouwd.
Daarnaast kan bij de inrichting van de buitenruimte rekening worden gehouden met water- en hittestress. Het aanplanten van groen is goed voor de klimaatbestendigheid, omdat het bijdraagt aan het verminderen van de hittestress en het verbeteren van het watervasthoudend vermogen van het gebied. Planspecifiek Met het plan is sprake van nieuwbouw. De beoogde woningen worden daarmee opgeleverd conform de actuele eisen uit het Bouwbesluit. Dit betekent dat de woningen op basis van de laatste normen op het gebied van energie en isolatie worden opgeleverd. Uitgangspunt van het plan is dat hemelwater op eigen terrein wordt geborgen en geïnfiltreerd. Hiervoor is in het ontwerp van het plan een waterbergingsvoorziening opgenomen.
10
Weversweg fase 2 Hulshorst
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Per januari 2021 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers. De NOVI is vastgesteld op grond van de geldende regelgeving omdat de Omgevingswet nog niet in werking is. De NOVI voldoet tevens aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een omgevingsvisie. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze omgevingsvisie dan ook gelden als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet.
Met de komst van de NOVI komen meerdere nationale beleidsstukken te vervallen, waaronder de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Strategisch relevante delen van de SVIR en het Barro worden echter opgenomen in de NOVI en blijven daarmee ook na inwerkingtreding van de NOVI gelden. Dit bestemmingsplan zal daarom ook aan dit beleid worden getoetst. Gebiedsgericht De NOVI benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. In het Barro waren regels opgesteld waarmee deze gebiedsbescherming juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd. Ladder duurzame verstedelijking Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is 'duurzame verstedelijking'. Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied.
Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2). De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. In de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient de behoefte aan die ontwikkeling te worden beschreven. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is: "een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen."
Weversweg fase 2 Hulshorst
11
Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur." Planspecifiek Gebiedsgericht Het plangebied ligt niet in een van de aangewezen gebieden van de NOVI/SVIR en het Barro. Ladder duurzame verstedelijking Met het realiseren van 37 woningen is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder. Daarom dient de ladder te worden doorlopen. Kwantitatieve behoefte In december 2022 is het regionale woningmarktonderzoek Noord – Veluwe verschenen. De woningbouwbehoefte voor Nunspeet vormt een onderdeel van deze rapportage. De basis voor de berekening van de woningbehoefte is de Primos-prognose. Voor de gemeente Nunspeet betekent dit dat op basis van deze prognose en het inhalen van het woningtekort er een behoefte bestaat aan 885 – 1195 woningen tot 2030. Meer specifiek voor de kleinere kernen in de gemeente bedraagt dit 160 - 215 woningen. De woningbehoefte voor de gemeente Nunspeet is afgezet tegen de bestaande plancapaciteit en laat zien dat deze redelijk in evenwicht zijn. Waar de huidige plancapaciteit niet in voorziet, is het risico op planuitval.
In de Woondeal Noord - Veluwe die op 8 maart 2023 is ondertekend wordt er wel vanuit gegaan dat elke gemeente hiermee rekening houdt. Voor de berekening benodigde plancapaciteit is om die reden hiermee wel rekening gehouden. Met voorliggend plan worden 37 woningen toegevoegd aan de woningvoorraad van de kern Hulshorst. Gelet op de bestaande verhouding tussen de toekomstige behoefte en het bestaande aanbod, alsmede de actuele omstandigheden, bestaat vanuit kwantitatieve zin voldoende behoefte voor de realisering van 37 woningen. Kwalitatieve behoefte Uit het woningmarktonderzoek blijkt naar welk type woningen vraag is in de regio. Zo blijkt dat een aandeel van 30% sociale huur binnen de netto opgave cruciaal is om problemen op de woningmarkt op te lossen. Daarnaast is er sprake van een toenemende vraag naar middenhuur en wordt geadviseerd voor koopwoningen de nadruk te leggen op een betaalbaar aanbod. Tevens is er behoefte aan geschikte woningen voor ouderen. Voorliggend plan voorziet in het toevoegen van een mix aan type woningen in het plangebied, waaronder woningen bedoeld voor sociale huur, starters en levensloopbestendige woningen. Het toevoegen van deze type woningen levert een directe bijdrage aan het voorzien in de kwalitatieve woonbehoefte. De twee-ondereen-kapwoningen stimuleren doorstroming op de woningmarkt. Hiermee wordt de druk op de markt verlicht.
Het plan voorziet in een voldoende bijdrage in de kwalitatieve behoefte. Locatie Onderhavig plan betreft de tweede fase van de woningbouwlocatie Weversweg en ligt binnen de bebouwde kom van Hulshorst en is daarmee een logische plek voor de geplande ontwikkeling. In de gemeentelijke Omgevingsvisie (zie paragraaf 3.4.1) is een nadere toelichting opgenomen voor de locatiekeuze. De ladder voor duurzame verstedelijking is hiermee succesvol doorlopen. Conclusie Het plan is passend binnen het rijksbeleid.
12
Weversweg fase 2 Hulshorst
3.2
Provinciaal beleid
Algemeen In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. De visie integreert een vijftal beleidsterreinen: ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer. Op 24 september 2014 is door Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Deze is op 19 december 2018 geactualiseerd op basis van de nieuwe omgevingsvisie. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. Omgevingsvisie Gaaf Gelderland De provincie wil de focus leggen op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Door daarin te investeren wil de provincie werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Om dat te bereiken wordt de focus gelegd op zeven ambities op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving.
Deze ambities worden hieronder kort samengevat: Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten; Een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid; Een voortvarend en innovatief circulair beleid; Een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit; Efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag; Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat; Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Naast deze zeven ambities blijft het beleid uit de Omgevingsvisie uit 2014 gelden. Het gaat om de aanwijzing van functies van regionale oppervlaktewateren, van gebieden waar milieukwaliteit bijzondere bescherming behoeft, van Natura 2000-gebieden en van bijzondere natuurgebieden. Omgevingsverordening Gelderland De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal.
De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. Klimaatadaptatie De provinciale omgevingsverordening die op 1 februari 2022 van kracht is geworden bevat de instructieregel klimaatadaptie (2.65b). Voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, moet op basis van deze instructieregel de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In die beschrijving moeten in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. In paragraaf 4.6 is invulling gegeven aan de wijze waarop in dit plan is omgegaan met het voorkomen en/of beperken van de risico's van klimaatverandering. Planspecifiek Regionale woonagenda In de Omgevingsverordening is onder meer bepaald dat een bestemmingsplan nieuwe woningen alleen
Weversweg fase 2 Hulshorst
13
mogelijk maakt als die ontwikkeling past binnen een door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale woonagenda. Dit is het geval bij onderhavig plan. Er dient te worden voldaan aan de eisen van de Ladder voor duurzame verstedelijking. In paragraaf 3.1 is toegelicht dat hieraan wordt voldaan. Nationaal landschap Ook ligt het plangebied binnen de aanduiding 'Nationaal landschap maar buiten het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone', vanwege de ligging in Nationaal landschap Veluwe. Nieuwe bestemmingen die het Nationaal landschap aantasten zijn niet toegestaan. Binnen de Veluwe is het plangebied onderdeel van het deelgebied 'Randmeerkust Agrarisch'. Hierbij worden de volgende kernkwaliteiten omschreven: "Kleinschalige flank van het Veluwemassief met dorpen en buurtschappen, houtsingels en grasland. Er liggen bebouwingslinten parallel aan de hoogtelijnen." Er zijn specifiek voor het plangebied geen locatiespecifieke kernkwaliteiten geformuleerd. In het ontwerp van dit plan is rekening gehouden met de kernkwaliteiten van het nationaal landschap. Historische groenstructuren worden behouden en versterkt door de houtwallenstructuur aan te vullen, waar de woonvelden tussen komen te liggen.Hiermee wordt het Nationaal landschap in deelgebied Randmeerkust Agrarisch niet aangetast.
Molenbiotoop In de provinciale verordening is tevens de molenbiotoop van molen 'De Maagd 'opgenomen. Binnen de molenbiotoop is geen nieuwe bebouwing of beplanting toegestaan als daardoor de windvang van de molen wordt beperkt. In dit plan is rekening gehouden met de molenbiotoop door binnen deze zone specifieke bouwregels op te nemen die de bouwhoogte beperken. Tevens is een beplantingsplan opgesteld waarin beplantingsprincipes in relatie tot de molenbiotoop zijn opgenomen. Zie hiervoor bijlage 2. Conclusie Het plan is passend binnen het provinciale beleid.
3.3
Regionaal beleid
3.3.1 Woondeal regio Noord-Veluwe Als overheden staan Rijk, Provincies, Regio en gemeenten gezamenlijk voor een urgente woningbouwopgave met de corporaties en marktpartijen als belangrijke partners om tot uitvoering te komen. Er zijn onvoldoende woningen en de vraag stijgt. Met de Nationale Woon- en Bouwagenda (programma Woningbouw) zet de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) in op de bouw van 900.000 woningen tot en met 2030. Het streven is dat ten minste twee derde van deze nieuwbouwwoningen betaalbaar zijn. Voor die betaalbaarheidsdoelstelling is nationaal de bouw van 250.000 sociale corporatiewoningen en 350.000 woningen in middensegment nodig. In de Nationale Prestatieafspraken tussen de corporaties, VNG, Woonbond en het Rijk is reeds vastgelegd dat de corporaties 250.000 woningen in de sociale huursector en 50.000 midden huurwoningen zullen realiseren tot en met 2030. Het is cruciaal dat de corporaties voldoende in positie worden gebracht om deze opgave te kunnen realiseren. Alle partners die meedoen in deze Woondeal (gemeenten, corporaties, provincie en Rijk) hebben de ambitie om de opgaven op de woningmarkt het hoofd te bieden.
Deze Woondeal wordt echter wel gesloten in een complexe en onzekere tijd; bouwers en ontwikkelaars hebben te kampen met oplopende bouwkosten en capaciteitsproblemen terwijl uitdagingen op het gebied van stikstof, netcapaciteit, water en mobiliteit vragen om het maken van scherpe keuzes. Juist vanwege deze omstandigheden is het zo belangrijk dat we ons samen sterk maken en via langjarig commitment de schouders er onder zetten. Versnelling en verhoging van de bouwproductie vraagt naast regie van Rijk en provincie nauwe samenwerking met gemeenten en denken in kansen en oplossingen. Dit vraagt visie, creativiteit, draagvlak, durf en daadkracht waarbij corporaties de positie hebben van een vanzelfsprekende samenwerkingspartner.
14
Weversweg fase 2 Hulshorst
Als regio zetten we in op een bouwopgave van ruim 12.500 woningen verspreid over de 7 gemeenten Elburg, Ermelo, Harderwijk, Hattem, Nunspeet, Oldebroek en Putten.1 Een opgave met onderliggende locaties en met voldoende financiële slagkracht bij de corporaties voor de invulling van de sociale huur binnen de totale woningopgave. Als samenwerkende partijen willen en kunnen we deze opgave aan. Toch betekent dat niet dat de ambitie zonder meer gerealiseerd kan worden. Daarvoor is het nodig dat er tegemoet wordt gekomen aan enkele essentiële randvoorwaardelijke condities.
Regionaal aandeel in de provinciale en nationale opgave
Woningbouwopgave per gemeente
Planspecifiek Met voorliggend plan worden 37 woningen toegevoegd aan het regionale woonaanbod. De woningen betreffen 14 woningen in de categorie sociale huur, 12 woningen betaalbare koop (tot € 355.000,- von), 5 levensloopbestendige woningen (rond de € 355.000,- VON) en 6 woningen in de categorie dure koopwoningen. De betreffende woningen zijn reeds als plancapaciteit voor de gemeente Nunspeet opgenomen in de Woondeal regio Noord-Veluwe. Gelet op het voorgaande, alsmede op de bestaande woonbehoefte in de regio, wordt gesteld dat het plan passend is binnen de Woondeal. Conclusie Het plan is passend binnen het regionale beleid.
Weversweg fase 2 Hulshorst
15
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Omgevingsvisie 2018 Nunspeet In de Omgevingsvisie zijn diverse “Idee kaarten” opgenomen. Deze idee kaarten benoemen voor de deelgebieden het doel, het streven voor het gebied en de afweegbare ontwikkelingsmogelijkheden op hoofdlijnen. Daarnaast zijn uitgangspunten met betrekking tot kwaliteit opgenomen. Dit zijn de uitgangspunten die van belang zijn voor het behoud en de versterking van de omgevingskwaliteit en identiteit van het gebied.
Overzicht deelgebied 2 (Omgevingsvisie 2018)
Overzicht deelgebied 5 (Omgevingsvisie 2018)
Het plangebied Weversweg valt onder deelgebieden 2 en 5 in de Omgevingsvisie (gemengd kleinschalig overgangsgebied)/kern Hulshorst. De ambities/kwaliteit uitgangspunten voor deze deelgebieden zijn onder andere: Zorgdragen voor geleidelijke en aantrekkelijke overgangen tussen de (nieuwe) bebouwingsclusters en het buitengebied. Kwaliteitsimpuls voorde (recreatieve)voorzieningen in het gebied. Behoud van het open landschap en agrarische karakter. Behoud van doorzichten naar de bosrand en naar het grootschalige open landschap Versterken van de landschapstructuur; houtwallen in het coulissenlandshap en de open enken Behoud van klein dorpse karakteristiek Hulshorst Ruimtelijk versterken kern Hulshorst en aan recreatieve route Harderwijkerweg/ Zuiderzeestraatweg. Er dient met respect omgegaan te worden met de karakteristieke agrarische structuur, de monumenten, de beeldkwaliteit en belevingswaarde van aanwezige bebouwing en van de inrichting van de openbare ruimte en de aanwezige groene en blauwe elementen in het dorp en zorggedragen worden voor het behoud van een goede verweving met het omringende buitengebied.
Het verbeteren van de toegankelijkheid van en zichtrelatie met landgoed Groeneveld In bovengenoemde toelichting wordt al gesproken over het toevoegen van (nieuwe) bebouwingsclusters waarbij het van belang is dat zorggedragen wordt voor een geleidelijke en aantrekkelijke overgang tussen de nieuwe bebouwingsclusters en het buitengebied. Bij het opstellen van het schetsontwerp voor het plan Weversweg fase 2 is zoveel mogelijk rekening gehouden met bovengenoemde uitgangspunten. De belangrijkste punten voor het stedenbouwkundig concept voor Weversweg fase 2 zijn: De nieuwe buurt oriënteert zich op de Weversweg. Door in het noordoosten van het gebied de hoogste dichtheid te realiseren en deze naar het zuidwesten te laten aflopen, sluit de bebouwing op logische wijze aan op de kern.
16
Weversweg fase 2 Hulshorst
Het dorpse karakter wordt benadrukt door de openheid van de omgeving nadrukkelijk in het plangebied voelbaar te maken. Met name in zuidelijke richting, maar ook in westelijke richting opent de bebouwing zich, waardoor het contact met het landschap vanuit het hart van de buurt tot stand wordt gebracht. Lange lijnen in noord-zuidrichting vormen de dragers van de hoofdstructuur. Deze lijnen hebben soms een landschappelijk karakter en zijn soms van verkeerskundige aard. Korte verbindingen en looproutes in oostelijke richting, richting het dorpshuis en de kerk maken het mogelijk op een natuurlijke manier aan te sluiten op het bestaande stratenpatroon.
Een andere relevante beleidsnota welke is geraadpleegd bij het opstellen van de Omgevingsvisie is de Integrale Ruimtelijke Toekomstvisie Nunspeet. Ook uit dit document blijkt dat het volledige plangebied (zowel fase 1 als ook fase 2) al langer in beeld was voor woningbouw. Op onderstaande afbeelding welke afkomstig is uit de Integrale Ruimtelijke Toekomstvisie Nunspeet zijn de contouren van het plangebied (zowel Weversweg fase 1 als ook Weversweg fase 2) duidelijk zichtbaar.
In de Integrale Ruimtelijke Toekomstvisie Nunspeet wordt uitgegaan van de bouw van 40 woningen in het plangebied in de periode 2003 tot en met 2015. In de praktijk is gebleken dat hiermee nog niet voldaan kon worden aan de woningbehoefte, vandaar dat dit aantal in de eerste fase is verhoogd naar 55 woningen. Het totale plangebied is groot genoeg om te voorzien in de bouw van ongeveer 100 woningen. Hiermee voldoet het bestemmingsplan Weversweg fase 2 aan de in de Omgevingsvisie genoemde uitgangspunten voor het plangebied. Het plan is daarmee passend binnen de Omgevingsvisie. 3.4.2 Woonvisie "Goed wonen in de gemeente Nunspeet" In februari 2020 is de visie “Goed Wonen in de Gemeente Nunspeet” vastgesteld, deze woonvisie geldt voor de periode 2020-2025. Wat betreft “wonen” gaat het goed in Nunspeet. De woningbouwproductie neemt toe en de laatste jaren kent de gemeente een positief verhuissaldo. Oftewel: er komen meer mensen wonen in de gemeente dan dat er vertrekken. De toename wordt voornamelijk veroorzaakt door de vestiging van jonge gezinnen uit de grotere steden. Jongeren, eenpersoonshuishoudens en paren zonder kinderen vertrekken juist naar de grotere steden.
Weversweg fase 2 Hulshorst
17
De afgelopen jaren heeft de gemeente de woningproductie fors verhoogd, ondanks dat is er nog steeds sprake van druk op de woningmarkt. Het aantal huishoudens neemt toe en er is sprake van een inhaalvraag, als gevolg van de huidige krapte in de markt. Naast de natuurlijke groei van het aantal huishoudens, komt daarbovenop nog het woningtekort van starters en spoedzoekers. De groei van het aantal huishoudens tot 2025 zorgt voor een uitbreiding van het aantal woningen met ongeveer 670 en wanneer verder wordt gekeken naar 2030 dan komt de uitbreiding in totaal uit op 950 woningen. Planspecifiek Met voorliggend plan worden 37 nieuwe woningen aan het plangebied toegevoegd. Het initiatief draagt daarmee bij aan het voorzien in de woningbehoefte in de gemeente Nunspeet. Het plan past hiermee binnen de Woonvisie. 3.4.3 Landschappelijk ontwikkelingsplan 2005 Met het Landschapsontwikkelingsplan 2005 (LOP) wil de gemeente de aandacht en het draagvlak vergroten voor het in stand houden en ontwikkelen van landschapskwaliteit binnen de gemeente Nunspeet. Het plangebied is onderdeel van een overgangszone tussen de hoger gelegen Veluwe en het lage kustgebied langs de voormalige Zuiderzee. De overgangszone vormt een halfopen, kleinschalig gebied en wordt verdeeld door singels die loodrecht het gebied in steken vanuit de Veluwe.
De Harderwijkerweg vormt de oorspronkelijke ontginningsbasis waaraan de dorpen Hulshorst en Nunspeet zijn ontwikkeld. Tegenwoordig is dit landschap nog steeds te herkennen, al heeft het veranderingen ondergaan. Vooral na de Tweede Wereldoorlog is er veel bebouwing en bedrijvigheid bij gekomen en zijn verscheidene houtsingels van het vroeger landschap niet meer zichtbaar. Gebiedsgericht: Hulshorst Hulshorst bestaat uit twee delen. Een groot deel langs de Harderwijkerweg met een aaneenschakeling van kleine bebouwingsclusters in een coulissenlandschap. Pas midden jaren 50 kreeg het dorp door de bouw van een school en kerk een herkenbaar centrum. Hieromheen zijn de afgelopen jaren de meeste huizen gebouwd. Door de verspreiding van de bebouwing en de langgerekte vorm van het dorp is de relatie tussen de kern en het landschap groot. De steeds verdere verdichting van de kern zorgt voor een compacter dorp, waarbij het huidige open karakter vermindert. In het LOP is de locatie Weversweg al als toekomstige woningbouwlocatie aangemerkt. Er wordt aangegeven dat de bosstroken ontwikkeld moeten worden in het plangebied. Verder moet de beplantingsstructuur ontwikkeld worden in de vorm van singelpatronen, bosstroken en erfbeplanting. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van het LOP.
18
Weversweg fase 2 Hulshorst
Uitsnede LOP (bron: gemeente Nunspeet)
Planspecifiek Met het plan wordt door het plangebied een centrale verbindende groenstructuur met bomenrij gerealiseerd. Tevens wordt aan de westzijde en de zuidzijde van het plangebied opgaand groen langs de randen toegevoegd. Dit sluit aan op de ambities uit het LOP. Het zuidoostelijk deel van het plangebied wordt in eerste instantie ingericht als bloemenweide, als overgang naar het landelijk gebied. In het LOP is de locatie tevens al als toekomstig woningbouwgebied aangemerkt. Het plan is passend binnen het Landschapsontwikkelingsplan 2005.
Weversweg fase 2 Hulshorst
19
3.4.4 Geldend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied gelden de bestemmingsplannen 'Weversweg Hulshorst' (vastgesteld op 5 januari 2010) en 'Buitengebied 2018' (vastgesteld op 27 september 2018). Navolgende afbeelding toont van de vigerende planologische situatie een uitsnede. Vervolgens wordt deze situatie nader toegelicht.
Uitsnede vigerende bestemmingsplannen (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Ter plaatse van het zuidelijke deel van het plangebied geldt, op grond van het bestemmingplan 'Weversweg Hulshorst' de bestemming 'Agrarisch'. Gronden met deze bestemming zijn onder meer bestemd ten behoeve van agrarische cultuurgrond en groenvoorzieningen. Aan de oostkant van het plangebied zijn enkele stroken grond met de bestemmingen 'Woongebied' en 'Verkeer'. Ter plaatse van deze stroken is de functieaanduiding 'specifieke vorm van groen - bomenrij' gelegen. Ter hoogte van de als 'Agrarisch' bestemde gronden geldt tevens de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Een gedeelte van het plangebied is gelegen in een gebied dat is aangeduid als 'vrijwaringszone - molenbiotoop'. Het noordelijke deel van het plangebied kent op grond van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2018' de bestemmingen 'Agrarisch' en 'Wonen'. Voor deze gronden zijn tevens de archeologische dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3' van toepassing. Een gedeelte van de gronden is daarnaast bestemd met de dubbelbestemming 'Waarde - Overgangszone'. De betreffende agrarische gronden zijn tevens gelegen in een gebied aangeduid als 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied'.
Overige plannen Ter plaatse van het plangebied gelden tevens de volgende bestemmingsplannen: Parapluplan Parkeren (vastgesteld: 29 april 2021); Parapluplan Bed en Breakfast (vastgesteld: 30 juni 2022); Parapluplan Onzelfstandige Bewoning en Logies Arbeidsmigranten / Seizoensarbeiders e.a. (vastgesteld: 2 juni 2022).
20
Weversweg fase 2 Hulshorst
Hoofdstuk 4
Uitvoerbaarheid
De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
4.1
Milieu
4.1.1 Bodem Op grond van de Wet Bodembescherming (Wbb) moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd. Planspecifiek Ten behoeve van onderhavig initiatief is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is toegevoegd als bijlage 3. Het doel van het onderzoek betreft het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem om te beoordelen of deze vanuit milieuhygiënisch oogpunt een belemmering vormt voor de afgifte van een omgevingsvergunning voor het aspect bouwen. Uit het onderzoek blijkt dat de resultaten hiervoor geen belemmering vormen. Het uitvoeren van vervolgonderzoek is niet aan de orde. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bodem. 4.1.2 Lucht De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' zijn twee aspecten van belang. Ten eerste of de luchtkwaliteit ter plaatse de nieuwe functie toelaat (de gevoeligheid van de bestemming) en ten tweede wat de bijdrage is van het plan aan die luchtkwaliteit.
Luchtkwaliteit ter plaatse In de Wet milieubeheer zijn normen opgenomen voor de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht ter bescherming van de mens. De twee belangrijkste stoffen zijn PM10 en PM2,5(fijnstof) en NO2 (stikstofdioxide). Voor grenswaarde van PM10 en NOx bedraagt 40 µg/m3, van PM2,5 is dat 25 µg/m3. Bijdrage aan luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet maakt een onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing.
Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt.
Weversweg fase 2 Hulshorst
21
Planspecifiek Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). Door de concentraties ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De volgende concentraties komen ter plaatse van de dichtstbijgelegen receptor (52584372_16065196) naar voren: NO2 (stikstofdioxide) 10,2 µg/m3
PM10 (fijnstof) 14,5 µg/m3
PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof) 7,8 µg/m3
Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2020 (µg/m3) Grenswaarde concentratie 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3 (µg/m3) De gemeten concentraties stikstofdioxide en (zeer) fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. Bijdrage initiatief Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief (toevoegen 37 woningen) van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%, toevoegen 1.500 woningen). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit. 4.1.3 Geluid De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd: woningen; geluidgevoelige gebouwen, zoals scholen, ziekenhuizen, verzorgings- en verpleeghuizen, psychiatrische instellingen en kinderdagverblijven; geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen en bestemde ligplaatsen voor woonschepen).
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Met voorliggend plan worden geluidgevoelige objecten (woningen) toegevoegd binnen het plangebied. Voor onderhavig initiatief is het van belang te kijken naar de mogelijke gevolgen van wegverkeerslawaai. Hinder als een gevolg van spoorweg- of industrielawaai kunnen, gelet op de ruime afstand van het plangebied tot spoorwegen en industrieterreinen, op voorhand worden uitgesloten. Wegverkeerslawaai Circa 85 meter ten noorden van het plangebied is de Harderwijkerweg gelegen. Op deze weg geldt ter hoogte van het plangebied een maximale snelheid van 50 km/u. Geconcludeerd wordt dat voor de woningen sprake is
22
Weversweg fase 2 Hulshorst
van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van geluid en dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ter hoogte van het plangebied niet wordt overschreden. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid. 4.1.4 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaald in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren.
Op grond van artikel 3 lid 1 van de Wgv gelden de volgende normen ten behoeve van vergunningverlening voor dieren met een geuremissiefactor: geurgevoelig object gelegen in: maximaal toegestane geurbelasting (odour units per m3 lucht) concentratiegebied binnen bebouwde kom 3,0 ouE/m3 concentratiegebied buiten bebouwde kom 14,0 ouE/m³ niet-concentratiegebied binnen bebouwde kom 2,0 ouE/m3 niet-concentratiegebied buiten bebouwde kom 8,0 ouE/m3 Als het geen bedrijf is waar een geuremissiefactor voor is vastgelegd gelden de volgende eisen: binnen de bebouwde kom geldt een afstand van 100 meter; buiten de bebouwde kom geldt een afstand van 50 meter. Tot slot geldt voor zowel dieren met als voor dieren zonder geuremissiefactoren altijd een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Dit betreft 50 respectievelijk 25 meter voor hetzij binnen dan wel buiten de bebouwde kom. De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat. Planspecifiek Met het plan worden geurgevoelige objecten (woningen) binnen het plangebied toegevoegd.
De dichtstbijzijnde veehouderij in de omgeving van het plangebied is gelegen op circa 400 meter van het plangebied aam de Harderwijkerweg 440 in Hulshorst. Dit betreft een bedrijf waar melkvee gehouden wordt. Voor deze dieren is geen geuremissiefactor vastgesteld, waardoor sprake is van vaste afstandsdieren. Voor objecten binnen de bebouwde kom geldt een afstand van 100 meter. Het plangebied ligt hier ruim buiten en voldoet dus aan deze afstand. Overige veehouderijen liggen op een nog grotere afstand van het plangebied. Geconcludeerd wordt dat bij de nieuwe woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Omgekeerd zal het realiseren van de nieuwe woningen niet belemmerend werken voor de bedrijfsvoering van de veehouderijen in de omgeving van het plangebied. Andere woningen zijn dichter bij deze bedrijven gelegen en zijn in dat geval maatgevend ten aanzien van de bedrijfsmogelijkheden. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur.
Weversweg fase 2 Hulshorst
23
4.1.5 Milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten. De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven.
Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Planspecifiek Voor het plangebied dient vastgesteld te worden of in het kader van bedrijven en milieuzonering sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het plangebied is gelegen aan de rand van een kern, met in de omgeving voornamelijk woningen en agrarische gronden. Het dichtstbijgelegen bedrijf betreft een autodealer op circa 160 meter afstand aan de Harderwijkerweg 409 te Hulshorst. Deze en andere in de omgeving gelegen functies zijn getoetst in navolgende tabel. Functie (adres)
Milieucategorie
Richtafstand
Autodealer (Harderwijkerweg 409) Autoreparatie (Harderwijkerweg 441) Agrarisch bedrijf (Varelseweg 14)
2
30 m (geluid)
Feitelijke afstand tot plangebied ca. 160 m
2
30 m (geluid)
ca. 165 m
2
30 m (geluid)
ca. 230 m
Uit voorgaande tabel volgt dat het plangebied ruimschoots voldoet aan de gestelde richtafstanden. Gelet op de afstanden tot andere bedrijven, alsmede de aard van de daar toegestane activiteiten, kan bedrijfshinder voor onderhavig plangebied uitgesloten worden. Daarmee is er sprake van een goed woon- en leefklimaat. Gezien de afstanden tot bedrijven kan uitgesloten worden dat het toevoegen van woningen in het plangebied leidt tot belemmeringen in de bedrijfsvoering van in de omgeving gelegen inrichtingen. Daarmee levert het aspect milieuzonering geen belemmeringen op ten aanzien van het plan. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect milieuzonering.
24
Weversweg fase 2 Hulshorst
4.1.6 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen. De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting. De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, kampeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn. Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR).
Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan. Planspecifiek Ten aanzien van onderhavige ontwikkeling zijn de volgende rapporten opgesteld: Quickscan externe veiligheid (bijlage 4); Externe veiligheid buisleidingen (bijlage 5); Verantwoording hoogte groepsrisico (bijlage 6); Nadien is de Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland om advies gevraagd ten aanzien van de ontwikkeling. Navolgend worden de relevante aspecten uit de rapporten en adviezen nader toegelicht.
Via de website atlasleefomgeving.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en/of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Navolgende afbeelding toont van deze website een uitsnede. Op de afbeelding is te zien dat het plangebied gelegen is in de omgeving van hogedrukaardgasleidingen, de spoorlijn AmersfoortZwolle en de A28.
Weversweg fase 2 Hulshorst
25
Uitsnede risicokaart (bron: atlasleefomgeving.nl)
Buisleiding Ten aanzien van de aanwezige buisleidingen is een inventarisatie uitgevoerd om de veiligheidsrisico's ten behoeve van de beoogde woningen te beoordelen (zie bijlage 5). Op circa 230 meter van het plangebied ligt een hogedruk aardgasbuisleiding A-510 (36 inch, 66 bar). Het plangebied ligt binnen de verantwoordingszone voor het groepsrisico (450 meter). Daarnaast ligt op ongeveer 100 meter de hogedruk aardgasbuisleiding N570-20 (12 inch, 40 bar). De verantwoordingszone van deze buisleiding ligt op ongeveer 140 meter. Transport gevaarlijke stoffen per spoor Op circa 950 meter van het plangebied ligt de spoorlijn Amersfoort-Zwolle. Dit is een transportroute voor gevaarlijke stoffen. Over dit spoor worden brandbare vloeistoffen, brandbaar gas, toxische vloei-stoffen en/of toxisch gas vervoerd. Er is een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter gemeten vanaf de buitenste spoorstaven van de spoorbundel voor het doorgaand verkeer. Er is geen sprake van een plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6). Transport gevaarlijke stoffen per weg Op circa 1.000 meter van het plangebied ligt de A28. Dit is een transportroute voor gevaarlijke stoffen. Over deze weg worden brandbare gassen en brandbare vloeistoffen vervoerd. Er is een plasbrand-aandachtsgebied van 30 meter gemeten vanaf de buitenste kantstrepen.
Uit tellingen blijkt dat er binnen de risicoplafonds tevens toxische vloeistoffen worden vervoerd. Er is geen sprake van een plaatsgebonden risicocontour (PR 10 6 ). Scenario's Buisleiding: Vanwege (graaf)werkzaamheden kan een breuk ontstaan in een hogedruk aardgastransportleiding. Het aardgas stroomt onder hoge druk uit. Het brandbare gas ontsteekt waardoor een fakkelbrand optreedt. De effecten van een fakkelbrand zijn hoge warmtestraling en rook. Afhankelijk van de afstand tot het ongeval en de bescherming van bijvoorbeeld gebouwen komen mensen te overlijden of raken ze gewond: van zeer zwaargewond tot lichtgewond. De schade aan objecten varieert van onherstelbare schade tot lichte schade.
26
Weversweg fase 2 Hulshorst
De effectafstanden zijn van toepassing vanaf elke willekeurig positie van de ondergrondse buisleiding. Een directe ontsteking van het uitstromende gas treedt op door statische of kinetische energie. Direct na de breuk is het uitstroomdebiet en daarmee de omvang van de fakkel-brand het grootst. De eerste fase is berekend over de eerste 20 seconden na de breuk. Het uitstroom-debiet loopt binnen enkele minuten na de breuk terug totdat een stabiel uitstroomdebiet wordt bereikt. Dit stabiele uitstroomdebiet blijft aanwezig totdat de leidingbeheerder het getroffen leiding-deel met afsluiters inblokt. Na het inblokken blijft de fakkel branden totdat de druk in de leiding gelijk is aan de omgevingsdruk. Spoorlijn Toxische wolk: Door een ongeval op het spoor kan bij een ketelwagen gevuld met een toxisch gas of toxisch vloeistof de aansluiting van de afsluiter afbreken. Er ontstaat een gat waardoor in korte tijd een groot deel van het toxische gas of vloeistof vrijkomt. De toxische vloeistof verspreidt zich over het spoorbed, dampt uit en er ontstaat een giftige wolk die zich snel met de wind mee verspreidt. De toxische wolk kan bij lage concentraties worden geroken. Hogere concentraties veroorzaken ver-giftiging. Hierdoor kunnen personen in de omgeving slachtoffer worden. De omvang van de giftige wolk is afhankelijk van de inrichting van de omgeving en de weersomstandigheden.
Wegtransport Toxische wolk: Door een ongeval op de weg kan bij een tankauto gevuld met een toxisch gas of toxische vloeistof de aansluiting van de afsluiter afbreken. Er ontstaat een gat waardoor in korte tijd een groot deel van het toxische gas of vloeistof vrijkomt. De toxische vloeistof verspreidt zich over het wegdek, dampt uit en er ontstaat een giftige wolk die zich snel met de wind mee verspreidt. De toxische wolk kan bij lage concentraties worden geroken. Hogere concentraties veroorzaken vergiftiging. Hierdoor kunnen personen in de omgeving slachtoffer worden. De omvang van de giftige wolk is afhankelijk van de inrichting van de omgeving en de weersomstandigheden. Groepsrisico In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) is vastgelegd wanneer en op welke wijze de hoogte van het groepsrisico moet worden verantwoord. Bijlage 6 geeft invulling aan deze verantwoordingsplicht en aan de adviezen van de Veiligheidsregio. Conclusie Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect externe veiligheid.
4.2
Water
Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk
Weversweg fase 2 Hulshorst
27
geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten.
Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek gaan voorafgaand aan de vaststelling van het plan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen: de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan. Beleid waterschap Vallei en Veluwe In het Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 heeft waterschap Vallei en Veluwe tactische doelen geformuleerd. Per jaarplan geeft het waterschap concreet invulling aan de daadwerkelijke realisatie van deze doelen. Daarnaast heeft het waterschap de Keur met de Algemene – en Beleidsregels van Waterschap Vallei en Veluwe vastgesteld. Alle handelingen in of nabij een waterstaatswerk worden hieraan getoetst. In de Het Algemene beleidsregels (3e wijziging, 2017) bij de Keur 2013 wordt ten doel gesteld dat een uitbreiding van het verhard oppervlak in principe, vanuit waterhuishoudkundig oogpunt, waterbalans neutraal moet plaatsvinden.
Voor ruimtelijke ontwikkelingen gelden op basis van beleid bovengenoemd beleid de volgende uitgangspunten: Hemelwater wordt op basis van de trits 'vasthouden-bergen-afvoeren' zoveel mogelijk ter plaatse vastgehouden. Wanneer lozen in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is kan geloosd worden op oppervlaktewater. Lozen op de riolering is in principe niet toegestaan; Afvalwater niet zijnde 'schoon' hemelwater aansluiten op het riool; Houdt bij het ontwerp rekening met de gemiddelde hoogste grondwaterstand; De ontwikkeling dient in de gebruiksfase grondwaterneutraal te zijn. Structurele drainage of andere middelen om grondwater af te voeren zijn in principe niet toegestaan; Geen uitlogende materialen gebruiken op plaatsen die in contact kunnen komen met (grond)water;
28
Weversweg fase 2 Hulshorst
Er is sprake van een vrijstelling van het compenseren van de toename van verhard oppervlak als de toename minder is dan 1.500 m² in stedelijk gebied. In landelijk gebied geldt deze vrijstelling ook, tenzij de afvoer niet plaatsvindt in een oppervlaktelichaam met de aanduiding 'water met natuurfunctie zijnde Hen-Sed water' op de natuurkaart behorende bij de Algemene Regels van de Keur. Dan is er sprake van een vrijstelling bij een toename van het verhard oppervlak van minder dan 4.000 m². Planspecifiek Voor onderhavig plan is de digitale watertoets uitgevoerd (zie bijlage 7). Hieruit blijk dat voor het plan het doorlopen van een normale procedure voldoende is. Wat betreft de toename aan verharding met voorliggend plan hebben de straten, paden en parkeerplaatsen een totale oppervlakte van 3.262 m². De woonpercelen hebben een gezamenlijke oppervlakte van 6.212 m². De bebouwing binnen de woonpercelen heeft een totale oppervlakte van 2.096 m². De tuinen hebben een gezamenlijke oppervlakte van 4.116 m², waarvan de helft als toename verharding dient te worden gerekend: 2.058 m². Met het plan neemt de totale oppervlakte aan verharding daarmee toe met 7.416 m². Waterschap Vallei en Veluwe gaat uit van een bergingseis van 60 mm berging per m² verhard oppervlak. De waterbergingsbehoefte komt daarmee op circa 445 m³ (7.416 * 0,06).