AP 6a. Bijlage Ruimtelijke onderbouwing Bovenweg 87
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing
Bovenweg 87 Nunspeet
Colofon
Gemeente:
Nunspeet
Projectlocatie:
Bovenweg 87, 8072 PG te Nunspeet
Datum:
13-11-2024
Status:
Ontwerp
IMRO-Code:
NL.IMRO.
Opgesteld door:
Van Dun Ontwerp & Planologie Raadhuisstraat 32 5126 CJ Gilze T. 013 519 94 58 Postel 8 5711 ET Someren T. 0493 745 015 E. info@ontwerp-planologie.nl I. www.ontwerp-planologie.nl
Projectnummer:
JR/21263.A006
Pagina 2 van 38
Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 5 1.1.
Aanleiding en doel ........................................................................................... 5
1.2.
Geldend planologisch regime ............................................................................ 5
1.3.
Procedure ....................................................................................................... 6
1.4.
Leeswijzer ....................................................................................................... 6
2. Planbeschrijving............................................................................................... 7 2.1.
Bestaande situatie............................................................................................ 7
2.2.
Beoogde situatie .............................................................................................. 8
3. Beleidskader................................................................................................... 11 3.1.
Rijksbeleid...................................................................................................... 11
3.1.1. 3.2.
Provinciaal beleid ............................................................................................ 11
3.2.1. 3.2.2. 3.3.
Nationale Omgevingsvisie.......................................................................... 11 Omgevingsvisie Gelderland........................................................................ 11 Omgevingsverordening Gelderland ............................................................. 12
Gemeentelijk beleid......................................................................................... 13
3.3.1. 3.3.2.
Omgevingsvisie ........................................................................................ 13 Bestemmingsplan ..................................................................................... 13
4. Milieuhygiënische en planologische aspecten ................................................ 18 4.1.
Waterhuishouding ........................................................................................... 18
4.1.1. 4.1.2. 4.2.
Natuur ........................................................................................................... 20
4.2.1. 4.2.2. 4.3.
Bestaande waterhuishoudkundige situatie .................................................. 19 Beoogde waterhuishoudkundige situatie ..................................................... 19 Natuurnetwerk Nederland (NNN) ............................................................... 20 Wet natuurbescherming ............................................................................ 21
Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie......................................................... 23
4.3.1. 4.3.2.
Cultuurhistorie en aardkunde..................................................................... 23 Archeologie .............................................................................................. 25
4.4.
Landschappelijke inpassing .............................................................................. 25
4.5.
Bodemkwaliteit ............................................................................................... 26
4.6.
Bedrijven en milieuzonering ............................................................................. 26
4.7.
Geur .............................................................................................................. 27
4.8.
Luchtkwaliteit ................................................................................................. 28
4.8.1. 4.8.2.
Niet in betekenende mate ......................................................................... 28 Woon- en leefklimaat ................................................................................ 29
4.9.
Geluid ............................................................................................................ 32
4.10.
Verkeer en parkeren .................................................................................... 32
4.11.
Externe veiligheid ........................................................................................ 35
Pagina 3 van 38
5. Planologische afweging ................................................................................. 36 6. Bijlagen .......................................................................................................... 37
Pagina 4 van 38
1. Inleiding In dit hoofdstuk komen de aanleiding en het doel, het geldend planologisch regime en de procedure aan bod. Daarnaast is in dit hoofdstuk een leeswijzer opgenomen. 1.1. Aanleiding en doel Aan de Bovenweg 87 te Nunspeet is Paardenhouderij ‘De Klinkenberg’ gelegen. De eigenaren beoogen de paardenhouderij (opfokbedrijf voor (sport)paarden en met daarbij behorende pensionstalling / gebruiksgerichte paardenhouderij) verder te ontwikkelen met de nevenactiviteiten dagbesteding voor circa 3 cliënten, de verkoop van streekproducten en bed and breakfast binnen een gedeelte van de bestaande bedrijfswoning op het genoemde adres. Voor de paardenhouderij wordt een nieuwe overdekte piste, longeercirkel, uitbreiding huidige paardenbak en stapmolen gerealiseerd waardoor deze bouwwerken buiten het bestemmingsvlak komen te liggen. De beoogde ontwikkeling is niet direct toegestaan in het vigerende bestemmingsplan. Om deze reden wenst de aanvrager een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan (op basis van art. 2.12, eerste lid, sub a onder 3° Wabo). De beoogde nevenactiviteiten worden via een binnenplanse afwijking aangevraagd. Middels voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt aangetoond dat met het initiatief geen nadelige gevolgen ontstaan voor milieu, mens en leefomgeving. 1.2.
Geldend planologisch regime In het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied 2019” heeft de projectlocatie de enkelbestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’. De omliggende gronden hebben de bestemming ‘Agrarisch’. Verder is er een dubbelbestemming voor archeologie opgenomen en de gronden buiten de agrarische bedrijfsbestemming hebben de dubbelbestemming ‘Waarde – Dekzandrug’. Zie ook afbeelding 1.
Afbeelding 1: Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied 2019’
Pagina 5 van 38
1.3. Procedure Voor de beoogde nevenactiviteiten wordt een omgevingsvergunning aangevraagd voor het binnenplans afwijken van het bestemmingsplan. Voor de beoogde activiteiten waarvoor een buitenplanse afwijking van het vigerende bestemmingsplan nodig is wordt een omgevingsvergunning aangevraagd voor het handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening. De basis is hiervoor gelegd in artikel 2.1, eerste lid, onder c, juncto artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3o van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Blijkens artikel 3.10 Wabo is op de voorbereiding van een omgevingsvergunning met de uitgebreide procedure afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Dit houdt in dat een ontwerpbeschikking van de omgevingsvergunning gedurende 6 weken voor een ieder ter inzage wordt gelegd. Tijdens deze periode van 6 weken kan een ieder hun zienswijzen kenbaar maken. Gedurende de inzagetermijn ligt de ontwerpbeschikking inclusief eventuele bijlagen ter inzage. Nadat er een definitieve beschikking is verleend, waarbij eventuele zienswijzen in acht worden genomen, wordt het opnieuw 6 weken ter inzage gelegd. Binnen deze 6 weken kunnen belanghebbenden en een ieder die tijdig zienswijzen kenbaar hebben gemaakt bij het ontwerp beroep indienen bij de Rechtbank Oost-Brabant.
Daarna volgt eventueel nog de mogelijkheid om hoger beroep aan te tekenen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als er geen beroep wordt ingesteld, dan is de beschikking na afloop van de beroepsperiode onherroepelijk. Na de verlening van deze aanvraag wordt de bouwaanvraag voor de veranderingen als een aparte vergunningsaanvraag ingediend. 1.4. Leeswijzer In deze ruimtelijke onderbouwing zijn in het eerste hoofdstuk een inleiding op het initiatief gegeven, waarin de aanleiding, het doel, de ligging van de planlocatie, het geldend planologische regime en de te doorlopen procedure zijn beschreven. In hoofdstuk 2 worden de bestaande en beoogde situatie omschreven. Het van toepassing zijnde nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid wordt uiteengezet in hoofdstuk 3. Hierna worden in hoofdstuk 4 de milieu-hygiënische en planologische aspecten beschreven.
Pagina 6 van 38
2. Planbeschrijving In dit hoofdstuk worden de bestaande en beoogde situatie beschreven. Hierin komt naar voren welke veranderingen er plaatsvinden binnen de planlocatie. 2.1. Bestaande situatie De locatie ligt aan de Bovenweg in het buitengebied van de gemeente Nunspeet, even ten noorden van de gelijknamige kern. Sinds enkele jaren hebben de eigenaren de locatie overgenomen met het doel om de enigszins in onbruik geraakte paardenhouderij weer nieuw leven in te blazen en te ontwikkelen naar een modern agrarisch bedrijf. Momenteel beschikt het bedrijf over een melding Activiteitenbesluit van 16 april 2014. Hierin is het houden van 12 zoogkoeien, 36 paarden en 10 paarden in opfok, evenals 200 schapen, opgenomen. Het gebied rondom de projectlocatie kenmerkt zich door de ligging aan de rand van een dekzandrug welke behoort tot de ‘Rug van Wessinge’. Kenmerken zijn een verhoging in het landschap, de slingerende oude weg van de Bovenweg over de zandrug en oude boerderijen die staan op de rug of aan de randen van de rug. De verhoging is goed te zien in het landschap waarbij de opstaande elementen zich concentreren aan de randen van percelen en (enigszins) rondom de agrarische bedrijven. Een nadere omschrijving van de landschappelijke kenmerken van het gebied is opgenomen in hoofdstuk 4 van deze onderbouwing.
Momenteel zijn er naast de bedrijfswoning een tweetal wat grotere stallen aanwezig en een paar kleine gebouwen voor de opslag van zowel privé als bedrijfsdoeleinden. Daarnaast is er een mantelzorgwoning aanwezig aan de oostzijde van de schuur. Op de volgende afbeeldingen zijn de ligging en situatie weergegeven. De bebouwing zijn in redelijk goede staat en bruikbaar. Alleen het asbestdak van de huidige paardenstal zal vervangen moeten worden. De locatie wordt ontsloten via een oostelijk kavelpad langs de buurman, richting een zijweg van de Bovenweg. Vooruitlopende waren initiatiefnemers begonnen met het aanpassen van de woonboerderij om zo samen met ouder en dochter (met haar gezin) het bedrijf te kunnen ontwikkelen vanuit de locatie. Naar goed overleg met hun dochter is gebleken dat de initiatiefnemers niet samen met hun dochter de paardenhouderij verder gaan ontwikkelen.
Nunspeet
Afbeelding 2: Uitsnede ligging projectlocatie rood omcirkeld
Pagina 7 van 38
2.2. Beoogde situatie De eigenaren hebben zich als doel gesteld om de locatie te ontwikkelen naar een paardenhouderij (opfokbedrijf voor (sport)paarden en met daarbij behorende pensionstalling/gebruiksgerichte paardenhouderij) met de enkelbestemming Agrarisch-paardenhouderij. In de beoogde situatie worden er 32 volwassen paarden en 19 opfokpaarden gehuisvest aan de Bovenweg 87 te Nunspeet. Voor al deze activiteiten zijn ook voorzieningen nodig zoals een nieuwe overdekte piste circa 21x41 meter, longeercirkel, stapmolen en een paardenbak van 20x60 meter met lichtmast, deze bouwwerken vallen in de beoogde situatie buiten het bestemmingsvlak, zie bijlage 1. Maar ook voorzieningen voor een goede ontsluiting in de vorm van een nieuwe, eigen, verharde inrit waarvoor een omgevingsvergunning wordt aangevraagd. De noodzaak van de nieuwe bebouwing is in hoofdstuk 3 van deze toelichting onderbouwd. Zoals eerder benoemt waren de initiatiefnemers voornemens de paardenhouderij samen met hun dochter verder te ontwikkelen hiervoor waren de initiatiefnemers begonnen met het aanpassen van de woonboerderij. Uit goed overleg met hun dochter is gebleken dat de initiatiefnemers en hun dochter niet samen het bedrijf gaan ontwikkelen en zijn de initiatiefnemers voornemens om een bed and breakfast te exploiteren in het gedeelte van de bedrijfswoning wat al opgeknapt is.
Ook beoogen de initiatiefnemers de nevenactiviteiten dagbesteding voor circa 3 cliënten met één begeleider en de verkoop van streekproducten naast de hoofdfunctie paardenhouderij te exploiteren. Onderstaand worden de beoogde ontwikkelingen waar nodig nader toegelicht.
Verkoop streek eigenproducten en dagbesteding
De nevenactiviteiten dagbesteding voor circa 3 cliënten met één begeleider en de verkoop van streekproducten worden zoals eerder benoemt in de beoogde situatie naast de hoofdfunctie paardenhouderij uitgevoerd. De locatie waar deze nevenactiviteiten in de beoogde situatie plaatsvinden is in afbeelding 3 weergegeven. De beoogde nevenactiviteiten vinden plaats binnen bestaande bebouwing waarvan de oppervlakte voor de verkoop van streekproducten niet meer dan 50 m 2 zal bedragen. De dagbesteding gasten krijgen in de beoogde situatie een activiteitenruimte van circa 36 m2 in een gedeelte van de bestaande bedrijfswoning. De eigenaren zullen zorg dragen voor de dagbesteding cliënten en de verkoop van de streekproducten (groenten, honing, melk, kaas, eieren, aardbeien). De dagbesteding cliënten kunnen de streekproducten verkopen ook wordt er een activiteitenruimte voor de dagbesteding cliënten ingericht op de begane grond van de bestaande bedrijfswoning van circa 36 m2. Binnen de projectlocatie worden voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd.
Bed and breakfast
Zoals eerder benoemt waren de initiatiefnemers voornemens de paardenhouderij samen met hun dochter verder te ontwikkelen hiervoor waren de initiatiefnemers begonnen met het aanpassen van de woonboerderij zodat hun dochter hier kon wonen. Uit goed overleg met hun dochter is gebleken dat de initiatiefnemers en hun dochter niet samen het bedrijf gaan ontwikkelen en daarom zijn de initiatiefnemers voornemens om een bed and breakfast te exploiteren in dit gedeelte van de bedrijfswoning wat al opgeknapt was, met een activiteitenruimte voor de dagbesteding cliënten. De bed and breakfast zal bestaan uit drie slaapkamers voor maximaal 6 personen en één gezamenlijke badkamer op een gedeelte van de 1ste verdieping van de bestaande bedrijfswoning, zie bijlage 1. Het ontbijt van de bed and breakfast gasten zal worden verzorgt door de dagbesteding cliënten. In bijlage 1 van deze toelichting is te zien dat de beoogde activiteitenruimte van de dag besteding cliënten, met keuken en werkruimte, zich op de begane vloer van een gedeelte van de bestaande bedrijfswoning bevindt (afbeelding 4). De beoogde ontbijtruimte van de bed and breakfast gasten zit aan deze activiteitenruimte verbonden. Hierdoor kunnen de dagbesteding cliënten samen met een begeleider het ontbijt van de bed and breakfast gasten verzorgen wat zorgt voor een sociaal aspect in hun dagbesteding en voor de bed and breakfast gasten.
Pagina 8 van 38
Afbeelding 3: Beoogde locatie dagbesteding en verkoop streekproducten
Afbeelding 4: Beoogde situatie begane grond activiteitenruimte en ontbijtruimte B&B
Op onderstaande afbeelding is situatieschets met landschappelijke inpassing opgenomen van de beoogde situatie. In de bijlage van deze toelichting zit de volledige landschappelijke inpassing met het aantal planten en soorten toegevoegd.
Pagina 9 van 38
Afbeelding 5: Situatietekening beoogde situatie Bovenweg 87 te Nunspeet
Pagina 10 van 38
3. Beleidskader In dit hoofdstuk wordt het relevante beleid uiteengezet. Het initiatief wordt getoetst aan het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. 3.1. Rijksbeleid
3.1.1. Nationale Omgevingsvisie
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is op 11 september 2020 vastgesteld en in werking getreden. In de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI stelt daarbij een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen wil men werken aan de volgende prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie 2. Duurzaam economisch groeipotentieel 3. Sterke en gezonde steden en regio’s 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Verder heeft men in de Uitvoeringsagenda Nationale Omgevingsvisie 2021-2024 een aantal voorlopige NOVI-gebieden geselecteerd. De projectlocatie is niet gelegen in één van deze gebieden. Binnen de prioriteit 4 ‘toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied’ gaat het onder andere over de transitie en ontwikkelingen in het buitengebied. Onderhavige ontwikkeling past binnen deze prioriteit, en vormt derhalve geen belemmering binnen deze Nationale Omgevingsvisie. 3.2. Provinciaal beleid Het geldende ruimtelijke beleid van de provincie Noord-Brabant is omschreven in de Omgevingsvisie, Gelderland en de Interim omgevingsverordening Gelderland.
3.2.1. Omgevingsvisie Gelderland
De omgevingsvisie Gaaf Gelderland is op 19 december 2018 vastgesteld door de Provinciale staten en is op 1 maart 2019 in werking getreden. In de visie gaat het over een gaaf Gelderland, zo staat een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Om dit te bereiken wordt de visie ondersteund door zeven ambities: ▪ Energietransitie: van fossiel naar duurzaam ▪ Klimaatadaptie: omgaan met veranderd weer ▪ Circulaire economie: sluiten van kringlopen ▪ Biodiversiteit: werken met de natuur ▪ Bereikbaarheid: duurzaam verbonden ▪ Woon-en leefomgeving: een krachtige, duurzame topregio! De ontwikkeling kan een bijdrage leveren aan de ambitie, Biodiversiteit: Werken met natuur. Gelderland heeft een rijke natuur met een groot Gelders natuurnetwerk bestaande uit verbindingszones, ecologische poorten, ecoducten en uiterwaarden. Het beschermen en versterken van het netwerk staat voorop. Toch is er op te merken dat de variatie in planten- en diersoorten aan het dalen is, Gelderland ziet mogelijkheden om dit te verbeteren door de veehouderij, land- en tuinbouw en de natuur slimmer te verbinden. Er wordt gewerkt aan een betere balans tussen intensieve veehouderij, natuurwaarden lucht- en bodemkwaliteit en het verminderen van gewasbeschermingsmiddelen in de landbouw en fruitteelt. Gelderland streeft naar een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit.
De ambitie is dat het in 2050 goed gaat met de biodiversiteit in Gelderland. Er wordt natuur-inclusief gewerkt, de biodiversiteit waar war mogelijk versterkt en ingepast. Ook buiten de daarvoor aangewezen natuur gebieden. In 2030 is er 75% van de Europese doelen van de vogel- en habitatsrichtlijn behaald. De ontwikkeling zal landschappelijk worden ingepast, tijdens deze inpassing wordt er gelet op welke soorten planten/bomen/struiken er gebruikt worden. Deze planten zullen aansluiten bij het landschap
Pagina 11 van 38
en helpen mee met de vergroting van de biodiversiteit en variëteit in het gebied. Ook draagt het initiatief bij aan een vitaal buitengebied, doordat de realisatie van de beoogde nevenactiviteiten zal bijdragen aan de ontwikkeling van het agrarische bedrijf. In de Omgevingsvisie worden verder geen locatie specifieke doelen gesteld ten aanzien van dit perceel. Het initiatief sluit aan bij de uitgangspunten van de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland.
3.2.2. Omgevingsverordening Gelderland
Vanaf 19 december 2018 is de geconsolideerde versie van de Omgevingsverordening Gelderland van toepassing. De regels in de Omgevingsverordening vormen het sluitstuk op de Omgevingsvisie. Ten opzichte van de Omgevingsvisie voorziet de Omgevingsverordening niet in nieuw beleid. De provincie zet de Omgevingsverordening als juridisch instrument in om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen op die onderdelen waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen te waarborgen of om te voldoen aan wettelijke verplichtingen. De regels uit de verordening zijn kaderstellend voor gemeenten bij het opstellen van bestemmingsplannen. Daarnaast worden de gebieden waarbinnen bepaalde regels gelden in de Omgevingsverordening concreet begrensd. De verordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Hierna wordt een uitsnede weergegeven van de verbeelding behorende bij de Omgevingsverordening Gelderland. Voor de locatie Bovenweg 87 te Nunspeet zijn de navolgende aanduidingen van toepassing: ▪ Kaart 2: Regels Landbouw Plussenbeleid ▪ Kaart 3: Regels Glastuinbouw Overig gebied glastuinbouw Tijdelijk verbodsgebied uitbreiding bestaande glastuinbouw Tijdelijk verbodsgebied nieuwvestiging glastuinbouw Tijdelijk verbodsgebied hervestiging glastuinbouw
Afbeelding 6: Uitsnede Omgevingsverordening Gelderland
De regels uit de Omgevingsverordening hebben geen betrekking op voorliggend initiatief, omdat het geen nieuwvestiging betreft. Ook betreft het hier geen intensief veehouderijbedrijf (waardoor het Plussenbeleid van de provincie niet van toepassing is). Het initiatief past binnen de regels van de Omgevingsverordening Gelderland.
Pagina 12 van 38
3.3. Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is omschreven in de gemeentelijke omgevingsvisie en het bestemmingsplan.
3.3.1. Omgevingsvisie
In de op 29 november 2018 vastgestelde ‘Omgevingsvisie Nunspeet’ geeft de gemeente Nunspeet richting aan de inrichting van de fysieke leefomgeving van de gemeente voor de komende jaren. Hierbij ligt de locatie in ‘Deelgebied 2: Gemengd kleinschalig overgangsgebied’. Dit gebied kenmerkt zich door de ‘Rug van Wessinge’ en een coulisselandschap als overgang van het boslandschap van de Veluwe naar het open landschap van de randmeren. De uitgangspunten van dit gebied zijn onder meer het tegengaan van leegstand ter voorkoming van de vermindering van de ruimtelijke kwaliteit, ruimte voor verbrede landbouw waarbij (her)gebruik van bestaande agrarische bedrijven. Dit sluit aan bij de Thema’s 2 en 3 van de Omgevingsvisie. Hierin worden het versterken van de diversiteit in het buitengebied, het faciliteren van initiatieven met name gericht op verbreding en verdieping binnen de agrarische sector benoemt. Door het ontwikkelen van het agrarisch bedrijf tot een paardenhouderij wordt ingespeeld op een verdieping binnen de paardensector. Dit in combinatie met de bed and breakfast en dagbestedingsactiviteiten wordt een combinatie gelegd tussen een vitaal agrarisch gebied en de verbinding met de omwonende door middel van de verkoop van streekproducten.
Conclusie gemeentelijk omgevingsvisie
Onderhavig voornemen past binnen het relevante ruimtelijke beleid van de gemeente Nunspeet.
3.3.2. Bestemmingsplan
In het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied 2019” heeft de planlocatie de enkelbestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ gekregen. De omliggende gronden hebben de bestemming ‘Agrarisch’. Verder is er een dubbelbestemming voor archeologie opgenomen en de gronden buiten de agrarische bedrijfsbestemming hebben de dubbelbestemming ‘Waarde – Dekzandrug’. Zie ook afbeelding 6. Binnen de regels van het plan zijn er mogelijkheden opgenomen om een agrarisch bedrijf waar in de huidige situatie schapen, paarden, pony’s en zoogkoeien worden gehouden om te schakelen naar een paardenhouderij waar enkel volwassen paarden en opfok paarden worden gehouden.
Pagina 13 van 38
Afbeelding 7: Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied 2019’
De beoogde situatie is niet direct toelaatbaar conform het vigerende bestemmingsplan. Om de beoogde situatie mogelijk te maken, wordt dit middels een projectafwijkingsbesluit (art. 2.12, eerste lid, sub a onder 3º van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Hiermee krijgt de aanvrager een vergunning om in afwijking van het bestemmingsplan de beoogde ontwikkeling te realiseren. De volgende buitenplanse afwijkingen worden aangevraagd: ▪ Nieuw te bouwen overdekte piste (21 x 41 meter), longeercirkel en stapmolen buiten het bestemmingsvlak; ▪ Nevenactiviteiten verkoop streekproducten 50 m2 en dagbesteding voor circa 3 cliënten in bestaande bebouwing; ▪ Uitbreiding paardenbak van 20x4 meter naar 20 x 60 meter; ▪ Enkelbestemming Agrarisch-paardenhouderij; ▪ Bed & breakfast met activiteitenruimte voor de dagbesteding cliënten in een gedeelte van de bestaande bedrijfswoning; De beoogde nevenactiviteiten dagbesteding, de verkoop van streekproducten en bed and breakfast worden via een binnenplanse afwijking artikel aangevraagd. Onderstaand wordt er getoetst aan artikel 4.7.1 (bestemming wijziging naar paardenhouderij) en artikel 6.5.2 (binnenplanse afwijking bed & breakfast) en artikel 6.5.4 (binnenplanse afwijking nevenactiviteiten) uit het vigerende bestemmingsplan.
4.7.1 Wijziging nieuw kwekerijbedrijf of nieuwe paardenhouderij Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen ten behoeve van het wijzigen van de bestemming Agrarisch - Agrarisch bedrijf in de bestemming 'Agrarisch - Kwekerij' of 'Agrarisch - Paardenhouderij', mits aannemelijk is gemaakt dat de wijziging plaatsvindt ten behoeve van een reëel of volwaardig bedrijf en met dien verstande dat:
Pagina 14 van 38
a. wijziging in de bestemming 'Agrarisch - Kwekerij' uitsluitend wordt toegepast indien de grond grenst aan de dubbelbestemming 'Waarde - Overgangszone' of 'Waarde - Jonge heideontginning' heeft;
Niet van toepassing. In de beoogde situatie wordt de bestemming ‘Agrarisch-Agrarisch bedrijf’ gewijzigd naar ‘Agrarisch-Paardenhouderij’.
b. het terrein landschappelijk wordt ingepast;
De beoogde situatie wordt landschappelijk ingepast. Het landschappelijk inpassingsplan is weergegeven en nader onderbouwd in paragraaf 4.5 van deze toelichting.
c. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke en landschappelijke waarden, de verkeersveiligheid, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
In de beoogde situatie wordt met de landschappelijke inpassing de natuurlijke en landschappelijke waarden van de projectlocatie geborgd. De verkeerskundige situatie zal met een eigen ontsluiting op de Bovenweg verbeteren doordat deze ontsluiting overzichtelijker is en weggeleid wordt van derden. Omliggende woningen en gebruiksmogelijkheden van deze gronden worden niet belemmerd. Dit wordt in paragraaf 4.12 van deze toelichting nader onderbouwd.
6.5.2 Afwijking bed & breakfast Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 6.4.1 onder d ten behoeve van bed & breakfast, met dien verstande dat: a. bed & breakfast uitsluitend mag plaatsvinden in een legaal aanwezige bedrijfswoning, waarbij geldt dat ook de deel van een (voormalige) boerderij wordt geacht deel uit te maken van de bedrijfswoning; De beoogde bed and breakfast vindt plaats in de legaal aanwezige bedrijfwoning.
b. de gezamenlijke oppervlakte voor bed & breakfast niet meer mag bedragen dan 40% van de gebruiksoppervlakte van de bedrijfswoning en tevens niet meer dan 120 m², waarbij onder de oppervlakte voor bed & breakfast worden begrepen: 1. slaapkamers;
De totale oppervlakte voor de slaapkamers wordt 41,5 m2.
2. bad-, douche- en toiletruimten, die niet gedeeld worden met bewoners;
De bad-, douche en toiletruimten, die niet gedeeld worden met bewoners wordt 18,5 m2.
3. een gemeenschappelijke ruimte van niet meer dan 30 m2;
Ruimte G0.05 is de gemeenschappelijke ruimte voor de B&B. Deze ruimte wordt echter ook gedeeld met de dagbesteding. Het totale oppervlakte van deze ruimte is 39,9 m 2. Wanneer deze naar rato verdeeld wordt onder de dagbesteding (bijeenkomstfunctie) en B&B (logiesfunctie) zien we dat het gedeelte voor de B&B 27.1 m2 is en dus kleiner dan 30 m2. Dit is ook zo opgenomen in de bouwbesluitrapportage. Het totale oppervlakte van de bovenstaande 3 onderdelen is 87,1 m 2 en dus kleiner dan 120 m2. De gebruiksoppervlakte van de woning is 173,3 m2 en van de dagbesteding 54,8 m2, hieruit blijkt dat het oppervlakte van de B&B 38,2% is van het totaal en voldoet daarmee ook aan de 40% regel.
c. niet meer dan vier slaapkamers met elk maximaal twee bedden (exclusief kinderbedjes) zijn toegestaan;
In de beoogde situatie zijn er drie slaapkamers aanwezig ten behoeve van de beoogde bed and breakfast (zie bijlage 1).
d. een kookvoorziening niet is toegestaan;
In de beoogde situatie is er geen kookvoorziening aanwezig voor de beoogde bed and breakfast. De beoogde dagbesteding cliënten verzorgen in hun activiteitenruimte met keuken het ontbijt van de bed and breakfast gasten. e. parkeervoorzieningen op eigen terrein moeten worden gerealiseerd, waarbij geldt dat het
aantal parkeerplaatsen ten minste gelijk dient te zijn aan het aantal slaapkamers dat voor bed
& breakfast wordt aangewend; In de beoogde situatie worden er minimaal 3 parkeerplaatsen gerealiseerd ten behoeve van de beoogde bed and breakfast. Het aantal parkeerplaatsen is nader onderbouwd in paragraaf 4.10 van deze onderbouwing.
f.
bed & breakfast uitsluitend mag worden geëxploiteerd door de bewoner(s) van de bedrijfswoning;
Pagina 15 van 38
De bed and breakfast wordt in de beoogde situatie geëxploiteerd door de bewoners van de bedrijfswoning.
g. in geval van een dubbelbestemming 'Waarde - Landgoed' mag bed and breakfast ook worden uitgeoefend in een bijbehorend bouwwerk;
Niet van toepassing de dubbelbestemming ‘Waarde – Landgoed’ is niet op het perceel gelegen.
h. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke en landschappelijke waarden, het straatbeeld, de verkeerssituatie, de ontwikkelingsmogelijkheden van nabij gelegen bedrijven en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
In hoofdstuk 4 van deze onderbouwing wordt nader onderbouwd dat de beoogde bed and breakfast passend is binnen de omgeving.
6.5.4 Afwijking nevenactiviteiten Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 6.4.1 onder f ten behoeve van nevenactiviteiten gericht op recreatie, educatie en landschapsbeheer, zoals fietsenverhuur, kanoverhuur, boerengolf, boerderijwinkel, ijsboerderij, imkerij, theeschenkerij en zorgboerderij, met dien verstande dat:
a. de nevenactiviteiten uitgevoerd dienen te worden door degene die de paardenhouderij uitoefent, onderdeel dienen uit te maken van de algehele paardenhouderijbedrijfsvoering en ondergeschikt dienen te zijn aan de paardenhouderijactiviteiten;
De nevenactiviteit dagbesteding en de verkoop van streekproducten zijn in de beoogde situatie ondergeschikt aan de hoofdfunctie paardenhouderij. De eigenaren zijn in de beoogde situatie werkzaam op de paardenhouderij. De initiatiefnemers zullen zorg dragen voor de dagbesteding (van circa 3 cliënten) en de verkoop van de streekproducten.
b. voor zover producten worden verkocht - al dan niet voor consumptie ter plaatse - het in hoofdzaak producten moeten betreffen die op een agrarisch bedrijf zijn vervaardigd, waarbij de oppervlakte die voor verkoop wordt aangewend niet meer dan 50 m 2 mag bedragen;
In de beoogde situatie bedraagt de oppervlakte voor de verkoop van streek producten zoals groenten, honing, melk, kaas, eieren, aardbeien niet meer dan 50 m 2. De locatie waar de nevenactiviteiten plaats zullen vinden is circa 65 m2 hierin vindt de verkoop van streek eigenproducten met een maximum oppervlak van 50 m2 en een deel van de dagbesteding plaats.
c. de nevenactiviteiten uitsluitend mogen worden uitgeoefend in bestaande gebouwen, tenzij een omgevingsvergunning in de zin van 6.3.1 onder a is verleend, met dien verstande dat de oppervlakte die voor de nevenactiviteiten wordt aangewend niet meer mag bedragen dan 25% van de bestaande bebouwde oppervlakte (exclusief de oppervlakte van de bedrijfswoning met bijbehorende bouwwerken) met een maximum van 500 m2, dan wel, indien het bestemmingsvlak grenst aan grond met dubbelbestemming 'Waarde - Randmeerkust' en/of de aanduiding 'overige zone - GNN' een maximum van 350 m2, waarbij in beide gevallen geldt dat bij landschappelijke verbetering, hetgeen moet blijken uit een door burgemeester en wethouders goed te keuren erfinrichtingsplan, voor niet meer dan 200 m 2 vervangende nieuwbouw of verbouw mag plaatsvinden;
De beoogde nevenactiviteiten dagbesteding en verkoop van streekproducten vinden in de beoogde situatie plaats binnen bestaande bebouwing van circa 65 m2. De activiteitenruimte van de dagbesteding cliënten bevind zich op de begane grond van een gedeelte van de bestaande bedrijfswoning circa 36 m2 (zie bijlage 1).
d. buitenopslag niet is toegestaan;
In de beoogde situatie vindt er geen buitenopslag plaats ten behoeve van de beoogde nevenactiviteit, dit wordt geborgd in de omgevingsvergunning.
e. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke en landschappelijke waarden, de verkeersveiligheid, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
In de beoogde situatie vindt de nevenactiviteit verkoop van streekproducten en dagbesteding plaats binnen bestaande bebouwing, ook wordt de projectlocatie landschappelijk ingepast. De in het gebied aanwezige waarden worden dus niet onevenredig aangetast. In hoofdstuk 4 van deze toelichting is nader onderbouwd dat de beoogde situatie geen onevenredige afbreuk doet aan de natuurlijke- en landschappelijke waarden, de verkeersveiligheid, de woonsituatie en de gebruismogelijkheden van aangrenzende gronden. De projectlocatie wordt ook landschappelijk ingepast.
Pagina 16 van 38
De beoogde situatie is niet geheel passend binnen de regels van het vigerende bestemmingsplan daarom wordt er een projectafwijkingsbesluit (art. 2.12, eerste lid, sub a onder 3º van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) aangevraagd. Hiermee krijgt de aanvrager een vergunning om in afwijking van het bestemmingsplan de beoogde ontwikkelingen te realiseren.
Pagina 17 van 38
4. Milieuhygiënische en planologische aspecten Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieu-hygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven. 4.1. Waterhuishouding
Wettelijk kader
Op basis van de wet op de ruimtelijke ordening (Wro) en Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de watertoets verplicht bij o.a. bestemmingsplannen, inpassingsplannen, projectbesluiten en omgevingsvergunningen afwijking bestemmingsplan. Voor overige plannen, zoals een structuurvisie, dient een watertoets te worden uitgevoerd op basis van het Nationaal Bestuursakkoord Water. Het Bro regelt de verplichte waterparagraaf in de plantoelichting (art 3.1.6 Bro) en het vooroverleg met de waterbeheerder (art 3.1.1 Bro).
Watertoets
De watertoets is bedoeld om ruimtelijke plannen en besluiten meer waterbestendig te maken, doordat waterbelangen van gemeente, waterschap en eventueel andere waterbeheerders vroegtijdig en expliciet worden meegewogen. In het ruimtelijk plan moet voldoende rekening zijn gehouden met de waterhuishouding en -voorzieningen.
Waterparagraaf
De waterparagraaf beschrijft de wijze waarop rekening is gehouden met de eventuele gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding en vice versa. Onderdeel hiervan is een beschrijving van beleidsuitgangspunten en regelgeving, waterhuishoudkundige situatie en –opgaven, meest geschikte oplossingen (motiveren) en de ruimtelijke consequenties daarvan. In de waterparagraaf is tevens het advies van de waterbeheerder verwerkt. Waterschap Waterschap Vallei en Veluwe is de beheerder van zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het gronden oppervlaktewater in de omgeving van de projectlocatie. Het Blauw Omgevingsprogramma 20222027 beschrijft de doelen van het Waterschap. Met de Blauwe Omgevingsvisie 2050 koersent het waterschap naar een duurzame en water inclusieve leefomgeving. Het Blauw Omgevingsprogramma beschrijft waar het Waterschap Vallei en Veluwe in 2050 wil staan en geeft kleur aan deze doelstelling. Het BOP is de gebiedsgerichte en tactische uitwerking van de beleidsvisie. Het waterschap verbindt hierin de eigen doelen aan de maatschappelijke opgaven zoals de klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, hervorming landbouw, natuur- en stikstofopgave en de verstedelijking. Het BOP is daarbij ook een uitnodiging voor de verdere samenwerking aan een duurzame en waardevolle leefomgeving.
Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema’s. ▪ Zorgen voor schoon water ▪ Zorgen voor voldoende water ▪ Zorgen voor sterke dijken ▪ Circulair en klimaatbestendig ▪ Meedenken met agrariërs Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Vallei en Veluwe.
Pagina 18 van 38
4.1.1. Bestaande waterhuishoudkundige situatie
In de bestaande situatie ligt een A-watergang aan de zuidkant van de Bovenweg dichtbij de projectlocatie, zie afbeelding 8. Deze watergangen hebben een watervoerende functie en worden beheerd door het waterschap. Vanuit deze watergangen geldt een beschermingszone welke in acht wordt genomen. In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelsloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het niet-verontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten.
Afbeelding 8: Uitsnede watergangen waterschap Vallei en Veluwe, projectlocatie rood omcirkeld
4.1.2. Beoogde waterhuishoudkundige situatie
De afvoer van het afvalwater van bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard veranderd niet ten opzichte van de huidige situatie. Elke toename in verhard oppervlak leidt tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en kan leiden tot wateroverlast stroomafwaarts. Dit komt doordat neerslag via het verharde oppervlak sneller wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater dan wanneer het oppervlak onverhard was gebleven en kon infiltreren. Zoals aangegeven is waterschap Vallei en Veluwe de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het grond- en oppervlaktewater binnen het plangebied. Op grond van de Keur van Waterschap Vallei en Veluwe, is het ingevolge artikel 3.4 van de Keur van het Waterschap Vallei en Veluwe verboden zonder vergunning neerslag tot afvoer te laten komen naar oppervlaktewaterlichamen. Vrijstelling van dit verbod wordt verleend voor zover onder andere de toename van verhard oppervlak maximaal 4.000 m² in het buitengebied bedraagt. Bij het bepalen van de manier waarop het regenwater wordt afgevoerd, hanteert de gemeente de Beslisboom voor regenwater. In het plangebied en de omgeving daarvan ligt een drukriool waarmee afvalwater wordt afgevoerd. Hemelwater kan niet worden afgevoerd. Het gemeentelijk beleid is er op gericht om bij nieuwe ontwikkelingen de afvoer van regenwater niet op de riolering aan te sluiten.
In het gemeentelijke beleid is opgenomen dat het regenwater dat afkomstig is van daken en verhardingen in principe in de bodem moet worden geïnfiltreerd door middel van een infiltratievoorziening van voldoende capaciteit op eigen terrein.
Pagina 19 van 38
Indien de toename meer dan 4.000 m² in het buitengebied bedraagt dient een compenserende maatregel getroffen te worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het treffen van een retentievoorziening. De exacte afmetingen van de beoogde overdekte piste zal nog nader bepaald worden. Vooralsnog wordt uitgegaan van een overdekte piste van ca. 871,25 m². De gezamenlijke toename verhard oppervlak in de beoogd situatie is circa 1.136,3 m 2. Omdat er een toename verharding is van minder dan 4.000 m² dient er geen compenserende maatregel getroffen te worden om het hemelwater op te vangen. Het hemelwater kan in de omliggende percelen infiltreren. Op de projectlocatie wordt het regenwater op het eigen perceel verwerkt. Het plan leidt niet tot extra vuilwaterafvoer. Het bestaande drukriool in en om het plangebied heeft voldoende capaciteit voor de vuilwaterafvoer. In de beoogde situatie wordt een waterretentie aangelegd waar het water kan infiltreren door het verbreden van de C-watergang (deze sloot is niet verbonden met het oppervlaktewatersysteem, zie afbeelding 5. Tevens wordt voorafgaand aan de werkzaamheden voor het verbreden van de watergang een melding bij het waterschap Vallei en Veluwe gedaan.
Met het aanleggen voldoet de initiatiefnemer aan het water- en rioleringsbeleid van de gemeente voor compenserende waterberging, in het wateren rioleringsplan wordt 60 mm voorgeschreven. Conclusie Gelet op bovenstaande zal de beoogde ontwikkeling geen nadelige effecten hebben op de waterhuishouding. 4.2. Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.
4.2.1. Natuurnetwerk Nederland (NNN) In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: ▪ Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; ▪ Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; ▪ Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ▪ Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; ▪ Alle Natura 2000-gebieden.
Pagina 20 van 38
Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan. Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. In afbeelding 8 is een uitsnede van de projectlocatie met de omliggende Gelderse Natuur Netwerk gebieden. Zoals te zien is op afbeelding 9 ligt de projectlocatie niet in een NNN-gebied.
Afbeelding 9: Uitsnede NNN-gebied Gelderland, projectlocatie rode pijl
4.2.2. Wet natuurbescherming
In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en de provinciale verordening. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Veluwe en Veluwerandmeren. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer
Pagina 21 van 38
en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Veluwe, dat op een afstand van circa 835 meter ligt. Elke ruimtelijke ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn namelijk verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen hierbij een belangrijke rol, omdat deze ook op grote afstand van een gebied voor effecten kunnen zorgen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.
Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht
Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft op 17 juni 2020 een Kamerbrief gepubliceerd waarin een aantal aanvullende stappen staan die het kabinet zal nemen naar aanleiding van het advies van de Commissie Remkes. Deze publicatie is opgesteld in aanloop naar het Kamerdebat over het eindadvies voor de structurele aanpak van de stikstofproblematiek ‘Niet alles kan overal’. Om aan te tonen dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt is middels het rekenprogramma AERIUS een aanleg/bouwfase en gebruiksfase berekening gemaakt van het initiatief. Middels het rekenprogramma AERIUS is de stikstofdepositie berekend op omliggende Natura 2000-gebieden.
De onderbouwing en de invoergegevens van de AERIUS-berekening zijn uiteengezet in de bijlage van deze toelichting. Uit de berekening blijkt dat in de aanleg/bouwfase en gebruiksfase geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in de omgeving zal hebben. Het aspect stikstofdepositie vormt derhalve geen belemmering voor vaststelling en uitvoering van het plan.
Overige storingsfactoren
Vanwege de afstand van de planlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Veluwe leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling, zie invoergegevens AERIUS in de bijlage van deze toelichting.
Conclusie
Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn).
Pagina 22 van 38
2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren.
Bij het beoordelen van de in de planlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: ▪ Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); ▪ Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); ▪ Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Bovenweg 87 te Nunspeet dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de beoogde situatie, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Gezien het huidige intensieve gebruik van het bouwvlak en de landbouwgronden grenzend aan het bouwvlak is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten. Op de projectlocatie is een flora en fauna quickscan uitgevoerd. Op basis van de uitgevoerde QuickScan door het bedrijf Lycens (zie bijlage), wordt geconcludeerd dat er algemeen beschermde broedvogels op de projectlocatie voorkomen. Met de beoogde ontwikkeling worden er geen overtredingen verwacht ten aanzien van de Wet natuurbescherming.
Vanwege het ontrbeken van bebouwing en beplanting, en omdat de projectlocatie een kort begraasde paardenweide is, nestelen er geen vogels. Voorgenomen activiteiten leiden dus niet tot wettelijke consequenties. Door de locatie na de bouw in te passen met een zorgvuldige landschappelijke inpassing zal het leefgebied van genoemde soorten worden verbeterd. 4.3. Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde situatie moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.
4.3.1. Cultuurhistorie en aardkunde
Het landschap rond de projectlocatie ligt op de overgang van het boslandschap van de Veluwe naar het open landschap van de randmeren. Dit landschap kan getypeerd worden als een coulissenlandschap met (veel) houtsingels haaks op de dekzandrug. Bij veel boerderijen was van oudsher een grote (noten)boom op het erf aanwezig. Ook waren veel erven omzoomd met houtsingels. Op deze dekzandruggen overheersen van oudsher de individuele kampontginningen die al vanaf de ijzertijd bewoond worden. De wegen vertonen over het algemeen een slingerend verloop omdat ze de dekzandruggen volgen. Dit geldt ook voor de Bovenweg. Op de dekzandruggen liggen de oude bouwlanden (enkeerdgronden) die door plaggenbemesting opgehoogd zijn. In de Quickscan van Nunspeet, ‘cultuurhistorische waarden en landschapanalyse’ wordt de Rug van Wessinge aangeduid als waardevol element. Kenmerken zijn (o.a.):
Pagina 23 van 38
▪ ▪ ▪ ▪
Verhoging in het landschap Slingerende oude weg (Kolmansweg en Bovenweg) over de zandrug, begeleid door de Molenbeek Oude boerderijen staan op de rug of aan de randen van de rug Van oudsher liggen bouwlanden op de rug, tegenwoordig zijn dit veelal weilanden
Toetsingscriteria zijn: ▪ Ruimtelijk handelen op of aan de flanken van de rug moet erop gericht zijn de herkenbaarheid ervan te versterken (een ‘eiland’ in zee); ▪ Vanuit het oogpunt van landschap en cultuurhistorie is ontgronding, afgraven of egaliseren dan ook Ongewenst; ▪ Beplanting en wegen en de inrichting daarvan dienen zich in de context van een langgerekte rug in een open landschap te voegen; ▪ Door de prominente ligging in het landschap van de rug heeft erfbeplanting een grote invloed op de beleving en kwaliteit van de omgeving. Deze verdient dan ook zorgvuldige aanpak middels een voor de locatie op maat gemaakt advies; ▪ Zeer terughoudend met bebouwing op de Oude Enk;
Projectlocatie Bovenweg 87 Nunspeet
De projectlocatie ligt aan de noordkant van de Rug van Wessinge, op de overgang van de dekzandrug naar de dekzandvlakte. Het erf is ingebed in het landschap middels een halfverharde toegangsweg aan de oostkant, die loopt via een ander erf. En verder middels de forse houtsingel (eiken) die haaks op de rug loopt vanaf de Bovenweg naar het erf. Op het erf staat een bedrijfswoning en verschillende agrarische opstallen. Vanaf het erf is op verschillende plaatsen zicht naar het landschap.
Nieuwe uitweg
De nieuwe toegangsweg zal, na het verkrijgen van een omgevingsvergunning, aangelegd worden langs de bestaande eikenrij, vanaf de Bovenweg naar het noordelijk gelegen erf. De toegangsweg wordt uitgevoerd als een twee-sporenpad van maximaal 3 m breed, bestaande uit halfverharding. Het pad komt haaks op de rug te lopen. Een halfverhard pad past bij de bestaande halfverharde toegangswegen naar de erven. De aanleg van het pad heeft geen negatieve invloed op de zichtlijnen over de Rug. Vanaf de Bovenweg takken meerdere van dit soort paden aan op de erven. Het nieuwe pad zal zich dan ook naadloos voegen naar de bestaande situatie en geen afbreuk doen aan bestaande landschappelijke en cultuurhistorische waarden.
Overdekte piste
De overdekte piste wordt aan de westkant van het erf geplaatst. Vanwege de gewenste, noodzakelijke afmetingen is binnen het erf geen ruimte. Om de visuele impact van de overdekte piste zo klein mogelijk te houden, wordt deze parallel geplaatst aan de bestaande houtsingel. Op deze wijze zal de overdekte piste als het ware opgenomen worden in de houtsingel. Daarnaast zullen langs de bestaande waterlopen verspreid staande bomen (berk, wilde lijsterbes en zwarte els) worden geplant om de overgang van gebouw naar landschap verder te verzachten. Door de situering van de overdekte piste naast de bestaande houtsingels zullen zichtlijnen zo minimaal mogelijk onderbroken worden. Het uiterlijk van de overdekte piste zal zorgvuldig afgestemd worden op het landschap en de gebouwen in de omgeving. Dit zal door een architect verder uitgewerkt dienen te worden. Aspecten hierbij zijn: materiaalgebruik, dakhelling en kleur. De overdekte piste wordt zo uitgevoerd dat deze geschikt is voor de plaatsing van zonnepanelen. Conclusie De voorgenomen ingrepen zullen door een zorgvuldige landschappelijke inpassing geen negatieve effecten hebben op de bestaande landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Door het aanplanten van nieuwe beplanting zal het erf juist extra versterkt worden en beter ingepast worden in het landschap. De Rug van Wessinge wordt niet aangetast door aanleg van het karrenspoor.
Pagina 24 van 38
4.3.2. Archeologie
In Europees verband was het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag was het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk in situ te behouden. Sindsdien geldt dat waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd (Monumentenwet) en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz was een Wijzigingswet en omvatte een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moesten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Dit is niet veranderd met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet (1-7-2016). Sindsdien is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die in 2023 in werking zal treden. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd.
Ter plaatse van de projectlocatie is de Dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 2’ opgenomen. Ter plaatse van de gronden met de waarde-archeologie 2 geldt dat een archeologisch onderzoek is vereist bij te bebouwen oppervlakten die groter zijn dan 120 m² en meer dan 0,5 meter diep. In de beoogde situatie wordt op de projectlocatie een nieuwe uitweg gerealiseerd welke niet dieper gaat dan 0,5 meter. Ook wordt er een nieuwe overdekte piste gerealiseerd van circa 1125 m2. De overdekte piste wordt gebouwd op poeren/palen met een oppervlakte van circa 61,88 m2 met een diepte van 800 mm (zie detailtekening). De nieuw te bouwen overdekte piste blijft dus onder de 120 m2. Op verzoek is er een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het archeologisch onderzoek naar de archeologische waarden is uitgevoerd door Transect, zie bijlage 10. Transect adviseert dat in het kader van de voorgenomen toekomstige ontwikkelingen geen aanvullende maatregelen nodig zijn voor het plangebied. Er wordt geadviseerd het plangebied voor wat betreft archeologie vrij te geven. Op het moment dat onverhoopt toch archeologische zaken worden aangetroffen, geldt een wettelijke meldingsplicht conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11, deze vondsten te melden bij de bevoegde overheid (gemeente Nunspeet). 4.4. Landschappelijke inpassing De projectlocatie wordt landschappelijk ingepast, zie afbeelding 10.
In de bijlage van deze toelichting is de landschappelijke inpassing opgenomen. In paragraaf 4.3 is een nader onderbouwing van de landschappelijke waarden toegevoegd.
Pagina 25 van 38
Afbeelding 10: Landschappelijke inpassing projectlocatie
4.5. Bodemkwaliteit In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient de aanwezige bodemkwaliteit te passen bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering. Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. In de beoogde situatie verblijven de bed and breakfast gasten en de dagbesteding cliënten met begeleider langer dan 2 uur per dag op de projectlocatie. Er is daarom door Lycens. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd naar de bodemgesteldheid ter plaatse. De resultaten van het onderzoek vormen geen belemmering voor het initiatief. Een nader onderzoek of nadere maatregelen worden niet noodzakelijk geacht. Het volledige bodemonderzoek is opgenomen in de bijlage van deze onderbouwing.