AP 6a. Bijlage Nota bestaanszekerheid gemeente Nunspeet 2019-2022
Tekst van het document
Nota bestaanszekerheid gemeente Nunspeet 2019-2022 Voorwoord wethouder Van den Berg Voor u ligt de ‘Nota bestaanszekerheid gemeente Nunspeet 2019-2022’. Een nota die na een uitgebreide evaluatie tot stand is gekomen. Zo willen wij als gemeente steeds effectiever zijn in de bestrijding en het voorkomen van armoede. De rol van de gemeente is daarbij overigens veel kleiner dan die van de Rijksoverheid. Het bedrag dat minima aan toeslagen van het Rijk kunnen ontvangen is veel hoger dan aan gemeentelijke regelingen ontvangen kan worden. Het mooie daarbij is dat de gemeentelijke regelingen ervoor zorgen dat huishoudens meer ruimte overhouden voor vrije besteding. Dat beetje lucht wat daardoor geschapen wordt: daar doen we het voor. Dat kleine beetje kan namelijk nèt het verschil maken. Het verschil tussen aan de kant staan en meedoen. Het verschil tussen je kind thuis houden of mee laten gaan op schoolreisje. Daarom streven wij er naar om zoveel mogelijk mensen te bereiken die in aanmerking kunnen komen voor de gemeentelijke regelingen. Uit de evaluatie blijkt dat we daar nog een grote slag in kunnen maken. Dat dit een landelijk beeld is, is voor ons geen reden om het daar bij te laten. We zetten gedurende de looptijd van deze nota extra in op communicatie en op het nog meer onder de aandacht brengen van de regelingen. Gert van den Berg wethouder Sociaal Domein
-2-
Samenvatting van de belangrijkste uitgangspunten In september 2017 is de Nota armoedebeleid 2017-2018 vastgesteld. De inkomensgrenzen voor de minimaregelingen zijn verhoogd van 110% naar 120% van het Wettelijk sociaal minimum, de bijdrage sociaal culturele activiteiten voor kinderen is verhoogd van € 150,-- naar € 300,-- per jaar en de gemeente is gebruik gaan maken van het Jeugdfonds Cultuur. Wij hebben geëvalueerd welke effecten deze aanpassingen hebben op het bereik van de minimaregelingen en de armoedeval. De verruiming van de inkomensgrenzen heeft geleid tot een toename van het gebruik van de minimaregelingen van ongeveer 10%. Het bereik van de verschillende minimaregelingen is wisselend als deze wordt afgezet tegen het gemiddelde bereik van gemeenten met minder dan 50.000 inwoners. Zo is in de gemeente Nunspeet het bereik van de bijzondere bijstand hoger, de collectieve zorgverzekering gelijk aan en de individuele inkomenstoeslag lager dan het landelijk gemiddelde. We hebben in het derde kwartaal van 2019 een onderzoek uitgevoerd naar de armoedeval bij verschillende huishoud- en inkomenstypen. Er is sprake van een armoedeval wanneer de netto-inkomenspositie slechter wordt door het aanvaarden van werk. Het aanvaarden van werk kan leiden tot het wegvallen van de inkomensafhankelijke regelingen en toeslagen, zoals bijvoorbeeld huurtoeslag.
Het grootste aandeel in de armoedeval komt vanuit de landelijke inkomensafhankelijke regelingen. Gemeentelijke regelingen hebben slechts een klein effect op de netto-inkomenspositie, maar kunnen inwoners met een laag inkomen wel net die extra ondersteuning bieden die er voor zorgt dat ze ook kunnen mee doen in de samenleving. We constateren dat huishoudens met een laag inkomen (tot 130% van het Wettelijk sociaal minimum) er doorgaans op vooruit gaan ten opzichte van een bijstandssituatie wanneer zij een hoger inkomen verwerven door werk. In de gemeente Nunspeet leiden de huidige minimaregelingen niet tot een armoedeval. Werken loont. Tegelijkertijd is er een balans met de huishoudens die, door verschillende omstandigheden, niet in staat zijn het inkomen te verhogen door werk en zodoende gebruik maken van de minimaregelingen om te kunnen participeren. Daarom handhaven we de huidige bijdragen en inkomensgrenzen tot 120% van het Wettelijk sociaal minimum. We hebben tevens de armoedeval voor een aantal alternatieve scenario’s laten doorrekenen, waaronder het scenario met een hogere kinderbijdrage voor sociaal culturele activiteiten en het scenario waarbij we het Elburgse en Oldebroekse minimabeleid toepassen in Nunspeet. Een hogere kinderbijdrage leidt tot een armoedeval bij paren met kinderen, een ongewenst effect.
We zien dat een uniform NEO-minimabeleid leidt tot verschillende lokale uitwerkingen, door bijvoorbeeld verschillende lokale lasten. Dit betekent dat minimaregelingen verschillende effecten op de armoedeval kunnen hebben per gemeente. Houdt daarom het minimabeleid lokaal, maar gebruik wel de kennis van de NEO-gemeenten en werk samen waar mogelijk. De evaluatie en het onderzoek leiden tot een aantal actiepunten: Investeer verder in proactieve communicatie over de minimaregelingen om het bereik te vergroten. Betrek maatschappelijke organisaties hierbij en onderzoek de mogelijkheid tot een lokaal armoedeconvenant. Onderzoek welke rol een armoedecoördinator kan hebben om het bereik te vergroten. Verlaag de drempel voor het aanvragen van minimaregelingen: versimpel het aanvraagformulier, de aanvraagprocedure en het voorlichtingsmateriaal; Geef de inwoner de optie om minimaregelingen digitaal aan te vragen; Ken de minimaregelingen voor AOW-gerechtigden voor onbepaalde tijd toe vanwege een doorgaans stabiel inkomen. Toets de rechtmatigheid steekproefsgewijs. Dit vraagt aanpassing van de Verordening bijdrageregeling minima gemeente Nunspeet 2018.
-3-
Inhoudsopgave Voorwoord wethouder Van den Berg ............................................................................................................... 1 Samenvatting van de belangrijkste uitgangspunten ......................................................................................... 2 Inhoudsopgave ................................................................................................................................................. 3 1.
Inleiding .................................................................................................................................................... 4
2.
Uitgangspunten armoedebeleid................................................................................................................ 5
3.
Doelgroep minimaregelingen en bereik minimaregelingen in de gemeente Nunspeet ............................. 6
4.
Onderzoek netto-inkomenspositie laagste inkomens ............................................................................. 11
5.
Verschillende scenario’s armoedeval gemeente Nunspeet .................................................................... 16
6.
Wat vind de inwoner van het huidige minimabeleid? .............................................................................. 18
7.
Financiële overwegingen ........................................................................................................................ 20
-4-
1. Inleiding 1.1 Aanleiding In september 2017 is de Nota armoedebeleid 2017- 2018 vastgesteld. Bij het vaststellen van de nota is toegezegd om het beleid na twee jaar te evalueren. Voor u ligt de Nota minimabeleid gemeente Nunspeet 2019-2022, hierin evalueren we het minimabeleid en presenteren we de resultaten van een onderzoek naar de netto-inkomensposities voor de laagste inkomensgroepen, de zogenoemde armoedeval. 1.2 Kader Het wettelijke kader voor gemeentelijke inkomensondersteunende regelingen bevindt zich in de Participatiewet. Gemeenten moeten gerichte inkomensondersteuning bieden, zodat de ondersteunende regelingen bij de inwoners terecht komen die ook daadwerkelijk ondersteuning nodig hebben. De Participatiewet biedt gemeenten de ruimte om zelf invulling te geven aan de inkomensondersteunende regelingen. In de gemeente Nunspeet zijn de regelingen uitgewerkt in: de Verordening bijdrageregeling minima gemeente Nunspeet 2018; de Verordening individuele inkomenstoeslag gemeente Nunspeet 2018; de Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Nunspeet 2016, en; de Beleidsregels Collectieve Zorgverzekering gemeente Nunspeet 2017-2018.
1.3 Ambitie In het collegeprogramma 2018 – 2022 staat de volgende ambitie: Inwoners zijn financieel zelfredzaam Inwoners zijn financieel zelfredzaam wanneer zij weloverwogen keuzes kunnen maken zodat de financiën in balans zijn, zowel op korte als op lange termijn. We vinden werk nog altijd de beste manier om aan armoede te ontsnappen. Daarom stimuleren we inwoners ook om aan de slag te gaan. Daar staat tegenover dat we de plicht hebben om goed te zorgen voor mensen die voor een langere tijd niet in staat zijn om te werken, bijvoorbeeld door ziekte of handicap. Financieel zelfredzaam zijn betekent ook dat inwoners weten wanneer zij tijdig hulp moeten inroepen. Goed omgaan met geld is voor sommigen steeds lastiger. Eigen verantwoordelijkheid blijft uitgangspunt, maar we realiseren ons ook dat het voor inwoners soms moeilijk is om die verantwoordelijkheid waar te maken. Niet iedereen is daartoe in gelijke mate in staat en psychologische omstandigheden kunnen de zaken nog eens bemoeilijken. Er is preventie tot en met nazorg met als doel zowel financiële problemen, als de oorzaak hiervan, op te lossen of te stabiliseren zodat ze geen belemmering vormen om mee te doen aan de samenleving. Het college vindt werk nog altijd de beste manier om aan armoede te ontsnappen. Om werk lonend te laten zijn, moet de zogenaamde armoedeval zoveel mogelijk worden ingeperkt.
Er is sprake van een armoedeval wanneer het netto-inkomen achteruit gaat bij een hoger bruto-inkomen door het wegvallen van inkomensafhankelijke regelingen. Zowel landelijke als lokale regelingen hebben invloed op de armoedeval. Zo is bijvoorbeeld op landelijk niveau in 2015 de Wet Hervorming Kindregelingen in werking getreden om de armoedeval tegen te gaan onder alleenstaande ouders. Omdat ook de gemeentelijke minimaregelingen een effect op de armoedeval hebben, heeft het college een onderzoek ingesteld naar de lokale armoedeval. Hierbij zijn verschillende scenario’s doorgerekend voor verschillende huishoud- en inkomenstypen. Het college vindt het ook belangrijk dat inwoners op de hoogte zijn van de beschikbare ondersteunende regelingen en zet daarom in op proactieve communicatie over de beschikbare voorzieningen. Bekendheid van de regelingen gaat het niet gebruik van de regelingen tegen, zodat inwoners die anders geen mogelijkheden hebben tot participeren in de Nunspeetse samenleving toch mee kunnen doen. Iedereen telt mee! Om het bereik van de minimaregelingen en het effect van de armoedeval te onderzoeken is onderzoeksbureau KWIZ ingeschakeld. De onderzoeken zijn uitgevoerd in OPEN-verband (Oldebroek, Putten, Elburg en Nunspeet), zodat uitkomsten naast elkaar gelegd kunnen worden en we op deze manier van elkaars minimabeleid kunnen leren.
Daarnaast biedt dit de mogelijkheid om te onderzoeken in welke mate de NEO-gemeenten het minimabeleid meer op elkaar kunnen afstemmen. Het onderzoeksrapport bevindt zich als bijlage bij deze nota en maakt hier integraal onderdeel van uit.
-5-
2. Uitgangspunten armoedebeleid In de Nota armoedebeleid 2017-2018 is aandacht besteed aan wat armoede is. Armoede kan op verschillende manieren gedefinieerd en geïnterpreteerd worden. Armoede wordt dan ook verschillend beleefd. Er zijn inwoners die in armoede leven en zelf weinig of geen mogelijkheden hebben om hun leefsituatie te veranderen. Daarnaast zijn er inwoners die in armoede leven maar wel mogelijkheden hebben hun situatie te veranderen. 2.1 Het belang van effectief armoedebeleid In de Nota armoedebeleid 2017-2018 worden een aantal uitgangspunten genoemd voor effectief armoedebeleid: Laagdrempelig en eenvoudig in uitvoering; Goede informatievoorziening; Goede samenwerking met externe partners; Integrale 4D aanpak (Jeugd, WMO, Onderwijs en Participatie). Aan dit rijtje voegen we twee uitgangspunten toe: Breed toegankelijk; Balans tussen noodzaak tot financiële ondersteuning en stimulatie om eigen mogelijkheden om inkomen te verhogen aan te grijpen. 2.1.1. Breed toegankelijk De gevolgen van het leven in armoede moeten niet onderschat worden. Zo kan armoede leiden tot sociale uitsluiting, een verhoogd stressniveau wat een negatief effect heeft op lichaam en geest en worden er steeds meer korte termijn beslissingen genomen.
Armoede komt niet slechts bij één bevolkingsgroep voor, maar in de hele samenleving: jong, oud, allochtoon, autochtoon, man, vrouw, gezond, ziek, werkend, werkloos, etc.. Een effectief armoedebeleid is er dan ook op gericht dat een brede groep gebruik kan maken van de regelingen, zodat de aanpak van armoede de hele samenleving bereikt. 2.1.2 Balans tussen noodzaak tot financiële ondersteuning en stimulatie om eigen mogelijkheden om inkomen te verhogen aan te grijpen Een effectief beleid houdt ook rekening met de verschillende soorten armoede. Inwoners die in armoede leven en geen of weinig mogelijkheden hebben om deze situatie aan te passen moeten voldoende ondersteund worden, zodat zij toch kunnen participeren in de Nunspeetse samenleving. Hier staat tegenover dat inwoners die wel mogelijkheden hebben om meer inkomen te verwerven gestimuleerd moeten worden om deze kansen ook daadwerkelijk te benutten. Een te ruimhartig minimabeleid vermindert deze stimulans terwijl een te krap minimabeleid te weinig ondersteuning biedt aan de inwoners die dit nodig hebben. Bestaanszekerheidbeleid is daarom alleen effectief wanneer het beleid zodanig is opgesteld dat beide groepen in balans zijn.
-6-
3. Doelgroep minimaregelingen en bereik minimaregelingen in de gemeente Nunspeet 3.1 Omvang doelgroep minimaregelingen 1 Naar schatting hebben 850 huishouden in de gemeente Nunspeet op 1 januari 2019 een inkomen tot 120% van het Wettelijk sociaal minimum (Wsm). Dit betreft ongeveer 8% van alle huishoudens in de gemeente. De meerderheid van de inkomens (51%) tot 120% heeft een ander inkomen dan bijstand of AOW, denk hierbij aan WW-uitkering of loon uit arbeid. Daarnaast valt op dat alleenstaanden een relatief grote groep vormen met een inkomen tot 120% van het Wsm. In de groep met een inkomen tot 120% zijn naar schatting 300 huishoudens met kinderen (600 kinderen in totaal). Dit betreft 35% van alle minimahuishoudens en 8,7% van de Nunspeetse jeugdpopulatie.
Tabel 3.1 het aantal geschatte huishoudens in de gemeente Nunspeet met een laag inkomen en vermogen onder de vermogensgrens zoals genoemd in de Participatiewet gesplitst naar huishoudtype en inkomensbron. 3.2 Bereik minimaregelingen Om het bereik van de minimaregelingen in kaart te brengen wordt het werkelijke gebruik in 2018 afgezet tegen de doelgroep. Onderstaande tabel geeft het bereik van de minimarelingen in 2018 per regeling weer. Vervolgens worden de regelingen en het bereik toegelicht. Aan het eind van dit hoofdstuk worden een aantal aanbevelingen gedaan om het bereik te vergroten.
Tabel 3.2 Gebruik inkomensondersteunende en participatie bevorderende regelingen 2018 3.2.1 Bereik bijdrage gemeentelijke belastingen 2 Inwoners met een inkomen tot 120% van het Wsm en een vermogen lager dan de vermogensgrens zoals genoemd in de Participatiewet komen in aanmerking voor de bijdrage gemeentelijke belastingen. De bijdrage bedraagt de hoogte van de opgelegde belastingaanslag. 1
De schatting is gebaseerd op gemeentelijke gebruiksgegevens, geëxtrapoleerde CBS-gegevens en kengetallen op basis van ervaringscijfers van KWIZ bij vergelijkbare gemeenten. 2 Het vermogen gebonden in de eigen woning wordt vrijgelaten bij de bijdrage gemeentelijke belastingen, bijdrage collectieve zorgverzekering en bijdrage sociaal culturele activiteiten, zodat het hebben van een eigen woning geen belemmering vormt om te kunnen participeren in de samenleving.
-7-
In 2018 hebben 406 huishoudens gebruik gemaakt van deze regeling. Dit komt neer op 48% van de doelgroep. Van de 406 huishoudens zijn er 221 huishoudens die tevens algemene bijstand ontvangen. De groep die bekend is bij de gemeente doordat zij een uitkering ontvangen (230 huishoudens), maakt dus nagenoeg volledig gebruik van deze regeling. Hierbij wordt opgemerkt dat er een kleine groep is die een uitkering ontvangt, maar geen zelfstandige huishouding voert en zodoende geen gebruik maakt van deze regeling. 3.2.2 Bereik bijzondere bijstand Met bijzondere bijstand kunnen inwoners met een laag inkomen en weinig vermogen ondersteund worden bij uitgaven die noodzakelijk en bijzonder zijn, zoals bijvoorbeeld orthopedisch schoeisel, tandartskosten of bewindvoeringskosten. Voor de bijzondere bijstand geldt altijd dat er eerst wordt bekeken of er andere opties of voorzieningen aangewend kunnen worden. Is dit niet mogelijk en zijn de kosten noodzakelijk? Dan kan bijzondere bijstand ondersteunen. Voor bijzondere bijstand geldt een inkomensgrens van 100% van het Wsm. Het inkomen boven deze grens wordt voor 35% in aanmerking genomen als draagkracht. Vermogen boven de vermogensgrens zoals genoemd in de Participatiewet wordt voor 100% in aanmerking genomen als draagkracht. Het kan dus zijn dat een inwoner met een inkomen boven de 100% van het Wsm nog steeds recht heeft op bijzondere bijstand.
In 2018 hebben 390 personen in 325 huishoudens gebruik gemaakt van bijzondere bijstand. Dit betreft 38% van de doelgroep. Het bereik is hiermee hoger dan het landelijk gemiddelde dat tussen de 25 en 35% ligt. 3.2.3 Bereik individuele inkomenstoeslag Wanneer een inwoner langdurig afhankelijk is van een laag inkomen kan er mogelijk een beroep worden gedaan op de individuele inkomenstoeslag. Het recht op deze regeling bestaat voor personen vanaf 21 jaar tot de pensioengerechtigde leeftijd die gedurende een periode van drie jaar een inkomen hebben tot 120% van het Wsm en een vermogen hebben onder de vermogensgrens zoals genoemd in de Participatiewet. Daarnaast moet er in deze drie jaar geen zicht zijn op inkomensverbetering. De individuele inkomenstoeslag kan vrij worden besteed, maar is vooral bedoeld voor de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen zoals een koelkast of wasmachine. De regeling kan na de eerste periode van drie jaar jaarlijks worden aangevraagd. De hoogte van de toeslag bedraagt voor alleenstaanden, alleenstaande ouders en gehuwden respectievelijk 30%, 35% en 40% van de bijstandsnorm voor gehuwden. In 2018 hebben 143 huishoudens gebruik gemaakt van de individuele inkomenstoeslag. Dit betreft 36% van de doelgroep. Het gebruik is hiermee lager dan het landelijk gemiddelde van ongeveer 60%.
3.2.4 Bereik collectieve zorgverzekering De gemeente biedt minima de mogelijkheid om deel te nemen aan de collectieve aanvullende zorgverzekering van Zilveren Kruis. De gemeente betaalt een bijdrage direct aan Zilveren Kruis, zodat de zorgpremie voor de inwoner lager is. De eisen om in aanmerking te komen voor deze regeling zijn hetzelfde als de eisen voor de bijdrage gemeentelijke belastingen. De gemeente biedt momenteel twee collectieve pakketten aan: Optimaal Aanvullend 2 met Tandartspakket 1. De bijdrage bedraagt € 10,-- per maand. Optimaal Aanvullend 3 met Tandartspakket 2. De bijdrage bedraagt € 27,50 per maand. In 2018 hebben 325 huishouden gebruik gemaakt van de collectieve zorgverzekering. Dit komt neer op een bereik van 38% van de doelgroep. Het gebruik komt overeen met het landelijke bereik van 35 tot 40%. 3.2.5 Bereik bijdrage sociaal culturele activiteiten Het college wil dat iedereen mee kan doen in de samenleving, ook als het om sport en cultuur gaat. Een inwoner met een inkomen tot 120% van het Wsm en een vermogen onder de vermogensgrens zoals genoemd in de Participatiewet kan daarom gebruik maken van de bijdrage sociaal culturele activiteiten. Deze bedraagt € 150,-- per jaar voor volwassenen en € 300,-- per jaar per kind.
Omdat er een onderscheid wordt gemaakt tussen volwassenen en kinderen, onderscheiden we het bereik van deze regeling ook tussen volwassen en kinderen. In 2018 hebben 578 volwassen (57% van de doelgroep) gebruik gemaakt van de regeling. Het gebruik voor volwassen ligt hiermee aanzienlijk boven het landelijk gemiddelde van ongeveer 40%. Tegelijkertijd blijkt dat 211 kinderen (35% van de doelgroep) gebruik hebben gemaakt van deze bijdrage. Landelijk ligt een dergelijk bereik op ongeveer 50%. Hierbij moet worden opgemerkt dat het landelijk gemiddelde alle kindregelingen samenvoegt. Voegen wij het gebruik van het Jeugdfonds Sport en Cultuur toe bij de kindregelingen dan is het bereik van
-8-
minimaregelingen voor kinderen 46% van de doelgroep. Dit komt meer overeen met het landelijk gemiddelde wat betreft kindregelingen. 3.2.6 Bereik Jeugdfonds Sport en Cultuur Het Jeugdfonds Sport en Cultuur (JSC) heeft een ander karakter dan de andere minimaregelingen, aangezien het JSC geen harde rechtmatigheidscriteria hanteert. Komt iemand op basis van inkomen of vermogen niet in aanmerking voor de bijdrage sociaal culturele activiteiten, maar is er wel sprake van een bijzondere situatie waardoor participatie wordt belemmerd? Dan kan via een intermediair een beroep worden gedaan op het JSC. In 2018 hebben 67 jongeren gebruik gemaakt van het JSC. Hiervan gebruikten 13 jongeren het jeugdfonds cultuur en 54 jongeren het sportfonds. Dit betreft een bereik van 14% van de doelgroep van deze specifieke regeling. Het bereik is toegevoegd aan het bereik van de minimaregelingen voor kinderen zoals hierboven beschreven bij 3.2.5 Bijdrage sociaal culturele activiteiten, omdat er anders geen vergelijking getrokken kan worden met landelijke cijfers. 3.3 Effecten gewijzigde minimaregelingen 2017 en 2018 op het bereik In 2017 en 2018 zijn de inkomensgrenzen van verschillende minimaregelingen verhoogd van 110% naar 120% van het Wsm. Daarnaast is de bijdrage voor sociaal culturele activiteiten verhoogd voor kinderen van € 150,-- naar € 300,-- per jaar.
De Klijnsmagelden, de structurele verhoogde bijdrage vanuit het Rijk voor de aanpak van kinderarmoede, zijn besteed aan het verruimen van de inkomensgrenzen, zodat meer inwoners gebruik kunnen maken van deze regelingen, en zijn tegelijkertijd besteed aan het verhogen van de bijdrage sociaal culturele activiteiten voor kinderen. Hoeveel extra huishoudens zijn bereikt door deze verruiming? In 2018 zijn er in totaal 41 huishoudens met een inkomen tussen de 110% en 120% die gebruik hebben gemaakt van de bijdrage gemeentelijke belastingen, bijdrage sociaal culturele activiteiten en de bijdrage collectieve zorgverzekering. Deze groep bedraagt bijna 10% van de volledige groep die gebruik maakt van de minimaregelingen. We zien mede door de verruiming van de inkomensgrenzen de volgende stijgende trends in het bereik van 3 de minimaregelingen : Bereik minimaregelingen 2008-2010 2016 2018 Collectieve zorgverzekering 100 265 325 Bijdrage afvalstoffenheffing/sociaal 200 325 423 culturele activiteiten Individuele inkomenstoeslag 20 80 143 Tabel 3.3 Trends van het aantal huishoudens dat bereikt wordt door de minimaregelingen. Vanaf 2018 is de gemeente Nunspeet niet alleen bij het Jeugdfonds sport aangesloten, maar is dit uitgebreid met deelname aan het Jeugdfonds Cultuur. Dertien jongeren hebben in 2018 deelgenomen aan het Jeugdfonds Cultuur.
Dit betreft jongeren die zijn aangemeld via een intermediair en buiten de overige minimaregelingen vallen. 3.4 Vergelijking bereik met de omliggende gemeenten Het bereik van omliggende vergelijkbare gemeenten geeft niet altijd een reëel beeld, omdat regelingen verschillend worden ingevuld per gemeente. Zo hanteert de gemeente Putten een andere inkomensgrens, waardoor vergelijkingen schever zijn dan de vergelijking tussen Elburg en Oldebroek (zie tabel 3.4.1). De vergelijking wordt niet gemaakt om te beoordelen welke gemeente het beste is, maar vooral om van elkaar te leren het eigen beleid effectiever en efficiënter in te richten. We merken op dat Nunspeet achterblijft in de regio wat betreft kwijtschelding van de gemeentelijke belastingen. De gebruikte term ‘kwijtschelding’ is hier enigszins misleidend, aangezien het geen feitelijke kwijtschelding betreft. Een kwijtschelding is namelijk een andere beoordeling met andere (strengere) vereisten. Nunspeet heeft voor een bijdrage gemeentelijke belastingen vanuit de minimaregelingen gekozen. Dit betekent dat de toelatingscriteria soepeler zijn en iemand dus eerder in aanmerking komt. Het is daarom opvallend dat het Nunspeetse bereik achterblijft bij de omliggende gemeenten. Hierbij merken we op dat inwoners die bij de gemeente bekend zijn vanuit de bijstand, nagenoeg allemaal deze bijdrage ontvangen.
Hier ligt dus een uitdaging om de inwoners die niet bekend zijn bij de gemeente te bereiken. 3
De cijfers van 2018 zijn bijgevoegd in de tabel bij de cijfers zoals beschreven in de Nota armoedebeleid 2017-2018.
-9-
Nunspeet heeft het hoogste bereik wat bijzondere bijstand betreft. De verschillen tussen de onderlinge gemeenten zijn echter niet erg groot. Ook heeft Nunspeet het hoogste bereik van de collectieve zorgverzekering. Om de participatieregeling (bij de gemeente Nunspeet is dit de bijdrage sociaal culturele activiteiten) te kunnen vergelijken moeten bij Nunspeet en Oldebroek het bereik van Jeugdfonds sport en cultuur bij het bereik participatieregeling worden opgeteld. Nunspeet heeft hiermee een bereik van 50%, dit is iets lager dan de omliggende gemeenten. In Putten bestaat de mogelijkheid om gebruik te maken van het Jeugdfonds sport en cultuur naast de participatieregelingen.
Tabel 3.4.1 Vergelijking bereik minimaregelingen OPEN-gemeenten in 2018 3.5 Aanbevelingen bereik minimaregelingen Iedereen telt mee in de gemeente Nunspeet, daarom stimuleren wij het gebruik van de minimaregelingen. Toch blijkt dat er bij verschillende regelingen winst te behalen valt wat betreft het vergroten van het bereik. Om het bereik te vergroten worden daarom de volgende aanbevelingen gedaan: Aanbeveling 1: Breng de minimaregelingen meer onder de aandacht bij de inwoner van de gemeente Nunspeet We weten inwoners met een bijstandsuitkering doorgaans goed te bereiken. Het gebruik van een communicatiekalender kan helpen de minimaregelingen ook bij een bredere groep onder de aandacht te brengen. Om integraliteit te bevorderen stellen we een communicatiekalender sociaal domein op, waarbij de minimaregelingen een plek krijgen. In deze communicatiekalender dient onder andere aandacht te zijn voor de communicatiekanalen, thema’s en verschillende media. Aanbeveling 2: Maak in de communicatie breed gebruik van alle beschikbare kanalen Na de vaststelling van de Nota armoedebeleid 2017-2018 is er meer aandacht voor communicatie van de minimaregelingen. Zo worden de regelingen regelmatig onder de aandacht gebracht via nieuwsbrieven van basisscholen. Intensiveer de communicatie en maak breed gebruik van alle beschikbare kanalen.
Onderzoek of en welke rol een armoede-/bestaanszekerheidcoördinator hierin kan hebben binnen de Beleidsvisie Sociaal Domein en bekijk of deze rol gekoppeld kan worden aan de invulling van de sociaal regisseur. Aanbeveling 3: Neem intern de werkprocessen onder de loep om efficiëntie te vergroten en dienstverlening te verbeteren. Maak hierbij gebruik van de kennis in de NEO-samenwerking.
- 10 -
Aanbeveling 4: De minimaregelingen moeten zo laagdrempelig mogelijk zijn om gebruik te stimuleren AOW-gerechtigden moeten momenteel eens per drie jaar de minimaregelingen aanvragen. Maak het AOW gerechtigden makkelijker om gebruik te maken van de minimaregelingen door minimaregelingen voor onbepaalde tijd toe te kennen aan deze groep. De inkomenssituatie van deze groep is immers doorgaans stabiel. Om grip te houden op deze groep kan steekproefsgewijs controle worden uitgevoerd om het recht vast te stellen. Deze wijziging vereist een aanpassing van de Verordening bijdrageregeling minima gemeente Nunspeet 2018. Aanbeveling 5: Versimpel het voorlichtingsmateriaal van de minimaregelingen door gebruik te maken van simpel en helder taalgebruik Maak gebruik van laagdrempelige communicatie, om zo ook de laaggeletterde doelgroep zo veel mogelijk te bereiken. Denk hierbij aan het gebruik van veel plaatjes of korte filmpjes in plaats van teksten. Aanbeveling 6: Neem het aanvraagformulier en proces van de minimaregelingen onder de loep. Maak beiden zo eenvoudig mogelijk.
- 11 -
4. Onderzoek netto-inkomenspositie laagste inkomens 4.1 Methodiek onderzoek netto-inkomenspositie laagste inkomens Werk is de beste manier om aan armoede te ontsnappen en bestaanszekerheid te creëren. Om vast te stellen of dit ook daadwerkelijk in Nunspeet het geval is, heeft onderzoeksbureau KWIZ in opdracht van de gemeente een Inkomenseffect Rapportage geschreven voor de laagste inkomensgroepen. Hierin is onderzocht of een hoger inkomen, door bijvoorbeeld loon uit arbeid, ook leidt tot een betere nettoinkomenspositie onderaan de streep aan het eind van de maand. Is dit niet het geval? Dan is er sprake van een armoedeval. De armoedeval is voor verschillende huishoudtypen in kaart gebracht: Alleenstaande, jonger dan de AOW-gerechtigde leeftijd; Alleenstaande ouder, jonger dan de AOW-gerechtigde leeftijd met twee kinderen van 8 en 13 jaar; Paar (volwassenen), jonger dan de AOW-gerechtigde leeftijd; Paar (volwassenen), jonger dan de AOW-gerechtigde leeftijd met twee kinderen van 8 en 13; Alleenstaande, AOW-gerechtigd; Paar, AOW-gerechtigd. De inkomenseffecten voor huishoudens met inkomens van 100%, 110%, 120% en 130% van het Wsm zijn voor bovengenoemde huishoudtypen in kaart gebracht.
Hierbij is rekening gehouden met het netto-inkomen (bijvoorbeeld loon uit arbeid of WW-uitkering), landelijke regelingen (huurtoeslag, zorgtoeslag, combinatiekorting, kinderbijslag, kindgebonden budget), lokale vaste lasten, reserveringsuitgaven en huishoudelijke uitgaven. Waar het reserverings en huishoudelijke uitgaven betreft wordt uitgegaan van de Nibud-norm. 4.2 Huidige situatie armoedeval gemeente Nunspeet De financiële ondersteuning vanuit het Rijk is vele malen hoger dan de ondersteuning vanuit de gemeente. Dit betekent dat een inkomenseffect op de huurtoeslag (vanuit het Rijk) ook grotere gevolgen heeft voor de armoedeval, dan bijvoorbeeld een bijdrage afvalstoffenheffing (vanuit de gemeente). Het bestaanszekerheidbeleid heeft daarom een aanzienlijk kleiner effect op de armoedeval dan landelijke regelingen.
Figuur 4.2.1 Maandelijkse bijdrage Rijk en gemeente, minima AOW-gerechtigd
- 12 -
Figuur 4.2.2 Maandelijkse bijdrage Rijk en gemeente, minima niet AOW-gerechtigd De gemeentelijke bijdragen voor minimahuishoudens geven onder aan de streep meer ruimte voor vrije bestedingen. De hoogte van deze vrije ruimte verschilt echter per huishoudtype zoals uit onderstaande tabellen blijkt. Omdat niet AOW-gerechtigden nog recht kunnen hebben op de individuele inkomenstoeslag is er in tabel 4.2.4 een extra kolom toegevoegd voor de minima met een inkomen van 100% van het Wsm voor een periode van ten minste drie jaar. Voor de volledige berekeningen van onderstaande bedragen verwijzen wij naar de bijlagen van het onderzoeksrapport van KWIZ.
Tabel 4.2.3 Vrij besteedbaar budget per huishoudtype, minima AOW-gerechtigd
- 13 -
Tabel 4.2.4 Vrij besteedbaar budget per huishoudtype, minima niet AOW-gerechtigd Uit deze tabellen blijkt dat huishoudens met kinderen bij een inkomen van 100% van het Wsm een veel hoger bedrag per maand overhouden voor vrije bestedingen dan huishoudens zonder kinderen. Dit komt voor een groot deel door de verhoging van de sociaal culturele bijdrage voor kinderen (Klijnsmagelden). Deze gelden zijn specifiek bedoeld om kinderarmoede aan te pakken. Het is daarom niet wenselijk om de minimaregelingen zodanig te verdelen, zodat elk huishoudtype hetzelfde vrij te besteden bedrag over houdt aan het einde van de maand, omdat dit ten koste gaat van kinderen. Dit zou ook het doel van de Klijnsmagelden voorbij schieten. Wat zegt dit nu over de vraag of werken ook daadwerkelijk lonend is? Om deze vraag te kunnen beantwoorden kijken we naar onderstaande tabel: de inkomensvooruitgang na werkaanvaarding per huishoudtype.
Tabel 4.2.5 Inkomensvooruitgang na werkaanvaarding per huishoudtype
- 14 -
Figuur 4.2.6 Inkomensvooruitgang na werkaanvaarding per huishoudtype Uit tabel 4.2.5 en figuur 4.2.6 kunnen we opmaken dat werken in de meeste gevallen lonend is. Wel zit er een verschil in de mate van vooruitgang per huishoudtype. 4.2.1 Inkomensvooruitgang alleenstaande Een alleenstaande zonder kinderen ziet zijn netto-inkomen stapsgewijs hoger worden ten opzichte van de bijstandsnorm naar mate hij een hoger inkomen verwerft. Voornaamste reden hiervoor is dat, in tegenstelling tot andere huishoudtypen, zijn toeslagen vanuit het Rijk pas beginnen terug te lopen bij een inkomen van meer dan 120% van het Wsm. Voor de alleenstaande zonder kinderen kunnen we daarom concluderen dat werken lonend is en dat hij, met een laag inkomen, maandelijks ongeveer € 50,-- extra te besteden heeft door de gemeentelijke minimaregelingen. Voor de alleenstaande bestaat er zodoende een goede balans tussen de prikkel om zelf mogelijkheden te benutten het eigen inkomen te verhogen en de noodzakelijke financiële ondersteuning vanuit de gemeentelijke regelingen om participatie mogelijk te maken gedurende het lage inkomen.
- 15 -
4.2.2 Inkomensvooruitgang alleenstaande ouder Ook voor de alleenstaande ouder geldt dat hij er op vooruit gaat wanneer hij een inkomen verwerft van 110%, 120% en 130%. Bij een inkomen van 130% van het Wsm blijft onderaan de streep 8% meer over voor vrije besteding ten opzichte van een inkomen van 100% van het Wsm. Er is voor alleenstaande ouders daarom ook geen sprake van een armoedeval bij een inkomen van 130% van het Wsm. De toeslagen vanuit het Rijk lopen voor een alleenstaande ouder zelfs iets op vanwege de bijkomende combinatiekorting wanneer hij betaalde arbeid gaat verrichten. Bij een inkomen van 130% verliest de alleenstaande ouder echter wel zijn minimaregelingen, aangezien er een harde inkomensgrens bestaat. Werken blijft echter lonend voor de alleenstaande ouder. 4.2.3 Inkomensvooruitgang paren zonder kinderen De paren zonder kinderen gaan er aan het eind van de maand zowel bij een inkomen van 110%, 120% als 130% van het Wsm op vooruit. Ook voor paren geldt daarom dat werken lonend is. De toeslagen vanuit het Rijk lopen geleidelijk terug, waardoor er geen armoedeval plaatsvind. Overigens wordt nog opgemerkt dat paren doorgaans gemakkelijker 130% van het Wsm kunnen verdienen dan een alleenstaande, aangezien zij met twee personen zijn die een inkomen kunnen genereren.
4.2.4 Inkomensvooruitgang paren met kinderen Voor paren met kinderen loont werken wanneer zij 110% of 120% van het Wsm verdienen. Verdienen zij 130% van het Wsm? Dan is de netto-inkomensvooruitgang nihil. Er is echter ook geen sprake van een nettoinkomensverslechtering bij 130%, een fenomeen wat we bij omliggende gemeenten wel constateren. Grootste oorzaak hiervan is de snel teruglopende toeslagen vanuit het Rijk. Wederom moet worden opgemerkt dat paren gemakkelijker een inkomen van 130% van het Wsm kunnen verwerven dan alleenstaanden, al is het voor het paar met kinderen lastiger dan voor het paar zonder kinderen vanwege de zorg voor de kinderen. De minimaregelingen vallen weg bij een inkomen van 130% van het Wsm. Een optie om deze terugval, voor zover als de minimaregelingen hier invloed op hebben, te beperken is om voor deze groep een afbouwstaffel in te bouwen, waarbij er bij een inkomen van 130% van het Wsm nog steeds recht bestaat op minimaregelingen, al zij het voor een lager bedrag. Nadeel van een dergelijke staffel is dat het lastiger uit te voeren is en ook lastiger uit te leggen is aan de doelgroep. Het onderzoeksrapport richt zich ook op een aantal alternatieve scenario’s. In één van deze scenario’s wordt onderzocht welk effect een herverdeling van de hoogte bijdrage sociaal culturele activiteiten heeft, waarbij een hogere bijdrage aan kinderen wordt toegewezen.
In een dergelijk scenario wordt juist een inkomensachteruitgang gecreëerd voor paren met kinderen (zie paragraaf 5.3.3, dit biedt geen oplossing voor de beperkte inkomensvooruitgang voor paren met kinderen bij een inkomen van 130% van het Wsm. 4.2.5 Samenvattend armoedeval huidig minimabeleid Over het algemeen kan worden gesteld dat werken loont met de huidige inkomensgrenzen van 120% van het Wettelijk sociaal minimum en de huidige bijdragen. Er is geen verslechtering van de nettoinkomenspositie bij de laagste inkomensgroepen wanneer zij werk aanvaarden. De inkomensgrenzen van 120% worden daarom gehandhaafd.
- 16 -
5. Verschillende scenario’s armoedeval gemeente Nunspeet De gemeente heeft een aantal alternatieve scenario’s laten doorrekenen om te onderzoeken welke armoedeval-effecten worden gerealiseerd bij een aangepast bestaanszekerheidbeleid. Voor de tabellen en grafische weergaven van de doorgerekende scenario’s verwijzen wij naar hoofdstuk 5 van het onderzoeksrapport van KWIZ. 5.1 Scenario 1: Alle regelingen naar 110% Wettelijk sociaal minimum In het scenario dat alle minimaregelingen een inkomensgrens hanteren van 110% van het Wsm, gaan alle huishoudtypen erop achteruit in vergelijking met het huidige minimabeleid (120% van het Wsm). Voor een paar met kinderen geldt zelfs dat ze er bij een inkomen van 120% van het Wsm op achteruit gaan ten opzichte van een inkomen op 100% van het Wsm, een armoedeval dus. Er kan worden geconcludeerd dat dit een onwenselijk scenario is. 5.2 Scenario 2: Alle regelingen naar 130% Wettelijk sociaal minimum In dit scenario kan langer gebruik worden gemaakt (tot 130% van het Wsm) van de gemeentelijke minimaregelingen. Hierdoor zijn alle huishoudtypen tot 130% van het Wsm logischerwijs beter af in dit scenario dan in de huidige situatie.
Er is echter sprake van een verschuiving van de terugval in nettoinkomenspositie, aangezien alle gemeentelijke regelingen en een aantal Rijksbijdragen nu wegvallen bij een inkomen van hoger dan 130% van het Wsm (zie bijlage Evaluatie Minimabeleid, hoofdstuk 6, scenario 5). 5.3 Scenario 3: Herverdeling bedragen bijdrage sociaal culturele activiteiten De aanpak van kinderarmoede blijft een terugkerend thema. Om die reden hebben we laten doorrekenen wat de effecten zijn wanneer de verdeling van de sociaal culturele activiteiten tussen volwassen en kinderen wordt aangepast naar € 100,-- voor volwassenen en € 400,-- voor kinderen (in tegenstelling tot het huidige beleid waar de bijdrage € 150,-- voor volwassenen en € 350,-- voor kinderen bedraagt). Een dergelijke herverdeling creëert een armoedeval bij de paren met twee kinderen. Zij gaan er bij een inkomen van 130% van het Wsm licht op achteruit ten opzichte van een inkomen op 100% van het Wsm. Een onwenselijk effect, omdat het geen prikkel biedt om werk te aanvaarden. De motivatie voor paren met kinderen om uit de bijstand wordt door een dergelijke herverdeling niet bevorderd. 5.4 Scenario 4: Uniform NEO-minimabeleid In dit laatste scenario hebben we laten doorrekenen wat het effect op de armoedeval is als we uniforme NEO-regelingen hanteren in NEO-verband.
Passen we het minimabeleid van de gemeente Oldebroek toe in Nunspeet, zien we dat alleenstaanden en alleenstaande ouders er minder op vooruit gaan bij werkaanvaarding ten opzichte van het huidige Nunspeetse beleid. De bijdragen van de gemeentelijke minimaregelingen in Oldebroek liggen gemiddeld lager dan de regelingen in Nunspeet, hierdoor is het gat van 120% naar 130% (verlies van minimaregelingen) kleiner. We constateren een ongewenst effect bij de paren met kinderen, namelijk een armoedeval. Deze groep gaat er bij een inkomen van 130% van het Wsm op achteruit ten opzichte van de bijstandssituatie. Reden voor deze gemeentelijke afwijking ligt niet alleen in de verschillende bijdragen in minimaregelingen, maar ook in verschillende lokale lasten. Dit betekent dat minimabeleid niet altijd dezelfde uitwerking heeft per gemeente, omdat de lokale omstandigheden kunnen verschillen. Hoe ziet de situatie er dan uit als we het Elburgse minimabeleid toepassen in Nunspeet? Tot 110% van het Wsm houden de meeste gezinnen (uitgezonderd alleenstaande ouders) meer over voor vrije bestedingen. Vanaf een inkomen van 120% van het Wsm zijn gezinnen echter slechter af, dit komt met name doordat de gemeente Nunspeet de bijdrage gemeentelijke belastingen kent tot 120%. Ten slotte zien we, net als bij het beleid van Oldebroek, een armoedeval ontstaan bij paren met kinderen.
Wederom is dit een ongewenst effect. We merken op dat uniforme minimaregelingen verschillende lokale effecten kunnen hebben per gemeente. 5.4 Aanbevelingen omtrent armoedeval Het college vindt werk de beste manier om aan armoede te ontsnappen. Dit houdt alleen stand wanneer er geen sprake is van een armoedeval. Er zijn ook inwoners die niet de mogelijkheid hebben hun inkomen te verbeteren door werk. Deze groep dient de juiste ondersteuning vanuit de gemeente te krijgen om toch in de samenleving te kunnen participeren.
- 17 -
Aanbeveling 1: Handhaaf de inkomensgrenzen van 120% van het Wettelijk sociaal minimum Werk moet lonen. Met het huidige minimabeleid is er geen sprake van een armoedeval. In nagenoeg alle situaties loont het om werk te aanvaarden. Tegelijkertijd zien we dat huishoudens met een inkomen van 100% van het Wettelijk sociaal minimum gemiddeld een bedrag van minstens ongeveer € 100 overhouden om vrij te besteden. Handhaaf daarom de huidige bijdragen en inkomensgrenzen van 120% van het Wettelijk sociaal minimum. Dit biedt aan de ene kant voldoende prikkel om mogelijkheden te benutten het inkomen te verhogen door werkaanvaarding en aan de andere ondersteuning voor de huishoudens die (even) geen mogelijkheden hebben om het inkomen te verhogen. Aanbeveling 2: Houdt de inkomensgrenzen uniform op 120% van het Wettelijk sociaal minimum Paren met kinderen gaan er bij een inkomen van 130% van het Wettelijk sociaal minimum niet vooruit, maar ook niet op achteruit, ten opzichte van bijstandsniveau. Een mogelijkheid om deze groep toch enige inkomensvooruitgang te kunnen bieden is het staffelen van de inkomensgrenzen voor paren met kinderen. De minimaregelingen worden hierdoor echter minder begrijpelijk en minder laagdrempelig. Het advies luidt daarom om een zo uniform mogelijke inkomensgrens te hanteren, namelijk 120% van het Wettelijk sociaal minimum.
Aanbeveling 3: Houdt het bestaanszekerheidbeleid lokaal Het belang van onze inwoner staat voorop. We zien dat een uniform minimabeleid leidt tot verschillende lokale uitwerkingen, door bijvoorbeeld verschillende lokale lasten. Dit betekent dat minimaregelingen verschillende effecten op de armoedeval kunnen hebben per gemeente. Houdt daarom het minimabeleid lokaal, maar gebruik wel de kennis van de NEO-gemeenten en werk samen waar mogelijk. We stellen een paraplunota NEO-minimabeleid op, waarin aangegeven wordt in welke mate de NEO-gemeenten van elkaars beleid kunnen leren.
- 18 -
6. Wat vind de inwoner van het huidige minimabeleid? 6.1 De inwoner denkt mee Het college vindt burgerparticipatie belangrijk. Inwoners zijn daarom uitgenodigd een enquête in te vullen over het huidige minimabeleid. De enquête is gedeeld via de website, social media en is onder de aandacht gebracht via verschillende maatschappelijke organisaties. 102 inwoners hebben de enquête ingevuld. Van deze groep kent 76,3% wel iemand die financieel moeilijk kan rondkomen. Dit onderstreept dat armoede breed in de maatschappij voor komt en dat een armoedeaanpak ook breed en integraal moet worden aangevlogen.
Figuur 6.1.1 Brede signalering armoede in de gemeente Nunspeet 6.2 Inzicht in niet-gebruik Van de 102 inwoners die de enquête hebben ingevuld, maken er 83 geen gebruik van de minimaregelingen. Een aanzienlijk deel (72,7%) geeft aan te weten niet in aanmerking te komen voor de regelingen. Er is echter ook een deel dat de regelingen niet kent (12,7%) of twijfelt of ze recht hebben op de regelingen (20%). Wat verder opvalt is dat er nagenoeg niet wordt aangegeven dat schaamte of het privé willen houden van de financiële situatie de reden is van niet-gebruik. Ook wordt het aanvragen op zich niet als moeilijk ervaren.
Figuur 6.2.1 Redenen voor het niet gebruiken van de minimaregelingen 6.3 Toegang tot minimaregelingen Om het bereik van de regelingen te vergroten is het noodzakelijk dat de inwoner weet waar hij terecht kan met vragen over de minimaregelingen. Een aanzienlijk deel (53,2%) weet niet waar ze terecht kunnen met vragen over minimaregelingen. Daarnaast geeft een deel (16,9%) aan wel te weten waar ze met dergelijke vragen naartoe kunnen, maar dat deze organisaties niet toegankelijk genoeg zijn.
- 19 -
Figuur 6.3.1 Bekendheid organisaties 6.4 Suggesties van de inwoner Wij hebben de inwoner de vraag voorgelegd welke regeling hij zou willen aanpassen of invoeren als hij het minimabeleid zou maken (open vraag). De antwoorden hierop lopen erg uit een. Een greep uit de (meest voorkomende) suggesties: Eén (aanspreek)punt om alle inkomensondersteunende regelingen aan te kunnen vragen; Minimaregelingen afschaffen en een basisinkomen invoeren; Minder papierwerk/bureaucratie bij de aanvraag; Optie tot digitale aanvraag. Wat verder opvalt bij de suggesties is dat er een aantal suggesties worden gedaan voor regelingen die al mogelijk zijn. Dit wijst er op dat de inhoud van de regelingen nog te onbekend is bij veel inwoners. Een aantal voorbeelden: Het is ook mogelijk met een eigen woning in aanmerking te komen voor de regelingen; De bijdragen zijn vaak vrijer te besteden dan wordt aangenomen (de bijdrage sociaal culturele activiteiten of individuele inkomenstoeslag kan bijvoorbeeld ook worden gebruikt voor een schoolreisje). 6.5 Aanbevelingen naar aanleiding van de inwonerpeiling Aanbeveling 1: Richt communicatie niet alleen op de doelgroep minima, maar ook op het sociale netwerk Veel inwoners kennen iemand die moeilijk financieel kan rondkomen, maar veel inwoners weten niet waar ze met vragen over minimaregelingen terecht kunnen.
Omdat het sociale netwerk een belangrijke rol kan vervullen bij de aanpak van armoede is het van belang om ook deze groep goed in te lichten over de mogelijkheden omtrent de aanpak van armoede. Moedig daarnaast de inwoner aan om het gesprek aan te gaan over armoede als hij armoede constateert in zijn eigen netwerk. Aanbeveling 2: Betrek maatschappelijke partners bij de het bestaanszekerheid beleid De maatschappelijke partners vervullen een belangrijke rol in de aanpak van armoede. Zij hebben niet alleen een signalerende, maar ook een actieve ondersteunende rol. Betrek de maatschappelijke partners bij de aanpak van armoede. Onderzoek de mogelijkheid tot het opzetten van een werkgroep bestaanszekerheid waarbij verschillende lokale organisaties input kunnen leveren bij het bestaanszekerheidbeleid. Aanbeveling 3: Geef voorlichting over hoe de regelingen besteed kunnen worden De inhoud van de regelingen is soms te onbekend. De inwoner maakt eerder gebruik van de bestaande regelingen wanneer hij weet op welke manier en waarvoor hij de regelingen kan gebruiken. Aanbeveling 4: Geef de inwoner de optie de minimaregelingen digitaal aan te vragen Om niet gebruik van de regelingen tegen te gaan moet de drempel om aan te vragen zo laag mogelijk zijn. Geef de inwoner daarom de optie om de minimaregelingen digitaal aan te vragen.
De route om via een papierenformulier aan te vragen blijft hiernaast ook bestaan.
- 20 -
7. Financiële overwegingen 1.
2. 3.
4.
Vanaf 2017 ontvangen wij van het ministerie jaarlijks € 89.535,--, de zogenaamde Klijnsmagelden. Dit bedrag is ingezet om bijdragen sociaal culturele activiteiten voor kinderen te verhogen van € 150,-- naar € 300,--, inkomensgrenzen te verhogen van 110% naar 120% van het Wettelijk sociaal minimum en het Jeugdfonds sport uit te breiden met het Jeugdfonds cultuur. Het bedrag is reeds structureel aan de begroting toegevoegd. De begroting voor minimabeleid 2019 bedraagt € 605.110,--. Daarnaast is een bedrag van € 130.000,-begroot voor de bijdrage collectieve zorgverzekering. We verwachten een geleidelijke toename in het gebruik van de minimaregelingen vanwege het in zetten op communicatie en het inzetten van maatregelen die de drempel tot aanvraag verlagen. De toename kan bekostigd worden uit de bestaande begroting. De verhoging van de inkomensgrenzen van 110% naar 120% heeft geleid tot een aantal extra aanvragen (ongeveer 10% meer). Deze toename is geleidelijk gegaan, hierdoor was extra formatie niet nodig. We verwachten in de toekomst wederom een geleidelijke stijging en verwachten dit wederom op te vangen binnen de huidige formatie. Indien het aantal nieuwe aanvragen hoger is dan verwacht, dan kan in de toekomst uitbreiding wel noodzakelijk zijn.
In conclusie kunnen we de aanbevelingen uitvoeren binnen de bestaande begroting.