AP 6a. Bijlage 2. Toelichting bp Buitencentrum Veluwe-Noord
Tekst van het document
Conclusie verkeer en parkeren De parkeervraag van het Natuurbeleveniscentrum neemt af ten opzichte van de oude situatie, te weten de situatie voor invoering van het entreegeld voor de Natuurexpositie. Dit ondanks de geplande komst van het klimbos en de kleinschalige horecavoorziening. In getallen ziet een en ander er als volgt uit: -
Parkeervraag gepland Klimbos : 12 parkeerplaatsen Parkeervraag kleine horecavoorziening : 10 parkeerplaatsen Parkeerafname door entreegeld Natuurexpositie : 28 parkeerplaatsen
De parkeervraag voor het Veluwetransferium neemt hiermee af met circa 7 parkeerplaatsen voor wat betreft de totale parkeervraag van het Natuurbeleveniscentrum. Hierbij is het uitgangspunt dat de werknemer voor de kleinschalige horecavoorziening op het terrein van het Natuurbeleveniscentrum parkeert.
5.6 Geluid Op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) moet bij het opstellen of wijzigen van bestemmingsplannen rekening worden gehouden met de geluidsproductie van wegverkeer, spoorwegen en industrielawaai. Doel van de wet is het beschermen van geluidgevoelige objecten tegen geluid. Onderliggend plan (klimbos en natuurbelevingscentrum) voorziet niet in geluidgevoelige functies. Onderzoek naar het aspect geluid is dan ook niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect geluid vormt geen beletsel voor onderliggend plan.
5.7 Externe veiligheid In het kader van ruimtelijke procedures conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient het aspect externe veiligheid in acht te worden genomen. Dat dient te gebeuren aan de hand van de toetsing van een aantal aspecten.
25
Eén daarvan is het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het vervoer van gevaarlijke stoffen kent verschillende modaliteiten: vervoer over de weg, het spoor, over het water (zee- en binnenwater) en door buisleidingen. In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is het beleid beschreven voor de afweging van veiligheidsbelangen die een rol spelen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen in relatie tot de omgeving. Het beleid voor buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is het beleid beschreven voor inrichtingen die activiteiten verrichten met gevaarlijke stoffen. Voor het plaatsgebonden risico ten opzichte van kwetsbare objecten is een grenswaarde opgesteld. Met betrekking tot beperkt kwetsbare objecten is het plaatsgebonden risico een richtwaarde. Voor het groepsrisico is geen harde norm vastgelegd, maar is ervoor gekozen om een oriëntatiewaarde te hanteren. Een overschrijding van de oriëntatiewaarde of een toename van het groepsrisico dient door het bevoegd gezag te worden verantwoord. Langs transportroutes behorend tot het Basisnet kan bovendien sprake zijn van een plasbrandaandachtsgebied.
Dit is een zone aan weerszijden van de route waar bij het realiseren van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten rekening dient te worden gehouden met de mogelijke gevolgen van een ongeval met brandbare vloeistoffen. Analyse onderliggend plan Onderliggend plan maakt een klimbos mogelijk. Dit betreft een recreatieve voorziening. Wanneer het gaat om kwetsbare recreatieve inrichtingen waar het Bevi op van toepassing is, dient de volgende definitie als uitgangspunt genomen te worden (Bevi art 1, lid l, sub d): ‘Kampeer- en andere recreatieterreinen bestemd voor het verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen’. Onderliggend initiatief past niet binnen deze definitie, want het verblijf van de recreant van het klimbos is ca. 3 uur. Onderliggend plan betreft zodoende geen kwetsbare inrichting. Verder geldt voor onderliggend initiatief het volgende. Het plangebied ligt op ca. 700 meter van de A28, dus buiten 200 meter die vraagt om een verantwoording van het Groepsrisico. Het natuurbelevingscentrum (en dus ook het klimbos) liggen op ca. 150 meter van een spoorlijn. Dit is binnen 200 meter op basis waarvan verantwoording van het groepsrisico nodig is. Het Groepsrisico ter plaatse is nu ca. 0.01 keer de oriëntatiewaarde. Met de komst van het klimbos zal het niet boven 0.1 keer de oriëntatiewaarde uitkomen.
Een berekening van het Groepsrisico is derhalve niet noodzakelijk. De ligging is buiten de 100%-letaliteitsafstand brandbaar gas. Daarnaast ligt het plangebied buiten de PR10-6-contour van het nabijgelegen tankstation. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen beletsel voor onderliggend plan.
5.8 Bedrijven en milieuzonering Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient gekeken te worden of er zich in de omgeving van de ontwikkeling bedrijven of functies bevinden die vanuit oogpunt van hun functie hinder ondervinden van het plan en andersom. De VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering (2009)’ biedt inzicht in de afstanden die gelden tussen bedrijven en milieugevoelige functies. Wanneer een plangebied en omgeving getypeerd kan worden als 'gemengd gebied' kan een trede terug worden gedaan in de methodiek van de hindercontouren. De VNG-publicatie omschrijft een gemengd gebied als: 26
Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels horeca en kleine bedrijven. Onderliggend plan betreft een uitbreiding van een bestaande functie (natuurbelevingscentrum met horeca) met een klimbos (recreatieve functie). Het klimbos kan worden geschaard onder de noemer ‘cultuur, sport en recreatie’. Daarbinnen is een klimbos niet expliciet benoemd. In het kader van de toets aan bedrijven en milieuzonering wordt het klimbos geschaard onder de noemer ‘veldsportcomplex’, wat feitelijk een te ‘zware’ noemer is. Daarbij geldt als maximale afstand van het klimbos ten opzichte van omliggende functies een afstand van 50 meter. Omdat duidelijk sprake is van een functiemenging (zie onderstaande uitsnede uit de verbeelding van het bestemmingsplan), kan een trede terug worden gedaan op de ladder. Dat betekent dat de afstand tot omliggende bedrijven 30 meter moet zijn. Hieraan wordt ruimschoots voldaan.
Ligging plangebied ten opzichte van omliggende functies. Ten aanzien van het natuurbelevingscentrum (met horeca-functie) geldt dat op basis van een gemengd gebied een maximale afstand geldt van 10 meter. Aan deze afstand ten opzichte van omliggende functies wordt eveneens ruimschoots voldaan. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen beletsel voor onderliggend plan.
5.9 Luchtkwaliteit De Nederlandse wetgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat bekend als de Wet luchtkwaliteit. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de Wet luchtkwaliteit geen belemmering voor ontwikkelingen als: -
er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project “niet in betekenende mate” bijdraagt aan de luchtverontreiniging; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
27
In de Wet luchtkwaliteit staan de grenswaarden voor verschillende luchtverontreinigende stoffen. In de praktijk blijft toetsing aan grenswaarden beperkt tot de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) uit onderstaande tabel.
Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende besluiten en regelingen: - Besluit en Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); - Besluit gevoelige bestemmingen (Luchtkwaliteitseisen); - Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. Besluit en Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (nibm) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden voor NO2 en PM10 uit de Wet milieubeheer. De Nibm-bijdrage komt dan neer op 1,2 µg/m3. In de Regeling nibm is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen, die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: - woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; - woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; - kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze gevoelige bestemmingen zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen zijn geen gevoelige bestemmingen.
Het besluit legt aan weerzijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast (van respectievelijk 300 en 50 meter). Bij realisatie van gevoelige bestemmingen binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit nodig. Regeling Beoordeling luchtkwaliteit 2007 In deze regeling staan eisen waaraan berekeningen en rekenmodellen moeten voldoen. In de regeling is het toepasbaarheidsbeginsel opgenomen. Dit beginsel geeft aan op welke plaatsen de luchtkwaliteitseisen toepasbaar zijn. In grote lijnen gelden daarbij de volgende bepalingen: - geen beoordeling van de luchtkwaliteit op plaatsen waar het publiek geen toegang heeft en waar geen bewoning is; - geen beoordeling van de luchtkwaliteit op bedrijfsterreinen (met uitzondering van voor het publiek toegankelijke plaatsen, waarbij het zogenaamde blootstellingscriterium een rol speelt); - geen beoordeling van de luchtkwaliteit op de rijbaan van wegen. 28
Toets aan initiatief Ten aanzien van luchtkwaliteit geldt dat het plan niet in betekende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging.
5.10 Vormvrije MER-beoordeling Beleidskader Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. De wijziging van het Besluit m.e.r. volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU van de Europese Unie. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer (Wm) zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing, waarbij het niet uitmaakt of het een activiteit betreft boven of onder de D-drempel. In het gewijzigde Besluit m.e.r. is de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling beschreven. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, dienen de volgende stappen genomen te worden. 1. De initiatiefnemer stelt een aanmeldingsnotitie op. 2. Het bevoegd gezag neemt binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden. 3. De initiatiefnemer voegt het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag (Artikel 7.28 Wet milieubeheer). Vormvrije m.e.r-beoordeling Het besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning heeft betrekking op activiteiten die voorkomen op de D-lijst uit het Besluit m.e.r. Het gaat hierbij onder andere om de aanleg, wijziging of uitbreiding van themaparken. Het klimbos zou hier redelijkerwijs onder geschaard kunnen worden.
Voor deze activiteit zijn drempelwaarden opgenomen voor de omvang van het project. Deze drempelwaarden betreffen recreatieve ontwikkelingsprojecten met: -
een oppervlakte van > 25 hectare, >250.000 bezoekers
Conclusie en vervolg De oppervlakte van de voorgenomen activiteit blijft onder de drempelwaarden van 25 hectare en een bezoekersaantal van 250.000. Het klimbos is circa 1 hectare en er komen (cumulatief met het buitencentrum) circa 85.000 bezoekers per jaar. Om die reden heeft een vormvrije m.e.r.-beoordeling in de vorm van een aanmeldnotitie plaatsgevonden. In de aanmeldnotitie zijn de voorgenomen activiteiten en de waarschijnlijke gevolgen van de activiteit voor het milieu beschreven. Onderzoeken naar aanleiding van onderliggend bestemmingsplan leren dat er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zullen zijn. De notitie, die gelijktijdig met het bestemmingsplan aan het college wordt voorgelegd, is als bijlage 6 opgenomen.
5.11 Conclusie Ruimtelijke en milieutechnische aspecten vormen geen beperking om het onderliggende plan te realiseren en de bestemming te wijzigen.
29
6. Juridische planopzet In dit hoofdstuk wordt aangegeven op welke wijze de voorkomende functies in het bestemmingsplan worden geregeld. In de planopzet is aansluiting gezocht bij de recente uitgave ‘Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen’, kortweg SVBP. Verbeelding Op de (zowel analoge als digitale) verbeeldingen zijn de bestemmingen in het plangebied weergegeven. Deze bestemmingen zijn gerelateerd aan de in de planregels opgenomen juridische regeling. Bij de opzet van de verbeelding is de SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen2012) als uitgangspunt gehanteerd. In de SVBP2012 zijn onder andere bestemmingscategorieën vastgelegd en zijn uniforme kleuren en aanduidingen beschreven. De aanduidingen dienen voor de leesbaarheid van de verbeelding (kadastrale indeling of bestaande bebouwing) of hebben betrekking op wat er wel of niet is toegestaan. Naast de hoofdbestemmingen bevat het plan ook enkele functieaanduidingen die betrekking hebben op specifieke functies binnen de bestemmingen. Regels De regels geven inhoud aan de op de verbeelding gegeven bestemmingen. Ze geven aan waarvoor de gronden en opstallen al dan niet mogen worden gebruikt en wat en hoe er gebouwd mag worden. Bij de opzet van de planregels is het aantal regels zo beperkt mogelijk gehouden. Alleen datgene is geregeld, wat werkelijk noodzakelijk is.
Toch kan het in een concrete situatie voorkomen dat een afwijking van de planregels gewenst is. Daarom zijn er in het bestemmingsplan afwijkingsregels opgenomen. De bevoegdheid om af te wijken van bepaalde regels is gebaseerd op artikel 3.6 van de ‘Wet ruimtelijke ordening’ (Wro). De uitvoering berust bij burgemeester en wethouders. Deze afwijkingen maken kleine afwijkingen mogelijk binnen de aan de grond toegekende bestemming. Toelichting Het Bro bepaalt dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting. Deze toelichting heeft echter geen juridische status, maar is wel belangrijk als het gaat om de onderbouwing van hetgeen in het bestemmingsplan is geregeld.
6.1 Bestemmingen 6.1.1 Algemeen Alvorens in te gaan op de specifieke bestemmingen zijn hierna enkele algemene uitgangspunten binnen de bestemmingen nader uitgelegd. Bestaand In de regels wordt veelvuldig verwezen naar de bestaande situatie. Voor bouwwerken en gebruik is dat de situatie op het moment van inwerkingtreding van dit plan. Onder bestaande oppervlakte wordt tevens de ten tijde van het inwerkingtreden van het plan reeds vergunde, maar nog niet gerealiseerde oppervlakte begrepen. De bestaande situatie herleidt de gemeente in de eerste plaats uit de gedane inventarisatie. Er is een inventarisatie verricht, waarbij op perceelsniveau is gekeken naar het type bebouwing, de omvang van de bebouwing en de gebruiksvormen. Bovendien beschikt de gemeente over recente luchtfoto's vanwaar op schaal de bouwwerken, de percelen en de landschapselementen kunnen worden herleid. Daarnaast hanteert de gemeente het vergunningenarchief, waarin alle 30
perceelsgewijze vergunningen zijn opgeslagen. Vanuit die gegevens kunnen bijvoorbeeld de afmetingen van bouwwerken worden bepaald. Ook de WOZ legt jaarlijks de perceelsgegevens vast. Tot slot is er nog het archief van de milieugegevens. Deze optelsom aan gegevens biedt een volledige en rechtszekere garantie om op een juiste wijze invulling te geven aan het begrip 'bestaand'. 10% afwijking Bij hoge uitzondering kan door middel van een afwijking worden toegestaan dat van de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages, tot ten hoogste 10% afgeweken wordt. Het gaat dan om incidentele gevallen, waarbij het om bouwtechnische redenen en/of redenen van doelmatigheid noodzakelijk wordt geacht en aantoonbaar is, dat in geringe mate van de gegeven maten moet worden afgeweken.
6.1.2 Bestemmingen De bij dit plan behorende planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken, te weten: 1. 2. 3. 4.
Inleidende regels. Bestemmingsregels. Algemene regels. Overgangs- en slotregels.
In hoofdstuk 1 (Inleidende regels) worden de in de planregels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen moeten worden gemeten. In hoofdstuk 2 (Bestemmingsregels) zijn specifieke regels opgenomen voor de op de verbeelding gegeven enkel- en dubbelbestemmingen. De artikelen bestaan uit een bestemmingsomschrijving en bouwregels, en zo nodig uit afwijkings- en specifieke gebruiksregels. De bestemmingsomschrijving is bepalend voor het gebruik van de grond. Enkelbestemmingen De bestemmingen zijn achtereenvolgens: Maatschappelijk De bestemming Maatschappelijk heeft in zijn algemeen betrekking op de maatschappelijke voorzieningen in het buitengebied. Doordat er binnen een maatschappelijke bestemming sprake is van verschil in ruimtelijke kenmerken en effecten, is de bestemming specifiek toegespitst op de betreffende situaties. De verschillende functies zijn niet uitwisselbaar. Via een afwijking is enige uitbreiding mogelijk. Ten aanzien van horeca is expliciet aangeduid om hoeveel horeca het gaat en dat deze ondergeschikt is. Tevens zijn regels ten aanzien van strijdig gebruik opgenomen. Natuur - Landschap Algemeen De natuurgebieden groter dan twee hectare zijn bestemd als Natuur - Landschap.
Dit geldt ook voor kleinere, maar karakteristieke, natuurgebieden of gebiedjes die voor het landschap van grote waarde zijn, zoals de houtwallen. De hoofdfunctie van de gebieden is natuur, met de daarmee samenhangende landschappelijke waarden. Er is daarbij geen onderscheid gemaakt in typen natuurgebieden, zoals natte of droge natuurgebieden, bos of heide. Dit biedt flexibiliteit voor de natuurbeheerder en voorkomt een verbeelding met snippers met verschillende bestemmingen. In de overige gebiedsbestemmingen zijn de kleine, verspreid voorkomende natuur- en bosgebieden mede bestemd. 31
Doel van de bestemming is om te komen tot behoud, herstel en ontwikkeling van de natuurlijke waarden. Binnen deze gronden is ook een klimbos van 1 ha mogelijk gemaakt. hiermee wordt invulling gegeven aan een recreatieve functie, als onderdeel van het natuurbelevingscentrum. Toegestane bouwwerken en voorzieningen In de bestemming zijn alleen (andere) bouwwerken ten behoeve van de bestemming toegestaan. Het gaat dan om voorzieningen ten behoeve van het beheer en onderhoud van het natuurgebied of voor het recreatieve medegebruik of de waterhuishouding, alsmede ten behoeve van het te realiseren klimbos. Bestaande infrastructurele voorzieningen zijn mee bestemd. Voor nieuwe voorzieningen, zoals fietspaden, is een omgevingsvergunning met bijbehorende toetsen vereist. Via een afwijking waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, is het mogelijk om wandel- en fietspaden aan te leggen. Dit is alleen mogelijk als dit mogelijk is binnen de gegeven natuurlijke waarden, dus minder verstoring en doorsnijding. Hiervoor is een omgevingsvergunning vereist. Omgevingsvergunningenstelsel voor werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden Via het omgevingsvergunningenstelsel is het mogelijk om bepaalde werken en werkzaamheden uit te voeren als hierbij de natuur- en landschapswaarden niet worden geschaad.
Normaal onderhoud van het natuurgebied, of onderhoud en beheer in het kader van een vastgesteld beheersplan valt niet onder het omgevingsvergunningenstelsel voor werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden. Dubbelbestemmingen Leiding - Riool Deze dubbelbestemming Leiding - Riool heeft betrekking op de watertransportleidingen. De regeling voorziet in de aanwezigheid van deze functie en in de bescherming ervan door middel van een veiligheidszone op de verbeelding. Binnen de op de verbeelding aangegeven strook mogen geen gebouwen en bouwwerken worden gebouwd. Voor werkzaamheden die schadelijk kunnen zijn voor de leidingen, is een omgevingsvergunningenstelsel opgenomen. Waarde - Archeologie 2 De gebieden die in de archeologische waardenkaart zijn aangeduid als gebieden met een hoge verwachtingswaarde vallen onder de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 2. In deze gebieden is archeologisch onderzoek nodig als er een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 120 m², waarbij grondroerende werkzaamheden dieper dan 0,50 m onder het maaiveld plaatsvinden. Uit dit onderzoek zal moeten blijken op welke wijze meegewerkt kan worden aan een ingreep. Het kan zijn dat er geen waarden worden aangetroffen, in welk geval de ingreep zonder verdere voorwaarden kan worden uitgevoerd.
Het kan ook zijn dat er wel archeologische resten worden gevonden, in welk geval één of meer voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen. Voor werken en werkzaamheden, anders dan bouwen, groter dan 2.500 m² is een vergunning vereist. Een omgevingsvergunning is niet vereist voor werken en werkzaamheden onder bestaande gebouwen of in een zone van 5 meter rondom bestaande gebouwen.
6.1.3 Algemene regels, overgangs- en slotregels en gebiedsaanduidingen De hoofdstukken 3 (Algemene regels) en 4 (Overgangs- en slotregels) bevatten regels die van toepassing zijn op meerdere bestemmingen. Uit praktische overwegingen wordt de voorkeur gegeven om deze in een afzonderlijke paragraaf onder te brengen. Van belang in dit kader om te noemen zijn de gebiedsaanduidingen: 32
geluidzone - motorsportterrein De gronden die vallen binnen de geluidzone van het motorsportterrein, hebben de aanduiding geluidzone gekregen. Binnen deze gronden mag alleen geluidsgevoelige bebouwing worden gerealiseerd of uitgebreid als de geluidsbelasting niet boven de voorkeursgrenswaarde uitkomt. overige zone – Natuurnetwerk Nederland De GNN-gebieden zijn apart in het bestemmingsplan aangeduid. Voor bepaalde werken en werkzaamheden is een omgevingsvergunning nodig om te bepalen of er geen afbreuk wordt gedaan aan de natuurwaarden. wetgevingzone - natura 2000 Het Natura 2000-gebied is apart in het bestemmingsplan aangeduid. Voor bepaalde werken en werkzaamheden is een omgevingsvergunning nodig om te bepalen of er geen afbreuk wordt gedaan aan de natuurwaarden.
33
7. Uitvoerbaarheid Ingevolge het bepaalde in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening gaat een bestemmingsplan vergezeld van een toelichting waarin ook inzicht wordt gegeven in de uitvoerbaarheid van het plan. Hieronder is nader ingegaan op de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
7.1 Economische uitvoerbaarheid Ingevolge het bepaalde in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient inzicht te worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het plan. De realisatie en exploitatie van het klimbos is in handen van Outdoor Centrum Nunspeet. De interne verbouwing van het Buitencentrum Veluwe Noord wordt gefinancierd door Outdoor Centrum Nunspeet. De (financiële) afspraken worden vastgelegd in een overeenkomst tussen Outdoor centrum Nunspeet en Staatsbosbeheer. In een anterieure overeenkomst worden afspraken gemaakt over financiële bijdragen van initiatiefnemers aan de kosten voor inrichting van het openbaar gebied, infrastructuur en plankosten. De financiële uitvoerbaarheid van het plan is voldoende gewaarborgd.
7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.2.1 Overleg ex art. 3.1.1. Bro Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet in het kader van het overleg als bedoeld in art. 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening overleg worden gepleegd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Het ontwerpbestemmingsplan is in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro aan de provincie Gelderland toegezonden. Vooroverleg met het Waterschap heeft middels de digitale watertoets plaatsgevonden.
7.2.2 Zienswijzen ontwerp bestemmingsplan Het ontwerp bestemmingsplan heeft vanaf 22 december 2021 voor de duur van zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn zienswijzen ingediend op dit plan. Dit heeft geleid tot een aanpassing van de gebiedsaanduiding van het klimbos op de verbeelding en een aanpassing van de parkeerbalans. Alle zienswijzen zijn samengevat en beantwoord in een separate nota.
34
Bijlagen
35
Bijlage 1. Watertoets Bijlage 2. Natuurtoets wet natuurbescherming Bijlage 3. Aerius berekening Bijlage 4. Natuurversterkingsplan Bijlage 5. Parkeerbalans Bijlage 6. Vormvrije MER-beoordeling Bijlage 7. Vergunning o.g.v. de Wet natuurbescherming
36
Postadres: Korenbloemstraat 30, 8012 XS Zwolle | E: info@bureaupena.nl | W: www.bureaupena.nl IBAN: NL84RABO0308144651 | K.v.K.: Zwolle 65329732 | BTW nr. : NL139099268B01