AP 5f. Bijlage Eindrapportage paarse heide Nunspeet 2020
Tekst van het document
Buiten de zes belevingszones zijn geen bodemmonsters verzameld. Verwacht mag worden dat ook hier sprake kan zijn van verhoogde NH4-concentraties. Overwogen kan worden om (delen) van de hei te branden en vervolgens te begrazen (drukbegrazing) om ook hier de overmaat aan NH4 af te voeren en vergrassing te doorbreken of te voorkomen. Met de huidige stikstofdepositie van 1100-1200 mol/ha/jaar (Aeriusmodel), die vergelijkbaar is met de kritische grenswaarde voor droge heide, kan overwogen worden om op enkele locaties in de heide in te zetten op het behoud of herstel van de goed ontwikkelde typische heidevariant waarin soorten als Stekelbrem (Genista anglica), Tormentil (Potentilla erecta), Tandjesgras (Danthonia decumbens) en Muizenoortje (Hieracium pilosella) kunnen voorkomen (20Aa01b_goed ontwikkeld). Door het toevoegen van langzaamwerkende silicaatmineralen aan de bodem kan verdere verzuring tegengegaan worden of de bodem op langere termijn zelfs weer wat herstellen. Op basis van metingen aan de C-horizont wordt geadviseerd om een magnesium- en kaliumrijk steenmeel als Lurgi (Soilfeed) in een dosis van 10 ton/ha op te brengen. Omdat herstelmaatregelen met steenmeel nog in 15
experimentele fase zijn wordt geadviseerd om deze maatregel niet vlakdekkend in te zetten en de ontwikkeling van bodem en vegetatie te monitoren. Op korte termijn kan gekozen worden voor locaties met een relatief lage NH4-concentratie zoals belevingszone zes. Voor de overige locaties wordt geadviseerd om te wachten met het toedienen van steenmeel totdat de NH4-concentratie voldoende verlaagd is. Hier kan men bijvoorbeeld eerst branden en drukbegrazen om dan na enkele jaren steenmeel toe te dienen om ook de mineralogie te herstellen en de aanvoer van kationen voor langere tijd te verzekeren. Mogelijk is het nodig om kenmerkende heidesoorten met maaisel weer terug in de heide te brengen wanneer ze zijn verdwenen. In tabel 2 staan de belangrijkste conclusies per belevingszone opgesomd. Tabel 2. Knelpunten en mogelijke maatregelen per belevingszone Belevingszone
Monsterpunten
Knelpunten
Maatregelen
1
4, 5 en 6
Hoge NH4-concentraties (met name op locatie 5 zeer hoog!)
Afvoeren van NH4 door te chopperen of kleinschalig te plaggen van de locaties 4 en 6 gevolgd door 1 à 2 ton Dolokal/ha en opbrengen van maaisel uit soortenrijkere locaties. Op de reeds gechopperde locatie 5 aanvullend bekalken en bij vergrassing extra begrazen.
pH_NaCl tussen de 3,2 en 3,5 en daarmee aan de lage kant voor goed ontwikkelde droge heide.
2
3
4
5
7, 8 en 9
10
1, 2 en 3
11, 12 en 13
Na verlagen van de NH4-concentraties eventueel 10 ton Lurgi-soilfeed /ha opbrengen ter aanvulling van versneld verweerde bodemmineralen.
Verhoogde NH4concentraties (410 tot 687 µmol/l bodem).
Afvoeren van NH4 door te chopperen of kleinschalig te plaggen gevolgd door 1 à 2 ton Dolokal/ha en opbrengen van maaisel uit soortenrijkere locaties.
pH_NaCl goed op locatie 7 met 3,6; aan de lage kant op locaties 8 en 9 (pH_NaCl van 3,2 en 3,3)
Na verlagen van de NH4-concentraties eventueel 10 ton Lurgi-soilfeed /ha opbrengen ter aanvulling van versneld verweerde bodemmineralen.
Verhoogde NH4concentratie (441 µmol/l bodem).
Afvoeren van NH4 door te chopperen of kleinschalig te plaggen gevolgd door 1 à 2 ton Dolokal/ha en opbrengen van maaisel uit soortenrijkere locaties.
Bodembuffering redelijk met pH_NaCl van 3,4.
Na verlagen van de NH4-concentraties eventueel 10 ton Lurgi-soilfeed /ha opbrengen ter aanvulling van versneld verweerde bodemmineralen.
Iets verhoogde NH4concentraties (275-388 µmol/l bodem).
Afvoeren van NH4 door te chopperen of kleinschalig te plaggen gevolgd door 1 à 2 ton Dolokal/ha en opbrengen van maaisel uit soortenrijkere locaties.
pHNaCl laag (3,0 en 3,1) op locatie 1 en 3, redelijk op locatie 2 (3,4)
Na verlagen van de NH4-concentraties eventueel 10 ton Lurgi-soilfeed /ha opbrengen ter aanvulling van versneld verweerde bodemmineralen.
Sterk verhoogde NH4concentraties (520 tot 1410 µmol/l bodem).
Afvoeren van NH4 door te chopperen of kleinschalig te plaggen gevolgd door 1 à 2 ton Dolokal/ha en opbrengen van maaisel uit soortenrijkere locaties.
pH-NaCl laag op locatie 11 (pH 3,2); redelijk op locatie 12 (pH 3,4) en hoog op locatie 13 (pH 4,4)
Toedienen snelwerkende bufferstoffen niet nodig op locatie 13. Na verlagen van de NH4-concentraties eventueel 10 ton Lurgi-soilfeed /ha opbrengen ter aanvulling van versneld verweerde bodemmineralen.
16
6
14, 15 en 16
NH4-concentraties redelijk tot voldoende laag op locaties 14 en 15, iets verhoogd op locatie 16. BodempH laag op locatie 14 en 16 (pH 3,0 en 3,2), goed op locatie 15 (3,7)
Afvoeren van NH4 door te chopperen of kleinschalig te plaggen gevolgd door 1 à 2 ton Dolokal/ha en opbrengen van maaisel uit soortenrijkere locaties. Toedienen snelwerkende bufferstoffen niet nodig op locatie 15. Na verlagen van de NH4-concentraties eventueel 10 ton Lurgi-soilfeed /ha opbrengen ter aanvulling van versneld verweerde bodemmineralen
17
5. LITERATUUR Bergsma,H., J. Vogels, M. Weijters, R. Bobbink, A. Jansen & L. Krul (2016). Tandrot in de bodem. Bodem nummer 1, februari 2016. Bergsma,H., J. Vogels, A. van den Burg & R. Bobbink (2018). Is de bodemverzuring in Nederland onomkeerbaar? Vakblad Natuur Bos Landschap 144 Bobbink, R & Hettelingh JP (eds.) (2011). Review and revision of empirical critical loads and doseresponse relationships. Report Coordination Centre for Effects, National Institute for Public Health and the Environment (RIVM), De Bilt, The Netherlands. Bobbink, R., Bergsma, H.L.T., Den Ouden, J & Weijters, M.J. (2017). Bodemverzuring in het droog zandlandschap. na het zuur geen zoet? Landschap, special issue Droog zandlandschap. Carson, J.K., D. Rooney, D.B. Gleeson & N. Clipson (2007). Altering the mineral composition of soil causes a shift in microbial community structure. FEMS Microbiology Ecology, Volume 61, Issue 3, Pages 414–423 De Graaf, M. C. C., R. Bobbink, J. G. M. Roelofs & P. J. M. Verbeek (1998a) Differential effects of ammonium and nitrate onthree heathland species. Plant Ecology: Volume 135, Issue 2, pp 185–196 De Graaf, M. C. C., P. J. M. Verbeek, R. Bobbink & J. G. M. Roelofs (1998b) Restoration of speciesrich dry heaths: the importance of appropriate soil conditions. Acta botanica Neerlandica 47:89-111. De Graaf, M.C.C., R. Bobbink, N.A.C. Smits, R. van Diggelen & J.G.M.
Roelofs (2009). Biodiversity, vegetation gradients and key geochemical processes in the heathland landscape. Biological Conservation 142: 2191-2201. Dorland, E., R. Bobbink, J. H. Messelink & J. T. A. Verhoeven (2003) Soil ammonium accumulation after sod cutting hampers the restoration of degraded wet heathlands. Journal of Applied Ecology 40:804-814. Graveland, J. & Drent, R. H. (1997). Calcium availability limits breeding success of passerines on poor soils. Journal of Animal Ecology, 66 (2) p. 279-288 Hallmann, C.A., Sorg, M., Jongejans, E., Siepel, H., Hofland, N. & Schwan, H. (2017). More than 75 percent decline over 27 years in total flying insect biomass in protected areas. PLoS ONE 12(10): e0185809. Haynes, R.J. (1982). Effects of liming on phosphate availability in acid soils. Plant Soil 68: 289 Lolkema, D.E., Noordijk, H., Stolk, A.P., Hoogerbrugge, R., van Zanten, M.C., van Pul, W.A.J., (2015). The measuring ammonia in nature (MAN) network in The Netherlands. Biogeosciences 12: 5133- 5142. Olsen S.R., C.V. Cole, F.S. Watanabe & L.A. Dean (1954) Estimation of available phosphorus in soils by extraction with sodium bicarbonate. US Department of Agriculture circular No. 939. Olsson M.T. & Melkerud P.-A. (2000) Weathering in three podzolized pedons on glacial deposits in northern Sweden and central Finland. Geoderma 94: 149–161. Siepel, H., J. Vogels, R. Bobbink, R.J.
Bijlsma, E. Jongejans, R. de Waal & M. Weijters (2018). Continuous and cumulative acidification and N deposition induce P limitation for the microarthropod soil fauna on mineral-poor dry heathlands. Soil Biology and Biochemistry 119 (2018). - ISSN 0038-0717 - p. 128 - 134. Van den Burg, A. (2017). Rammelende eieren en brekebenen bij de koolmees: verzuring terug bij af? Vakblad Natuur Bos Landschap (14):136 Van der Zee, F., Bobbink, R., Loeb, R., Wallis De Vrie M., Oostermeijer, G., De Graaf, M. (2017). Actieplan herstel heischrale graslanden. Hoe behouden we heischrale graslanden in nederland? Wageningen Environmental Research, Wageningen 2017 Vogels, J. J. (2013). Voedsel van korhoenkuikens onder het vergrootglas – De relatie tussen 18
plantkwaliteit en dichtheid van ongewervelde fauna op de Sallandse Heuvelrug. Stichting Bargerveen, Nijmegen, 34 pag. Vogels, J. J., N. R. Webb & H. H. Siepel. (2013). Impact of changed plant stoichiometric quality on heathland fauna composition. in H. H. Siepel, W. J. M. Heijman, N. R. Webb, and W. H. Diemont, editors. Economy and ecology of heathlands. KNNV publishing, Zeist. Vogels, J.J., R. Bobbink, M. Weijters & R-J. Bijlsma (2016). Monitoring OBN onderzoek “fosfaattoevoeging heide”. Vogels, J. J., E. Verbaarschot, R. Bobbink, V. de Jong & M. Scherpenisse (2017). Monitoring steenmeeltoepassing ten behoeve van herstel biodiversiteit - Voortgangsrapportage. Stichting Bargerveen - iov Stichting Het Nationale Park de Hoge Veluwe, 37 pag. Vogels, J., R. Loeb, E. Brouwer, R. Felix & M. Scherpenisse (2017) Optimaliseren van herstelmaatregelen voor habitattypen van droge heide. De stikstofverwijderingspotentie van de gecombineerde maatregel branden en drukbegrazen. In opdracht van: Provincie NoordBrabant – Subsidieregeling Biodiversiteit en leefgebieden. Vries, W. de, R. Bobbink, A. de Jong & M.J. Weijters (2017). Herstel van droge loofbossen - OBN tussenrapport 2017. Driebergen. VBNE. Weijters, M, Bobbink, R., Vogels, J., en Bergsma, H. (2017) Ontwikkeling praktijkgerichte maatregelen voor het herstel van droge heide in de provincie Noord-Brabant.
Eindrapportage Onderzoekcentrum B-WARE. Weijters, M, Bergsma, H., Vogels, J., Siepel, H en Bobbink, R., (2017). Herstel van heide door middel van slow release mineralengift. Tussenrapportage 2017. VBNE. Weijters, M., R. Bobbink, E. Verbaarschot, B. van der Riet, J. Vogels, H. Bergsma & H. Siepel (2018). Herstel van heide door middel van slow release mineralengift – resultaten van 3 jaar steenmeelonderzoek. OBN222-DZ. VBNE, Driebergen.
19
5A 11A 16A
Code
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 5A 11A 16A
V
Diepte cm-mv 80-90 80-90 50-60
Des tructi e Al mmol /l 71,0 72,8 73,8
MV kg droog/ l vers cm-mv (%) 0-10 13,3 0,8 0-10 21,7 0,9 0-10 15,3 0,8 0-10 15,8 0,9 0-10 11,3 1,0 0-10 10,4 0,9 0-10 12,8 0,8 0-10 26,2 0,8 0-10 11,9 0,9 0-10 19,4 1,0 0-10 19,8 1,0 0-10 13,5 0,9 0-10 5,2 1,1 0-10 7,7 1,0 0-10 10,5 0,9 0-10 9,8 1,1 0-10 5,5 0,9 0-10 9,0 0,8 0-10 12,2 0,8 80-90 5,4 1,2 80-90 4,2 1,2 50-60 4,7 1,3
Code Diepte
12,2 6,2 7,7 10,2 3,9 5,3 7,1 11,2 9,4 8,6 9,5 6,7 3,2 9,7 6,5 4,9 7,4 11,8 13,4 1,0 0,7 1,3
Fe mmol /l 51,2 34,8 26,0
µmol /l 614 472 404 424 292 292 328 263 493 343 314 419 142 203 291 179 413 334 664 231 165 63
Fe
K
Mg Mn
P
S
Si
Zn
NO3
NH4
Mg mmol /l 10,9 15,8 11,3
Mn mmol /l 0,4 0,8 0,2
P mmol /l 1,9 1,7 1,4
S mmol /l 0,6 0,3 0,5
Si mmol /l 10,1 10,6 9,7
Zn mmol /l 0,1 0,1 0,1
µmol /l µmol /l µmol /l µmol /l µmol /l µmol /l µmol /l µmol /l µmol /l µmol /l µmol /l µmol /l 1022 1998 16 402 957 5 3 144 26 28 20 275 1212 1408 32 738 613 20 2 242 53 21 140 388 526 2280 152 562 896 33 4 197 45 29 69 358 2004 2861 14 765 1522 9 2 173 42 62 61 735 588 2242 19 1445 1266 32 2 282 80 16 557 2105 761 1606 38 475 1110 8 1 194 40 16 66 413 735 1351 97 688 793 13 1 150 33 16 29 479 314 1375 6 677 929 9 2 203 88 34 41 687 967 2075 13 511 699 48 7 158 57 19 132 410 1410 1661 44 613 712 10 1 351 73 18 201 441 1039 1844 21 1071 822 14 2 241 103 57 54 1410 1620 959 43 578 398 25 2 218 41 20 138 520 57 6857 4 1019 1620 38 1 175 80 7 66 898 991 2692 15 659 1967 5 2 164 58 68 27 114 1473 1245 6 517 564 10 1 175 30 9 83 286 408 3242 6 519 1300 5 1 242 76 35 195 426 632 2410 8 1238 924 11 1 169 52 14 264 1428 1458 1726 7 504 715 11 2 184 49 28 70 963 1800 1537 38 538 742 27 3 190 70 27 76 348 494 175 3 533 80 2 0 183 29 4 38 37 357 250 3 443 73 2 0 231 37 2 92 1 475 289 5 512 88 1 1 251 49 3 72 5
K mmol /l 3,6 3,7 2,4
3,0 3,4 3,1 3,2 3,5 3,3 3,6 3,2 3,3 3,4 3,2 3,4 4,4 3,0 3,7 3,3 3,5 3,2 3,2 4,3 4,3 4,2
Zoutextra ct (0,2M Na Cl ) Olsen-P pH-NaCl Al Ca
Ca mmol /l 2,9 4,4 2,9
(%)
OS
0,5 0,9 0,2 0,7 0,3 0,5 0,5 0,2 0,5 0,8 0,6 1,7 0,01 0,4 1,2 0,1 0,3 0,8 1,2 2,8 1,4 1,6
Al/Ca (%) 23 22 28 24 33 24 32 28 27 18 18 13 73 25 21 33 29 19 15 17 18 17
µeq/l 33599 28434 31463 53558 30987 23341 22499 32974 28609 32322 29499 31524 31236 46397 33368 35285 34545 42047 39553 8588 7228 9115
Stronti umextra ct BV-s CEC
6. BIJLAGEN
Bijlage 1. Bodemchemische gegevens per locatie. V= vochtpercentage, MV = massavolume, OS = organisch stofgehalte, BV = basenverzadiging.
20
Bijlage 2
Ecologische werkprotocol 2018
Bijlage 8 bij Bestek BG2018/162: Ecologisch werkprotocol Uitbreiding paarse heide Gemeente Nunspeet. Uitvoeringsjaar 2018.
Colofon Opdrachtgever:
Gemeente Nunspeet
Datum:
13-8-2018
Opsteller:
T. Termaat
© Coöperatie Bosgroep Midden Nederland u.a., 2018 Postbus 8187 6710 AD EDE t (0318) 67 26 28 f (0318) 67 26 29 www.bosgroepen.nl
Paraaf opdrachtgever:
Paraaf projectleider:
Paraaf uitvoerder:
1
Aanleiding en doel
De gemeente Nunspeet heeft het voornemen om een aantal beheermaatregelen uit te voeren in verschillende heideterreinen. Het betreft zes verschillende zogenaamde Belevingsgebieden (zie bijlage 2 overzichtskaart), waar kleinschalig en grootschalig “plag”-werk wordt uitgevoerd in combinatie met kleinschalig maaien en branden. Hierbij wordt het aandeel Pijpenstrootje teruggedrongen. Het werk is verdeeld over 3 verschillende uitvoeringsjaren/perioden. Het werk start in de (na)zomer van 2018 en is op 31 oktober 2020 gereed en opgeleverd. In 2018 wordt gewerkt van 14 augustus tot 31 oktober. Op de locaties waar “plag”- en maaiwerkzaamheden worden verricht, komt een aantal soorten voor die genoemd worden in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet Natuurbescherming (in deze nieuwe wet zijn de F&F wet, de NB-wet en de Boswet samengevoegd). Dit betekent dat bij de uitvoering van de werkzaamheden specifiek aandacht moet worden besteed aan de wijze waarop de werkzaamheden uitgevoerd worden, zodat schade aan deze soorten zoveel mogelijk voorkomen wordt (mitigatie), teneinde de duurzame instandhouding van de populatie niet in gevaar te brengen. Daarnaast komt een aantal kwetsbare soorten voor dat vanuit natuurbeschermingsoogpunt eveneens aandacht verdienen.
In dit werkprotocol worden de voorgestelde mitigerende maatregelen om schade te voorkomen zo concreet mogelijke vertaald naar praktische uitvoering. Per maatregel worden, indien noodzakelijk, stapsgewijs specifieke richtlijnen, handelingen, maatregelen en aandachtspunten benoemd waar tijdens de uitvoering rekening mee gehouden moet worden. Om het vereiste maatwerk te leveren worden de werkzaamheden begeleid door een medewerker van de Bosgroepen. Gedurende de uitvoeringsfase moet dit ecologische werkprotocol aanwezig zijn op de locatie. De betrokken werknemers moeten bekend zijn met de inhoud van dit werkprotocol.
1.1
Zorgplicht
De in dit document beschreven maatregelen zijn nadrukkelijk bedoeld om negatieve effecten op specifieke soorten en specifieke locaties te voorkomen. Indien mogelijk worden de werkzaamheden zoveel mogelijk uitgevoerd conform de richtlijnen uit de 'Gedragscode Natuurbeheer” van 19 december 2016 en de daarin vermelde kalenders voor diverse werkzaamheden. In het licht van de bescherming van inheemse plant- en diersoorten zoals vastgelegd in de Wet Natuurbescherming, voorafgaande en tijdens de uitvoering van werkzaamheden, nadrukkelijk rekening worden gehouden met alle aanwezige soorten in een gebied. Dit is in de Wet Natuurbescherming verankerd middels de zogenaamde 'zorgplicht'. Deze houdt in dat, in alle redelijkheid, handelingen en werkzaamheden worden verricht of juist worden gelaten om schade aan plant- en diersoorten te voorkomen.
Paraaf opdrachtgever:
Paraaf projectleider:
Paraaf uitvoerder:
2
Aandachtssoorten
Bij de selectie van de exacte locaties waar plag- en maaiwerkzaamheden worden uitgevoerd is gekozen voor locaties met weinig kwetsbare vegetatie. Echter, in lage dichtheden komen bijzondere plantensoorten en ecologisch waardevolle vegetaties wel voor. Bovendien kunnen beschermde reptielen overal in het terrein voorkomen, ook op de geselecteerde locaties. Hieronder wordt aangegeven met welke natuurwaarde rekening gehouden moet worden bij de werkzaamheden.
2.1
Broedvogels
Vanuit de Wet Natuurbescherming is het verboden om broedende vogels te verstoren. Dit betekent voor diverse werkzaamheden dat deze buiten het broedseizoen gestart moeten worden. Voor het broedseizoen wordt in dit werkprotocol conform de Gedragscode natuurbeheer globaal de periode van 16 maart - 31 juli aangehouden. De werkzaamheden vallen ruim na deze periode (14 augustus – 31 oktober). Verstoring van broedvogels wordt daarom niet verwacht.
2.2
Flora
Binnen de geselecteerde locaties komen pleksgewijs ecologisch waardevolle vegetaties voor. Dit gaat met name om vochtige heidevegetaties met Veenbies, bosbesvegetaties en Kraaiheidevegetaties. Deze locaties dienen niet betreden of bereden te worden door bij de werkzaamheden. Voorafgaand aan de werkzaamheden wordt in het veld aan de aannemer duidelijk gemaakt om welke vegetaties het gaat. Het is de verantwoordelijkheid van de aannemer om deze informatie vervolgens goed over te brengen op de werknemers die het werk daadwerkelijk uitvoeren.
2.3
Reptielen
Binnen de geselecteerde locaties kunnen Zandhagedis, Levendbarende hagedis, Hazelworm, Adder en Gladde slang voorkomen. Deze soorten zijn beschermd en mogen niet geschaad worden. Dit betekent dat deze dieren verjaagd moeten worden van locaties waar gewerkt of gereden gaat worden. Ze kunnen dan tijdig dekking zoeken in aangrenzende vegetatie die met rust gelaten wordt. Zie hoofdstuk 3 voor de voorgeschreven werkwijze.
Paraaf opdrachtgever:
Paraaf projectleider:
Paraaf uitvoerder:
3
Maatregelen
De uitvoering van de maatregelen staat uitgebreid beschreven in het bestek, de ligging van deze maatregelen is terug te vinden op de uitvoeringskaart in Bijlage 2 van het bestek BG2018/162. In onderstaande wordt steeds beschreven waar rekening mee gehouden moet worden. De maatregelen worden uitgevoerd buiten het broedseizoen. Op voorhand zijn daarom geen aanvullende maatregelen nodig ten aanzien van broedvogels (zie paragraaf 2.2).
3.1
Maaien inclusief afvoer maaisel
Deze maatregelen zullen worden uitgevoerd in de periode dat de reptielen nog actief zijn; 14 augustus - 31 oktober. Door in deze periode de werkzaamheden uit te voeren kunnen de reptielen tijdig wegvluchten. Het klepelen, frezen en andere mechanische bewerkingen zoals wiersen en oprapen zijn echter wel maatregelen waarvoor reptielen gevoelig zijn en gemakkelijk schade ondervinden. Om dit te voorkomen wordt een medewerker voor de frees of klepelmaaier uitgestuurd om aanwezige reptielen te verjagen door met een slok door de vegetatie te slaan en ook regelmatig te controleren of er geen dieren in de reeds bewerkte delen voorkomen.
3.2
Kleinschalig en grootschalig “plaggen” van vergraste delen
Deze maatregelen zullen worden uitgevoerd in de periode dat de reptielen nog actief zijn; 14 augustus - 31 oktober. Door in deze periode de werkzaamheden uit te voeren kunnen de reptielen tijdig wegvluchten. Als voorbehandeling voor het “plaggen” wordt de vegetatie gefreesd. Dit is wel een maatregel waarvoor reptielen gevoelig zijn en gemakkelijk schade ondervinden. Om dit te voorkomen wordt een medewerker voor de frees uitgestuurd om aanwezige reptielen te verjagen door met een slok door de vegetatie te slaan en ook regelmatig te controleren of er geen dieren in de reeds bewerkte delen voorkomen.
3.3
Berijden van transportroutes
De transportroutes (bijlage 4) zijn zodanig gekozen dat zo min mogelijk schade ontstaat aan het terrein, de vegetatie en de fauna. Echter, reptielen kunnen in de ochtend juist zandwegen en andere open plekken verkiezen om zich op te warmen door stil in de zon te gaan liggen. Hun lichaamstemperatuur is op dat moment nog te laag om (snel) te kunnen vluchten bij verstoring, waardoor ze extra kwetsbaar zijn door rijdend materieel. Dit betekent dat transportroutes op zonnige ochtenden (tot 12:00 uur) gecontroleerd moeten worden op de aanwezigheid van zonnende hagedissen en slangen, vóórdat rijdend materieel de transportroutes gebruikt. Daarbij is speciale aandacht nodig voor de randen van zandpaden (de dieren liggen niet graag midden op het zandpad). Indien reptielen worden aangetroffen kunnen deze met behulp van een stok de bermvegetatie in worden geleid, zodat de transportroute vrij is.
Paraaf opdrachtgever:
Paraaf projectleider:
Paraaf uitvoerder:
3.4
Toedienen mineralen
Bij het toedienen van de mineralen (na het “plaggen”) dient zo min mogelijk gereden te worden buiten de “geplagde” terreindelen. Verder dienen opnieuw de aangewezen transportroutes te worden gebruikt (bijlage 4). Op zonnige ochtenden geldt opnieuw dat de transportroutes én de “geplagde” locaties onderzocht moeten worden op de aanwezigheid van zonnende reptielen, voordat hier gereden wordt (zie paragraaf 3.3).
Paraaf opdrachtgever:
Paraaf projectleider:
Paraaf uitvoerder:
Bijlage 3
Uitvoeringskaart paarse heide 2018
Paarse Heide - Uitvoeringskaart Belevingszone 1 Legenda Gemaaid Geplagd
G 0,27 ha
Voorbeeld plagwerk Uitgevoerd: Augustus-Oktober 2018
F 0,22 ha
0,18 ha
E 0,19 ha
D 0,12 ha
Projectie: Rijksdriehoekstelsel
0,29 ha
B 0,33 ha
A 0,07 ha
Getekend d.d.:
19-10-2018
Projectnr.:
-
Auteur:
Schaal (A3): 0
100
200
400 Meter
Ondergrond:
JT
1:5.000
Ü
Copyright © 2018, Dienst voor het kadaster en openbare registers, Apeldoorn.
Paarse Heide - Uitvoeringskaart Belevingszone 2 Legenda Gemaaid Geplagd Voorbeeld plagwerk Uitgevoerd: Augustus-Oktober 2018
H 0,29 ha
G 0,14 ha
F 0,17 ha
J 0,04 ha
E 0,07 ha
Projectie: Rijksdriehoekstelsel
K 0,09 ha
D 0,17 ha
A 0,32 ha
C 0,17 ha
Getekend d.d.:
19-10-2018
Projectnr.:
-
Auteur:
Schaal (A3): 0
100
200
400 Meter
G 0,27 ha
Ondergrond:
JT
1:5.000
Ü
Copyright © 2018, Dienst voor het kadaster en openbare registers, Apeldoorn.
Paarse Heide - Uitvoeringskaart Belevingszone Schotkamp Legenda Gemaaid Geplagd Voorbeeld plagwerk Uitgevoerd: Augustus-Oktober 2018
Projectie: Rijksdriehoekstelsel
A 0,44 ha
D 0,22 ha D 0,66 ha
C 0,1 ha C 0,58 ha
Getekend d.d.:
19-10-2018
Projectnr.:
-
Auteur:
Schaal (A3): 0
100
200
400 Meter
Ondergrond:
JT
1:5.000
Ü
Copyright © 2018, Dienst voor het kadaster en openbare registers, Apeldoorn.
Bijlage 4
Uitvoeringskaart paarse heide 2019
Paarse Heide - Uitvoeringskaart Belevingszone 3 Legenda Plaggen Uitgevoerd: Plaggen: Augustus - Oktober 2019 Op plagplekken bufferstoffen en mineralen (Dologran 2 ton per ha en Soilfeed 10 ton per ha) toegediend.
3c 0,07 ha 3a 0,81 ha
Projectie: Rijksdriehoekstelsel
3b 0,04 ha
Getekend d.d.:
5-11-2019
Lidnr.:
10162
Auteur:
Schaal (A3): 0
100
200
400 Meter
Ondergrond:
P. van Wijhe 1:5.000
Ü
Copyright © 2019, Dienst voor het kadaster en openbare registers, Apeldoorn.
Paarse Heide - Uitvoeringskaart Belevingszone 4 Legenda Plaggen
Plaggen en branden
4k 0,27 ha
Branden: Voorjaar 2019
Projectie: Rijksdriehoekstelsel
4m 0,8 ha
Uitgevoerd: Plaggen: Augustus - Oktober 2019 Op plagplekken bufferstoffen en mineralen (Dologran 2 ton per ha en Soilfeed 10 ton per ha) toegediend.
4i 0,13 ha 4h 0,15 ha 4g 0,12 ha 4n 0,73 ha
4a 0,14 ha
4e 0,05 ha
4b 0,07 ha
4d 0,12 ha
4c 0,09 ha
Getekend d.d.:
5-11-2019
Lidnr.:
10162
Auteur:
Schaal (A3): 0
100
200
400 Meter
Ondergrond:
P. van Wijhe 1:5.000
Ü
Copyright © 2019, Dienst voor het kadaster en openbare registers, Apeldoorn.
Bijlage 5
Uitvoeringskaart paarse heide 2020
P a a rs eH e id e U itv o e rin g s k a a rt
5 e 0 ,1 3h a
B e le v in g s z o n e5 L e g e n d a
5 d 0 ,4h a
G e p la g de nb e s tro o idm e t
b u ffe rs to ffe ne nm in e ra le n (D o lo g ra n2to np e rh ae n 5 a 0 ,1 7h a
S o ilfe e d1 0to np e rh a )
5 b /c 0 ,5 8h a
G e m a a id
U itg e v o e rd :
S e p te m b e rO k to b e r2 0 2 0
5 f 0 ,4 4h a
5 f 0 ,0 9h a
M a a iw e rk 3 ,0 5h a
0
1 0 0
2 0 0
D a tu m :
4 0 0M e te r
´
2 6 1 0 2 0 2 0
A u te u r:
J.T h ie le m a n s
L id n r.:
1 0 1 6 2
S c h a a l(A 4 ):
1 :7 .5 0 0
O n d e rg ro n d : C o p y rig h t© 2 0 2 0 ,D ie n s tv o o rh e tk a d a s te r e no p e n b a rere g is te rs ,A p e ld o o rn .
P a a rs eH e id e U itv o e rin g s k a a rt
5 f e le v in g s z o n e6 ,0 9h aB 5 f 0 0 ,4 4h a
L e g e n d a
G e p la g de nb e s tro o idm e t
b u ffe rs to ffe ne nm in e ra le n (D o lo g ra n2to np e rh ae n
M a a iw e rk 3 ,0 5h a
S o ilfe e d1 0to np e rh a ) G e m a a id
U itg e v o e rd :
S e p te m b e rO k to b e r2 0 2 0
6 a /b 0 ,3 7h a D a tu m :
0
1 0 0
2 0 0
4 0 0M e te r
´
2 6 1 0 2 0 2 0
A u te u r:
J.T h ie le m a n s
L id n r.:
1 0 1 6 2
S c h a a l(A 4 ):
1 :7 .5 0 0
O n d e rg ro n d : C o p y rig h t© 2 0 2 0 ,D ie n s tv o o rh e tk a d a s te r e no p e n b a rere g is te rs ,A p e ld o o rn .