AP 5d. Bijlagen bij de motivering Bijlage 2 Passende beoordeling
Tekst van het document
Kleine Kolonieweg 162, Elspeet Passende beoordeling - gemeente Nunspeet
COLOFON Gegevens over het plan: Plannaam:
Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
Datum:
6 mei 2026
Projectnummer Buro SRO:
24.90.19
Opdrachtgever:
Gemeente Nunspeet
Gegevens Buro SRO: Projectleider Buro SRO:
Lotte Brouwer
Opsteller van dit rapport:
Tuur Smeets
Bezoekadres vestiging Arnhem:
Sweerts de Landasstraat 50, 6814 DG te Arnhem
Telefoon:
026 - 35 23 125
E-mail:
arnhem@buro-sro.nl
Internet:
www.buro-sro.nl
2
Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1
Inleiding
4
1.1
Doelstelling onderzoek
4
1.2
Projectbeschrijving
5
1.3
Maatgevende Natura 2000-gebied(en)
7
Hoofdstuk 2
Wettelijk kader
8
2.1
Landelijke wet- en regelgeving
8
2.2
Voortoets
8
2.3
Passende beoordeling
9
Hoofdstuk 3
Berekeningssystematiek
12
3.1
Gebruikt rekenmodel
12
3.2
Input rekenmodel
12
Hoofdstuk 4
Resultaten berekening
19
4.1
Referentiesituatie
19
4.2
Gebruiksfase
21
4.3
Aanlegfase
23
Hoofdstuk 5
Conclusies
27
Bijlagen
28 Ecologische voortoets
29
NOX emissie als gevolg van gasverbruik
30
Toelichting uitgangspunten aanlegfase
31
Toelichting verkeersbewegingen
33
AERIUS-berekening gebruiksfase
34
AERIUS-berekening aanlegfase
35
Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
3
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Doelstelling onderzoek
Voor de locatie Kleine Kolonieweg 162 bestaat de wens om de agrarische bedrijfsbebouwing te slopen en om van een bedrijfswoning en een recreatiewoning twee plattelandswoningen te maken. Doel van deze passende beoordeling is toetsing van mogelijke (negatieve) effecten door stikstofemissie op Natura 2000-gebieden, als gevolg van de activiteiten die de wijziging omgevingsplan mogelijk maakt. Een en ander in overeenstemming met Omgevingswet Artikel 5.18 en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) Artikel 11.6 (specifieke zorgplicht). Voor dit project is het aspect stikstof het belangrijkste te toetsen aspect. Ten behoeve van de passende beoordeling, zoals bedoeld in artikel 8.74b van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), is de toekomstige gewenste situatie gemodelleerd op basis van de aangeleverde gegevens door de opdrachtgever, ervaringscijfers en kengetallen. De depositie is op de omliggende Natura 2000-gebieden berekend en getoetst of de activiteiten (mogelijke) significant negatieve effecten veroorzaakt op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. In het onderzoek dat is opgenomen in Bijlage 1 is ingegaan op de effecten van overige aspecten op Natura 2000-gebieden. Hieruit blijkt dat overige aspecten niet zorgen voor significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Voorliggend rapport gaat verder enkel in op het aspect stikstofdepositie.
Deze passende beoordeling kan bij een aanvraag van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit worden ingediend.
4
Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
1.2
Projectbeschrijving
De voorgenomen activiteiten bevinden zich aan de Kleine Kolonieweg te Elspeet. Onderstaande afbeelding toont de locatie (rood omlijnd) in de omgeving.
Afbeelding ligging plangebied (bron kaart: OpenStreetMap)
Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
5
In de huidige situatie bevinden zich drie gebouwen binnen het plangebied: een bedrijfswoning, een veestal en een recreatiewoning. Deze zijn in onderstaande afbeelding omlijnd in blauw, rood en geel, respectievelijk. Middels het plan wordt de veestal gesloopt en worden de bedrijfswoning en recreatiewoning omgezet naar plattelandswoningen. Het perceel, reeds met de functie agrarisch en recreatie, krijgt dan de functie agrarisch met tweemaal de aanduiding plattelandswoning.
Luchtfoto plangebied met bestaande bebouwing (Bron: PDOK)
6
Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
1.3
Maatgevende Natura 2000-gebied(en)
Voor het uitvoeren van de stikstofdepositieberekening moet rekening gehouden worden met Natura 2000-gebieden. AERIUS toetst automatisch aan alle Natura 2000-gebieden in Nederland en aan nabijgelegen buitenlandse Natura 2000-gebieden. Het meest nabijgelegen en maatgevende Natura 2000-gebied voor dit plan is de Veluwe. Dit ligt op een afstand van ca. 25 meter van het plangebied. Op de afbeelding hieronder zijn de locatie van de activiteiten en het betreffende Natura 2000-gebied weergegeven.
Locatie activiteiten in relatie tot het maatgevende Natura 2000-gebied (Bron kaart: Aerius)
Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
7
Hoofdstuk 2 2.1
Wettelijk kader
Landelijke wet- en regelgeving
In het kader van de toets aan de Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) Artikel 11.6 wordt bepaald of een project of plan (mogelijke) significant negatieve effecten veroorzaakt op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden.
2.2
Voortoets
Voor plannen en projecten dient middels een voortoets, eventueel gevolgd door een passende beoordeling, getoetst te worden of de activiteiten mogelijk significant negatieve effecten kunnen hebben op gevoelige habitattypen die gelegen zijn binnen omliggende Natura 2000-gebieden. De significantie van de gevolgen voor een gebied als gevolg van activiteiten wordt afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen en herstelmaatregelen van een Natura 2000-gebied. De instandhoudingsdoelstellingen zijn neergelegd in het aanwijzingsbesluit en zijn uitgewerkt in het beheerplan voor dat gebied. Wanneer activiteiten gevolgen hebben voor het gebied, maar de instandhoudingsdoelstellingen daarvan niet in gevaar brengen, zijn significante gevolgen uitgesloten. De herstelmaatregelen staan in de verordening natuurherstel (deze wet is formeel aangenomen door de Europese Raad op 17 juni 2024) en in art. 1.3 van de Omgevingswet. Bij de voortoets wordt bekeken of de activiteiten die een wijziging omgevingsplan of omgevingsvergunning afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten mogelijk maakt, significante gevolgen kan hebben. In hoeverre stikstofdepositie voor significante gevolgen op Natura 2000-gebieden kan zorgen, wordt in eerste instantie bepaald door te bezien of de activiteiten die het plan of project mogelijk maakt tot een toename van stikstofdepositie leiden.
Hierbij mag geen vergelijking worden gemaakt met het bestaande gebruik (referentiesituatie) binnen het project zelf (intern salderen) en mag niet met het stoppen van een stikstof uitstotende activiteit elders worden gecompenseerd (extern salderen). Uit de voortoets kan blijken dat het plan of project geen toename van stikstofdepositie veroorzaakt. Daarbij gaat het er specifiek om dat er geen toename van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/j optreedt op stikstofgevoelige delen van Natura 2000-gebieden waarvan de Kritische Depositie Waarde (KDW) wordt overschreden of bijna wordt overschreden (achtergrondwaarde 70 mol/ha/j onder de KDW). In dat geval zijn significante gevolgen met zekerheid uit te sluiten en hoeft geen passende beoordeling te worden opgesteld.
8
Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
In het geval uit de voortoets blijkt dat: •
de activiteiten wel kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/j op één of meer in het kader van Natura 2000 beschermde stikstofgevoelige gebieden;
•
van deze stikstofgevoelige gebieden de KDW al wordt overschreden of door de toename van de stikstofdepositie kan worden overschreden;
dan dient een volgende stap gezet te worden. Op dat moment wordt door middel van een ecologische voortoets onderzocht of ecologische significante effecten uitgesloten kunnen worden. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om kleine deposities en/of deposities voor een korte tijd. Mocht dat laatste ook niet het geval zijn dan is een passende beoordeling en in geval van een project een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit noodzakelijk. Bij het opstellen van de voortoets wordt gebruik gemaakt van de meest recente versie van Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator en Handreiking Voortoets Stikstof.
2.3
Passende beoordeling
Wanneer een plan of project significante negatieve gevolgen kan hebben, moet het bestuursorgaan ingevolge de Omgevingswet een passende beoordeling opstellen vóórdat het plan kan worden vastgesteld. Deze passende beoordeling, zoals bedoeld in artikel 8.74b van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), moet de zekerheid geven dat de natuurlijke kenmerken van het betreffende gebied niet worden aangetast. De wijziging omgevingsplan of de omgevingsvergunning zal rekening moeten houden met de in het aanwijzingsbesluit voor het betrokken gebied vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen en de wijze waarop deze zijn uitgewerkt in het voor het gebied vastgestelde beheerplan. Als het bevoegd gezag (in veel gevallen Provinciale Staten) op grond van de passende beoordeling niet de vereiste zekerheid heeft verkregen dat een plan of project de natuurlijke kenmerken niet zal aantasten, kan het plan of project in beginsel niet worden vastgesteld. Dat is alleen anders als er geen alternatieve oplossingen beschikbaar zijn, sprake is van dwingende redenen van openbaar belang en compenserende maatregelen worden getroffen, dan kan een plan of project toch worden vastgesteld.
Salderen In een passende beoordeling mag in de stikstofdepositieberekening een vergelijking worden gemaakt met het bestaande gebruik (referentiesituatie) binnen het project zelf (intern salderen) en mag met het stoppen van een stikstof uitstotende activiteit elders worden gecompenseerd (extern salderen). Om te bepalen wat de referentiesituatie is waarmee intern mag worden gesaldeerd, is het in eerste instantie van belang de referentiedatum te bepalen. Dit betreft de datum van het definitieve aanwijzingsbesluit van het desbetreffende Natura 2000-gebied of diens voorganger Vogelrichtlijngebied of Habitatrichtlijngebied. Vervolgens is het voor de referentiesituatie bepalend welke ruimtelijke procedure gevolgd wordt: is er sprake van een plan of een project? Bij een berekening in het kader van een wijziging omgevingsplan (een plan) is de feitelijke en planologisch legale situatie ten tijde van de vaststelling van de wijziging omgevingsplan de referentiesituatie.
Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
9
In het geval van een vergunningsprocedure (een project) is een geldige natuurvergunning of natuurtoestemming de referentiesituatie. Als er geen natuurvergunning of natuurtoestemming is, is de milieuvergunning of milieumelding, die gold op de referentiedatum bepalend voor de referentiesituatie. Daarbij mag alleen worden uitgegaan van de gevolgen van activiteiten die zijn vergund én feitelijk aanwezig zijn. Als na de referentiedatum een milieutoestemming is verleend, die minder stikstofuitstoot mogelijk maakt dan de vergunning die gold op de referentiedatum, bepaalt dat de referentiesituatie. Is er ook geen milieumelding of milieuvergunning, dan geldt de activiteit die op de referentiedatum was toegestaan en sindsdien onafgebroken aanwezig is geweest als referentiesituatie. Met de passende beoordeling kan, in het geval van een project, een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit worden aangevraagd. Beleid Provincie Gelderland De Provincie Gelderland heeft in juli 2025 de ‘Beleidsregels salderen in Gelderland’ vastgesteld. Hierin is bepaald dat de referentiesituatie alleen mag worden ingezet ten behoeve van intern salderen als de ruimte in de referentiesituatie niet structureel buiten gebruik is ten tijde van het indienen van de aanvraag.
Een uitzondering hierop is een situatie waarin drie jaar na het verkrijgen van de laatst geldende natuurvergunning het project nog niet volledig is gerealiseerd, maar wel aantoonbaar stappen zijn gezet met het oog op volledige realisatie; of weliswaar nog niet is aangevangen met de realisatie van het project, maar daarvoor wel al aantoonbaar onomkeerbare significante investeringsverplichtingen zijn aangegaan. In het algemeen kan de referentiesituatie voor 100% worden ingezet ten behoeve van intern salderen. Echter, als de stikstofdepositie plaatsvindt op habitattypen die in de natuurdoelanalyse van het betreffende gebied een ‘Nee, tenzij’-oordeel hebben gekregen, mag alleen intern worden gesaldeerd als: a. maximaal 65% van de referentiesituatie zonder de ruimte die structureel buiten gebruik is, wordt ingezet voor het nieuwe project. Dit betekent dat er met een afroomfactor van 0,35 gerekend moet worden; of b. een reductie plaatsvindt van 4.000 kg van de stikstofemissie ten opzichte van de referentiesituatie zonder de ruimte die structureel buiten gebruik is; of c.
het een project betreft met een tijdelijke emissie (maximaal 2 jaar) waarbij de activiteit waarmee intern gesaldeerd wordt permanent wordt gestaakt ten behoeve van het nieuwe project; of
d. een nieuwe natuurvergunning noodzakelijk is voor de continuering van de huidige uitvoering van de activiteit; of e. een activiteit noodzakelijk is voor het behalen van de doelstellingen van een Natura 2000-gebied. Daarnaast heeft de provincie het voorbereidingsbesluit ‘Voorbeschermingsregels beperkingengebied stikstofemissie Gelderland‘ genomen, waarin een beperkingengebied stikstofemissie van 500 m is aangewezen rondom de Veluwe, landgoederen Brummen en Willinks Weust en Bekendelle bij
10
Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
Winterswijk. Binnen deze zone mogen geen nieuwe activiteiten worden verricht of bestaande activiteiten worden uitgebreid met een stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/j op stikstofgevoelige natuur binnen Natura 2000-gebied. Er zijn uitzonderingen. In de volgende situaties mag het verrichten of uitbreiden van deze activiteiten wel, waarbij er een melding aan de provincie moet worden gedaan: a. de activiteit plaatsvindt in het kader van het beheer, de bescherming, het behoud of het herstel van de biodiversiteit of de natuur binnen het beperkingengebied stikstofemissie; b. de activiteit plaatsvindt in het kader van een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel als bedoeld in artikel 4.26 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; c.
de activiteit plaatsvindt in het kader van de volgende regelingen: de landelijke beëindigings-regeling veehouderijlocaties, de landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting, de maatregel gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties of de landelijke beëindigingsregeling veehouderij;
d. de activiteit tenminste 70% stikstofreductie realiseert ten opzichte van het referentiejaar 2018. Dit betekent dat slechts 30% van de referentiesituatie ingezet wordt en dat een afroomfactor van 0,7 gehanteerd wordt; of e. het gaat om een activiteit die alleen tijdelijk, gedurende maximaal achttien maanden, stikstofdepositie veroorzaakt op de stikstofgevoelige natuur binnen één of meer van de aangegeven Natura 2000-gebieden.
Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
11
Hoofdstuk 3 3.1
Berekeningssystematiek
Gebruikt rekenmodel
In deze passende beoordeling is gerekend met de AERIUS Calculator. De rekenkern van AERIUS wordt gevormd door het Operationeel Prioritaire Stoffen model (OPS) van het RIVM. Dit model berekent de verspreiding van stikstof door de lucht en de depositie. OPS houdt daarbij rekening met verschillende factoren die de verspreiding en depositie van stikstof beïnvloeden, bijvoorbeeld de windrichting en -kracht, de ruwheid van het terrein en de hoogte van de vegetatie. Voor wegverkeer wordt gebruikt gemaakt van Standaard Rekenmethode 2 (SRM2). Daarmee sluit AERIUS aan op de modellering CIMLK die wordt gebruikt in het kader van het Nationaal Samenwerkingsverband Luchtkwaliteit.
3.2
Input rekenmodel
Belangrijk voor elk rekenmodel is de kwaliteit van de input. In deze paragraaf worden voor elk onderdeel de bijbehorende uitgangspunten beschreven en onderbouwd. 3.2.1
Referentiesituatie
Voor het berekenen van de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling op de beschermde natuurgebieden is het noodzakelijk de referentiesituatie te modelleren. Omdat sprake is van een plan is de feitelijke en planologisch legale situatie ten tijde van de vaststelling van het nieuwe plan de referentiesituatie. De functie van het plangebied is gebaseerd op de opgave van de initiatiefnemer en gecontroleerd met behulp van luchtfoto’s en indien van toepassing de aanwezige vergunningen. Waar geen uitstootgegevens beschikbaar waren is aansluiting gezocht bij de input die ook gebruikt is voor het rekenmodel AERIUS. In het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2023’ kent het plangebied de functie intensieve veehouderij. Daarnaast bevinden zich voor de veestal een bedrijfswoning (Kleine Kolonieweg 162) en achter de veestal een recreatiewoning (Kleine Kolonieweg 162a). Verkeersbewegingen Het is van belang te kijken naar het aantal verkeersbewegingen in de referentiesituatie. Voor het bepalen van de verkeersbewegingen zijn de kencijfers van het CROW gebruikt. Voor de bedrijfswoning is uitgegaan van 8,6 verkeersbewegingen van licht verkeer per dag. Dit is het maximale kengetal voor vrijstaande woningen in het buitengebied. Voor de recreatiewoning is uitgegaan van 2,8 verkeersbewegingen van licht verkeer per dag. Dit is het maximale kengetal voor bungalows in het buitengebied.
12
Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
Verkeersbewegingen ten behoeve van veehouderij zijn buiten beschouwing gelaten. Het aantal verkeersbewegingen van licht verkeer in de referentiesituatie zal dus circa 11,4 zal bedragen. Daarnaast is uitgegaan van 0,2 verkeersbewegingen van middelzwaar verkeer, representatief voor een vuilniswagen die eenmaal per week langskomt. Zie Bijlage 4 voor een toelichting op de definities van licht, middelzwaar en zwaar verkeer. Verkeersbewegingen worden in AERIUS als lijnbronnen weergegeven. Deze lijnbronnen worden ingetekend van de woningen tot het punt waar de verkeersbewegingen opgaan in het algemene verkeersbeeld van een doorgaande weg. Aangezien aan deze weg meerdere woningen liggen is het verkeer opgegaan in het algemene verkeersbeeld op de Kleine Kolonieweg vanaf het punt waar het verkeer op snelheid is gekomen. Voor de lengte van de segmenten op de weg waar het verkeer opgaat in het algemene verkeersbeeld wordt gebruik gemaakt van de volgende vuistregel die door meerdere provincies wordt gehanteerd: •
Binnen de bebouwde kom: 50 meter voor licht verkeer en 150 m voor (middel)zwaar vrachtverkeer.
•
Buiten de bebouwde kom: 80 meter voor licht verkeer en 250 m voor (middel)zwaar vrachtverkeer.
Koude start Vanaf de projectlocatie vertrekkend verkeer heeft als extra emissiebron de “koude start”. Indien een voertuig 2 uur of langer stil heeft gestaan en vervolgens gestart wordt, is er sprake van emissies door koude start. De koude start wordt in de AERIUS Calculator ingevoerd als aparte bron. Er wordt op basis van de Handreiking koude start 1 van uitgegaan dat 85% van het vertrekkend licht verkeer een koude start maakt. De overige 15% van de lichte voertuigen staat niet langer dan 2 uur stil in het projectgebied en maakt daarmee geen koude start. Hieronder vallen bijvoorbeeld pakketbezorgers, maar ook zullen bewoners of bezoekers soms na aankomst weer snel vertrekken. Vuilniswagens zullen niet lang stilstaan. Om deze reden is geen koude start van middelzwaar verkeer gemodelleerd. Het aantal voertuigen per etmaal dat een koude start maakte in de referentiesituatie is:
1 Expertiseteam Stikstof en Natura 2000 (2024), Handreiking koude Start
Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
13
Aantal voertuigen per etmaal
Voertuig categorie
4,9
Licht verkeer
0
Middelzwaar verkeer
0
Zwaar verkeer
Aantal voertuigen per etmaal dat koude start maakt.
De gemodelleerde verspreiding van het verkeer in de referentiesituatie is weergegeven in paragraaf 4.1. Gasverbruik woningen De bestaande woningen gebruiken gas voor o.a. de verwarming. Om de stikstofuitstoot van de woningen te bepalen is gebruik gemaakt van de rekenmethode zoals omschreven in Bijlage 2. Het jaarlijkse gasverbruik van de bedrijfswoning (Kleine Kolonieweg 162) is opgegeven door de opdrachtgever. Voor de recreatiewoning (Kleine Kolonieweg 162a) is, gezien de kleinere omvang en de beperkte bezetting, aangenomen dat het gasverbruik de helft van die van de bedrijfswoning bedraagt. Dierhuisvesting Op het bedrijf worden witvleeskalveren gehouden. In de stal zijn hier 192 plaatsen voor. Er is geen sprake van emissiereducerende systemen. De dierhuisvesting in AERIUS is daarom geclassificeerd als HA3.100. Afroomfactor Uit berekeningen voor het toekomstig gebruik en de aanlegfase blijkt dat er sprake is van een bijdrage aan stikstofdepositie groter dan 0,00 op habitattypen die in de natuurdoelanalyse van het Natura 2000-gebied een ‘Nee, tenzij’-oordeel hebben gekregen. Op basis van de Beleidsregels salderen in Gelderland is daarom in de referentiesituatie rekening gehouden met een afroomfactor van 0,35. 3.2.2
Toekomstig gebruik
Verkeersbewegingen Met betrekking tot het beoogde plan is het van belang te kijken naar de verwachte toename van het aantal verkeersbewegingen. Het plan maakt 2 vrijstaande woningen mogelijk. Voor het bepalen van de extra verkeersbewegingen is uitgegaan van 8,6 verkeersbewegingen van licht verkeer per woning per dag. Dit is het maximale kengetal dat CROW geeft voor vrijstaande woningen in het buitengebied. Dit betekent dat het aantal verkeersbewegingen van licht verkeer in de toekomstige situatie circa 17,2 per etmaal zal bedragen waarvan de helft aankomend en de andere helft vertrekkend verkeer is.
14
Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
Daarnaast is uitgegaan van 0,2 verkeersbewegingen van middelzwaar verkeer, representatief voor een vuilniswagen die eenmaal per week langskomt. Zie Bijlage 4 voor een toelichting op de definities van licht, middelzwaar en zwaar verkeer. Verkeersbewegingen worden in AERIUS als lijnbronnen weergegeven. Deze lijnbronnen worden ingetekend van de woningen tot het punt waar de verkeersbewegingen opgaan in het algemene verkeersbeeld. Aangezien aan deze weg meerdere woningen liggen is het verkeer opgegaan in het algemene verkeersbeeld op de Kleine Kolonieweg vanaf het punt waar het verkeer op snelheid is gekomen. Voor de lengte van de segmenten op de weg waar het verkeer opgaat in het algemene verkeersbeeld wordt gebruik gemaakt van de volgende vuistregel die door meerdere provincies wordt gehanteerd: •
Binnen de bebouwde kom: 50 meter voor licht verkeer en 150 m (middel)zwaar voor vrachtverkeer.
•
Buiten de bebouwde kom: 80 meter voor licht verkeer en 250 m voor (middel)zwaar vrachtverkeer.
Koude start Vanaf de projectlocatie vertrekkend verkeer heeft als extra emissiebron de “koude start”. Indien een voertuig 2 uur of langer stil heeft gestaan en vervolgens gestart wordt, is er sprake van emissies door koude start. De koude start wordt in de AERIUS Calculator ingevoerd als aparte bron. Er wordt op basis van de Handreiking koude start 2 van uitgegaan dat 85% van het vertrekkend licht verkeer een koude start maakt. De overige 15% van de lichte voertuigen staat niet langer dan 2 uur stil op de locatie en maakt daarmee geen koude start. Hieronder vallen bijvoorbeeld pakketbezorgers, maar ook zullen bewoners soms na aankomst weer snel vertrekken. Vuilniswagens zullen niet lang stilstaan. Om deze reden is geen koude start van middelzwaar verkeer gemodelleerd. Het aantal voertuigen per etmaal dat een koude start maakt bij het toekomstig gebruik is: Aantal voertuigen per etmaal
Voertuig categorie
7,4
Licht verkeer
0
Middelzwaar verkeer
0
Zwaar verkeer
Aantal voertuigen per etmaal dat koude start maakt.
2 Expertiseteam Stikstof en Natura 2000 (2024), Handreiking koude Start
Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
15
De gemodelleerde verspreiding van het verkeer tijdens het toekomstig gebruik is weergegeven in paragraaf 4.2. Gasverbruik woningen De woningen zullen gas blijven gebruiken voor o.a. de verwarming. Om de stikstofuitstoot van de woningen te bepalen is gebruik gemaakt van de rekenmethode zoals omschreven in Bijlage 2. Het jaarlijkse gasverbruik van de bestaande bedrijfswoning (Kleine Kolonieweg 162) is opgegeven door de opdrachtgever. Voor de andere woning (Kleine Kolonieweg 162a) is aangenomen dat het gasverbruik gelijk is hieraan. 3.2.3
Aanlegfase
Naast het toekomstig gebruik is ook de stikstofuitstoot tijdens de aanlegfase van het plan of project van belang. Bij de sloop van de agrarische bedrijfsbebouwing zijn gedurende korte tijd werktuigen en machines van de bouwer in het plangebied aanwezig. Ook de verkeersbewegingen van de werklieden van en naar de bouwplaats geven een korte toename van stikstof emissie. Van een deel van de machines (handgereedschap, snelbouwkranen, liften) wordt ervan uitgegaan dat deze elektrisch zijn en dus geen stikstofuitstoot veroorzaken. Voor de daadwerkelijke sloop is nog geen bestek gemaakt. Daarom is er op basis van vergelijkbare projecten en ervaringen elders een zo goed mogelijke raming gemaakt van de activiteiten die zorgen voor stikstofuitstoot tijdens de aanlegfase. In deze berekening is ervan uitgegaan dat de sloop maximaal 1 jaar duurt. Tevens kunnen tijdens de sloop de twee woningen bewoond blijven/worden. Om deze reden zijn alle emissiebronnen als gevolg van het toekomstig gebruik (zoals omschreven in paragraaf 3.2.2) ook van toepassing in de aanlegfase Verkeersbewegingen Tijdens de aanlegfase zal er sprake zijn van verkeersbewegingen door de werklieden. Bij de gemaakte inschatting van het aantal verkeersbewegingen van licht verkeer is er rekening mee gehouden dat werklieden met werkbusjes arriveren, waarbij er meerdere werklieden in één werkbus zitten.
Daarnaast zorgen de aan- en afvoer van materiaal en de mobiele werktuigen voor verkeersbewegingen door middelzwaar en zwaar vrachtverkeer. De schatting van de verkeersbewegingen voor de verschillende onderdelen van de aanlegfase is te zien in volgende tabel.
16
Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
Werkzaamheden
Aantal verkeersbewegingen per jaar Licht verkeer
Middelzwaar ver-
Zwaar verkeer
keer Sloop agrarische bedrijfsbebou-
40
0
60
wing Tabel: verkeersbewegingen
Zie Bijlage 4 voor een toelichting op de definities van licht, middelzwaar en zwaar verkeer. Verkeersbewegingen worden in AERIUS als lijnbronnen weergegeven. Deze lijnbronnen worden ingetekend van de locatie van de werkzaamheden tot het punt waar de verkeersbewegingen opgaan in het algemene verkeersbeeld. Aangenomen is dat het werkverkeer via de Uddelerweg (N310) zal rijden. Hier is ook het verkeer opgegaan in het algemene verkeersbeeld vanaf het punt waar het verkeer op snelheid is gekomen.Voor de lengte van de segmenten op de weg waar het verkeer opgaat in het algemene verkeersbeeld wordt gebruik gemaakt van de volgende vuistregel die door meerdere provincies wordt gehanteerd: •
Binnen de bebouwde kom: 50 meter voor licht verkeer en 150 m voor (middel)zwaar vrachtverkeer.
•
Buiten de bebouwde kom: 80 meter voor licht verkeer en 250 m voor (middel)zwaar vrachtverkeer.
Koude start Vanaf het plangebied vertrekkend verkeer heeft als extra emissiebron de “koude start”. Indien een voertuig 2 uur of langer stil heeft gestaan en vervolgens gestart wordt, is er sprake van emissies door koude start. De koude start wordt in de AERIUS Calculator ingevoerd als aparte bron. Voor licht verkeer wordt ervan uitgegaan dat 80% van het vertrekkend verkeer een koude start maakt. De meeste werklieden zijn langer dan 2 uur achter elkaar op de bouwplaats aanwezig. De overige 20% van de lichte voertuigen is niet langer dan 2 uur op de werkplaats en maakt daarmee geen koude start. Dit zijn bijvoorbeeld opzichters. Voor middelzwaar en zwaar verkeer wordt ervan uitgegaan dat 20% van het vertrekkend verkeer een koude start maakt. Hieronder vallen vrachtwagens die langer dan 2 uur op de werkplaats stil staan. De overige 80% van de middelzware en zware voertuigen is niet langer dan 2 uur op de werkplaats. Dit zijn voornamelijk vrachtwagens die binnen 2 uur laden en lossen. Voor mobiele werktuigen is conform de Handleiding koude start3 geen koude start gemodelleerd.
3 Expertiseteam Stikstof en Natura 2000 (2024), Handreiking koude Start
Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
17
Het aantal voertuigen per jaar dat een koude start maakt in de aanlegfase is: Aantal voertuigen per jaar
Voertuig categorie
16
Licht verkeer
0
Middelzwaar verkeer
6
Zwaar verkeer
Aantal voertuigen per jaar dat koude start maakt.
Zie Bijlage 4 voor een toelichting op de definities van licht, middelzwaar en zwaar verkeer. Mobiele werktuigen Er zijn mobiele werktuigen nodig voor de sloop van de agrarische bedrijfsbebouwing. Voor het invoeren van de mobiele werktuigen worden bepaalde uitgangspunten gehanteerd ten aanzien van de STAGE klasse, het vermogen en aantal draaiuren. In Bijlage 3 is aangegeven hoe de emissie NOX en NH3 van mobiele werktuigen is bepaald. Navolgende tabel toont de inschatting van de inzet van werktuigen en de bijbehorende uitstoot NOX en NH3. De draaiuren betreft het totaal van belaste en stationaire draaiuren.
Inzet werktuigen sloop agrarische bedrijfsbebouwing Duur aanlegfase (jaren): 1 Werktuig
Aantal Vermogen uur to[kW] taal
Stage klasse
Aantal uur per jaar
Uitstoot NOx [kg/jr]
Uitstoot NH3 [kg/jr]
Graafmachine
IV
100
40
40
1,36
0,08
Verreiker
IV
70
18
18
0,43
0,03
Totaal
1,79
0,11
De uitstoot van de mobiele werktuigen wordt in AERIUS als een vlakbron ingetekend, op de locatie van de werkzaamheden. De overige machines zoals vrachtwagens voor de aan- en afvoer van materieel vallen onder de verkeersbewegingen. Het stationair draaien van vrachtwagens tijdens het laden en lossen is als aparte bron gemodelleerd. Voor verdere toelichting op stationair draaien zie Bijlage 3. De gemodelleerde verspreiding van het verkeer tijdens de aanlegfase is weergegeven in paragraaf 4.3.
18
Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
Hoofdstuk 4 4.1
Resultaten berekening
Referentiesituatie
Op navolgende uitsneden zijn de bronnen weergegeven die van invloed zijn op de stikstofdepositie in de referentiesituatie. Bron 1 betreft de dierhuisvesting. Bron 2 en 3 betreffen de gasverwarming van respectievelijk Kleine Kolonieweg 162 en 162a. Bron 4 en 5 betreffen de koude start van respectievelijk Kleine Kolonieweg 162 en 162a. Bron 6 t/m 12 betreffen de verkeersbewegingen.
Afbeelding ingevoerde bronnen AERIUS referentiesituatie
Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
19
11
12 10
9
7 8 6
Afbeelding ingevoerde bronnen AERIUS referentiesituatie
In onderstaande tabel staat per bron het aantal verkeersbewegingen. Bron
Richting/route
Aantal verkeersbewegingen per dag Licht
6
Vanaf Kleine Kolonieweg 162a naar
Middelzwaar
Zwaar
2,8
0
0
5,7
0,2
0
8,6
0
0
5,7
0,2
0
5,7
0,2
0
0
0,2
0
0
0,2
0
Kleine Kolonieweg 7
Kleine Kolonieweg tussen Kleine Kolonieweg 162 en 162a
8
Vanaf Kleine Kolonieweg 162 naar Kleine Kolonieweg
9
Kleine Kolonieweg richting oost (80 m)
10
Kleine Kolonieweg richting west (80 m)
11
Kleine Kolonieweg richting oost (80250 m)
12
Kleine Kolonieweg richting west (80250 m)
Tabel verkeersbewegingen referentiesituatie
20
Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
Totale emissie referentiesituatie Uit de berekening volgt dat in de referentiesituatie de uitstoot van NO X 2,1 kg/j bedraagt en de uitstoot van NH3 672,1 kg/j.
4.2
Gebruiksfase
Op navolgende uitsnede zijn de bronnen weergegeven die van invloed zijn op de stikstofdepositie van het initiatief tijdens de gebruiksfase. Bron 1 en 2 betreffen de gasverwarming van respectievelijk Kleine Kolonieweg 162 en 162a. Bron 3 en 4 betreffen de koude start van respectievelijk Kleine Kolonieweg 162 en 162a. Bron 5 t/m 11 betreffen de verkeersgegevens. In het model is de beoogde situatie in de gebruiksfase ingevoerd. De volledige AERIUS-berekening van de gebruiksfase is opgenomen in Bijlage 5.
Afbeelding ingevoerde bronnen AERIUS gebruiksfase
Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
21
11 10
9
8
6 7 5
Afbeelding ingevoerde bronnen AERIUS gebruiksfase
22
Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
In onderstaande tabel staat per bron het aantal verkeersbewegingen. Bron
Richting/route
Aantal verkeersbewegingen per dag Licht
5
Vanaf Kleine Kolonieweg 162a naar
Middelzwaar
Zwaar
8,6
0
0
8,6
0,2
0
8,6
0
0
8,6
0,2
0
8,6
0,2
0
0
0,2
0
0
0,2
0
Kleine Kolonieweg 6
Kleine Kolonieweg tussen Kleine Kolonieweg 162 en 162a
7
Vanaf Kleine Kolonieweg 162 naar Kleine Kolonieweg
8
Kleine Kolonieweg richting oost (80 m)
9
Kleine Kolonieweg richting west (80 m)
10
Kleine Kolonieweg richting west (80250 m)
11
Kleine Kolonieweg richting oost (80250 m)
Tabel verkeersbewegingen gebruiksfase
Totale emissie gebruiksfase Uit de berekening volgt dat als gevolg van het toekomstig gebruik de uitstoot van NOX 2,9 kg/j bedraagt en de uitstoot van NH3 0,1 kg/j. Stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden De uitstoot van NOX als gevolg van het toekomstig gebruik zorgt ten opzichte van de referentiesituatie (rekening houdend met een afroomfactor van 0,35) niet voor een bijdrage hoger dan 0,00 mol/ha/j op (bijna) overbelaste hexagonen van Natura 2000-gebieden.
4.3
Aanlegfase
Op navolgende uitsnede zijn de bronnen weergegeven die van invloed zijn op de stikstofdepositie van het initiatief tijdens de aanlegfase. Bron 1 en 2 betreffen de gasverwarming van respectievelijk Kleine Kolonieweg 162 en 162a. Bron 3 en 4 betreffen de koude start van respectievelijk Kleine Kolonieweg 162 en 162a. Bron 6 t/m 10 en 14 en 15 betreffen de verkeersbewegingen ten behoeve van de woningen. Bron 5 betreft de sloop van de agrarische bedrijfsbebouwing, bron 11 het stationair draaien en bron 12 de koude start ten behoeve van de sloop. Bron 13, 16 en 17 betreffen de verkeersbewegingen ten behoeve van de sloop. In het model is de beoogde situatie in de aanlegfase ingevoerd. De volledige AERIUS-berekening van de aanlegfase is opgenomen in Bijlage 6.
Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
23
Afbeelding ingevoerde bronnen AERIUS aanlegfase
15
14 10
9
7 6
8
Afbeelding ingevoerde bronnen AERIUS aanlegfase
24
Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
16
13
17
Afbeelding ingevoerde bronnen AERIUS aanlegfase
In onderstaande tabel staat per bron het aantal verkeersbewegingen ten behoeve van de woningen. Bron
Richting/route
Aantal verkeersbewegingen per dag Licht
6
Vanaf Kleine Kolonieweg 162a naar
Middelzwaar
Zwaar
8,6
0
0
8,6
0,2
0
8,6
0
0
8,6
0,2
0
8,6
0,2
0
0
0,2
0
0
0,2
0
Kleine Kolonieweg 7
Kleine Kolonieweg tussen Kleine Kolonieweg 162 en 162a
8
Vanaf Kleine Kolonieweg 162 naar Kleine Kolonieweg
9
Kleine Kolonieweg richting oost (80 m)
10
Kleine Kolonieweg richting west (80 m)
14
Kleine Kolonieweg richting west (80250 m)
15
Kleine Kolonieweg richting oost (80250 m)
Tabel verkeersbewegingen aanlegfase
Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
25
In onderstaande tabel staat per bron het aantal verkeersbewegingen ten behoeve van de sloop. Bron
Richting/route
Aantal verkeersbewegingen per jaar Licht
Middelzwaar
Zwaar
13
Vanaf plangebied naar Uddelerweg
40
0
60
16
Uddelerweg richting noord
20
0
30
17
Uddelerweg richting zuid
20
0
30
Tabel verkeersbewegingen aanlegfase
Totale emissie aanlegfase Uit de berekening volgt dat in de aanlegfase de uitstoot van NOX 5,6 kg/j bedraagt en de uitstoot van NH3 0,3 kg/j. Stikstofdepositie de Natura 2000-gebieden De uitstoot van NOX in de aanlegfase zorgt ten opzichte van de referentiesituatie (rekening houdend met een afroomfactor van 0,35) niet voor een bijdrage hoger dan 0,00 mol/ha/j op (bijna) overbelaste hexagonen van Natura 2000-gebieden.
26
Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
Hoofdstuk 5
Conclusies
Deze passende beoordeling is uitgevoerd om te bepalen of significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden uitgesloten kunnen worden, in het kader van een wijziging van het omgevingsplan. Het plan voorziet in de sloop van agrarische bedrijfsbebouwing en maakt in plaats van een bestaande bedrijfswoning en recreatiewoning twee plattelandswoningen mogelijk. Eindconclusie Als gevolg van de ontwikkelingen in het plangebied waarvoor de berekeningen zijn uitgevoerd is er ten opzichte van de referentiesituatie (rekening houdend met een afroomfactor van 0,35) in zowel de gebruiksfase als de aanlegfase geen sprake van een bijdrage van stikstofdepositie op (bijna) overbelaste hexagonen van de Natura 2000-gebieden groter dan 0,00 mol/ha/j. Ook zijn er naast effecten vanwege stikstofdepositie geen overige effecten op Natura 2000-gebieden. Er is dus geen sprake van mogelijke negatieve gevolgen op beschermde Natura 2000-gebieden zoals bedoeld in het Bal, Artikel 11.6, specifieke zorgplicht, onder 2). De natuurlijke kenmerken van het gebied worden niet aangetast. Aangezien significant negatieve effecten zijn uitgesloten, staat de Natura 2000-toets het vaststellen van het plan niet in de weg. Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning dienen de activiteiten opnieuw getoetst te worden.
Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
27
Bijlagen
28
Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
Ecologische voortoets
Kleine Kolonieweg 162, Elspeet
29
Ecologische Voortoets Quickscan Natuur Kleine Kolonieweg 162 te Elspeet Aanvullend onderzoek gebiedsbescherming in het kader van de Omgevingswet
Colofon
Status:
Definitief
Project:
2025-1848
Datum:
9 december 2025
Samensteller:
S. Gielen Ad.
Collegiale toets:
ir. T.W.D. Schrader
Opdrachtgever:
Buro SRO Oost B.V.
Contactpersoon:
L. Brouwer
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud 1 Inleiding
5
1.1
Planlocatie
6
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep
6
1.3
Juridisch kader
6
2 Gebiedsinformatie
7
2.1
Gebiedsbescherming
7
2.2
Gebiedsinformatie
7
2.3
Effectenindicator
8
2.4
Storingsfactoren
9
3 Beoordeling storingsfactoren
10
3.1
Verontreiniging
10
3.2
Verdroging
11
3.3
Verstoring door geluid
12
3.4
Verstoring door licht
13
3.5
Verstoring door trilling
14
3.6
Optische verstoring
15
3.7
Verstoring door mechanische effecten
16
4 Conclusie
17
4.1
Samenvatting
17
4.2
Conclusie
17
4
1 Inleiding Aan de Kleine Kolonieweg 162 te Elspeet is een boerenerf met bedrijfswoning, recreatiewoning en voormalige agrarische bedrijfsbebouwing gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens om de bedrijfswoning voor op het perceel en de recreatiewoning achter op het perceel om te zetten naar plattelandswoning. Op de planlocatie blijven de bestaande bedrijfswoning en de recreatiewoning behouden. Alle voormalige agrarische bedrijfsbebouwing, tussen de twee woningen, worden gesloopt. Beide woningen krijgen de functie ‘woning’, waarmee de agrarische functie op het perceel komt te vervallen. Voor de beoogde ruimtelijke ingreep is reeds een quickscan Natuur uitgevoerd. Ten aanzien van externe (verstorende) effecten op het naastgelegen Natura 2000-gebied dient een Ecologische Voortoets te worden opgesteld om te bepalen of er sprake is van een Natura 2000-activiteit. Hiervoor dienen de effecten op instandhoudingsdoelstellingen beoordeeld te worden. Ten aanzien van mogelijke effecten ten gevolge van stikstofdepositie, is een separate berekening met de AERIUS-calculator opgesteld om deze mogelijke effecten inzichtelijk te maken. Buro SRO Oost B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht deze Ecologische Voortoets op te stellen om mogelijke effecten van de beoogde ruimtelijke ingreep op het nabijgelegen Natura 2000-gebied in kaart te brengen.
Voorliggend document voorziet in deze Ecologische Voortoets. Onderzoeksdoelen • Is de voorgenomen ruimtelijke ingreep een Natura 2000-activiteit? • Resulteert de voorgenomen ruimtelijke ingreep in een significante verslechtering van de kwaliteit van natuurlijke habitats of de habitats van soorten in het Natura 2000-gebied? • Resulteren de voorgenomen werkzaamheden in een significante verstorend effect op de soorten waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen? • Dienen er vervolgstappen in het kader van Natura 2000 te worden genomen, en zo ja, welke?
Figuur 1.1
Het plangebied is gelegen te Kleine Kolonieweg 162 te Elspeet.
5
1.1
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Kleine Kolonieweg 162 te Elspeet (figuur 1.2). De bedrijfswoning en recreatiewoning zijn opgetrokken uit bakstenen muren met een open luchtspouw, zadeldak en kantpannen. Verder hebben de gebouwen een overstek. De voormalige agrarische bedrijfsbebouwing is opgetrokken uit bakstenen muren met een open luchtspouw, een golfplaten dak zonder dakbeschot en een overstek. In de quickscan Natuur (Quickscanbron) is een uitgebreide impressie opgenomen van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Kleine Kolonieweg 162 te Elspeet.
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep Op de planlocatie blijven de bestaande bedrijfswoning en de recreatiewoning behouden. Alle voormalige agrarische bedrijfsbebouwing, tussen de twee woningen, worden gesloopt. Beide woningen krijgen de status ‘woning’, waarmee de agrarische functie op het perceel komt te vervallen. Het vigerende plan voorziet niet in deze beoogde ruimtelijke ingreep, waardoor een planwijziging benodigd is. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • slopen van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
1.3
Juridisch kader In de voorliggende rapportage worden de (eventuele) effecten op het Natura 2000-gebied nader uitgewerkt. De planlocatie is geen onderdeel van het Natura 2000-gebied. Het juridisch kader van plannen, projecten en andere handelingen wordt in bijlage 1 uiteengezet. 6
2 Gebiedsinformatie 2.1
Gebiedsbescherming De planlocatie is gelegen op een afstand van 30 m afstand van het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’. Op basis van objectieve gegevens wordt beoordeeld of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’.
Figuur 2.1 De planlocatie ligt op een afstand van 30 m afstand van het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’.
2.2 Gebiedsinformatie Het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ bestaat overwegend uit droge bossen, droge en natte heide, vennen en stuifzanden. In de voorlaatste ijstijd duwden de ijslobben van het landijs enorme hoeveelheden door de rivieren aangevoerd zand en grond voor zich uit en opzij en vormden zo de stuwwallen. Hoewel de hoogteverschillen sindsdien door wind en water zijn afgevlakt, reiken de hoogste delen van de Veluwe tot ruim 100 m boven NAP. Tot 1900 was de Noord-Veluwe één uitgestrekt stuifzandgebied. Tegenwoordig is er in totaal nog 1400 hectare stuifzand op de Veluwe. Bij Kootwijk is één van de grootste actieve stuifzandgebieden van Europa. Plaatselijk komen in de heiden natte (o.a. Leemputten bij Staverden) of droge (o.a. Harskamp) heischrale graslanden, jeneverbesstruwelen, vennen, natte heide en hoogveenkernen (Mosterdveen) voor. In het beekdal van de Hierdense en Staverdense Beek worden schraallanden aangetroffen. Langs de randen van de Veluwe ontspringen de (sprengen)beken, waar beekvegetaties en zeer plaatselijk bronbossen voorkomen (Natura2000, 2025). De planlocatie ligt te midden van het noordelijke gedeelte van de Veluwe. Het nabijgelegen habitat betreft bos van arme zandgronden en eiken- en beukenbos van lemige zandgronden.
7
2.3 Effectenindicator Het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ betreft een groot gebied en kent een diversiteit aan doelstellingen. De doelstellingen betreffen enkele habitattypen, zoals diverse typen heidebegroeiingen, beuken- en eikenbossen, droge graslanden en veen- en moerasvegetaties. Bijbehorende doelsoorten zijn allen afhankelijk van voorgenoemde habitattypen, zoals bossen (vliegend hert en broedvogels als draaihals en zwarte specht), heidegebieden (bijvoorbeeld nachtzwaluw, boomleeuwerik, duinpieper en grauwe klauwier) en nat habitat (gevlekte witsnuitlibel, beekprik, kamsalamander, drijvende waterweegbree en ijsvogel). Een overzicht van alle habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en broedvogels welke doelstellingen zijn van het gebied ‘Veluwe’, is te raadplegen op natura2000.nl. In het verleden kon de Effectindicator (Synbiosys Alterra, 2022) worden gebruikt om een overzicht te genereren van mogelijke effecten op het betreffende Natura 2000-gebied. Deze indicator is niet meer te raadplegen. Derhalve worden alle mogelijk optredende effecten getoetst aan de doelstellingen van het Natura 2000-gebied. Ter indicatie van de mogelijke effecten is in figuur 2.2 een niet actuele weergave van de Effectenindicator opgenomen, waarbij mogelijke effecten van de ontwikkeling ‘woningbouw’ (vanwege de beoogde ontwikkeling van bouwwerkzaamheden) zijn gegenereerd voor het gebied ‘Veluwe’.
Activiteit wonen Om de beoogde ontwikkelingen het beste te kunnen categoriseren is in de ‘effectenindicator soorten’ het effect van de activiteit ‘wonen’ gegenereerd. De ontwikkelingen kunnen leiden tot verschillende tijdelijke en/of permanente effecten. Aangezien de effectenindicator niet volledig actueel is, zijn hier ook de overige doelstellingen van het natuurgebied mee vergeleken. De storingsfactor ‘vermesting door N-depositie uit de lucht’ wordt beoordeeld in een separate rapportage.
Figuur 2.2 Effectenindicator van de aangewezen habitattypen en doelsoorten van het Natura 2000gebied (bron: Synbiosys Alterra). 8
2.4 Storingsfactoren De Effectenindicator geeft voor de beoogde ontwikkelingen nabij het Natura 2000-gebied de volgende storingsfactoren (zie figuur 2.2): [4] [7] [8] [13] [14] [15] [16] [17]
Vermesting door N-depositie uit de lucht Verontreiniging Verdroging Verstoring door geluid Verstoring door licht Verstoring door trilling Optische verstoring Verstoring door mechanische effecten
Per storingsfactor wordt beoordeeld in welke mate deze van toepassing is in de voorliggende casus. De storingsfactoren zijn genummerd volgens de door Synbiosys Alterra gebruikte systematiek. Om de effecten juist te interpreteren zijn de storingsfactoromschrijvingen van de Effectenindicator overgenomen.
9
3 Beoordeling storingsfactoren De invloed van de storingsfactoren op habitattypen en doelsoorten wordt onderstaand toegelicht. De informatie over de storingsfactoren (kenmerking, interactie en andere factoren en werking) is afkomstig van de effectenindicator (Synbiosys Alterra, 2022). De storingsfactoren vermesting en verzuring door N-depositie wordt in een separaat onderzoek en behandeld.
3.1
Verontreiniging Kenmerk Er is sprake van verontreiniging als er verhoogde concentraties van stoffen in een gebied voorkomen, welke stoffen onder natuurlijke omstandigheden niet of in zeer lage concentraties aanwezig zijn. Bij verontreiniging is sprake van een zeer brede groep van ecosysteem/gebiedsvreemde stoffen: organische verbindingen, zware metalen, schadelijke stoffen die ontstaan door verbranding of productieprocessen, straling (radioactief en niet radioactief), geneesmiddelen, endocrien werkende stoffen etc. Deze stoffen werken in op de bodem, grondwater, lucht. Interactie andere factoren Geen directe interactie met andere factoren. Wel kan verontreiniging als gevolg van andere factoren optreden. Gevolg Vrijwel alle soorten en habitattypen reageren op verontreiniging. De ecologische effecten uiten zich in het verdwijnen van soorten en/of het beïnvloeden van gevoelige ecologische processen. Deze beïnvloeding kan direct plaatsvinden maar ook indirect via een opeenvolging van ecologische interacties. Bovendien kan verontreiniging zich pas vele jaren/decennia later manifesteren. De gevolgen van verontreiniging zijn divers en complex. In het algemeen kan gesteld worden dat aquatische habitattypen en soorten gevoeliger zijn dan terrestrische systemen. Ook geldt dat soorten in de top van de voedselpiramide, als gevolg van accumulatie, van verontreinigingen gevoeliger zijn.
Echter, afhankelijk van de concentratie en duur van de verontreiniging zijn alle habitattypen en soorten gevoelig en kan verontreiniging leiden tot verandering van de soortensamenstelling. Beoordeling De beoogde ontwikkelingen leiden zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase niet tot een toename van ecosysteem/gebiedsvreemde stoffen. Op de planlocatie is reeds een woning en een voormalig agrarisch bedrijf aanwezig. In de beoogde ontwikkeling worden het bedrijfsgebouw gesloopt, blijft de woning behouden en wordt de functie van de recreatiewoning omgezet in permanente woning. De agrarische functie van het plangebied verdwijnt. De toe te passen materialen bij de ontwikkeling zijn bij juist gebruik onschadelijk voor flora en fauna. Ten aanzien van schadelijke (chemische) stoffen geldt strenge wet- en regelgeving. Het is de verwachting dat er geen schadelijke stoffen bij de bouw van de woningen gebruikt wordt. Indien deze stoffen worden toegepast worden voldoende maatregelen getroffen, bijvoorbeeld verantwoord opslag en afvoer, om uitloging naar de omgeving, grondwater en lucht te voorkomen. Ecologische (en chemische) processen en interacties worden niet aangetast door de beoogde ontwikkelingen.
10
3.2 Verdroging Kenmerk Verdroging uit zich in lagere grondwaterstanden en/of afnemende kwel. De actuele grondwaterstand is zo lager dan de gewenste/benodigde grondwaterstand. Interactie andere factoren Verdroging kan tevens leiden tot verzilting. Door verdroging neemt ook de doorluchting van de bodem toe waardoor meer organisch materiaal wordt afgebroken. Op deze wijze leidt verdroging tevens tot vermesting. Er zijn ook gebieden waar verdroging kan optreden zonder dat de grondwaterstand in de ondiepe bodem daalt. Het gaat daarbij om gebieden waar van oudsher grondwater omhoogkomt. Dit water heet kwelwater. Kwelwater is water dat elders in de bodem is geïnfiltreerd en dat naar het laagste punt in het landschap stroomt. Kwelwater heeft dikwijls een bijzondere samenstelling: het is rijk aan ijzer en calcium, arm aan voedingsstoffen en niet zuur, maar gebufferd. Schade aan de natuur die veroorzaakt wordt door een afname of het verdwijnen van kwelwater en het vervangen van dit type water met gebiedsvreemd water, noemen we ook verdroging. Gevolg De verandering in grondwaterstand en soms ook kwaliteit van het grondwater leidt tot een verandering in de soortensamenstelling en op lange termijn van het habitattype. Beoordeling Het plangebied is gelegen op een voormalig boerenerf.
Op en rondom het terrein zijn de woning, de recreatiewoning en de te slopen bedrijfsbebouwing met verharding in de vorm van klinkers aanwezig. Het bedrijfsgebouw wordt gesloopt, waarna in de gebruiksfase dit deel onbebouwd blijft. In de beoogde ontwikkeling worden er geen groenstructuren weggenomen, waardoor er geen sprake is van een toename van verstening, waardoor regenwater minder goed de bodem in zou kunnen dringen. Ten aanzien van oppervlaktewater zal er niets gedempt worden. Op de planlocatie kan als gevolg van de aanleg van fundering wellicht zeer kortstondig drainage nodig zijn, maar dit zal geen effecten hebben op de nabijgelegen droge bossen. Deze ‘verdroging’ is zeer lokaal en beheersbaar en heeft derhalve heeft geen effect op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’. In de totale waterbalans zullen geen meetbare verandering optreden. Habitattype die gevoelig zijn voor verdroging zoals vennen, beken en rivieren, venen, moerassen, vochtige heide en blauwgraslanden zijn om de omgeving van de planlocatie niet aanwezig evenals de begeleidende diersoorten. Verdroging en bijbehorende effecten op flora en fauna treden aannemelijk niet op of nemen niet toe als gevolg van de beoogde ontwikkeling.
11
3.3 Verstoring door geluid Kenmerk Verstoring door onnatuurlijke geluidsbronnen; permanent zoals geluid wegverkeer dan wel tijdelijk zoals geluidsbelasting bij evenementen. Geluid is een hoorbare trilling, gekenmerkt door geluidsdruk en frequentie. Interactie andere factoren Treedt vaak samen met visuele verstoring op door bijv. vlieg- en autoverkeer, manifestaties etc. Gevolg Logischerwijs zijn alleen diersoorten gevoelig voor direct effecten van geluid. Geluid is een belangrijke factor in de verstoring van fauna. De verstoring door geluid wordt beïnvloed door het achtergrondgeluid en de duur, frequentie en sterkte van de geluidsbron zelf. Geluidsbelasting kan leiden tot stress en/of vluchtgedrag van individuen. Dit kan vervolgens weer leiden tot het verlaten van het leefgebied of bijvoorbeeld een afname van het reproductieproces. In bepaalde gevallen kan ook gewenning optreden, in het bijzonder bij continu geluid. Voor zeezoogdieren en vogels is in bepaalde gevallen deze dosiseffect relatie goed gekwantificeerd. Beoordeling Binnen het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ zijn geen doelsoorten aanwezig die gekenmerkt staan als ‘zeer gevoelig’ voor verstoring door geluid.
Tevens is de aanwezigheid van overige soorten, zoals nachtzwaluw, wespendief, zwarte specht die mogelijk gevoelig zijn voor harde geluiden niet bekend op de planlocatie of in de directe omgeving (> 100 m, NDFF 2020-2025). Op de lange termijn is er ten opzichte van de huidige situatie geen noemenswaardige toename van geluidshinder en zelfs mogelijk een afname van geluidshinder, aangezien de huidige functie van agrarisch bedrijf vervalt. Daarnaast zijn er rond de planlocatie meerdere bedrijven en woningen aanwezig. Aanwezige fauna is in de huidige situatie dan ook al wel óf gewend aan de te verwachten maximale geluidshinder óf reeds verplaatst buiten de verstoringszone. De sloop van de bedrijfspanden en de aanleg van de woningen wordt uitgevoerd met o.a. een graafmachine. Tevens zal materiaal aangevoerd worden met behulp van vrachtwagens of tractoren. Uit onderzoek op vergelijkbare terreinen is sprake van diverse geluidsbronnen in de huidige situatie (bron: Brouwer & Anbergen, 2008): • • • • •
manoeuvreren van (vracht)auto stemgeluiden hondengeblaf gemotoriseerde grasmaaier onderhouds- en reparatiewerkzaamheden
90 dB(A) 65 dB(A) 110 dB(A) 102 dB(A) 85 dB(A)
De werkzaamheden die tijdelijk worden uitgevoerd leiden tot de volgende geluidsbelastingen: vrachtwagen 90 dB(A) en graafmachine 85-95 dB(A). De geluidsbelasting die wordt geproduceerd tijdens de werkzaamheden betreft mogelijke een tijdelijke piekbelasting van 90-95 dB(A). Heiwerkzaamheden hebben een geluidsniveau van rond de 110 dB. Dergelijke geluidsniveaus zijn ook aan de orde bij regulier gebruik van het terrein en omliggende terreinen. De werkzaamheden leiden tevens aannemelijk niet tot een dermate hoge geluidsbelasting dat er sprake is van significante effecten op (doel)soorten. In het kader van de soortenbescherming en zorgplichten Blom Ecologie adviseert om mogelijk verstorende werkzaamheden, zoals heiwerkzaamheden, uit te voeren buiten het broedseizoen. Broedvogels zullen dan geen effecten ten gevolge van geluidshinder ondervinden. Dit geldt voor zowel algemene broedvogels als doelsoorten voor het Natura 2000-gebied.
12
3.4 Verstoring door licht Kenmerk Verstoring door kunstmatige lichtbronnen, zoals licht uit woonwijken en industrieterreinen, glastuinbouw etc. Interactie andere factoren Geen Gevolg Kunstmatige verlichting van de nachtelijke omgeving kan tot verstoring van het normale gedrag van soorten leiden. Naar mogelijke effecten is nog vrij weinig onderzoek gedaan. Veel kennis gaat daarom nog niet verder dan het kwalitatief signaleren van risico’s. Met name schemer- en nachtactieve dieren kunnen last hebben van verstoring door licht, doordat zij juist aangetrokken worden of verdreven door de lichtbron. Hierdoor raakt bijvoorbeeld hun ritme ontregeld of verlichte delen van het leefgebied worden vermeden. Beoordeling In de huidige situatie is er al sprake van verlichting van het perceel aan zowel de woning aan de voorzijde als de bedrijf bebouwing op en aan achter zijde van het plangebied. In de beoogde situatie wordt de woningen ’s nachts waarschijnlijk beperkt verlicht. Deze verlichting komt ook niet op grote hoogte te hangen. Tussen de planlocatie en het Natura 2000-gebied bevindt zich aan weerszijden een naastgelegen perceel met bedrijfspanden en woningen, welke werken als een buffer dan wel barrière voor lichtverstoring. Een significante toename in verstoring door licht in het Natura 2000-gebied is uitgesloten.
In het kader van soortenbescherming en zorgplichten wordt en behoeve van vleermuizen aangeraden om, waar mogelijk, verlichting zo veel mogelijk te minimaliseren. Indien verlichting noodzakelijk is wordt geadviseerd om vleermuisvriendelijke verlichting (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel) te gebruiken gedurende de uitvoering van het project alsmede in de permanente situatie.
13
3.5 Verstoring door trilling Kenmerk: Er is sprake van trillingen in bodem en water als dergelijke trillingen door menselijke activiteiten veroorzaakt worden, zoals bij boren, heien, draaien van rotorbladen etc. Interactie andere factoren: Kan vooral samen optreden met verstoring door geluid. Gevolg: Trilling kan leiden tot verstoring van het natuurlijke gedrag van soorten. Individuen kunnen tijdelijk of permanent verdreven worden uit hun leefgebied. Over het daadwerkelijke effect van trillingen is nog zeer weinig bekend. Naar het effect op zeezoogdieren is wel onderzoek verricht. Beoordeling Binnen het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ staan van de doelsoorten alleen de, meervleermuis rivierdonderpad en beekprik gekenmerkt als ‘gevoelig’ voor verstoring door trillingen. De beekprik is niet bekend uit de omgeving van de planlocatie (NDFF 2020-2025). De rivierdonderpad is bekend uit een beek op ruim 1 km afstand van de planlocatie. In de beoogde ontwikkeling worden geen werkzaamheden aan het water en/of de oevers daarvan uitgevoerd. In de omgeving zijn geen waarnemingen van verblijfplaatsen van de meervleermuis bekend (NGB Vleermuisvakberaad).
De dichtstbijzijnde bekende satellietverblijfplaats (zomerverblijfplaats van 1 of enkele mannetjes) is vastgesteld in Duinen, circa 9 km ten noordwesten van de planlocatie en verder ten westen op een afstand van circa 10 km in Ermelo is de dichtstbijzijnde kraamverblijfplaats van meervleermuis bekend. Verblijfplaatsen van deze soort concentreren zich voornamelijk in het westen van het land en in het rivierengebied. Rondom de planlocatie zijn geen grote oppervlaktewateren aanwezig. De Veluwe randmeren liggen circa 12,7 km ten westen van de planlocatie. Vanwege de ligging van de planlocatie wordt de aanwezigheid van verblijfplaatsen en essentieel leefgebied van de meervleermuis niet verwacht rond de planlocatie. Bovendien vinden werkzaamheden overdag plaats, wanneer de meervleermuis niet actief is. In de beoogde ontwikkeling zullen enkele effecten ten gevolge van trillingen optreden, aangezien sprake is van sloop en realisatie. Aangezien er in de directe omgeving geen habitat aanwezig is waar beekprik en rivierdonderpad kunnen voorkomen en de dichtstbijzijnde waarnemingen op meer dan 1 km afstand zijn gedaan, kunnen negatieve effecten op doelsoorten ten gevolge van trillingen worden uitgesloten.
Vanwege het ontbreken van geschikt leefgebied en bekende verblijfplaatsen van de meervleermuis, kunnen verstoringen van deze soort ten gevolge van trillingen eveneens op voorhand worden uitgesloten.
14
3.6 Optische verstoring Kenmerk Optische verstoring betreft verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen dan wel voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem. Interactie andere factoren Treedt vaak samen op met verstoring door geluid (in geval van recreatie) of trilling en licht (in geval van voertuigen, schepen). Gevolg Optische verstoring leidt vooral tot vluchtgedrag van dieren. Een soort reageert bijvoorbeeld op beweging omdat een potentiële vijand wordt verwacht. Andersom kan optische verstoring juist ook het uitzicht van soorten beperken waardoor zij potentiële vijanden niet zien naderen. De daadwerkelijke effecten zijn zeer soortspecifiek en hangen van de schuwheid van de soort en de mate waarin gewenning optreedt. Bovendien kunnen de effecten afhankelijk zijn van de periode van de levenscyclus van de soort: in de broedtijd zijn soorten over het algemeen schuwer en dus gevoeliger voor optische verstoring. Beoordeling Ten aanzien van de aanwezigheid van mensen en voertuigen is hier in de huidige situatie al sprake van. De beoogde ontwikkelingen leiden mogelijk tot een lichte toename van activiteiten die optisch waarneembaar zijn voor fauna. De bouwoppervlakte neemt af in de gebruiksfase en er worden alleen werkzaamheden verricht aan bestaande bebouwing.
De te behouden gebouwen zijn naast de hoge bomen en tussen de reeds bestaande gebouwen minder prominent aanwezig dan het geval is in open landschap. De naastgelegen percelen zijn bebouwd met bedrijfsgebouwen en woningen, waardoor er al sprake is van een optische barrière tussen het Nature 2000-gebied en de planlocatie. Bovendien is reeds geadviseerd om te voorkomen dat er lichtuitstraling plaatsvindt naar natuurgebied. Negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen ten gevolge van optische verstoring kunnen hiermee worden uitgesloten.