CConstaterende datNunspeet
Koppel je AI →
Document · PDF

AP 5c. Bijlage 2 TAM-omgevingsplan Elpeterbosweg 61, Hoofdstuk 22k

Commissie Ruimte en Wonen 18 mei 2026, gemeente NunspeetBij agendapunt: Vaststellen TAM-omgevingsplan Elspeterbosweg 6114.889 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

TAM-omgevingsplan Elpeterbosweg 61, Hoofdstuk 22k

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Elpeterbosweg 61, Hoofdstuk 22k (ontwerp)

Inhoudsopgave

Motivering

3

Regels

31

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

32

Artikel 1 Toepassingsbereik

32

Artikel 2 Begripsbepalingen

33

Artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen

34

Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen

36

Artikel 5 Algemeen gebruiksverbod

38

Artikel 6 Aanvraagvereisten

39

Hoofdstuk 2

40

Functies

Artikel 7 Recreatie

40

Artikel 8 Natuur - Landschap

41

Hoofdstuk 3

43

Algemene regels voor activiteiten

Artikel 9 Anti-dubbeltelregel

43

Artikel 10

Algemene beoordelingscriteria bouwactiviteiten

44

Artikel 11

Algemene beoordelingscriteria gebruiksactiviteiten

45

Artikel 12

Algemene beoordelingscriteria parkeeractiviteiten

49

Artikel 13

Algemene beoordelingscriteria overige activiteiten

50

Hoofdstuk 4

Overgangsrechtbepalingen

51

Artikel 14

Overgangsrecht

51

Bijlagen bij de regels

53

Bijlage 1

54

Verbeelding

2

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Elpeterbosweg 61, Hoofdstuk 22k (ontwerp)

Motivering

3

Motivering TAM IMRO-omgevingsplan Elspeterbosweg 61, Vierhouten

-2-

Inhoudsopgave

Inhoud 1.

Inleiding .................................................................................................................................... 3

2.

Bestaande situatie ................................................................................................................... 4

3.

Toekomstige situatie ................................................................................................................ 7

4.

Relevant ruimtelijk beleid ......................................................................................................... 8

5.

Toets omgevingsaspecten ..................................................................................................... 13

6.

Milieueffectrapportage ........................................................................................................... 22

7.

Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid .............................................................. 24

8.

Toelichting op de regels ......................................................................................................... 25

-3-

1. Inleiding 1.1 Aanleiding Aan de Elspeterbosweg 61 in Vierhouten bevond zich tot 2023 een oude (hallen)boerderij, die was aangewezen als gemeentelijk monument. De boerderij met omliggende grond is tot eind jaren ’80 in eigendom geweest van een boerenfamilie, die ook schapen dreef. De huidige eigenaar is een nazaat van de eerste eigenaar, die eind 19de eeuw opdracht gaf voor de bouw van de boerderij. Nadat de laatste leden van de boerenfamilie eind jaren ’80 van de twintigste eeuw overleden, is de boerderij niet meer bewoond geweest. De boerderij is in 1993 aangewezen als gemeentelijk monument. Er is sinds die tijd niet of nauwelijks onderhoud uitgevoerd aan de boerderij. De boerderij is daardoor in een zeer slechte onderhoudsstaat geraakt. Zodanig dat uit onderzoek is gebleken dat herstel van de monumentale waarden van het pand niet mogelijk was. Kostbare renovatie zou hoogstens het monumentale beeld kunnen herstellen. In december 2022 is door het college van burgemeester en wethouders besloten de boerderij te verwijderen van de lijst met gemeentelijk monumenten. Aan dit besluit waren voorwaarden verbonden, waaronder het verwijderen van de bouwmogelijkheden op de locatie uit het bestemmingsplan nadat de boerderij gesloopt zou zijn.

Het pand is in 2023 al gesloopt en met dit TAM IMRO-omgevingsplan wordt gevolg gegeven aan het voornemen de bouwmogelijkheden uit het bestemmingsplan te verwijderen.

1.2 Maatschappelijke doelen Omgevingswet In de Omgevingswet zijn de maatschappelijke doelen van de wet opgenomen. Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: - Bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit voor inwoners; - Doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.

1.3 Het TAM-omgevingsplan Het TAM-omgevingsplan biedt binnen het wettelijke kader van de Omgevingswet de mogelijkheid om via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening uit de Wet ruimtelijke ordening) het omgevingsplan te wijzigen voor urgente gebiedsontwikkelingen. TAM staat voor Tijdelijke Alternatieve Maatregel. Deze manier van werken maakt het voor gemeenten die bij de voorbereiding en inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Dit vangnet zorgt ervoor dat zij de belangrijkste uitvoeringsprocessen kunnen blijven uitvoeren, totdat zij het DSO wel kunnen gebruiken.

1.4 Leeswijzer Het tweede en derde hoofdstuk van deze motivering geven een beschrijving van respectievelijk de bestaande- en toekomstige situatie. In het vierde en vijfde hoofdstuk wordt voorgenomen ontwikkeling getoetst aan het relevante ruimtelijke beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. In hoofdstuk zes wordt de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan het Besluit milieueffectrapportage. In hoofdstuk zeven komen achtereenvolgens de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid aan de orde. Hoofdstuk acht bevat een toelichting op de regels.

-4-

2. Bestaande situatie 2.1 Ligging plangebied De locatie van de voormalige boerderij is ten zuiden van de kern Vierhouten, langs de doorgaande weg tussen Vierhouten en Elspeet. Op de volgende afbeeldingen staat de locatie weergegeven, zowel met als zonder de gesloopte boerderij.

Figuur 1 Luchtfoto mei 2023

-5-

Figuur 2 Luchtfoto augustus 2024

Figuur 3 Ligging ten opzichte van Vierhouten

-6-

2.2 Geldende planologische situatie Het tijdelijk deel van het omgevingsplan van gemeente Nunspeet is op deze locatie van toepassing. De boerderij was gelegen op het terrein van recreatiepark Vierhouten BV. Het geldende bestemmingsplan als onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan heeft dan ook de naam ‘Huize Vierhouten B.V.’. Het plan bestaat uit verschillende, niet aangesloten, vlakken, met enkelbestemming “Recreatie”, “Bos” of “Agrarisch met waarden”. De voormalige boerderij lag in een bestemmingsvlak met enkelbestemming “Recreatie”. Daarnaast zijn verschillende aanduidingen van toepassing. Dit betreft de functieaanduiding ‘cultuurhistorische waarden’ en verschillende maatvoeringsbepalingen. Ter plaatse is maximaal één zomerhuis en één kamphuis toegestaan, ook laat de bestemmingsomschrijving kampeermiddelen toe, niet nader in aantallen gelimiteerd. Er geldt een maximum bouwhoogte van 7 meter, goothoogte van 3 meter, en een bebouwingspercentage van 35% ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal kamphuizen: 1’.

Figuur 4 Verbeelding omgevingsplan. Elspeterbosweg 61 is met rode pion aangegeven.

Naast het bestemmingsplan “Huize Vierhouten B.V.” zijn ook enkele paraplubestemmingsplannen op de locatie van toepassing. Het betreft het Parapluplan Parkeren, Parapluplan Bed en Breakfast en Parapluplan Onzelfstandige bewoning en logies arbeidsmigranten/seizoensarbeiders e.a. De regels uit deze plannen gelden, voor zover relevant, als aanvulling op of, voor zover strijdigheid ontstaat, in plaats van de regels uit “Huize Vierhouten B.V.”.

-7-

3. Toekomstige situatie 3.1 Uitvoering collegebesluit Het college van Burgemeester en Wethouders heeft in de vergadering van 13 december 2022 besloten dat, na de sloop van Elspeterbosweg 61, de bouwmogelijkheden op de locatie verwijderd moesten worden uit het bestemmingsplan (inmiddels: omgevingsplan). Hier is mee bedoeld dat er niet langer kamphuizen binnen het plangebied mogen worden gebouwd. Met dit TAM-omgevingsplan wordt aan dit besluit gevolg gegeven. Andere functies dan bedrijfsmatige exploitatie in zomerhuizen en maximaal twee stacaravans (in plaats van de huidige regeling over kampeermiddelen) worden in de functieomschrijving uitgesloten. De aanduiding ‘maximum aantal kamphuizen’ wordt verwijderd. Ter plaatse van de gesloopte boerderij kan dus niets nieuws worden gebouwd, er kunnen enkel maximaal twee stacaravans worden geplaatst. De aanduiding ‘aantal zomerhuizen: 1’ wordt niet verwijderd, omdat het zomerhuis al gerealiseerd is. Het werkingsgebied van deze aanduiding betreft het gehele plangebied, nu de bouwmogelijkheden voor zomerhuizen niet worden ingeperkt. Een strook agrarische grond ten noordoosten van de voormalige boerderij krijgt de functie ‘Natuur’.

3.2 Parapluplannen De regels uit de parapluplannen “Parkeren”, “Bed en Breakfast” en “Onzelfstandige bewoning en logies arbeidsmigranten/seizoensarbeiders e.a.” worden, voor zover relevant en van toepassing voor deze locatie, in de planregels opgenomen. Net als de regels uit “Huize Vierhouten B.V.” vervallen de regels uit de parapluplannen met de vaststelling van de wijziging omgevingsplan voor deze locatie. Dit is ook zo geborgd in de regels.

-8-

4. Relevant ruimtelijk beleid 4.1 Algemeen Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het relevante ruimtelijke beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven. Het beleid is in dit TAM-omgevingsplan afgewogen en door vertaald op de verbeelding en in de regels.

4.2 Rijksbeleid 4.2.1 Nationale Omgevingsvisie Per januari 2021 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers. De NOVI voldoet aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een omgevingsvisie. Met de komst van de NOVI komen meerdere nationale beleidsstukken te vervallen, waaronder de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Strategisch relevante delen van de SVIR en het Barro worden echter opgenomen in de NOVI en blijven daarmee ook na inwerkingtreding van de NOVI gelden.

Dit TAM-omgevingsplan wordt daarom ook aan dit beleid getoetst. De NOVI benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. Relatie met initiatief Het voornemen is om de bouw- en gebruiksmogelijkheden op de locatie Elspeterbosweg 61 in Vierhouten in te gaan perken. Dit is een kleinschalige ontwikkeling, waarbij bovendien de ruimtelijke impact van de geldende bestemming “Recreatie” afneemt. De planologische mogelijkheden nemen immers af. Het raakt daarmee niet aan de aspecten van nationaal ruimtelijk belang die de NOVI benoemt. 4.2.2 Conclusie Voorliggend plan is in lijn met geldend Rijksbeleid.

4.3 Provinciaal beleid 4.3.1

Omgevingsvisie provincie Gelderland

-9-

Het provinciale beleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. In de omgevingsvisie wordt beschreven wat de provincie wil en moet veranderen en ontwikkelen om het Gelderland van nu door te kunnen geven aan de volgende generaties. De provincie zet daarom een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Met ‘Gezond en veilig’ wordt een gezonde leefomgeving met schone en frisse lucht, een schoon milieu, voldoende schoon en veilig (drink)water en de bescherming van flora en fauna bedoeld. Daarnaast wordt ermee bedoeld dat de provincie is voorbereid op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. ‘Schoon en welvarend’ betekent dat de provincie een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat kent, dat goed bereikbaar is en een goed functionerende arbeidsmarkt heeft met daarbij behorende goede kennis- en onderwijsinstellingen. Het betekent ook het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen en het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie.

Aan deze ambitie worden met behulp van de volgende zeven onderwerpen nader richting gegeven: - Energietransitie: van fossiel naar duurzaam; - Klimaatadaptatie: omgaan met veranderend weer; - Circulaire economie; sluiten van kringlopen; - Biodiversiteit: werken met de natuur; - Bereikbaarheid: duurzaam verbonden; - Economisch vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio; - Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam. Toets aan voorliggend plan Het voorliggend plan beoogt nu bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden op te heffen. Het is daarmee geen ontwikkeling die aansluit bij de bovengenoemde ambities. Evenmin is sprake van een negatieve impact op één of meer van deze ambities. 4.3.2 Omgevingsverordening provincie Gelderland De Omgevingsverordening is één van de instrumenten om de ambities uit Omgevingsvisie te realiseren. Om samen een Gaaf Gelderland te bereiken, wordt de focus bij het uitvoeren van de taken op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland gelegd. In de verordening zijn alleen regels opgenomen als dit nodig is om de provinciale ambities waar te maken of wettelijke plichten na te komen. Net als de Omgevingsvisie richt de Omgevingsverordening zich op de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving.

Daarom zijn bijna alle regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, natuur, water, verkeer en bodem in de verordening opgenomen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van instructieregels. Toets aan voorliggend plan Ter plaatse van het plangebied zijn de volgende instructieregels uit de omgevingsverordening van toepassing. Artikel 5.5 Beschermen kwaliteit Gelders natuurnetwerk 1. Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties in het Gelders natuurnetwerk, wordt een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toegelaten als uit onderzoek blijkt dat die geen nadelige gevolgen kan hebben voor de oppervlakte, samenhang of kwaliteit van het Gelders natuurnetwerk als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone. 2. Er is geen sprake van nadelige gevolgen voor de oppervlakte als die in overeenstemming met de artikelen 5.12 tot en met 5.18 worden gecompenseerd: a. in de nabijheid van het Gelders natuurnetwerk; of b. in het Gelders natuurnetwerk op gronden die op de ambitiekaart bij het Natuurbeheerplan Provincie Gelderland zijn aangeduid met code N00.01.

- 10 -

Relatie met het planvoornemen De gronden rondom het voormalige pand Elspeterbosweg 61 zijn onderdeel van het Gelders natuurnetwerk. Er is in dit geval geen sprake van een nieuwe activiteit of ontwikkeling. Er worden bestaande mogelijkheden wegbestemd. Het artikel is, vanwege de ligging van het plangebied, van toepassing, maar bevat om die reden geen nadere onderbouwingseisen. De ligging in Gelders natuurnetwerk vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Artikel 5.15 Onderzoek kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk 1. Bij toepassing van artikel 5.5, eerste lid, bevat de toelichting bij het omgevingsplan een beschrijving van de resultaten van het onderzoek naar de te verwachten effecten van die activiteit of ontwikkeling op de oppervlakte, samenhang of kwaliteit van het Gelders natuurnetwerk. 2. In de beschrijving van de onderzoeksresultaten worden in ieder geval betrokken de in het gebied aanwezige: a. actuele en potentiële natuurwaarden; b. in het Besluit activiteiten leefomgeving aangewezen beschermde soorten en soorten van nationale Rode lijsten; en c. ecologische samenhang. 3. Voor zover de ontwikkeling of activiteit daar effect op kan hebben, wordt in de beschrijving van de onderzoeksresultaten betrokken de in het gebied aanwezige: a. kwaliteit van lucht, water en bodem; b. stilte, rust en duisternis; en c.

landschappelijke, cultuurhistorische, geomorfologische, bodemkundige waarden en het reliëf. Relatie met het planvoornemen Wat gesteld is met betrekking tot artikel 5.5 is van overeenkomstige toepassing op artikel 5.15. Artikel 5.20 Beschermen Groene ontwikkelingszone 1. Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Groene ontwikkelingszone, laat het een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als uit onderzoek blijkt dat: a. de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen, genoemd in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt; en b. de samenhang niet verloren gaat. 2. De versterking wordt bepaald aan de hand van de bijlage Versterking Groene ontwikkelingszone. Relatie met het planvoornemen De gronden rondom en onder het voormalige pand Elspeterbosweg 61 zijn ook (gedeeltelijk) onderdeel van de Groene ontwikkelingszone. Er is in dit geval geen sprake van een nieuwe activiteit of ontwikkeling. Er worden bestaande mogelijkheden wegbestemd. Het artikel is, vanwege de ligging van het plangebied, van toepassing, maar bevat om die reden geen nadere onderbouwingseisen. De ligging in Groene ontwikkelingszone vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Artikel 5.22 Onderzoek kernkwaliteiten Groene ontwikkelingszone 1.

Bij toepassing van artikel 5.20 bevat de toelichting bij het omgevingsplan een beschrijving van de resultaten van het onderzoek naar de te verwachten effecten van die activiteit of ontwikkeling op de oppervlakte, samenhang en kwaliteit van de Groene ontwikkelingszone. 2. In de beschrijving van de onderzoeksresultaten worden in ieder geval betrokken de in het gebied aanwezige: a. actuele en potentiële natuurwaarden; b. in het Besluit activiteiten leefomgeving aangewezen beschermde soorten en soorten van nationale Rode lijsten; en

- 11 -

c. ecologische samenhang. 3. Voor zover de ontwikkeling of activiteit daar effect op kan hebben, wordt in de beschrijving van de onderzoeksresultaten betrokken de in het gebied aanwezige: a. kwaliteit van water, bodem en lucht; b. stilte, rust en duisternis; en c. landschappelijke, cultuurhistorische, geomorfologische, bodemkundige waarden en het reliëf. Relatie met het planvoornemen Wat gesteld is met betrekking tot artikel 5.20 is van overeenkomstige toepassing op artikel 5.22. Artikel 5.33 Beschermen landschap algemeen 1. Als een omgevingsplan een activiteit of ontwikkeling toelaat, bevat de toelichting op het omgevingsplan een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de in het plangebied aanwezige kernkwaliteiten, in het bijzonder de nationale landschappen. 2. Als een activiteit of ontwikkeling leidt tot een aantasting van de kernkwaliteiten, laat het omgevingsplan die alleen toe als uit de toelichting op het omgevingsplan blijkt dat: a. per saldo sprake is van versterking van het landschap in lijn met de ontwikkeldoelen, bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap die in de betreffende Gelderse streek van toepassing zijn; en b. de versterking en de uitvoering hiervan worden vastgelegd. Relatie met het planvoornemen Deze wijziging van het omgevingsplan heeft betrekking op gronden die onderdeel zijn van het nationaal landschap de Veluwe.

Ook hier geldt dat van een nieuwe activiteit of ontwikkeling geen sprake is, nu enkel bestaande mogelijkheden worden wegbestemd. De ligging op de Veluwe vormt dus geen belemmering voor het planvoornemen. Artikel 5.44 Beschermen landschap Gelderse streken: Veluwe Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Gelderse streek Veluwe wordt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek Veluwe. Relatie met het planvoornemen Het omgevingsplan is van toepassing op locaties binnen de Gelderse streek Veluwe. Er is evenwel geen sprake van een nieuwe activiteit of ontwikkeling. Dit betekent dat niet onderbouwd hoeft te worden op welke wijze met de vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap rekening wordt gehouden. De ligging op de Veluwe vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 4.3.3 Conclusie De provinciale omgevingsvisie en omgevingsverordening vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het TAM-omgevingsplan.

4.4 Gemeentelijk beleid 4.4.1 Omgevingsvisie Nunspeet In 2018 heeft de gemeente Nunspeet haar Omgevingsvisie vastgesteld. In de Omgevingsvisie beschrijft de gemeente op integrale wijze de visie op de toekomst van Nunspeet. Eén van de speerpunten/thema’s is ‘Een vitale toeristisch-recreatieve sector bereiken’. De kernpunten binnen dit thema zijn: - Aandacht voor kwaliteit in plaats van (uitsluitend) kwantiteit - Verbinden natuurbezoek met centrumvoorzieningen

- 12 -

-

Uitnodigen tot en faciliteren van initiatieven gericht op ‘Nunspeet aan zee’, ‘de Poort van de Veluwe’, ‘Oase van rust’ en ‘Nunspeet, hét fietsdorp van de Veluwe’ Het aantrekkelijker, beleefbaarder en toegankelijker maken van het agrarisch landschap voor toerisme.

Relatie met initiatief De ontwikkeling betreft het inperken van de bouw- en gebruiksmogelijkheden op een bestaand recreatiepark. Het genoemde thema is niet belemmerend voor dit planvoornemen. 4.4.2 Conclusie Het gemeentelijk beleid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het TAM-omgevingsplan.

- 13 -

5. Toets omgevingsaspecten 5.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke manier bij de voorgenomen activiteiten rekening is gehouden met diverse aspecten uit de fysieke leefomgeving om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.2 Archeologie en cultuurhistorie 5.2.1 Kader Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Dit volgt uit artikel 5.130 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze instructie geldt nadrukkelijk ook voor bekende en aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Aantoonbaar betekent dat de verwachting gebaseerd is op relevante bodemkundige, archeologische of historische informatie. Om hieraan gevolg te kunnen geven, maakt de gemeente een inventarisatie en analyse van het binnen de gemeente aanwezige en te verwachten cultureel erfgoed. Voor het te behouden cultureel erfgoed moet de gemeente een toereikend beschermingsregime instellen. Bij cultureel erfgoed kan het gaan om: - monumenten zoals (bouw)werken; - tuinen en parken; - bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten; - stads- en dorpsgezichten en (delen van) cultuurlandschappen. De gemeente legt de te beschermen gemeentelijke en provinciale monumenten vast in het omgevingsplan. Relatie met initiatief De boerderij Elspeterbosweg 61 betrof een gemeentelijk monument. Nu het van de lijst is gehaald en ook gesloopt, omdat de monumentale waarden niet behouden konden worden, kan geen rekening meer worden gehouden met het behoud ervan. Verder is in het plangebied geen cultureel erfgoed aanwezig.

De genoemde instructieregels uit het Bkl zijn daarmee niet belemmerend voor het planvoornemen. 5.2.2 Conclusie Het plan is, voor wat betreft archeologie en cultuurhistorie, in overeenstemming met een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’.

5.3 Ecologie 5.3.1 Kader De Omgevingswet regelt het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet borgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit. In de Omgevingswet worden zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming geregeld. Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming vindt plaats via twee sporen: de Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland.

- 14 -

Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk project dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het project worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het project is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland.

Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Gezien de formulering van de flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: -

Er soorten aanwezig zijn; en Welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Relatie met initiatief Gebiedsbescherming

- 15 -

Natura 2000 Het plangebied ligt in de directe nabijheid van het Natura 2000-gebied Veluwe. Er is hier sprake van een planologische aanpassing zonder dat hier een ontwikkeling aan ten grondslag ligt. Van een aanlegfase (bouwfase) is geen sprake. Mocht in de toekomst in het plangebied een ontwikkeling plaatsvinden, dan zal daarvoor te zijner tijd een AERIUS-berekening voor uitgevoerd moeten worden. De gebruiksmogelijkheden worden ten opzichte van de bestaande situatie ingeperkt. Omdat het plan geen concrete nieuwe ontwikkeling mogelijk maakt, maar de ontwikkelmogelijkheden enkel beperkt, wordt een voortoets Natura 2000 niet noodzakelijk geacht. Natuurnetwerk Nederland De planlocatie is gedeeltelijk gelegen binnen zowel de Groene ontwikkelingszone als het Gelders Natuurnetwerk. Uit paragraaf 4.3.2 is al gebleken dat dit geen belemmering vormt voor het planvoornemen. Soortenbescherming Gezien de aard van het planvoornemen, heeft geen nader onderzoek plaatsgevonden naar het effect van het plan op beschermde soorten en houtopstanden. 5.3.2 Conclusie Vanuit het aspect ‘ecologie’ is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.

5.4 Bodemkwaliteit 5.4.1 Kader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; -

beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.

Relatie met initiatief Het planvoornemen betreft het inperken van de planologische mogelijkheden binnen de reeds bestaande functie “Recreatie”. Gezien de huidige recreatieve functie, kan redelijkerwijs worden aangenomen dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het gebruik van de grond in de nieuwe situatie. Er worden bovendien geen nieuwe, rechtstreeks toegestane planologische mogelijkheden geschept. Er is dan ook geen nader onderzoek naar de kwaliteit van de bodem gedaan. 5.4.2 Conclusie Vanuit het aspect bodem is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

- 16 -

5.5 Geluid door activiteiten In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de planologische ontwikkeling rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Het betreft geluid door activiteiten (zoals wegen, spoorwegen en industrieterreinen e.d.) en specifieke activiteiten (windturbines e.d.). 5.5.1 Kader Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen zijn regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron.

De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; het bevorderen van bronmaatregelen; het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels: het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels. Geluidsproductieplafonds Een geluidsproductieplafond geeft de maximale toegestane productie weer op een vast fictief punt, het referentiepunt, op korte afstand van de geluidsbron. Daarnaast voorziet afdeling 3.5 Bkl in het wettelijk kader omtrent de beheersing van het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. In Bijlage XXII Bkl zijn activiteiten aangewezen die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken. Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen (voor geluid afkomstig van wegen, spoorwegen of industrieterreinen) worden aangewezen in artikel 3.21 Bkl. Het gaat om gebouwen met een: woonfunctie; onderwijsfunctie; gezondheidszorgfunctie met een bedgebied of; bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied.

De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Relatie met initiatief Het voorliggend TAM-omgevingsplan maakt geen nieuwe ontwikkeling mogelijk. Qua (bouw)mogelijkheden worden de huidige planologische activiteiten ingeperkt. Omgevingsfactoren hebben daarom geen negatief effect op de functie en de nieuwe functie heeft dat andersom ook niet op de omgeving. 5.5.2 Conclusie Vanuit het aspect ‘geluid door activiteiten’ is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

- 17 -

5.6 Water en watersystemen 5.6.1 Kader Nederland is groot geworden door het leven met en de strijd tegen het water. In de 20e eeuw is, doordat er te weinig rekening is gehouden met het waterbelang, veel ruimte aan het water onttrokken en veel afvalwater direct geloosd op oppervlaktewater. Om de toekomst van Nederland veilig te stellen is het nodig om te anticiperen op klimaatsveranderingen en bij de ruimtelijke planvorming goed rekening te houden met water. De waterbeheerder heeft de taak, kennis en kunde om daar zorg voor te dragen. Daarom is het belangrijk om hem vroegtijdig te betrekken bij de planvorming. Kaderrichtlijn water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is in 2000 ingevoerd en heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie- en kwelgebieden). Door de inrichting van watergangen af te stemmen op de ecologie kan de ecologische toestand verbeterd worden. De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakte- en grondwater terug te dringen. Daarnaast zal de onttrekking van grondwater in evenwicht worden gebracht met de aanvulling van het grondwater. Waterwet De Waterwet is op 22 december 2009 in werking getreden. Deze Waterwet bestaat uit een achttal wetten die zijn samengevoegd tot één wet.

De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering' centraal. De verantwoordelijkheden in het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd. De voornaamste veranderingen zijn de invoering van de watervergunning en een verbeterde doorwerking van water in andere beleidsterreinen, met name het ruimtelijke domein. Op grond van onder meer de Waterwet is voor gemeenten, naast het inzamelen en transporteren van vrijkomend stedelijk afvalwater een formele taak weggelegd voor het afvoeren van overtollig regenwater. Voor zover het inzamelen en transporteren van relatief schoon regenwater buiten de afvalwaterstroom doelmatig kan worden uitgevoerd, vindt deze gescheiden van de afvoer van het stedelijk afvalwater plaats. Het ‘gebiedseigen water’ wordt op plaatsen waarvoor mogelijkheden aanwezig zijn, vastgehouden en geborgen in aanwezig stedelijk water en/of retentiestroken. Het bergen en vasthouden van regenwater op locatie mag niet leiden tot (water)overlast voor de woonomgeving. Tot slot heeft de gemeente een watertaak waterhuishoudkundige maatregelen te treffen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming(en) zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

In de Keur van het Waterschap Vallei en Veluwe, onderdeel uitmakend van de Waterwet, is aangegeven wat wel en niet mag bij waterkeringen en wateren (de zogenaamde waterstaatswerken). De waterschapsverordening heeft de Keur bij inwerkingtreding van de Omgevingswet vervangen. Weging van het waterbelang Paragraaf 5.1.3 van het Bkl bevat instructieregels van het Rijk die betrekking hebben op het beschermen van de waterbelangen. Met deze regels moet bij het opstellen van een wijziging van het omgevingsplan rekening worden gehouden. Op grond van artikel 5.37 van het Bkl moet in een omgevingsplan rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen moeten hierbij worden betrokken. Dat is in dit geval het Waterschap Vallei en Veluwe. Relatie met initiatief Het planvoornemen betreft het inperken van de planologische mogelijkheden binnen de reeds bestaande functie “Recreatie”. De bouw- en gebruiksmogelijkheden worden ingeperkt ten aanzien van de huidige situatie. Van een schending van de waterbelangen is daarom geen sprake.

- 18 -

5.6.2 Conclusie Vanuit het aspect ‘water’ is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.7 Bedrijven en milieuzonering 5.7.1 Kader In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet worden beoordeeld of bedrijven in de omgeving van een beoogde ontwikkeling worden belemmerd door de ontwikkeling en of ter plaatse van gevoelige functies, zoals woningen, sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat. Het gaat hierbij om interne en externe werking. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering (VNG, editie 2009). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, de maximale afstand die we gebruiken als richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds als uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De in de handreiking opgenomen afstanden zijn indicatief en kunnen per gebiedstype, waarin de ontwikkeling zal plaatsvinden, verschillen. Hierbij is het uitgangspunt dat deze afstanden gemotiveerd worden toegepast. Wanneer het plangebied en omgeving getypeerd kunnen worden als 'gemengd gebied' bedragen de hindercontouren minder. De VNG-publicatie omschrijft een gemengd gebied als: ‘Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging.

Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels horeca en kleine bedrijven.’ Relatie met initiatief De planologische ontwikkeling betreft enkel de inperking van (bouw)activiteiten. Vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering zijn daarom geen belemmeringen te verwachten. 5.7.2 Conclusie Vanuit het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.8 Omgevingsveiligheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit een veilige en gezonde fysieke leefomgeving gewaarborgd wordt. Het gaat daarbij om: de bescherming van personen in gebouwen en op locaties in de omgeving van een risicovolle activiteit, en het beperken van schade aan de fysieke leefomgeving in bredere zin (schade aan gebouwen en het milieu) bij een ongeval bij een risicovolle activiteit. 5.8.1 Kader De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

- 19 -

Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Er zijn diverse maatregelen mogelijk. Een ervan is het aanwijzen van een voorschriftengebied bij zeer kwetsbare gebouwen. In een voorschriftengebied gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Relatie met initiatief De locatie Elspeterbosweg 61 in Vierhouten ligt niet in de buurt van activiteiten van bedrijven met gevaarlijke stoffen. Ook is geen sprake van nabijheid van het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen en/of buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Er bevinden zich geen windmolens in de buurt van het plangebied. Daar komt bij dat de planologische ontwikkeling geen nieuwe activiteiten met kans op groepsrisico’s mogelijk maakt. 5.8.2 Conclusie Vanuit het aspect ‘omgevingsveiligheid’ is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.9 Kwaliteit van de buitenlucht 5.9.1 Kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.

Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van

- 20 -

gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. Onder de standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit, worden volgens artikel 5.54 Bkl de volgende activiteiten bedoeld: Gebouwen met een woonfunctie en nevengebruik functies: ten hoogste 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of ten hoogste 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Gebouwen met een kantoorfunctie: ten hoogste 100.000 m2 bruto-vloeroppervlak bij één ontsluitingsweg, ten hoogste 200.000 m2 bruto-vloeroppervlak bij twee ontsluitingswegen.

Zowel gebouwen voor een kantoorfunctie als een woonfunctie: ➢ één ontsluitingsweg: het aantal woningen maal 0,0008 en een bruto-vloeroppervlakte van kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan in vierkante meter maal 0,000012 die samen opgeteld kleiner of gelijk zijn aan 1,2; of ➢ twee ontsluitingswegen: een evenredig aantal woningen en evenredig grote brutovloeroppervlakte van kantoorfuncties; Het telen van gewassen in open lucht en het behandelen van gewassen direct voor of na de teelt. Het telen van gewassen in niet-verwarmde kassen of verwarmde kassen niet groter dan 2ha. Het telen van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, voor zover het gaat om witlofrek of teelt van eetbare paddenstoelen. Relatie met initiatief De planologische ontwikkeling betreft het opheffen van de planologische mogelijkheid om op locatie een kamphuis te bouwen/gebruiken. Er is geen sprake van een (nieuwe) ontwikkeling die stikstofof fijnstofuitstoot zou kunnen veroorzaken. Er kan, zonder berekening, worden onderbouwd dat de ontwikkeling niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. 5.9.2 Conclusie Vanuit het aspect ‘Kwaliteit van de buitenlucht’ is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.10 Verkeer en parkeren 5.10.1 Kader Vanaf 1 juli 2018 kan er bij het verlenen van een omgevingsvergunning niet meer op basis van de Bouwverordening getoetst worden aan de gemeentelijke parkeernorm. De juridische borging van het gemeentelijke parkeerbeleid dient te gebeuren via het bestemmingsplan (thans het omgevingsplan). Hiervoor is het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestemmingsplan ‘Parapluplan parkeren’ (2021) opgesteld. Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen en / of een omgevingsvergunning voor een wijziging van het gebruik pas verleend als is verzekerd dat op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor motorvoertuigen zoals deze zijn opgenomen in de meest recente richtlijnen van het CROW. Hierbij wordt de link gemaakt met de Parkeernota van de gemeente Nunspeet. Relatie met initiatief

- 21 -

De planontwikkeling maakt geen activiteiten met een nieuwe parkeerbehoefte mogelijk. De parkeerbehoefte wordt minder dan nu het geval, omdat de mogelijkheid om een kamphuis te bouwen wordt wegbestemd. De regels uit het ‘Parapluplan parkeren’ worden in de regels van dit TAM-omgevingsplan opgenomen. 5.10.2 Conclusie Vanuit het aspect ‘Verkeer en parkeren’ is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.11 Conclusie De diverse aspecten uit de fysieke leefomgeving vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het TAM-omgevingsplan. Op basis van het wettelijk beoordelingskader en de uitgevoerde onderzoeken is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

- 22 -

6. Milieueffectrapportage 6.1 Inleiding De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen het geldende omgevingsplan. Om de voorgenomen ontwikkelingen mogelijk te kunnen maken is een wijziging van het omgevingsplan ter plaatse van het plangebied noodzakelijk. In dergelijke gevallen moet worden aangetoond dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen.

6.2 Beoordelingskader De wetgeving over de milieueffectrapportage (mer) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan (inclusief BOPA) en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma’s waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een mer-procedure verplicht is. Voor plannen en programma’s die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-mer-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-mer alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht.

Een plan-mer-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor mer-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd. De plan-mer-beoordeling is een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets vindt plaats aan de hand van de criteria van bijlage III, van de EUrichtlijn mer. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.

6.3 Procedure Een plan-mer-beoordeling bestaat uit twee verplichte stappen: 1. Het bevoegd gezag beoordeelt of een plan aanzienlijke effecten voor het milieu kan hebben. Zo ja, dan volgt een plan-mer-rapportage; 2. Het bevoegd gezag motiveert in haar plan waarom er (geen) plan-mer nodig is (art. 11.1 lid 1 Omgevingsbesluit).

6.4 Plan-mer-beoordeling Het besluit tot het vaststellen van het omgevingsplan heeft betrekking op activiteiten die voorkomen op de lijst zoals opgenomen in bijlage V bij het Besluit omgevingsrecht. Specifiek is het te scharen onder categorie M3: Vakantiedorpen of hotelcomplexen buiten stedelijke zones met bijbehorende voorzieningen en/of M4: Permanente kampeer- of caravanterreinen (dit komt voor op andere delen van het park Huize Vierhouten, die geen onderdeel uitmaken van dit wijzigingsplan.

- 23 -

Omdat sprake is van een wijziging van een omgevingsplan die redelijkerwijs betrekking heeft op en vergunningplichten kent voor deze categorieën is op grond van art. 16.43 lid 1 onder b Omgevingswet jo. 11.6 lid 3 onder c van het Omgevingsbesluit een plan-mer-beoordeling vereist (kolom 3 bijlage V bij het Omgevingsbesluit). De toelichting op dit TAM-omgevingsplan kan worden gezien als motivering dat een plan-mer niet noodzakelijk is. In met name hoofdstuk 5 zijn de belangrijkste gevolgen voor het milieu beschreven, waarbij is ingegaan op de kenmerken van de ontwikkeling, de plaats en de potentiële effecten. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Om die reden wordt volstaan met een plan-mer-beoordeling.

- 24 -

7. Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen De procedure voor vaststelling van een wijzigingsbesluit op het Omgevingsplan is geregeld in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor het wijzigen van een omgevingsplan geldt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb.

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.2.1 Voorkantsamenwerking bevoegde instanties Het TAM-omgevingsplan is in het kader van voorkantsamenwerking toegestuurd aan het Waterschap Vallei en Veluwe en de provincie Gelderland. Deze instanties hebben te kennen gegeven in te kunnen stemmen met het planvoornemen. 7.2.2 Terinzagelegging Een ontwerp van dit TAM-omgevingsplan wordt voor een periode van zes weken ter inzage gelegd. Gedurende die termijn kan eenieder een zienswijze tegen dit ontwerp inbrengen. Eventueel ingebrachte zienswijzen worden beantwoord en zo nodig betrokken in de planvorming.

7.3 Economische uitvoerbaarheid Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van één of meerdere aangewezen (bouw)activiteiten. De gevallen worden aangewezen in art. 8.13 van het Omgevingsbesluit. Van een nieuwe ontwikkeling is in dit geval geen sprake, en dus ook niet van een kostenverhaalplichtige ontwikkeling als genoemd in 8.13 van het Omgevingsbesluit. De ontwikkeling heeft voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen.

- 25 -

8. Toelichting op de regels 8.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande en toekomstige situatie, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten van de fysieke leefomgeving. Op basis van de informatie uit deze hoofdstukken wordt geconcludeerd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Deze informatie is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van het TAM-omgevingsplan: de verbeelding (plankaart) en de regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit TAM-omgevingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde functies zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is. Het TAM-omgevingsplan bestaat uit een motivering, regels en een verbeelding. De regels en de verbeelding vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het TAM-omgevingsplan en dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De motivering vormt de verantwoording voor de gemaakte keuzen voor de inrichting van het plangebied en de toekenning van de functies aan locaties. Met het voorliggend TAM-omgevingsplan wordt de functie “Recreatie” voor een deel van het totale plangebied van “Huize Vierhouten B.V.” aangepast. De planologische mogelijkheden worden ingeperkt. Dit ten uitvoering van het genoemde collegebesluit.

De regels van het TAM-omgevingsplan bestaan uit de volgende hoofdstukken: Hoofdstuk 1 Inleidende regels Hoofdstuk 2 Functies Hoofdstuk 3 Algemene regels voor activiteiten Hoofdstuk 4 Overgangsrechtbepalingen

8.2 Opzet regels Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. In verband met de publicatievereisten van een TAM-omgevingsplan wordt er op de verbeelding nog volgens de oude systematiek met ‘bestemmingen’ gewerkt. Ze worden, in overeenstemming met de in het omgevingsplan gehanteerde begripsbepalingen, wel ‘functies’ genoemd. 8.2.1 Hoofdstuk 1 Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat de inleidende bepalingen. Deze regels gelden voor het gehele plangebieden bestaan uit: Artikel 1 Toepassingsbereik: Dit artikel geeft aan waar de regels uit het TAM-omgevingsplan precies van toepassing zijn en dat het TAM-omgevingsplan de werking van andere planologische besluiten als genoemd in de Invoeringswet Omgevingswet uitsluit. Tevens wordt aangegeven dat specifieke artikelen uit het Omgevingsplan van rechtswege niet van toepassing zijn indien strijdigheid bestaat met de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan. -

Artikel 2 Begripsbepalingen: In dit artikel is opgenomen dat de begripsbepalingen uit de landelijke wetgeving van overeenkomstige toepassing zijn, tenzij hiervan wordt afgeweken.

-

Artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen:

- 26 -

In dit artikel zijn de begripsbepalingen opgenomen die gelden in aanvulling op de landelijke begripsbepalingen. -

Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen: Uit dit artikel volgt hoe voorkomende reken- en maatvoeringsbepalingen begrepen moeten worden.

-

Artikel 5 Algemeen gebruiksverbod: Bestemmingsplannen staan qua gebruik van gronden alleen toe wat bestemd is. Voor omgevingsplannen geldt als uitgangspunt dat alles is toegestaan, en dat de ter plaatse geldende regels daarbij in acht moeten worden genomen. Artikel 5 bevat daarom een regeling die het toegestane gebruik beperkt tot de aan de gronden toebedeelde functie(s).

-

Artikel 6 Aanvraagvereisten Genoemde paragraaf 22.5.2 bevat aanvraagvereisten voor aanvragen omgevingsvergunning die worden aangevraagd vanwege bepalingen uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Deze aanvraagvereisten worden van overeenkomstige toepassing verklaard voor aanvragen op grond van dit TAM-omgevingsplan.

8.2.2 Hoofdstuk 2 Functies In hoofdstuk 2 is opgenomen welke functies binnen het plangebied zijn toegestaan. Dat is in geval van dit TAM-omgevingsplan de functie “Recreatie”. Aangegeven wordt wat de functie “Recreatie” precies omvat en waar en hoe bouwen ten behoeve van de functie is toegestaan. In paragraaf 8.3 van de motivering wordt de functie “Recreatie” nader toegelicht. 8.2.3 Hoofdstuk 3 Algemene regels voor activiteiten Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, die gelden ongeacht de functie. Deze regels gelden dan ook voor het hele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Artikel 8 Anti-dubbeltelregel Deze regel voorkomt dat grond dubbel wordt meegeteld bij het beoordelen van bouwmogelijkheden op een perceel. Het is niet verplicht om deze regel op te nemen in het omgevingsplan, maar gemeenten mogen daar wel voor kiezen. -

Artikel 9 Algemene beoordelingscriteria bouwactiviteiten Dit artikel bevat algemene bouwbepalingen. Er is specifiek een regel in opgenomen over de overschrijding van bouw- en/of functiegrenzen en ten aanzien van wegverkeerslawaai.

-

Artikel 10 Algemene beoordelingscriteria gebruiksactiviteiten In dit algemeen geldende artikel zijn de regels uit de parapluplannen “Bed en breakfast” en “Onzelfstandige bewoning en logies arbeidsmigranten/seizoensarbeiders e.a.” opgenomen, voor zover van toepassing. Daarnaast worden in artikellid 10.1 ook nog andere gebruiksactiviteiten specifiek verboden. Dit ziet specifiek op verboden gebruiksactiviteiten op recreatieparken en is afkomstig uit het bestemmingsplan “Recreatieterreinen 2010”. Lid 10.4 bevat hier een uitzondering op voor evenementen.

-

Artikel 11 Algemene beoordelingscriteria parkeeractiviteiten Dit artikel bevat de regeling uit het parapluplan “Parkeren”.

-

Artikel 12 Algemene beoordelingscriteria overige activiteiten Dit betreft een algemeen geldende afwijkmogelijkheid voor windturbines uit het bestemmingsplan “Buitengebied 2023”. Het betreft nieuw beleid, waarvan de bedoeling is dat het in het gehele buitengebied van Nunspeet geldt. Omdat het een nieuwe regeling is, is deze nog niet opgenomen in (bijvoorbeeld) het bestemmingsplan “Recreatieterreinen 2010”.

-

Artikel 13 Overgangsrecht

- 27 -

Overgangsrecht is opgenomen voor zowel bouw- als gebruiksactiviteiten. Het regelt dat gebruik of bouwwerken in strijd met het nieuwe omgevingsplan, maar al legaal aanwezig ten tijde van inwerkingtreding, mag blijven bestaan. Veranderen van gebruik naar een andere vorm van strijdig gebruik is niet toegestaan. Bouwwerken die onder het overgangsrecht vallen mogen gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd. In geval van een calamiteit geldt een specifieke regeling. Het betreft hier het standaard overgangsrecht dat voorheen standaard in bestemmingsplannen stond. Voor het omgevingsplan is ook dit optioneel.

8.3 Nadere toelichting op de functies In deze paragraaf worden de keuzes die zijn gemaakt nader onderbouwd. Hierbij zullen de functies in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. In dit TAM-omgevingsplan is de volgende functie opgenomen: Artikel 7 Recreatie Ter plaatse van deze functie is verblijfsrecreatie toegestaan. Het gaat daarbij om verblijf in het al bestaande zomerhuis en in maximaal twee stacaravans. Zij worden bedrijfsmatig geëxploiteerd. De mogelijkheid voor het gebruik van de grond als kamphuis wordt met de inwerkingtreding van dit plan geschrapt. Zoals uit hoofdstuk 3 al is gebleken, is dit een gevolg van het collegebesluit van 13 december 2022. Op de locatie waar voorheen het monument Elspeterbosweg 61 aanwezig was, mocht voorheen ook een kamphuis worden gerealiseerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16841831/1