AP 5b. Motivering BOPA Tongerenseweg Vierhouten 2601
Tekst van het document
27
Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. Onder de standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit, worden volgens artikel 5.54 Bkl de volgende activiteiten bedoeld: -
-
Gebouwen met een woonfunctie en nevengebruik functies: ten hoogste 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of ten hoogste 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Gebouwen met een kantoorfunctie: ten hoogste 100.000 m2 bruto-vloeroppervlak bij één ontsluitingsweg, ten hoogste 200.000 m2 bruto-vloeroppervlak bij twee ontsluitingswegen. Zowel gebouwen voor een kantoorfunctie als een woonfunctie: o één ontsluitingsweg: het aantal woningen maal 0,0008 en een bruto-vloeroppervlakte van kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan in vierkante meter maal 0,000012 die samen opgeteld kleiner of gelijk zijn aan 1,2; of o twee ontsluitingswegen: een evenredig aantal woningen en evenredig grote brutovloeroppervlakte van kantoorfuncties; Het telen van gewassen in open lucht en het behandelen van gewassen direct voor of na de teelt. Het telen van gewassen in niet-verwarmde kassen of verwarmde kassen niet groter dan 2ha. Het telen van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, voor zover het gaat om witlofrek of teelt van eetbare paddenstoelen.
Analyse Het plan betreft de realisatie van 9 woningen. Dit project blijft binnen de getalsmatige grenzen van de aangewezen categorieën in artikel 5.54 Bkl. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat door voorliggende ontwikkeling de luchtkwaliteit niet ‘in betekenende mate’ zal verslechteren. Het plan voldoet daarmee aan de eisen die voor luchtkwaliteit gelden.
5.4 Geur Kader Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Deze instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties heeft de gemeente zelf de mate van geurbescherming bepaald in het omgevingsplan. In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. De vergunningverlener moet dus bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan.
28
Analyse Voorliggend plan is op basis van het aspect ‘geur’ milieugevoelig vanwege de woningen die worden gerealiseerd. In de directe omgeving van het projectgebied bevinden zich echter geen functies die geur veroorzaken en daardoor een negatief effect hebben op voorliggend project. In het kader van voorliggend project vinden geen geur-veroorzakende activiteiten plaats. Conclusie Vanuit het aspect ‘geur’ is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.
5.5 Trillingshinder Kader Voor het aspect trillingen vallen alle activiteiten die trillingen veroorzaken onder de afdeling '2.3 Milieubelastende activiteiten bruidsschat omgevingsplan'. De uitzonderingen hierop staan in artikel 22.41 bruidsschat van de bruidsschat. De Omgevingswet beschermd trilling gevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. Analyse De nieuw te bouwen woningen vallen niet binnen een trillingsbron. Om die reden heeft geen onderzoek plaatsgevonden naar het effect van trillingen binnen het plangebied. Conclusie Vanuit het aspect ‘trilling’ is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.
5.6 Bodemkwaliteit Kader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; -
beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.
Analyse In het kader van voorliggend plan heeft een milieukundig bodemonderzoek plaatsgevonden omdat in de nieuwe situatie sprake is van een milieugevoelige functie in de vorm van wonen. 29
Het onderzoek is als bijlage 4 van deze motivering opgenomen. Het milieukundig onderzoek bestaat uit diverse onderdelen. Tijdens het milieukundig bodemonderzoek zijn ter plaatse van het plangebied de volgende onderzoeken uitgevoerd: -
Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Verkennend asbestonderzoek NEN 5897
Doel van het verkennend bodemonderzoek is het bepalen van de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater). Doel van het verkennend asbestonderzoek is bepalen of het aanwezige puinpad asbesthoudend is. de conclusies van het onderzoek zijn als volgt. Conclusies onderzoek De bodemkwaliteit is met behulp van onderhavig milieukundig onderzoek nog niet voldoende vastgesteld. Aan de hand van de resultaten kunnen de volgende conclusies getrokken worden. Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 In de grond is een overschrijding van de interventiewaarde met PAK aangetoond. In het grondwater is een licht verhoogde concentratie naftaleen aangetoond. Tijdens de uitvoering van het bodemonderzoek zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie geen invasieve exoten waargenomen. Verkennend bodemonderzoek asbest NEN 5897 In asbestmengmonster AS1 is een gewogen gehalte van 130 mg/kg d.s. aan hechtgebonden serpentijn asbest aangetoond. In de overige asbestmonsters AS3 t/m AS6 is geen asbest aangetoond. Indicatieve toetsing resultaten Regeling bodemkwaliteit Uit de indicatieve toetsing aan de Regeling bodemkwaliteit blijkt de grond over het algemeen aan de bodemkwaliteitsklassen ‘Landbouw/natuur’ en ‘Wonen’ te voldoen. In verband met matig verhoogde gehalten aan minerale olie en PAK is mengmonster MM03 beoordeeld als bodemkwaliteitsklasse ‘Industrie’.
Mengmonster MM02 en analysemonster 05-1 zijn, in verband met aangetoonde overschrijdingen van de interventiewaarde met PAK, beoordeeld als ‘Sterk verontreinigd’. Aanbevelingen Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat sprake is van een bodemverontreiniging waarvan de omvang nog niet in beeld is. In de grond zijn overschrijdingen van de interventiewaarden met asbest en PAK aangetoond. In overleg met de gemeente is besloten om de omvang van de aangetoonde verontreinigingen niet verder in beeld te brengen. Op het moment van onderzoek is ter plaatse van het plangebied een lopend hotel aanwezig. Verder bodemonderzoek zou tot significante overlast voor hotelgasten lijden. Om overlast te beperken wordt nader onderzoek uitgesteld tot na de definitieve sluiting van het hotel. In verband met het vroegtijdig afbreken van onderhavig onderzoek, zijn de verontreinigingen onvolledig en onvoldoende in kaart gebracht. Derhalve gelden beperkingen voor bodem verstorende werkzaamheden. De omvang van de aanwezige verontreinigingen dienen nader onderzocht te worden alvorens enige bodemingrepen ten behoeve van de herontwikkeling van de locatie plaatsvinden.
30
Conclusie Vanuit het aspect ‘bodem’ is nog geen sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie. Na sluiting van het hotel moet, zoals in het onderzoeksrapport is opgenomen, aanvullend onderzoek plaatsvinden en zullen aanvullende maatregelen moeten worden genomen om de geconstateerde vervuiling te saneren. Pas dan is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie op basis van het aspect ‘bodem’.
5.7 Wegen, verkeer en parkeren Kader De toename aan functies zorgen voor verkeer. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij moet in beeld worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn ten gevolge van het plan. Analyse Parkeeropgave De parkeerplaatsverplichting is het aantal parkeerplaatsen dat een initiatiefnemer moet aanleggen bij een voorgenomen ruimtelijke functie. Bij nieuwbouwplannen wordt de parkeerplaatsverplichting berekend aan de hand van het Parapluplan Parkeren van de gemeente Nunspeet. Een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen en / of voor het wijzigen van het gebruik van een gebouw dan wel voor het wijzigen van het gebruik van een onbebouwd terrein wordt slechts verleend indien bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat gelet op de omvang of de bestemming van het gebouw of het terrein in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor: 1. het parkeren of stallen van auto's en fietsen; 2. het laden of lossen van goederen; 3. het realiseren van parkeervoorzieningen voor invaliden. In het Parapluplan Parkeren wordt verwezen naar de Parkeernota van de gemeente Nunspeet om te bepalen hoeveel parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden.
De gehanteerde parkeernormen zijn gebaseerd op de parkeerkencijfers van het CROW (Nationaal kenniscentrum voor verkeer, vervoer en infrastructuur en openbare ruimte). De meest actuele cijfers zijn opgenomen in de Parkeerkencijfers 2024 van de CROW. Welke parkeernormen er voor een gebied gelden is onder andere afhankelijk van de stedelijkheidsgraad. Het plangebied kent de verstedelijkingsgraad ‘niet stedelijk’. De hoogte van de parkeernorm wordt ook bepaald door te kijken naar de stedelijke zone van een gebied. Voorliggend plan ligt in de ‘rest bebouwde kom’. Verder wordt gekeken naar het type woningen. Ten aanzien van dit plan dient op basis van voorgaande het volgende aantal parkeerplaatsen gerealiseerd te worden: Type woning Koop, huis, twee-onder-een-kap Koop, huis, tussen/hoek Koop, huis, vrijstaand Totaal
Aantal
Norm (incl. bezoek) Totaal 4 2,1 8,4 4 2 8 1 2,2 2,2 18,6 31
Op basis van het programma moeten afgerond 19 parkeerplaatsen binnen het plangebied worden gerealiseerd. Uit het inrichtingsplan blijkt dat er 21 parkeerplaatsen aanwezig zijn. Daarmee wordt voldaan aan de parkeeropgave. Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie is het aantal verkeersbewegingen per etmaal ten gevolge van de nieuwe functie. In voorliggend geval maakt een hotel met bedrijfswoning plaats voor negen woningen. Op basis van het programma leidt dit tot een verkeersgeneratie van afgerond 67 motorvoertuigbewegingen op basis van de kencijfers van de CROW. Type woning Koop, huis, twee-onder-een-kap Koop, huis, tussen/hoek Koop, huis, vrijstaand Totaal
Aantal
Norm (incl. bezoek) Totaal 4 7,2 28,8 4 7,4 29,6 1 8,2 8,2 66,6
Dit aantal kan eenvoudig worden afgewikkeld op de Tongerenseweg. De intensiteit van deze weg kan deze aantallen goed verwerken. Daarnaast is sprake van een goede ontsluiting van de woningen op de Tongerenseweg. Conclusie Vanuit het aspect ‘verkeer’ is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.
5.8 Omgevingsveiligheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit een veilige en gezonde fysieke leefomgeving gewaarborgd wordt. Het gaat daarbij om: -
de bescherming van personen in gebouwen en op locaties in de omgeving van een risicovolle activiteit, en het beperken van schade aan de fysieke leefomgeving in bredere zin (schade aan gebouwen en het milieu) bij een ongeval bij een risicovolle activiteit.
Kader De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: -
Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
32
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Er zijn diverse maatregelen mogelijk. Een ervan is het aanwijzen van een voorschriftengebied bij zeer kwetsbare gebouwen. In een voorschriftengebied gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl) Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: -
Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl)
Analyse In het kader van voorliggend plan is de risicokaart geraadpleegd. Op basis daarvan wordt geconcludeerd dat het plangebied niet binnen de invloedssfeer van risicobronnen ligt. Conclusie Vanuit het aspect ‘omgevingsveiligheid’ is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.
5.9 Natuur Kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN), regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, namelijk de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming vindt plaats via twee sporen: de Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Het plangebied bevindt zich volledig binnen de bebouwde kom van Vierhouten. Het plangebied ligt daarmee weliswaar op korte afstand van, maar volledig buiten, de begrenzing van het GNN, GO en andere provinciaal beschermde natuurgebieden of weidevogelgebieden. De kortste afstand tot Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ is circa 30 meter ten oosten van het plangebied. Hier ligt een smalle bosstrook die een uitloper van het Natura 2000-gebied vormt en doorloopt tot aan de kruising Tongerenseweg-Waskolkweg. Natura 2000-gebied ‘Veluwerandmeren’ ligt op circa 9,7 kilometer ten noordwesten. Andere Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 10 kilometer. Op basis 33
van onderzoek (bijlage 5) komt naar voren dat het plan geen negatieve effecten heeft op natuurgebieden. Ten aanzien van het aspect ‘stikstofdepositie’ heeft apart onderzoek plaatsgevonden. Op basis van uitgevoerd onderzoek (zie bijlage 6) is aan de hand van de Aerius-calculator berekend of in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase van het project sprake is van een toename van stikstofdepositie op natuurgebieden. Zowel de aanlegfase als gebruiksfase veroorzaken geen stikstofdepositie in Natura 2000-gebied. Dit project zit in het beperkingengebied stikstofemissie zoals aangegeven in Voorbeschermingsregels beperkingengebied stikstofemissie Gelderland. Dit betekent dat het project met als het aan één van de vijf uitzonderingen voldoet er toch een vergunning kan worden verleend. Punt vijf [Inbreidingsplannen voor woningbouw als dat plan is gecombineerd met 70% stikstofreductie bij (intern en/of extern) salderen.] is een punt waar dit project aan voldoet. Bij dit project is namelijk 2,9/14,2=0,2 een reductie van 80%. Houtopstanden Het plangebied ligt binnen de bebouwingscontour houtkap. Er zijn daarom geen vervolgacties nodig ten aanzien van beschermde houtopstanden van de Omgevingswet. Indien kap van bomen noodzakelijk blijkt voor uitvoering van de herontwikkeling van het perceel is mogelijk wél een gemeentelijke kapvergunning vereist.
Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Gezien de formulering van de flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: -
er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.
In het kader van voorliggend plan heeft onderzoek plaatsgevonden naar soorten. Op pagina 21 van de ecologische quickscan die is opgenomen als bijlage 5 van deze motivering, is een overzicht van de bevindingen opgenomen. Daaruit blijkt dat binnen het plangebied alleen sprake kan zijn van vleermuizen binnen de te slopen bebouwing. Om die reden heeft soortgericht vervolgonderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen in te slopen bebouwing plaatsvinden. Dit onderzoek is als bijlage 5a van deze onderbouwing gevoegd. De bevindingen zijn als volgt. In de te slopen bebouwing zijn 1 kraamverblijf 2 zomerverblijfplaatsen en een paarterritorium van gewone dwergvleermuis vastgesteld. De paarverblijfplaats komt overeen met één van de zomerverblijfplaatsen. De voorgenomen sloop leidt daarom tot vernieling van beschermde verblijfplaatsen van vleermuizen en er is dan sprake van overtreding van de omgevingswet, artikel 5.1, lid 2g ten aanzien van vleermuizen. Voor deze overtreding moet een omgevingsvergunning ‘flora- en fauna-activiteit’ worden aangevraagd bij de provincie Gelderland. Een onderdeel van een 34
vergunningsaanvraag is een activiteitenplan waarin mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven waarmee negatieve effecten op aanwezige beschermde soorten zoveel mogelijk worden voorkomen of beperkt. De sloop van de bebouwing leidt niet tot verstoring of vernieling van verblijfplaatsen van andere soorten vleermuizen. Er zijn daarom geen vervolgacties nodig ten aanzien van verblijfplaatsen van andere vleermuissoorten. De voorgenomen ontwikkeling en bijbehorende (sloop)werkzaamheden leiden niet tot het verstoren van essentieel foerageergebied of vliegroutes van vleermuizen. Wel dient vanuit de zorgplicht onnodige lichtverstoring te worden voorkomen: voorkom een toename van uitstraling van verlichting richting de omgeving. Met name uitstraling richting omliggende boomkronen dient voorkomen te worden. Hieraan kan redelijkerwijs voldaan worden door voornamelijk overdag te werken of bij gebruik van kunstlicht deze niet op bomen te richten. Uit de ecologische quickscan is gebleken dat aanwezigheid van jaarrond beschermde nestplaatsen van vogels of andere verblijfplaatsen en functies van beschermde soorten, zoals verblijfplaatsen van marters op voorhand zijn uitgesloten. Bij de veldbezoeken zijn ook geen aanwijzingen of omstandigheden aangetroffen die hierin een ander beeld schetsen.
Er zijn geen vervolgstappen, zoals een activiteitenplan en omgevingsvergunning noodzakelijk ten aanzien van overige soorten, anders dan hierboven beschreven. Conclusie Vanuit het aspect ‘natuur’ is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locaties. Wel dient bij de provincie een ontheffing voor vleermuizen aangevraagd te worden.
5.10 Water en watersystemen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water en watersystemen. Kader Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn Water (KRW), is een Europese richtlijn. Deze richtlijn is bedoeld om de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater in Europa op goed niveau te houden en te krijgen. Het doel is om in 2015 een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewateren te hebben en een goede chemische en kwantitatieve toestand voor alle grondwateren. Voor grondwater betekent dit onder meer dat er geen directe lozingen mogen plaatsvinden en de toename van chemische verontreiniging moet worden voorkomen. Nationaal Water Programma 2022 – 2027 Het Nationaal Waterplan (NWP) geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Nederland heeft te maken met grote wateropgaven die bovendien in de toekomst steeds groter en complexer worden. Dit komt door een aantal samenhangende uitdagingen: klimaatverandering, bodemdaling, milieuverontreiniging, biodiversiteitsverlies en ruimtedruk. In de uitvoering ligt bovendien een grote opgave om verouderde infrastructuur zoals bruggen en sluizen in stand te houden en waar nodig te
35
vervangen of te renoveren. De wateropgaven waar Nederland op dit moment voor staat, de uitdagingen richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor 3 hoofdambities van dit NWP: -
Een veilige en klimaatbestendige delta. Een concurrerende, duurzame en circulaire delta. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur.
De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Waterbeleid 21e eeuw Met het Waterbeleid 21e eeuw wordt ingespeeld op toekomstige ontwikkelingen die hogere eisen stellen aan het waterbeheer. Het gaat hierbij om onder andere de klimaatverandering, bodemdaling en zeespiegelrijzing. Het Waterbeleid 21e eeuw heeft twee principes voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd, te weten de tritsen: - vasthouden, bergen en afvoeren; - schoonhouden, scheiden en zuiveren. De trits vasthouden, bergen en afvoeren houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt, wanneer nodig, het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden. Wanneer vasthouden en bergen te weinig opleveren, wordt het water afgevoerd. Bij de trits schoonhouden, scheiden en zuiveren gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoongehouden wordt. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk van elkaar gescheiden. Wanneer schoonhouden en scheiden niet mogelijk is, wordt het verontreinigde water gezuiverd. Analyse In het kader van voorliggend plan is een digitale watertoets uitgevoerd.
Uit deze toets blijkt dat er vanwege de ligging van het plangebied geen sprake is van een waterschapsbelang. De resultaten van de digitale watertoets zijn als bijlage 7 van deze onderbouwing opgenomen. Conclusie Vanuit het aspect ‘water’ is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.
5.11 Bedrijven en milieuzonering Kader In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet worden beoordeeld of bedrijven in de omgeving van een beoogde ontwikkeling worden belemmerd door de ontwikkeling en of ter plaatse van gevoelige functies, zoals woningen, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het gaat hierbij om interne en externe werking. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering (VNG, editie 2009). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, de richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds als uiterste
36
situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De in de handreiking opgenomen afstanden zijn indicatief en kunnen per gebiedstype, waarin de ontwikkeling zal plaatsvinden, verschillen. Hierbij is het uitgangspunt dat deze afstanden gemotiveerd worden toegepast. Wanneer het plangebied en omgeving getypeerd kunnen worden als 'gemengd gebied' bedragen de hindercontouren minder. De VNG-publicatie omschrijft een gemengd gebied als: ‘Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels horeca en kleine bedrijven.’ Analyse Het plan voorziet in het realiseren van negen woningen. woningen zijn aan te merken als een milieugevoelige functie. Om die reden is beoordeeld of de woningen zich binnen het milieukundige invloedgebied van bedrijven of functies bevinden. Enerzijds om te bepalen of de nieuwe woningen hinder ondervinden van deze functies. Anderzijds om te bepalen of de bedrijven of functies in haar activiteiten worden belemmerd door de nieuwe woningen. Ten oosten en ten westen van het plangebied bevinden zich direct grenzend aan het plangebied enkele woningen. Deze woningen ondervinden geen hinder van het plan. Andersom geldt dat de nieuwe woningen geen hinder ondervinden van de woningen.
Ten noorden van het plangebied bevindt zich een onbebouwd gebied. Datzelfde geldt voor de zuidzijde, ook hier bevindt zich agrarisch gebied zonder milieukundige invloed op het plangebied. Op 70 meter ten oosten van het plangebied bevindt zich een locatie met een horecabestemming. Ter plaatse is horeca toegestaan, met uitzondering van automatenhallen. De richtafstand van horeca ten opzichte van woningen is 30 meter. Gezien de afstand van 70 meter van de horecagelegenheid ten opzichte van de woningen is er van onderlinge hinder van de functies geen sprake. Conclusie Het voorziene bouwplan is op basis van het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ uitvoerbaar.
5.12 Cultuurhistorie en archeologie Kader Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Dit volgt uit artikel 5.130 lid 1 van het Bkl. Deze instructie geldt nadrukkelijk ook voor bekende en aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Aantoonbaar betekent dat de verwachting gebaseerd is op relevante bodemkundige, archeologische of historische informatie. Om hieraan gevolg te kunnen geven, maakt de gemeente een inventarisatie en analyse van het binnen de gemeente aanwezige en te verwachten cultureel erfgoed. Voor het te behouden cultureel erfgoed moet de gemeente een toereikend beschermingsregime instellen. Bij cultureel erfgoed kan het gaan om: -
monumenten zoals (bouw)werken; tuinen en parken; bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten; stads- en dorpsgezichten en (delen van) cultuurlandschappen. 37
De gemeente legt de te beschermen gemeentelijke en provinciale monumenten vast in het omgevingsplan. Archeologie Voor archeologie dient de gemeente projecten kleiner dan 100 m² in beginsel vrij te stellen van de archeologische onderzoeksplicht (artikel 5.130 lid 4 Bkl). De gemeente kan in een omgevingsplan echter grotere of kleinere vrijstellingsgrenzen vastleggen, bijvoorbeeld in historische binnensteden waar de kans op het aantreffen van archeologische sporen heel groot is. Archeologisch onderzoek kan in dergelijke gevallen ook al bij projecten kleiner dan 100 m² vondsten opleveren. In gebieden met een lage verwachtingswaarde kan de gemeente kiezen om een grotere vrijgestelde oppervlakte vast te leggen in het omgevingsplan. Dit om te voorkomen dat de gemeente een initiatiefnemer belast met het doen van archeologisch onderzoek dat naar verwachting niet of nauwelijks zinvol is. Cultuurhistorie Uit het Besluit kwaliteit leefomgeving volgt dat gemeenten voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime moeten opnemen in het omgevingsplan. Het Bkl bevat hiervoor instructieregels, deze zijn opgenomen in artikel 5.130 lid 2 van het Bkl. De instructieregels geven aan voor welke punten onder meer bescherming benodigd is.
In de instructieregels worden onder meer ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten en aantasting van de omgeving of karakteristieke stadsgezichten, dorpsgezichten en cultuurlandschappen genoemd. Dat betekent dat gemeenten een analyse moeten verrichten van de cultuurhistorische waarden in de ontwikkelingslocatie en moeten aangeven welke conclusies ze daar aan verbinden en op welke wijze ze deze waarden borgen in het plan.
5.12.1 Cultuurhistorie Ter plaatse van het plangebied bevindt zich een hotel. De bestaande bebouwing wordt gesloopt. De te slopen bebouwing heeft geen monumentale status en maakt geen onderdeel uit van een beschermd dorpsgezicht. Daarnaast ligt het plangebied niet binnen een waardevol cultuurlandschap. Om die redenen zijn er geen beperkingen voor de sloop van de bestaande bebouwing en het realiseren van de nieuwe woningen. Het bouwplan wordt getoetst aan het geldende welstandsbeleid zoals opgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bestemmingsplan ‘Welstand’.
5.12.2 Archeologie De gemeente Nunspeet beschikt over een archeologische waardenkaart. De archeologische waardenkaart van Nunspeet is een kaart die de bekende archeologische vindplaatsen en gebieden met archeologische potentie in de gemeente Nunspeet weergeeft en er zijn gebieden weergegeven waar een archeologische verwachting geldt. Ter plaatse van het plangebied geldt een archeologische verwachting. Om die reden dienen proefsleuven gegraven te worden om in beeld te brengen of ter plaatse van het plangebied sprake is van archeologische resten. Omdat het bestaande hotel nog in gebruik is, wordt dit onderzoek pas uitgevoerd nadat de bestaande bebouwing is gesloopt is. Bodemingrepen ten behoeve van het woningbouwplan mogen pas plaatsvinden nadat het archeologisch bodemonderzoek is afgerond. Dit is als voorwaardelijke verplichting gekoppeld aan de vergunning. 38
Conclusie Vanuit het aspect ‘archeologie en cultuurhistorie’ is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.
5.13 Spuitzones Kader Op basis van jurisprudentie moet 50 meter worden aangehouden tussen agrarische percelen en gevoelige objecten vanwege mogelijke gevolgen voor de gezondheid door het gebruik van bestrijdingsen/of gewasbeschermingsmiddelen. Deze afstand hoeft niet aangehouden te worden indien het omgevingsplan dit gebruik expliciet verbiedt. Indien niet aan deze afstand kan worden voldaan zijn er twee opties: -
Ten eerste kan een spuitvrije zone worden bestemd op het agrarische perceel waarmee wel aan de afstand van 50 meter kan worden voldaan. Of er kan locatie specifiek onderzoek/onderbouwing worden uitgevoerd waaruit blijkt dat bij een kortere afstand dan 50 meter ook een gezond leefklimaat bij de betreffende woningen en tuinen kan worden gegarandeerd.
Analyse De nieuw te realiseren woningen vallen voor een klein deel binnen de zone van 50 meter van agrarische gronden. Ter plaatse van de betreffende agrarische gronden is het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestemmingsplan ‘Buitengebied 2023’ van toepassing. In dit bestemmingsplan is ten aanzien van agrarische gronden onderscheid gemaakt in de bestemmingen Agrarisch, Agrarisch Agrarisch bedrijf, Agrarisch - Kwekerij en Agrarisch - Paardenhouderij. Per bedrijfstype is onderscheid gemaakt binnen welke bestemming het betreffende bedrijf zich mag vestigen. Het plangebied ligt binnen de invloedssfeer van de bestemming ‘Agrarisch’ waarbinnen een agrarisch bedrijf gevestigd mag zijn. een agrarisch bedrijf is als volgt gedefinieerd: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of door middel van het houden van dieren, niet zijnde: een glastuinbouwbedrijf, een hout- en/of fruitteeltbedrijf, een boom- en/of sierkwekerij, een gebruiksgerichte paardenhouderij of een bollenteeltbedrijf. Binnen deze bestemming zijn zodoende geen agrarische activiteiten mogelijk waar gespoten kan worden. Dergelijke bedrijven vallen onder de andere agrarische bestemmingen. Op basis hiervan is het aannemelijk dat de woningen geen hinder ondervinden van het spuiten met bestrijdingsmiddelen.
Conclusie Vanuit het aspect ‘spuitzonering’ is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.
5.14 M.e.r.-beoordeling Kader Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag om een BOPA volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Dit gebeurt overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het
39
Omgevingsbesluit. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Het betreft dan overigens altijd een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (of een ontgrondingenactiviteit, wateractiviteit e.d.). Daarnaast kunnen de mer-verplichtingen nog gelden voor enkele bijzondere besluiten uit andere wetten, zoals de vergunning op basis van de Kernenergiewet. Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een merbeoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r.-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is nog maar één mer-beoordelingsprocedure. Analyse Bij de mer-beoordeling zijn de volgende artikelen uit de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit van belang: -
Artikel Omgevingswet: 16.43 en 16.88 (eerste lid, onder h). Artikel Omgevingsbesluit: 11.11. Nadere regels project--mer-beoordeling.
Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, bedoeld in artikel 16.43, tweede lid, van de wet, met de bijbehorende motivering op in het besluit en, voor zover hier sprake van is, in het ontwerp van het besluit (artikel 11.11, lid 2 Omgevingsbesluit). In de motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) wordt in ieder geval verwezen naar: 1. de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; en 2. als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt: a. 1˚. de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en b. 2˚. het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd. Kenmerken en maatregelen als bedoeld in artikel 11.10, lid 3 Ob. Bij een mededeling als bedoeld in artikel 16.45, eerste lid, van de wet, verstrekt degene die voornemens is het project uit te voeren in ieder geval een beschrijving van: 1. het project, met in ieder geval een beschrijving van: a. de fysieke kenmerken van het gehele project en, als dat van toepassing is, van 2. sloopactiviteiten; a. de locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in 3. de gebieden waarop het project van invloed kan zijn; 3. de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project; en
40
4. voor zover er informatie over deze effecten beschikbaar is: de mogelijk aanzienlijke milieueffecten 4. van het project ten gevolge van: a. de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen; en b. het gebruik van natuurlijke bronnen, waaronder bodem, land, water en biodiversiteit. Vertaling naar het plan De in voorliggende ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling gaat uit van het toevoegen van acht woningen. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een nieuw stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld onder J11 in Bijlage V bij het Ob. Om te beoordelen of aanzienlijke milieueffecten zijn te verwachten is voorliggende ruimtelijke onderbouwing opgesteld. Hierin zijn de milieukundige effecten beoordeeld en daarom kan deze motivering worden beschouwd als een m.e.rbeoordeling. Hieruit komt naar voren dat ten gevolge van het plan geen significant negatieve effecten op de omgeving zullen optreden en het plan niet m.e.r.-plichtig is. Conclusie Uit de mer-beoordeling is gebleken dat de gevolgen van het uitvoeren van de activiteit op de fysieke leefomgeving geen aanleiding geven tot het opstellen van een mer-rapportage en dat er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
41
6. Uitvoerbaarheid 6.1 Algemeen De procedure voor vaststelling van een wijzigingsbesluit op het Omgevingsplan is geregeld in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor het wijzigen van een omgevingsplan geldt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb.
6.2 Economische Uitvoerbaarheid Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van één of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat om zogenaamde kostenverhaalplichtige activiteiten zoals genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit. Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels onder andere een anterieure overeenkomst de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit. De gemeente heeft een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer gesloten. De ontwikkeling heeft voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen. Het kostenverhaal is hiermee gedekt.
6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Bij het opstellen van het woningbouwplan heeft participatie plaatsgevonden. In het kader van voorliggend plan heeft in het voorjaar van 2024 afstemming plaatsgevonden met de bewoners van 2 woningen aan de Gortelseweg, 1 woning aan de Tongerenseweg en 7 wonngen aan de Waskolkweg. Omwonenden hebben allen aangegeven het een mooi plan te vinden. Enkele omwonenden gaven aan het jammer te vinden dat het oude pand gesloopt wordt.
42
7. Belangenafweging en conclusie Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Etfal, artikel 8.0a, lid 2 Bkl). Naast de regel dat omgevingsvergunningen slechts kunnen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, gelden de beoordelingsregels in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl (zie ook ‘beleidskader Rijk en provincie’, hoofdstuk 4). De vraag bij de vergunningverlening is of het initiatief – de gevraagde activiteit - leidt tot een situatie, waarbij er sprake is van een evenwichtige toedeling (van functies aan locaties). Anders gezegd: is er - na een zorgvuldige belangenafweging - met het toestaan van de activiteit nog steeds of weer sprake van een evenwichtige toedeling? Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie de hoofdstukken 4, 5, 6 en 7).
Op basis van dit onderzoek en de afweging wordt geconcludeerd dat het plan uitvoerbaar is en dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie, mits het bodemonderzoek, het vleermuizenonderzoek en het archeologische onderzoek zijn afgerond en invulling is gegeven aan de verplichtingen die de uitkomsten van de onderzoeken met zich meebrengen.
43
Bijlagen Bijlage 1. Bomen Effect Analyse (BEA) Bijlage 2. Onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 3. Onderzoek warmtepompen Bijlage 4. Milieukundig bodemonderzoek Bijlage 5. Ecologische quickscan Bijlage 5a. Vervolgonderzoek vleermuizen Bijlage 6. Aeriusberekening Bijlage 7. Digitale watertoets
44
Postadres: Korenbloemstraat 30, 8012 XS Zwolle | info@bureaupena.nl | www.bureaupena.nl