AP 5a. Bijlage 4. Toelichting TAM omgevingsplan Schotkampweg 179
Tekst van het document
5.11.2
Beoordeling
Allereerst moet beoordeeld worden of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Uit jurisprudentie blijkt dat er in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling vanaf de realisatie van 12 woningen of de nieuwbouw en uitbreiding van overige stedelijke functies bij een ruimtebeslag van 500 m2. Onderhavig initiatief betreft de realisatie van extra 1 woning. Gezien het aantal woningen ruim onder de grens van nieuwe stedelijke ontwikkeling valt, wordt geconcludeerd dat het doorlopen van de laddertoets niet noodzakelijk wordt geacht
5.11.3
Conclusie
Onderhavig initiatief is niet strijdig met het oogmerk van de Ladder voor duurzame verstedelijking.
ruimte voor ontwikkeling
27
5.12 Cultuurhistorie en archeologie 5.12.1
Wettelijk kader
In het Bkl is bepaald dat gemeenten in hun omgevingsplan een beschermingsregime moeten opnemen voor cultureel erfgoed. Hierbij moeten de instructieregels uit paragraaf 5.1.5.5 van het Bkl in acht worden genomen. Dit gaat onder meer over: ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermd monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; en conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. Tot dat de gemeentes regels over cultureel erfgoed in het omgevingsplan hebben opgenomen, geldt het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Dit bestaat uit de geldende ruimtelijke regelingen zoals bestemmingsplannen, de gemeentelijke erfgoedverordening en de regels uit de bruidsschat.
5.12.2
Beoordeling archeologie
Op de planlocatie geldt een archeologische verwachtingswaarde 2. Hiervoor geldt dat voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 120 m2 waarbij voor de gehele oppervlakte werkzaamheden dieper dan 0,50 m onder het maaiveld plaatsvinden, een archeologisch onderzoek dient plaats te vinden. Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling zal er niet gegraven worden om het plan te realiseren. De gestelde norm zal niet worden overschreden. Archeologisch onderzoek is daarom niet benodigd.
5.12.3
Beoordeling cultuurhistorie
Het pand kent geen aanduiding als rijks- of gemeentelijk monument en is niet aangemerkt als beeldbepalende pand in het geldende omgevingsplan. Wel kent een deel van het plangebied de aanduiding 'Waarde - Jonge heideontginning'. Hiermee worden onder meer cultuurhistorische waarden beschermd. Onderhavig initiatief betreft enkel een inpandige functiewijziging. De aanwezige kenmerken van een jonge heideontginning worden niet aangetast. Geconcludeerd kan worden dat met het plan geen schade wordt toegebracht aan bestaande cultuurhistorische panden of structuren.
5.12.4
Conclusie
Vanuit de aspecten archeologie en cultuurhistorie bestaan er geen belemmeringen ten aanzien van onderhavig initiatief.
28
TAM - omgevingsplan Schotkampweg 179, Hoofdstuk 22n
5.13 Ruimte voor toekomstige functies, infrastructuur en openbare buitenruimte 5.13.1
Wettelijk kader
Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties vereist in bepaalde gevallen dat gebieden worden vrijgehouden voor toekomstige ontwikkelingen die alleen op bepaalde locaties kunnen plaatsvinden. Zo kan uitbreiding van een infrastructuurnetwerk meestal beter - en goedkoper - gebeuren op de locatie waar dat netwerk al aanwezig is. Tegelijkertijd is op veel van die locaties sprake van een vrij grote ontwikkeldruk. Daarom wordt in paragraaf 5.1.6 van het Bkl in navolging van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) een aantal reserveringsgebieden aangewezen. Het gaat om gebiedsreserveringen voor de lange termijn voor de grote rivieren, gebieden rond autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen, gebieden voor de aanleg van buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimte voor de Parallelle Kaagbaan en de reservering van de Tweede Maasvlakte voor deep sea gebonden activiteiten.
In paragraaf 5.1.7 van het Bkl wordt geregeld dat ontwikkelingen geen belemmering mogen vormen voor militaire terreinen en objecten, oefen- en schietgebieden, militaire zend- en ontvangsinstallaties, laagvliegroutes voor jacht- en transportvliegtuigen, militair radarbeeld, elektriciteitsopwekking, kernenergiecentrales, hoogspanningsverbindingen, rijksvaarwegen, scheepvaart, communicatie-, navigatieen radarapparatuur burgerluchtvaart en landelijke fiets- en wandelroutes. Tot slot moet conform paragraaf 5.1.8 van het Bkl rekening gehouden worden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking.
5.13.2
Beoordeling en conclusie
Het plangebied is niet gelegen in een gebied zoals bedoeld in paragraaf 5.1.6 en 5.1.7 van het Bkl. Er is vanuit dit aspect dan ook geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Daarnaast is er in het plangebied geen openbare buitenruimte aanwezig, waardoor er geen rekening hoeft te worden gehouden met de toegankelijkheid voor personen met een functiebeperking.
5.14 Flora en fauna 5.14.1
Wettelijk kader
Er moet te allen tijde rekening gehouden worden met de flora en fauna om de natuur te beschermen. In artikel 5.1 van de Omgevingswet wordt geregeld dat er een omgevingsvergunning nodig is voor Natura 2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten. Een Natura 2000-activiteit is een activiteit die significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Een flora- en fauna-activiteit wordt omschreven als een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Daarnaast bevat ook de provincie regels voor het beschermen van flora en fauna. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantensoorten beschermd. Het gaat om soorten van nationaal belang en soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijnen vallen. Voor de soortenbescherming gelden rijksregels. De provincies zijn echter verantwoordelijk voor de soortenbescherming. Door de brede formulering van een 'flora- en fauna-activiteit' is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving vrijwel altijd nodig om te controleren of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn, om te onderzoeken of de activiteit mogelijk gevolgen heeft voor beschermde soorten. Gebiedsbescherming
ruimte voor ontwikkeling
29
Er zijn verschillende gebieden met belangrijke waarde voor flora en fauna: Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland (NNN) en andere bijzondere gebieden en landschappen. De Natura 2000-gebieden worden op Europees niveau beschermd en de instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgelegd in de Omgevingswet. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk dat door de provincies is aangewezen. Bijna alle Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. Een Natura 2000-activiteit kan zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden, want een activiteit buiten een Natura 2000-gebied kan ook van invloed zijn op het gebied. Voor de bescherming van NNN gelden voornamelijk provinciale regels. Stikstofdepositie Veel Natura 2000-gebieden bevatten stikstofgevoelige habitattypen. Toename van de stikstofdepositie op het gebied betekent een verslechtering van de habitattypen. Om die reden moet vooraf onderzocht worden of de betreffende activiteit niet leidt tot onevenredige toename van stikstofdepositie op beschermde stikstofgevoelige gebieden. Met de AERIUS calculator kan berekend worden of er bij het uitvoeren van een activiteit sprake is van een toename van de stikstofdepositie. Hierbij dient zowel de gebruikersfase als de realisatiefase doorgerekend te worden.
Zodra er geen rekenresultaten boven de 0,00 mol/ha/jaar zijn, is er geen belemmering voor een plan op het gebied van stikstofdepositie. Zorgplicht Ten tijde van de uitvoering van werkzaamheden geldt te allen tijde de zorgplicht (artikel 11.6 en 11.27 Bal). Deze schrijft voor dat nadelige gevolgen voor flora en fauna en Natura 2000-gebieden zoveel als mogelijk voorkomen moeten worden. Concreet betekent dit dat iemand die een activiteit wil verrichten op een plek, eerst moet controleren of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de buurt bepaalde soorten of habitats voorkomen. Als er aanwijzingen zijn dat de beschermde soorten of habitats aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uit te sluiten zijn, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen.
5.14.2
Beoordeling
Ten aanzien van onderhavig initiatief is er in april 2024 een natuurwaarde onderzoek uitgevoerd (bijlage 6). Uit dit Natuurwaardenonderzoek is gebleken dat bij het uitvoeren van de geplande werkzaamheden er geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit (soorten) Omgevingswet zullen plaatsvinden. Tevens dient er geen nadere toetsing plaats te vinden of er een vergunningplicht geldt voor Natura 2000-activiteit. Gebiedsbescherming Natura 2000 De locatie is gelegen op korte afstand (circa 30 meter) van Natura 2000-gebied. Met deze wijziging van het omgevingsplan wordt het beëindigen van een paardenhouderij juridisch planologisch vastgelegd. Met het beëindigen van deze bron wordt een significante bron van stikstofemissie tenietgedaan. Dit heeft een positief effect op de stikstofdepositie in de omgeving. Daarnaast wordt er een woning gelegaliseerd in de voorzijde van de bestaande schuur. Doordat dit plaatsvindt in bestaande legale bebouwing, is er geen sprake van een 'realisatiefase'. Enkel het gebruik leidt tot een stikstofdepositie. De gebruiksfase van één woning beperkt zich in dit geval tot gasverbruik voor het verwarmen (wat in de voorgaande situatie bij gebruik als schuur ook al gebeurde) en de verkeersgeneratie. Dit gebruik valt echter in het niet bij de stikstofdepositie die vervalt vanwege de voormalige paardenhouderij.
Om die reden is het dan ook aannemelijk dat het aspect 'stikstof' de uitvoerbaarheid van het initiatief niet in de weg zit. Natuurnetwerk Nederland De planlocatie is gelegen buiten het Natuurnetwerk Nederland (Natuurnetwerk Gelderland). Aangezien het plangebied buiten het Natuurnetwerk en de groene ontwikkelingszone valt wordt het niet noodzakelijk
30
TAM - omgevingsplan Schotkampweg 179, Hoofdstuk 22n
geacht dat een verdere toetsing, in de vorm van ja, mits toets, aan de orde is. Soortbescherming Flora Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Vleermuizen Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Zoogdieren Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Vogels Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Overige soorten Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Houtopstanden Er worden geen bomen gekapt. Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet.
5.14.3
Conclusie
Vanuit het aspect flora en fauna bestaan er geen belemmeringen ten aanzien van onderhavig initiatief.
5.15 Milieubelastende activiteiten 5.15.1
Wettelijk kader
De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingswet worden het ruimtelijk spoor en het milieuspoor verder geïntegreerd. Het gemeentelijke omgevingsplan is straks hét instrument waarin deze integratie op lokaal niveau plaatsvindt. Het beleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Overal, maar voornamelijk ter plekke van bedrijven, kunnen milieubelastende activiteiten plaatsvinden die hinder opleveren voor gevoelige functies, zoals woningen. Daarom is het belangrijk om voldoende afstand te houden. Wat voldoende afstand is, is afhankelijk van de aard van de activiteiten. Meestal is geluid de belangrijkste factor, maar ook geur kan de afstand tot gevoelige functies bepalen. Gemeenten kunnen binnen de bandbreedte die het rijk geeft zelf bepalen wat aanvaardbare afstanden of aanvaardbare geluidof geurhinderniveaus zijn. Voor het bepalen welke activiteiten aanvaardbaar zijn, kan de VNG uitgave 'Handreiking activiteiten en milieuzonering' uit 2024 worden geraadpleegd. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een voor een locatie beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieuwaarden.
Niet meer met een vaste richtafstand per bedrijfstype, maar aan de hand van een concrete waarde per activiteit wordt het ruimtebeslag bepaald.
5.15.2
Beoordeling
Voor onderhavig project dient te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving en of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid.
ruimte voor ontwikkeling
31
De omgeving van het plangebied kan, gelet op de ligging aan de met de afwisseling van functies wonen, natuur en agrarisch, worden gekarakteriseerd als gemengd gebied. Een woning kan worden gezien als een gevoelige functie. In de omgeving van het plangebied zijn voornamelijk andere woningen en natuur aanwezig. Voor een beoordeling van de aspecten geluid en geur wordt verwezen naar de paragrafen 5.5 en 5.9. Direct ten zuiden van de planlocatie ligt een agrarisch perceel. Op basis van jurisprudentie moet 50 meter aangehouden worden tussen agrarische percelen en gevoelige objecten. Dit vanwege mogelijke gevolgen voor de gezondheid door het gebruik van bestrijdings- en/of gewasbeschermingsmiddelen. Deze afstand hoeft niet aangehouden te worden indien het omgevingsplan dit gebruik expliciet verbied. Indien niet aan deze afstand kan worden voldaan zijn er twee opties: Ten eerste kan een spuitvrije zone worden bestemd op het agrarische perceel waarmee wel aan de afstand van 50 meter kan worden voldaan. Of er kan locatie specifiek onderzoek/onderbouwing worden uitgevoerd waaruit blijkt dat bij een kortere afstand dan 50 meter ook een gezond leefklimaat bij de betreffende woningen en tuinen kan worden gegarandeerd. De woningen liggen binnen de 50 meter van het agrarische perceel.
De woning aan Schotkampweg 179 betreft een bestaande woning die enkel wordt omgezet van bedrijfswoning naar reguliere woning. De feitelijke situatie wijzigt niet. De (planologisch) nieuw te realiseren woning zit aan de voorzijde van de schuur. Het achterste gedeelte van de schuur zit tussen de woning en de agrarische percelen. Dit vormt een barrière voor eventuele schadelijke bestrijdgings- en/of gewasbeschermingsmiddelen. Om die reden is er voor het toevoegen van deze woning geen belemmering vanuit spuitzonering. De paardenbak ligt (te) dichtbij de woonfuncties. Echter, de paardenbak is in de huidige situatie ook al aanwezig. Met de ontmanteling van de paardenhouderij verkleind de milieubelasting op de omgeving. Om die reden wordt het aanvaardbaar geacht de paardenbak te behouden, omdat het totale plan leidt tot een verbetering van het woon- en leefklimaat. Een woning wordt niet gezien als een overlastgevende functie.
5.15.3
Conclusie
Vanuit milleubelastende overwegingen zijn er geen belemmeringen ten aanzien van onderhavig initiatief.
5.16 Duurzaamheid 5.16.1
Inleiding
Duurzame leefomgeving Een duurzame leefomgeving is belangrijk voor het goed functioneren van de natuur en mens. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang te werken aan instandhouding en/of verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en moet schade en overlast voorkomen worden. Daarbij moet rekening worden gehouden met toekomstige veranderingen, verwachtingen en onzekerheden; denk daarbij aan klimaatveranderingen. Goede stedenbouwkundige plannen en bouwplannen geven hieraan een passende invulling. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in klimaatbestendigheid en energietransitie. Klimaatbestendigheid Klimaatverandering is merkbaar en heeft steeds meer een effect op ons dagelijks leven. De zomers worden heter, langer en droger, en áls er regen valt dan komt die vaak in grote hoeveelheden. De winters worden warmer en natter. Dit heeft effect op het woon- en leefklimaat door hittestress, periodes van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Door met het stedenbouwkundig plan en bouwplan rekening te houden met het veranderende klimaat, kan overlast worden voorkomen en is er sprake van een klimaatbestendige ontwikkeling.
32
TAM - omgevingsplan Schotkampweg 179, Hoofdstuk 22n
Energietransitie Nederland heeft de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn en om de uitstoot van CO2 drastisch te verminderen. Om dit te kunnen realiseren zijn grote en kleine veranderingen nodig: de energietransitie. De omschakeling van het gebruik van fossiele brandstoffen naar meer duurzame vormen van energie is de grootste omslag, maar we zullen er ook bewust van moeten zijn dat we anders moeten gaan kijken naar ons energieverbruik. De energietransitie heeft ook een ruimtelijke inslag: het bestaand stedelijk gebied en buitengebied moeten (steden)bouwkundig worden aangepast en nieuwe ontwikkelingen worden toekomstbestendig ontwikkeld.
5.16.2
Beoordeling en conclusie
Met de voorgenomen ontwikkeling wordt voldaan aan de wettelijke normen en vereisten, en aangesloten bij de gestelde duurzaamheidskaders. Op het bijgebouw zullen zonnepanelen geplaatst worden.
5.17 Parkeren en verkeer 5.17.1
Parkeren
Op basis van de parkeernota Nunspeet 2014 kan inzicht worden verkregen in de nieuwe parkeersituatie. Voor een vrijstaande woning geldt een parkeernorm van 2,5 parkeerplaatsen per woning. Voor onderhavig initiatief met 1 woning geldt dan een parkeernorm van 3 parkeerplaatsen. Op eigen terrein is voldoende ruimte om aan deze parkeernorm te voldoen.
5.17.2
Verkeer
Het plangebied wordt ontsloten via de Schotkampweg. In de gewenste situatie is de verkeersgeneratie te bepalen aan de hand van kencijfers van de CROW-publicatie 744 'Parkeerkencijfers 2024, Basis voor parkeernormering'. Hierin is gekeken naar een vrijstaande koopwoning met een minimale verkeersgeneratie van 7,8 mvt/etmaal per woning. Dit komt neer op een verkeersaantrekkende werking van 8 mvt/etmaal.
5.17.3
Conclusie
Daar de parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd worden, vormt het aspect parkeren geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. De verkeersbewegingen nemen met onderhavig initiatief toe met minimaal 8 mvt/etmaal. Gezien de ligging en de verkeerssituatie ter hoogte van het plangebied wordt aangenomen dat dit niet tot problemen leidt met de verkeersafwikkeling in het plangebied. Daarnaast is de gewenste situatie als jaren de feitelijke situatie in het plangebied. Gezien er in de huidige situatie geen belemmeringe worden ervaren in de verkeersafwikkeling, zal dat in de toekomst naar verwachting ook zo zijn.
5.18 Kabels en leidingen Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgasleidingen afhankelijk van druk; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Uit het geldende Omgevingsplan van de gemeente Nunspeet is op te maken dat er geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn. Voor de verdere realisatie van het plan zal indien nodig een KLIC-melding gedaan worden om te
ruimte voor ontwikkeling
33
achterhalen of er relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn.
5.19 Milieueffectrapportage 5.19.1
Wettelijk kader
De wet- en regelgeving omtrent de m.e.r. is geen puur nationale aangelegenheid. De verplichting om in bepaalde gevallen een soort m.e.r. op te stellen volgt uit het Europese recht, te weten de m.e.r.-richtlijn en de Europese richtlijn voor Strategische Milieubeoordeling (SMB-richtlijn). De m.e.r.-regelgeving wordt onder de Omgevingswet geïmplementeerd in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit. Aangezien de regelgeving moet blijven voldoen aan de Europese richtlijnen verandert er relatief weinig met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit in 1 lijst zijn zowel de mer-plichtige als de mer-beoordelingsplichtige gevallen opgenomen en de daarvoor benodigde besluiten.
5.19.2
Beoordeling en conclusie
Voorliggende ontwikkeling wordt niet gezien als een 'stedelijk ontwikkelingsproject' (J.11 uit bijlage V Ob), waardoor niet beoordeeld hoeft te worden of er sprake zal zijn van aanzienlijke milieueffecten. Op grond van het voorgaande wordt het uitvoeren van een milieueffectrapportage niet noodzakelijk geacht.
34
TAM - omgevingsplan Schotkampweg 179, Hoofdstuk 22n
Hoofdstuk 6 6.1
Juridisch kader TAM Omgevingsplan
Algemeen
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
6.2
Opbouw regels
6.2.1 Algemeen Voorliggend plan betreft een TAM-omgevingsplan. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld doordat de plansoftware nog niet alle daarvoor benodigde functies biedt. Het kan ook zijn dat de gemeente te weinig tijd rest om het planproces goed te beproeven. Of dat er nog onvolkomenheden zijn in de landelijke voorziening. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplannen wijzigen. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van een bestemmingsplan. Dit TAM-omgevingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven.
Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: Inleidende regels; Functies en activiteiten; Algemene regels; Overgangsrecht.
6.2.2 Preambule voor hoofdstuk artikelnummering De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan worden gewijzigd, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De IMRO-standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering dus bij ‘artikel 1’ begint. Voor het TAM-IMRO omgevingsplan is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering onhoudbaar, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet. Om duidelijk te maken hoe een TAM-IMRO omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, stelt de VNG voor om na het object Regels en voor het toevoegen van het object Hoofdstuk een preambule op te nemen. De preambule geeft aan hoe het TAM-IMRO omgevingsplan in
ruimte voor ontwikkeling
35
samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. Als het TAM-IMRO omgevingsplan wordt geraadpleegd, is de preambule direct zichtbaar boven de regels.
6.2.3 Juridisch ponsen Het voor een bepaalde locatie vaststellen van nieuwe regels in een TAM-IMRO omgevingsplan zorgt er niet voor dat de oude regels op die locatie automatisch vervallen. Met andere woorden: het is niet mogelijk om in een TAM-IMRO omgevingsplan te ‘ponsen’. Om te voorkomen dat op een bepaalde locatie zowel nieuwe als oude regels gelden, wordt in dit TAM-omgevingsplan een toepassingsbereikbepaling opgenomen in artikel 3 van de inleidende regels: Artikel 1 (Toepassingsbereik) a.
b.
c.
De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het eerste lid. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 van dit omgevingsplan zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Schotkampweg 179 te Elspeet, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0302.TAM0022n-ow01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
6.2.4 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Anti-dubbeltelregel Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Algemene bouwregels In dit artikel worden de algemene bouwregels beschreven. Algemene gebruiksregels In dit artikel staat beschreven welk gebruik van gronden en bouwwerken in elk geval strijdig is met het TAM-omgevingsplan. Specifieke gebruiksregels In dit artikel staan pecifieke gebruiksregels m.b.t. onzelfstandige bewoning Algemene afwijkingsregels In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het TAM-omgevingsplan af te wijken. Parkeeractiviteiten In de overige regels zijn voorschriften opgenomen om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid en/of voldoende laad- en losruimte alsook aanvullende welstandscriteria.
6.2.5 Overgangsregels In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangsregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met deze wijziging van het omgevingsplan.
36
TAM - omgevingsplan Schotkampweg 179, Hoofdstuk 22n
6.3
Verantwoording van de regels
Een TAM-Omgevingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit TAM-omgevingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen functies in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Voor onderhavig TAM-omgevingsplan is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het tijdelijk deel omgevingsplan Nunspeet (bestemmingsplan 'Buitengebied 2023'). Deze zijn wel dusdanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet. Groen Onder de functie 'groen' is de groenstrook rondom het plangebied gebracht. Deze is bedoeld als beplanting tussen naastgelegen percelen. Wonen De bestaande woning heet de functie "Wonen" gekregen. Het gaat hier om een woning op een voormalig agrarisch perceel. De nieuwe woning bevindt zich in het voormalige agrarisch gebouw. Per vlak is een woning toegestaan, Nieuwbouw van woningen is beleidsmatig niet toegestaan. Wel kan een bestaande woning worden gesloopt en vervangen door een nieuwe woning. Naast de woningen blijft er een paardenbak bestaan hetwelk hobbymatig gebruikt zal worden.
Waarde - Archeologie 2 De gebieden die in de archeologische waardenkaart zijn aangeduid als gebieden met een hoge verwachtingswaarde vallen onder de beschermingscategorie Waarde - Archeologie 2. In deze gebieden is archeologisch onderzoek nodig als er een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 120 m², waarbij grondroerende werkzaamheden dieper dan 0,50 m onder het maaiveld plaatsvinden. Uit dit onderzoek zal moeten blijken op welke wijze meegewerkt kan worden aan een ingreep. Het kan zijn dat er geen waarden worden aangetroffen, in welk geval de ingreep zonder verdere voorwaarden kan worden uitgevoerd. Het kan ook zijn dat er wel archeologische resten worden gevonden, in welk geval één of meer voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen. Voor werken en werkzaamheden, anders dan bouwen, groter dan 2500m² is een vergunning vereist. Een omgevingsvergunning is niet vereist voor werken en werkzaamheden onder bestaande gebouwen of in een zone van 5 meter rondom bestaande gebouwen. Waarde - Jonge heideontginning De naam 'kolonie' had in de 19de eeuw betrekking op armoedige behuizingen en hutten die op jonge ontginningen en op de heide neergezet waren. In de 19de eeuw probeerde de overheid delen grond planmatig te ontginnen, zodat armere mensen een plek hadden waar zij een bestaan konden opbouwen.
Dit had onder andere te maken met een snelle bevolkingsgroei in de eerste helft van de 19de eeuw. In veel gevallen ging het om de wat armere grond die overgebleven was na eeuwenlang landgebruik tot 1800. Op oude kaarten is te zien dat het gebied zompig was. Dit verklaart niet alleen de naam 'Veenweg', maar geeft ook aan waarom dit land nog niet in gebruik was genomen. Bij Elspeet liggen de Grote en Kleine Kolonie. Het gaat hier om twee nederzettingen voor armere bewoners op de heide, in dit geval de Elspeter velden. De gemeente gaf de heide in erfpacht uit aan boeren in 1846. In Bijlage 2 bij de regels zijn hoofdstuk 3 onder 3.4.4. de kenmerken en waardevolle elementen beschreven. Daarbij is ook aangegeven waar rekening mee moet worden gehouden bij ruimtelijke ingrepen. In het omgevingsvergunningenstelsel zijn een aantal werken en werkzaamheden pas mogelijk nadat een omgevingsvergunning is verleend. Bij de afweging van deze vergunningen zal telkens rekening worden
ruimte voor ontwikkeling
37
gehouden met hetgeen in paragraaf 3.4.4. is omschreven.
38
TAM - omgevingsplan Schotkampweg 179, Hoofdstuk 22n
Hoofdstuk 7 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1
Economische uitvoerbaarheid
De planontwikkeling komt geheel voor rekening en risico van de initiatiefnemer. De ontwikkeling zal geschieden conform hetgeen bepaald is in de Omgevingswet. De verwezenlijking van het plan is dan ook niet afhankelijk van gemeentelijke investeringen. De kosten voor de ambtelijke afhandeling van de procedure worden verrekend op basis van de daarvoor geldende leges. Voor wat betreft nadeelcompensatie zal de gemeente indien nodig met initiatiefnemer een (anterieure) overeenkomst afsluiten. Het plan wordt dan ook economisch haalbaar geacht.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7.2.1 Participatie Ten aanzien van onderhavig initiatief heeft er participatie plaatsgevonden met de omwonenden van het plangebied. Dit is geschied conform de omgevingsdialoog gemeente Nunspeet, zoals omschreven in het participatiebeleid van de gemeente. Uit de participatie blijkt dat de omgeving geen probleem heeft met onderhavige ontwikkeling.
7.2.2 Procedure In voorbereiding op dit TAM-IMRO plan zijn er diverse overleggen met de gemeente gevoerd, waarin uiteindelijk besloten is deze ontwikkeling mogelijk te maken. Gezien de noodzaak tot het sluitend wijzigen van het omgevingsplan (van rechtswege) is een procedure middels een BOPA niet toereikend aangezien dan op de oude locatie het planologisch regime alsnog een woonark toestaat hetgeen niet de bedoeling is. Aangezien de gemeente Nunspeet nog geen nieuw omgevingsplan heeft dat van kracht is anders dan het omgevingsplan van rechtswege is de TAM-IMRO procedure dus de aangewezen manier om het planvoornemen planologisch te regelen. Het ontwerp TAM-omgevingsplan en de bijbehorende stukken liggen voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage. Binnen deze zes weken vanaf het moment van terinzagelegging van het ontwerp-omgevingsplan kan een ieder zienswijzen inbrengen. Dit kan schriftelijk of mondeling plaatsvinden. Er zijn ... zienswijzen op het ontwerp TAM-omgevingsplan ingediend, allen binnen de termijn van ter visielegging. Deze zienswijzen en ambtshalve wijzigingen (eveneens opgenomen in bijlage ...) zijn verwerkt in het TAM-omgevingsplan.
ruimte voor ontwikkeling
39