CConstaterende datNunspeet
Koppel je AI →
Document · PDF

AP 5. St.t.i. Bijlagen bij de toelichting Bijlage 6 Quickscan flora en fauna

Raadsvergadering 24 juni 2021, gemeente NunspeetBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan bedrijventerrein Elspeet7.616 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan Wet natuurbescherming Bedrijvenstrip te Elspeet

1

Colofon

Status:

Definitief

Project:

BE/2019/328/r

Datum:

31 juli 2020

Samensteller(s):

ing. G. Fairhurst ing. ir. K.J. Rebergen

Collegiale toets:

ing. ir. K.J. Rebergen

Opdrachtgever: Buro SRO B.V. Sweerts de Landasstraat 30 6814 DG Arnhem Contactpersoon:

dhr. E. Mekelenkamp dhr. M. Geerts

Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. © Blom Ecologie B.V. / Buro SRO B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.

2

Inhoud 1 Inleiding ........................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding

4

1.2 Planlocatie

5

1.3 Functieverandering en effecten

7

2 Methode ........................................................................................................................... 8 2.1 Wet natuurbescherming

8

2.2 Methode

9

3 Beoordeling.................................................................................................................... 11 3.1 Soortenbescherming (a)

11

3.2 Gebiedsbescherming (b)

18

3.3 Houtopstanden (c)

20

4 Conclusie en advies ...................................................................................................... 21 4.1 Conclusies

21

4.2 Vervolgstappen

22

4.3 Maatregelen

23

5 Literatuur........................................................................................................................ 24

3

1 Inleiding 1.1

Aanleiding Aan de Uddelerweg, Heetkamp, en Apeldoornseweg te Elspeet zijn agrarische akkers, een aantal veestallen met woningen, een bosschage en een houtsingel gesitueerd. In de houtsingel is sinds 2013 het voorkomen van een dassenbucht bekend (Faunaconsult, 2013). De Gemeente Nunspeet is voornemens op het perceel een aantal woningen en bedrijfslocaties te realiseren. De veestallen aan de noordoostzijde zullen hiervoor gesaneerd moeten worden. De bijbehorende

woningen

zullen

behouden

blijven.

Hiervoor

dient

een

bestemmingsplanwijziging plaats te vinden. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van het plangebied voor deze soorten in kaart gebracht. Gezien de aanpassingen gedurende de ontwikkeling van het project zijn er verschillende veldbezoeken uitgevoerd, namelijk in 2019 en 2020. Tevens heeft in 2020 een bomeninspectie plaatsgevonden. Buro SRO B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht het plangebied te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan. Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art.

3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op het plangebied? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft

de

beoogde

ruimtelijke

ingreep

een

negatief

effect

op

het

de

instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van het Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?

4

1.2

Plangebied De planlocatie aan de Uddelerweg, Heetkamp, en Apeldoornseweg betreft drie agrarische (mais)velden en een aantal agrarische terreinen met opstallen en woningen ten zuiden van de bebouwde kom van Elspeet (figuur 1.1). Aan de westzijde van de opstallen staat een bosschage bestaande uit voornamelijk zomereik, ruwe berk, gewone esdoorn met een ondergroei van hazelaar en eenstijlige meidoorn.

Figuur 1.1

Het plangebied (rood omkaderd) is gelegen aan de Uddelereweg, Heetkamp en Apeldoornseweg te Elspeet (bron: arcgis.com).

Ten midden, noorden en aan de oostzijde van de planlocatie liggen houtsingels met ruwe berk, gewone braam, hulst en zomereik. In het midden van de planlocatie ligt een houtsingel bestaande uit zomereik, gewone vlier en gewone braamstruiken. In deze houtsingel liggen een aantal dassenpijpen (figuur 1.2). Aan de westzijde is de Uddelerweg gesitueerd en aan de zuidzijde, buiten de planlocatie, zijn een aantal vrijstaande woningen met bijbehorende tuinen gelegen. Om het plangebied heen liggen bosstroken afgewisseld met agrarische velden en heide velden welke verbonden zijn met het Elspeterbosch. De bebouwing op het plangebied is als volgt opgebouwd: A. betreft een stal opgetrokken uit gemetselde muren, met damwandplaten zonder spouw en heeft een golfplaten dak met isolatieplaten; B.

betreft een stal opgetrokken uit stenen muren met op de kopgevels damwandplaten zonder spouw en een golfplaten dak;

C. betreft een loods opgetrokken uit betonnen muren zonder spouw en een golfplaten dak en een uit damwandplaten opgetrokken bijgebouw; D. de kleine (bij)woning (80A) is opgetrokken uit stenen muren met een pannen zadeldak met daaronder houtenbalken. De woningen 78 en 80, de schuur van het agrarische terrein blijven behouden en vallen derhalve buiten de planlocatie. In figuur 1.3, 1.4 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door agrarische terreinen, akkers en 5

groenstructuren. Op circa 350 m ten westen ligt de Uddelereweg, op circa 200 m ten oosten en 400 m ten zuiden begint het bos dat verbinden staat met de Veluwe.

6

Figuur 1.2

De opstallen aan de Apeldoornseweg 78 te Elspeet, de woningen en schuur blijven behouden.

Figuur 1.3

Fotografische indruk van het plangebied, twee dassenpijpen en de directe omgeving hiervan.

Figuur 1.4

Fotografische indruk van de te saneren opstallen.

1.3

Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft het saneren van de opstallen, verwijderen van de bosschage en de realisatie van een bedrijvenstrip bestaande uit bedrijfspanden, woningen en infrastructuur. De functie van de planlocatie dient gewijzigd te worden. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: ·

saneren van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal;

·

kappen van bomen: kap- en rooiwerkzaamheden en afvoer hout;

·

verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen;

·

egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport;

·

realisatie bedrijvenstrip met woningen en bedrijfspanden: algemene bouwwerkzaamheden;

·

revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

7

2 Theoretisch kader en methodiek 2.1

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De

soortenbescherming

is

opgedeeld

in

de

volgende

beschermingsregimes:

Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten. In de verordening Ruimte van de provincie Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.1

Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland.

Aardmuis

Gewone bosspitsmuis

Ondergrondse woelmuis

Bastaardkikker

Gewone pad

Ree

Bosmuis

Haas

Rosse woelmuis

Bruine kikker

Huisspitsmuis

Tweekleurige bosspitsmuis

Dwergmuis

Kleine watersalamander

Veldmuis

Dwergspitsmuis

Konijn

Vos

Egel

Meerkikker

Woelrat

(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden, het Gelders natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht. 8

(c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m 2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per

hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

2.2

Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op het plangebied, de betekenis van het plangebied voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit drie veldbezoeken over de periode april 2019 en juli 2020 en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek(en) Gedurende de ontwikkeling van het project zijn keuzes gemaakt in de te ontwikkelen gebied. In totaal zijn hiervoor derhalve drie veldbezoeken afgelegd, waarbij verschillende delen van de planlocatie op verscheidene momenten onderzocht zijn. Een veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens zo’n veldbezoek wordt de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het eerste heeft plaatsgevonden op 1 mei 2019 en is uitgevoerd door ir. ing. K.J. Rebergen. Gedurende dit veldbezoek is voornamelijk gericht op de agrarische percelen en de houtsingel. De weersomstandigheden tijdens dit veldbezoek waren; droog, 4/8 bewolkt, 14° Celsius en windkracht 1-2 (Bft). Het tweede veldbezoek heeft plaatsgevonden op 28 april 2020 en is uitgevoerd door ing. G. Fairhurst.

Gedurende dit veldbezoek is de potentie van de te saneren bebouwing onderzocht. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog/lichte regen, 7/8 bewolkt, 10° Celsius en windkracht 1-2 (Bft). En het laatste 9

veldbezoek betrof een bomeninspectie omtrent de bosschage ten zuidwesten van de veestallen en heeft plaatsgevonden op 6 juli 2020 en is uitgevoerd door dhr. M. A. Brinkbaumer. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; regen, 8/8 bewolkt, 17° Celsius en windkracht 1-2 (Bft). De resultaten van alle veldbezoeken zijn verwerkt in voorliggend rapport.

Figuur 2.1

verschillende delen van de planlocatie zijn op verscheidene momenten onderzocht.

Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een plangebied en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

10

3 Beoordeling 3.1

Soortenbescherming (a) Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van het plangebied en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten In de directe omgeving, binnen een straal van 2 km, van de planlocatie is het voorkomen van beschermde vaatplanten niet bekend (NDFF 2010-2020). Gedurende de veldbezoeken zijn enkel inheemse of aangeplante kruiden zonder beschermde status aangetroffen. Enkele waargenomen soorten betreffen: akkerviooltje, herderstasje, hulst, kleine brandnetel, klimop, laurier, look-zonder-look, stinkende gouwe, vingerhoedskruid en wilde judaspenning. De planlocatie is voor een groot deel verhard en bebouwd en wordt omringd door bomen, groenstructuren, akkers en grasweides. Op de muren van de bebouwing (c.q. veestallen) is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen.

De houtsingels en de bosschage bestaan uit: eenstijlige meidoorn, gewone braam, gewone esdoorn, gewone vlier, hazelaar, populier, ruwe berk en zomereik. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve uitgesloten kunnen worden. Grondgebonden zoogdieren Zoogdieren

prefereren

een

leefomgeving

waarin

voldoende

voedsel,

rust-

en

voortplantingsmogelijkheden aanwezig zijn. In de omgeving, binnen een straal van 3 km, is onder andere de aanwezigheid van de volgende soorten vastgesteld: aardmuis, boommarter, bosmuis, bruine rat, damhert, das, dwergmuis, dwergspitsmuis, edelhert, egel, haas, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rode eekhoorn, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en wild zwijn (NDFF 2010-2020). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: boommarter, damhert, das, edelhert, rode eekhoorn, wezel en wild zwijn. Voor grote zoogdiersoorten als het damhert, edelhert en wild zwijn, is geen geschikt functioneel leefgebied aanwezig, door de mate van verstoring en omheining. De boommarter en rode eekhoorn zijn beide soorten die sterk verbonden zijn aan boomrijke gebieden als bossen, bosranden en parken. Om de planlocatie heen liggen verschillende groenstroken als bomenrijen, bosschages en houtsingels die in verbinding staan met het grote bosgebied van de Veluwe. Hierdoor bestaat er een mogelijkheid dat de soorten (sporadisch) voorkomen in de omgeving van de planlocatie. 11

Boven genoemde structuren met behoudens van de bosschage blijven binnen de beoogde ontwikkeling behouden. Echter zijn in de bosschage geen sporen en/of geschikte nestlocaties voor deze soorten aangetroffen waardoor er geen sprake is van afname van rust- of voortplantingsplaatsen. Door voorgenoemde kunnen negatieve effecten op de boommarter en rode eekhoorn uitgesloten worden. Das (Meles meles) In de houtsingel aan de oostzijde van het plangebied bevindt zich een dassenburcht. In 2013 is deze dassenburcht onderzocht op functionaliteit door Faunaconsult. Hieruit bleek dat er een hoofdburcht van circa 17 pijpen en twee bijburchten aanwezig waren (Hovens, 2013). Uit de aanwezigheid van verse grote dassenprenten en middelgrote dassenprenten rondom de burcht, de aanwezigheid van nestmateriaal en uit de hoeveelheid vers graafwerk, is geconcludeerd dat de bucht toentertijd permanent bewoond werd door meerdere dassen. Buro SRO heeft Blom Ecologie B.V. verzocht om tijdens de quickscan de dassenburcht te onderzoeken op sporen die duiden op recentelijke activiteit. De dassenburcht is derhalve op het eerste veldbezoek (d.d. 01-05-2019) onderzocht. De houtsingel is omringd door (voormalige) agrarische percelen en een paardenweide. Tijdens het eerste veldbezoek zijn er sporen van (recentelijk) dassenactiviteit rond de burchten waargenomen (figuur 3.1).

Bij een aantal van de pijpen van de hoofdburcht en de pijpen van beide bijburchten was een grote hoeveelheid vers nestmateriaal aanwezigheid en een ruime hoeveelheid vers graafwerk in de vorm van een glijgoot (geul komend vanuit de pijp). Bij de overige pijpen waren de sporen ouder. In een aantal van de gangen waren spinnenwebben, takken en ingestorte grond aanwezig. Hierdoor is het aannemelijk dat deze gangen niet recentelijk zijn gebruikt. Door de verse sporen bij de overige ingangen, kan het gebruik van de burchten door dassen niet uitgesloten worden.

Figuur 3.1

Sporen als graafsporen bij een dassenpijp en aangevreten maiskolven.

Naast de sporen voor de pijpen van de burchten, zijn er tijdens het betreffende veldbezoek (d.d. 01-05-2019) tevens een aantal latrines waargenomen. Deze latrines dienen als communicatiemiddel, bijvoorbeeld voor het afbakenen van hun territorium, of het uitwisselen van informatie zoals de beschikbaarheid van een vrouwtje. Indien veel regenwormen gegeten zijn bestaan de uitwerpselen uit een grijze tot zwarte brei. 12

Regenwormen vormen het grootste deel van het voedsel van de das (stapelvoedsel). Daarnaast eten dassen bosvruchten, valfruit, noten, eikels, granen (vooral maïs en tarwe), paddenstoelen, jonge knaagdieren, egels, slakken en insecten (zoals kevers en wespen- en hommelbroed) en de larven van langpootmuggen (emelten) en kevers (engerlingen) (Kennisdocument Das, 2017). Een vijfde van het dieet bestaat uit maïskorrels, afkomstig van gemorste oogst of omgeduwde stengels. In de uitwerpselen van de das zijn geen restanten van mais gevonden. Mais is voornamelijk een voedselbron wanneer er in de omgeving geen regenwormen beschikbaar zijn, bijvoorbeeld als het lang droog is geweest of de bodem bevroren. In de omgeving van de dassenburchten zijn slechts enkele haren van dassen waargenomen. Er zijn op de akkers geen prenten gevonden. De hoeveelheid aanwezige dassen is op basis van de waargenomen sporen (c.q. nestmateriaal en latrines) lastig in te schatten. Verspreid door het territorium worden zogenaamde vluchtpijpen aangelegd. Een pijp van enkele meters die naar een kamer leidt. Dassen kunnen daar in geval van nood vluchten, of kort verblijven om te rusten. Mogelijk betreffen de pijpen slechts ‘vluchtpijpen’. Aangezien percelen rondom de dassenburcht niet het gehele jaar rond voedsel bieden, kunnen alternatieve foerageergebieden binnen een territorium van groot belang zijn.

Een familie van dassen is optimaal aangepast aan zijn territorium en benut afhankelijk van het jaargetijde of de weergesteldheid alle foerageermogelijkheden van dat territorium. Die vervullen dus allemaal een belangrijke functie, om de functionaliteit van het leefgebied te kunnen waarborgen. De maispercelen zullen vanaf dit jaar niet meer in gebruik worden genomen. Hierdoor kan een belangrijke functie voor de dassenbucht wegvallen. Door de dassenburcht voor een langere tijd te monitoren, kan tevens achterhaald worden in welke jaargetijde de dassenburcht een functie uitoefent en in de toekomst zal uitoefenen. Het plangebied heeft tevens een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Vleermuizen In de omgeving, binnen een straal van 3 km, is het voorkomen bekend van onder andere: baardvleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (NDFF 2010-2020).

Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke

groenelementen

kunnen

een

functioneel

onderdeel

zijn

van

een

vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Op de planlocatie zijn de te kappen bomen geïnspecteerd tijdens een bomeninspectie (d.d. 0607-2020) op de aanwezigheid van boomholten welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. Met uitzondering van één zomereik betreffen het voornamelijk spillenbomen met een hoogte van maximaal 10-15 m en een diameter van 20-30 cm. In deze bomen zijn enkele holten of scheuren aanwezig, echter zijn deze of kleiner dan 1,5 cm of niet naar boven ingerot waardoor de holten ongeschikt zijn als rust- of verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. De zomereik heeft een omtrek van circa 120 cm, hier zijn echter geen holtes of

13

afgebroken takken in waargenomen. Hierdoor is er geen sprake is afname van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. De te slopen stallen, loods en (bij)woning zijn nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden. Zo’n verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De stallen en loods zijn opgetrokken uit stenenmuren zonder spouw en damwandplaten met golfplaten daken. De damwandplaten sluiten direct aan op de muren waardoor deze ontoegankelijk zijn voor vleermuizen. De loods heeft geen dakbeschot en heeft tevens geen geschikte in- en uitvliegopeningen. De stallen hebben isolatieplaten, echter is de ruimte tussen het golfplaten dak en de isolatieplaten slecht bereikbaar.

Daarnaast is er geen stabiel microklimaat aanwezig onder de golfplaten doordat deze in de zon snel opwarmen en te heet worden en door de bollingen hebben deze tevens geen bufferend vermogen. Er zijn hierdoor geen uitwijkmogelijkheid om voor de dieren een koude locatie te vinden. Hierdoor kan de aanwezigheid van gebouwbewonende vleermuizen in de loods en stallen uitgesloten worden. De (bij)woning 80A (D) is opgetrokken uit stenen muren en heeft een pannen zadeldak met kierende kant- en nokpannen. Hierdoor is de ruimte tussen de dakpannen en het dakbeschot toegankelijk voor vleermuizen. Derhalve kan de aanwezigheid van vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis in de woning niet uitgesloten worden. Indien deze woning gesaneerd wordt dient er voorafgaand aanvullend onderzoek naar de af- of aanwezigheid van vleermuizen vast gesteld te worden. Dit kan middels vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september. Hoewel het mogelijk is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Ten gevolge van de beoogde ontwikkeling worden deze niet aangetast doordat de luwten van omliggende omgeving intact blijven.

Enkel de bosschage zal gekapt worden dit zal aannemelijk geen onderdeel uitmaken van een essentiële vliegroute doordat deze niet naar een essentieel foerageergebied leidt maar enkel naar de stallen van het agrarisch terrein. Mogelijk maakt de houtsingel te midden van de planlocatie wel onderdeel uit van een dergelijk essentiële migratieroute, deze zal binnen de beoogde ontwikkeling behouden blijven. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang.

Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. 14

Amfibieën In de omgeving, binnen een straal van 2 km, is de aanwezigheid bekend van de Alpenwatersalamander, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander (NDFF 20102020). Voor de Alpenwatersalamander geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Tijdens de veldbezoeken zijn geen amfibieën aangetroffen op de planlocatie. De planlocatie is gedeeltelijk verhard, bestaat uit agrarische (mais)velden en houtsingels. Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan is tevens geen oppervlaktewater aanwezig, hierdoor is er geen sprake van functioneel voortplantingswater voor amfibieën. Daarnaast zijn de dichtstbijzijnde waarnemingen van de Alpenwatersalamander bekend op minimaal 1,5 km van de planlocatie. Hierdoor maakt de houtsingel en de vorstvrije structuren geen onderdeel uit het landhabitat van de soort. Derhalve kan de aanwezigheid van essentieel functioneel leefgebied van de Alpenwatersalamander uitgesloten worden. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie.

Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen In de omgeving, binnen een straal van 2 km, is de aanwezigheid bekend van de adder, gladde slang, hazelworm, levendbarende hagedis, ringslang en zandhagedis (NDFF 2010-2020). Voor alle inheemse reptielen geld dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. De adder, gladde slang, hazelworm, levendbarende hagedis en zandhagedis geven de voorkeur aan afwisselende (zandige) biotopen met voldoende schuil en zonplaatsen. De ringslang geeft specifiek de voorkeur aan waterrijke gebieden met een ruim voedselaanbod van voornamelijk amfibieën. Gezien de afwezigheid van de voorgenoemde biotopen, de hoge mate van menselijke verstoring en doordat de planlocatie voor een groot deel is verhard of uit akkers bestaat, maakt de planlocatie geen onderdeel uit van functioneel leefgebied van de voorgenoemde soorten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten.

Vissen Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkelingen bevindt zich geen oppervlaktewater. Effecten op (beschermde) vissen zijn per definitie uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden In de omgeving, binnen een straal van 2 km, is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde bosparelmoervlinder, gentiaanblauwtje en grote vos: (NDFF 2010-2020). Mogelijk komen deze soorten in de directe omgeving van de planlocatie voor, echter doordat de planlocatie is voor een groot deel verhard en bebouwd of bestaat uit agrarische percelen en er geen plantensoorten zijn aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen kan aanwezigheid van beschermde soorten uitgesloten worden. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die

15

duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op het plangebied en de directe omgeving hiervan zijn tijdens de veldbezoeken de volgende soorten waargenomen: groenling, grote bonte specht, groene specht, heggenmus, houtduif, kauw, koolmees, merel, pimpelmees, roodborst, vink en zwarte kraai. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende de drie veldbezoeken zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nestlocatie en/of leefgebied. De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, zeer incidenteel onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden

aanwezig

zijn

(BIJ12

kennisdocument

Huismus,

2017).

Volgens

de

Huismusbescherming Nederland dien een geschikte broedruimte een minimale grootte van 16 x 28 cm met een bodem-oppervlak en 15cm hoog te hebben. De twee stallen en de loods hebben golfplaten daken. Enkel bij uitzonderlijke gevallen en bij de afwezigheid van betere alternatieve nestlocaties kunnen er nesten voorkomen onder golfplaten daken. Hierbij is het echter van belang dat de ruimte tussen dak en dakbeschot niet te heet wordt, aangezien golfplaten een zeer beperkte isolatiewaarde hebben en huismusjongen gevoelig zijn voor te hoge temperaturen. Doordat er een zeer nauwe ruimte aanwezig is tussen het golfplaten dak en de isolatieplaten is er zeer beperkte ruimte aanwezig en tevens wordt het snel erg heet onder het dak, dit wordt tevens versterkt doordat er geen schaduw aanwezig op de loods en stallen. Door deze hoge temperaturen is het dak ongeschikt als nestlocatie voor huismussen. Daarnaast is onder het pannendak van de woning 80A geen geschikte nestlocatie aanwezig doordat hier houtenbalken de ruimte tussen het dakbeschot en dakpannen afsluit (figuur 3.2). Door vorengenoemd en doordat in de directe omgeving van de loods en schuren geen groen(blijvende) hagen en struiken aanwezig zijn die dekking en voedsel kunnen bieden, kan de aanwezigheid van nestlocaties van de huismus uitgesloten worden.

Tevens zijn er in de directe omgeving van de planlocatie geen huismussen gezien en/of gehoord. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van functioneel leefgebied. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake.

16

Figuur 3.2

De loods en twee stallen hebben snel heet wordende golfplaten met een beperkte ruimte en het dak van de woning 80A is ontoegankelijk voor huismussen.

De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De soort is vaak te vinden in woonwijken en is vrij zeldzaam in landelijk gebied. In de bebouwing zijn geen geschikte in- en uitvliegopeningen aanwezig die naar mogelijke nestlocaties leiden. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. Om de bebouwing zijn geen sporen van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Daarnaast zijn in de bebouwing geen geschikte openingen aanwezig die naar een geschikte nest- of rust ruimte leiden. In de omgeving zijn verschillende waarnemingen bekend van beschermde uilensoorten, opvallend is dat deze waarnemingen steeds geclusterd zijn op een aantal plaatsen. Dit betreffen bosschages of agrarische terreinen buiten de planlocatie. Hierdoor en door de afwezigheid van sporen is het aannemelijk dat de planlocatie geen essentieel leefgebied is voor beschermde uilensoorten. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen rondom de planlocatie. De aanwezigheid van nesten van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil wordt niet verwacht. Mogelijk maken beschermde uilen- en roofvogelsoorten gebruik van de houtsingels en de akkers ten zuiden als foerageergebied.

Deze zullen binnen de beoogde ontwikkeling behouden blijven. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie bestaat onder andere uit de houtsingel, een essentiële functie voor de grote bonte specht. Ten tijde van het eerste en tweede veldbezoek zijn er een aantal keer roffels gehoord. De houtsingel binnen het plangebied kan geschikt zijn als voortplantings-, foerageer-, en verblijfgebied voor algemene vogelsoorten. Tijdens de bomen inspectie zijn geen spechten holen aangetroffen in de bosschage. Deze wordt aannemelijk niet gebruikt als nestlocatie van de grote bonte specht. Gezien de houtsingels behouden blijven en in de directe omgeving een groot bosgebied aanwezig is kunnen negatieve effecten op de soort uitgesloten worden, mits er rekening wordt gehouden met de Algemene zorgplicht. Tevens kan de bebouwing en overige groenstructuren geschikt zijn voor duiven, kauwen en kleine zangvogels. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van deze soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van 17

algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

3.2

Gebiedsbescherming (b) Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000, het Gelders Natuurnetwerk of Groene Ontwikkelingszone. Op een afstand van circa 20 m ligt het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ (figuur 3.3). Op een afstand van circa 20 m ligt het Gelders Natuurnetwerk en op circa 10 m ligt een Groene Ontwikkelingszone (figuur 3.4).

Figuur 3.3

Het plangebied ligt op een afstand van circa 20 m tot het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ (bron: Arcgis.com).

18

Figuur 3.4

Het plangebied ligt op een afstand van circa 20 m tot het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 20 tot een Groen Ontwikkelingszone (bron: Arcgis.com).

Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Echter gezien de werkzaamheden op een zeer korte afstand plaatsvinden wordt ten aanzien van lichtverstoring geadviseerd enkel tussen zonsopkomst en zonsondergang te werken. Ten aanzien van het Natura 2000-gebied geldt voor veel werkzaamheden dat een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geen negatief effect sorteren doordat de tussenliggende weilanden en de N310 een bufferend vermogen hebben. Echter de werkzaamheden aan de weg (c.q. de aanleg van de rotonde) zal op een zeer korte afstand plaatsvinden waardoor het bufferende vermogen wegvalt. Naar verwachting zullen deze effecten enkel van korte en tijdelijke aard zijn, echter dient er een Voortoets opgesteld te worden waarin deze effecten inzichtelijk worden gemaakt. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten.

In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft de sanering van de opstallen en het kappen van de bosschage ten behoeve van de realisatie van een bedrijvenstrip. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de sloopwerkzaamheden en aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke

19

stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’). In de handreiking ‘woningbouw en AERIUS’ (Rijksoverheid januari 2020) wordt uitgegaan van de volgende kengetallen: ·

Emissie woning tijdens gebruiksfase: geen;

·

Emissie uit verkeer tijdens gebruiksfase: 0,27 kg NOx per woning;

·

Emissie uit de aanlegfase (mobiele werktuigen en transport): 3 kg NOx per woning.

Gezien er een geringe afstand (20 m) is tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’, wordt geadviseerd om een berekening met de AERIUS Calculator uit te voeren. Hiermee kan inzichtelijk gemaakt worden of er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden.

3.3

Houtopstanden (c) In de beoogde ingreep zijn kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Echter, vallen de houtopstanden onder type a (houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom). Het kappen/verwijderen van houtopstanden op het plangebied is derhalve niet meldingsplichtig in het kader van de Wet natuurbescherming. Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.

20

4 Conclusie en advies Conclusies (a)

Soortenbescherming

Het plangebied heeft mogelijk een essentiële betekenis voor de das en gebouwbewonende vleermuizen. Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de functie en gebruik van de houtsingel t.a.v. de das. Indien de woning 80A gesaneerd wordt, dient er een aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de aan- of afwezigheid van gebouwbewonende vleermuizen. Het plangebied is tevens geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b)

Gebiedsbescherming

De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Gelders Natuurnetwerk of Groene Ontwikkelingszone. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden. Dit kan middels de AERIUS Calculator. Gezien de werkzaamheden aan de weg aan de westzijde op een zeer korte afstand van het Natura 2000gebied plaats vinden dient middels een Voortoets mogelijke (negatieve) effecten inzichtelijk gemaakt te worden. (c)

Houtopstanden

Op het plangebied zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Tabel 2

Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna en ook de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap. (a) algemene broedvogel en cat. 5 soorten, (j) jaarrond beschermde nesten,

+

+/-

-

-

-

-

-

+/-

-

n

n

n

n

broedvogels (j)

Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort

broedvogels (a)

vissen

reptielen

amfibieën

n (nee)/ j (ja)/ m (maatregelen)

ongewervelden

+ = geschikt

insecten en

- = ongeschikt

vleermuizen

Soortenbescherming

zoogdieren

Legenda

grondgebonden

cat. 1 t/m 4 soorten.

vaatplanten

4.1

+

+/-

n

n

Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort

-

-

Geschikt habitat Andere soort

-

+

Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk

n

j

Gebiedsbescherming

afstand

effecten

nader onderzoek

Natura 2000

20 m

stikstof/overig

AERIUS/Voortoets

Gelders Natuurnetwerk

20 m

geen

n.v.t.

Groene Ontwikkelingszone

10 m

geen

n.v.t.

Houtopstanden

aanwezig

kap

melding

Struiken

ja

ja

n.v.t.

Bomen

ja

ja

n.v.t.

j*

* Indien de woning 80A (D) gesaneerd zal worden.

21

Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding houtopstanden in het kader van de Wnb. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld welke functie de houtsingel heeft voor de das en of er sprake is van negatieve (verstorende) effecten op de soort. Daarnaast dient bepaalt te worden of de te slopen bebouwing (woning 80A) een relevante functie heeft voor vleermuizen (soortenbescherming). Indien beschermde soorten gebruik maken van de planlocatie zal bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen van de verbodsbepalingen Wet nb art 3.1, lid 2 en 4 (vleermuizen) alsmede Wet nb, art 3.10 lid 1(b) en 2(art 3.5) (das). De voorwaarden betreffen: het onderzoek wordt uitgevoerd conform de meest actuele versie van het vleermuisprotocol en BIJ12 document, er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Om negatieve effecten omtrent stikstofdepositie in het kader van gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een berekening door middel van de AERIUS Calculator uitgevoerd te worden.

Daarnaast dient een middels een Voortoets mogelijke (negatieve) effecten inzichtelijk gemaakt te worden. Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. Conclusie De ontwikkeling aan de Uddelerweg, Heetkamp, en Apeldoornseweg te Elspeet is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

4.2

Vervolgstappen • Ten aanzien van de dassenburcht dient deze gedurende een periode tussen juni – maart onderzocht te worden m.b.v. strategisch geplaatste cameravallen om zo de activiteit van de dassenburchten te achterhalen en de volgende vragen te kunnen beantwoorden: (i) Hoeveel dassen maken er gebruikt van de dassenburchten? (ii) Welke pijpen worden er frequent gebruikt door de das? (iii) In welke jaargetijde maakt de das gebruik van de dassenburchten? (iv) Zal de eventuele functionaliteit van de dassenburcht(en) verloren gaan door de beoogde ontwikkelingen? (iv) Zijn er maatregelen ter compensatie noodzakelijk indien de beoogde ontwikkelingen plaatsvinden? • Indien de woning 80A gesaneerd zal worden dient voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar gebouwbewonende vleermuizen uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september. Het plangebied heeft potentie voor zomer-, kraam- en paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, ruige en laatvlieger. • Voor de beoogde ontwikkeling dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden. Dit kan middels de AERIUS-calculator.

22

4.3

Maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • Het plangebied tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Er wordt geadviseerd om voor tijdens en na de beoogde ontwikkeling een lichtplat op te stellen waarbij gebruik wordt gemaakt van vleermuisvriendelijk verlichtring als amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel. • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli).

Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

23

5 Literatuur Bang, P. & P. Dahlström, 2005. Tierspuren. Fährten, Fraβspuren, Losungen, Gewölle und andere. BLV Buchverlag GmbH & Co. KG, München. BIJ12, 2017. Kennisdocument Das Meles meles, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Eekeren, N. van., 2003. Leven onder de graszode. Louis Bolk Instituut, Driebergen. Faunaconsult, 2013.

Flora- en Faunaonderzoek bedrijvenstrip Elspeet. Faunaconsult, Belfeld. Hovens, J.P.M., 2013. Flora- en faunaonderzoek Bedrijvenstrip Elspeet. Faunaconsult. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Zoogdierwerkgroep IVN Deventer, 2010. Dassensporen versie 23-09-2010.

Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl

24

Bijlage 1

Fotografische impressie

Figuur 1 Een van de agrarische velden met daarachter de bosschage en een deel van de houtsingel, onderzocht tijdens het eerste veldbezoek op 1 mei 2019.

Figuur 2

De houtsingel.

25

Figuur 3 De opstallen aan de Apeldoornseweg worden gesaneerd, onderzocht tijdens het tweede veldbezoek op 28 april 2020.

Figuur 4

26

Een van de schuren (rechts) en de woning 80A.

Figuur 5

De bosschage en een maisakker, onderzocht met een bomeninspectie op 6 juli 2020.

Figuur 6

De bomen in de bosschage.

27

Bijlage 2

Vervolgstappen Wet natuurbescherming

Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie het plangebied al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.

28

Stap 4b. Is er sprake van een wettelijk belang? Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4b).

Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5b).

29

Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2).

30

31

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10274895/1