CConstaterende datNunspeet
Koppel je AI →
Document · PDF

AP 4a. Overzicht schr. vrg. en antw. Maatschappij en Middelen 2 december 2021

Commissie Maatschappij en Middelen 2 december 2021, gemeente NunspeetBij agendapunt: Mededelingen (burgemeester, college en commissie)9.245 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Overzicht schriftelijke vragen Maatschappij en Middelen 2 december 2021 per agendapunt. ☐3.

Rondvraag.

R.A. de Bruin (SGP) Vraag: Stuk ter kennisname nr.1: Ik mis in de enquête bij het onderdeel activiteiten, kerkelijke activiteiten, zoals jeugdverenigingen. Klopt dat? En is het een bewuste keus geweest deze niet op te nemen? Antwoord: Dat klopt. Het jongerenonderzoek richtte zich primair op het evalueren van aanbod vanuit welzijn. Om een zo volledig mogelijk beeld te krijgen van de vrijetijdsbesteding is aanvullend gevraagd naar bv. deelname aan sportactiviteiten, muzieklessen, kerkelijke activiteiten e.d.. Hierop is echter niet diep ingegaan omdat de resultaten specifiek bestemd zijn voor welzijnsorganisaties en inclusie-agenda. ☐6a.

Stand van zaken Jeugdzorg (aan de hand van mededelingenbrief wethouder).

A.J. Timmerman (PvdA/GroenLinks) Vraag 1: De Gelderse Verbeteragenda Jeugdbescherming kent 11 resultaatafspraken. In de mededelingenbrief staat niet dat er indicatoren zijn om het behalen van de resultaten te monitoren. Deze zijn er echter wel. Zie: Bijlage_5_Resultaatafspraken.pdf (jeugdfv.nl). Het verzoek is om aan de hand van de indicatoren de Commissie Maatschappij en Middelen een maal per jaar te informeren over de voortgang van de 11 resultaatafspraken. Antwoord: Uw aanbeveling om deze indicatoren jaarlijks te monitoren en met u te delen nemen we over. Vraag 2: De resultaten van het jongerenonderzoek naar vrije tijd en inclusie zijn met de Welzijnsorganisaties besproken. Zij gaan een vervolg aan het onderzoek geven. Wat gaan zij concreet doen? Antwoord: De Welzijnspartijen zijn over de uitkomsten in gesprek en hebben de volgende zaken geconstateerd: - De onbekendheid van activiteiten viel hen op. Zij gaan hier via hun communicatiekanalen en persoonlijke contacten met jongeren nadrukkelijker aandacht aan geven. Ook wordt gekeken of er via een specifieke app gewerkt kan gaan worden (bijv. Kwikstart, een landelijke app, lokaal toepassen). - Ook viel de behoefte aan jongereninloop / hangplekken op en de behoefte aan juist kleinschaliger activiteiten.

Welzijn is hiermee aan de slag en beziet welke aanpassingen in het aanbod gewenst zijn en hoe en op welke termijn deze gerealiseerd kunnen worden. De jongeren die via de enquête aangegeven hebben dat zij op een later moment mee willen denken zullen daarbij gevraagd worden om input. - Door een aantal jongeren wordt een drempel ervaren om deel te nemen aan activiteiten (zeker als ze alleen de eerste stap moeten zetten) of om een beroep te doen op overige instanties. De welzijnsorganisaties inventariseren hoe welzijn de laagdrempeligheid kan bevorderen. Dit wordt meegenomen in het jaarlijkse kennismakingsspel. En het hebben van een persoonlijk contact met een jongerenwerker blijkt bijvoorbeeld goed te werken (mogelijk door het hebben van een persoonlijke pagina). - Er is behoefte bij jongeren aan praktische informatie over wonen en financiën. Er zal met de gemeente samen gekeken worden of dat centraal op een website of app toegankelijk is te maken voor Nunspeetse jongeren. - De leerlingen van Oosterlicht, Veluvine, Nuborgh zijn in beeld. Men gaat onderzoeken hoe ook andere leerlingen die scholen buiten Nunspeet bezoeken beter bereikt kunnen worden.

-

-

Er zal nog meer ingezet moeten worden om jongeren in hun digitale omgeving op te zoeken. Opgemerkt wordt dat dit meer tijd en investering vraagt dan de fysieke contacten. Tijdig en adequaat reageren is belangrijk, want anders haken jongeren weer af. De wens van ouders om andere ouders te spreken geeft aanknopingspunten om bijeenkomsten te beleggen voor ouders. Samen sporten bevordert het kunnen meedoen en de veerkracht. Daar kan meer op ingezet worden.

M.J. Juffer (Gemeentebelang) Vraag 1: Kan het segmentenmodel nog consequenties hebben voor aanbieders? (Kunnen door dit model aanbieders buiten de boot vallen?) Antwoord: Het segmenten model zelf zorgt er niet voor dat aanbieders buiten de boot vallen. Wel is gekozen voor een beperkt aantal aanbieders en daardoor is het gevolg dat er bij de nieuwe inkoop sprake is van partijen die buiten de boot vallen. Wel geldt dat de partijen die buiten de boot vallen in onderling overleg met partijen die wel gegund krijgen onderaannemer kunnen worden. Die garantie is echter niet vooraf te geven. Vraag 2: Laatste pagina, alinea 3. Kunt u iets meer vertellen over de genoemde thema’s? Antwoord: De tekst waarnaar verwezen wordt luidt als volgt: ‘Daarnaast wordt gewerkt aan een aantal thema’s om de samenwerking tussen CJG, GI’s, Raad voor de Kinderbescherming en Veilig Thuis op lokaal niveau te verbeteren en te versterken. Ook in Nunspeet zijn wij hier actief mee aan de slag. Ook Wmo en Stimenz zijn hierbij betrokken’. Het gaat hier over de uitwerking van de 8 bouwstenen die gebruikt worden bij de uitwerking van de Gelderse Verbeteragenda Jeugd. Bouwsteen 1 (visie en kernwaarden): De uitrol van de visie en kernwaarden nemen we mee bij uitwerking van Bouwsteen 2. Hier ligt nog een interne opdracht voor m.n. GI’s en RvdK om de visie en kernwaarden binnen de eigen organisaties te omarmen.

Bouwsteen 2 (Samenwerken en leren op lokaal niveau): Deze wordt uitgewerkt middels project Versterken lokale teams. Dit project loopt. Afstemming vindt op NOG-niveau plaats, uitvoering is regionaal en lokaal. Aandachtspunt is goede aansluiting van de GI’s (en RvdK) bij dit project. Bouwsteen 3 (Lokale aanpak voor veiligheid in gezinnen / Toekomsttuin): Een concept-procesplan om te komen tot een Toekomsttuin is vrijwel klaar. Voor de 1e fase wordt het proces op niveau van de veiligheidsregio opgepakt (NOG), met in de uitwerking aandacht voor regionale / lokale verschillen. De uitgangspunten zoals geformuleerd in de notitie ‘Koers en Condities’ worden meegenomen en zijn in lijn met de ideeën voor de regionale Toekomsttuin. Bouwsteen 4 (werkwijze Jeugdbeschermingstafel(JBT): Van belang is de rol en positie van de JBT goed mee te nemen in de ontwikkelingen van de Toekomsttuin. Bouwsteen 5 (vereenvoudigd aanmeldproces jeugdhulp): Deze bouwsteen bestaat uit vier onderdelen:  Één Gelderse aanmeldroute jeugdhulp: Onze regio gaat werken met de 301-route. Er moet nog flink wat worden voorbereid. Op dit moment wordt regionaal in kaart gebracht welke acties in onze regio nog nodig zijn.  Eén bepaling jeugdhulp: wordt vanuit GVJB uitgewerkt.  Eén Gelders aanmeldformulier voor alle vormen van jeugdhulp: Gestart is met de grote aanbieders.

Doel is om het aanmeldformulier uiteindelijk te gebruiken voor alle vormen van Jeugdhulp. Vooral dit laatste vraagt nog om uitwerking en het is de vraag in hoeverre die (op termijn) haalbaar is.  Samenwerkingsafspraken tussen GI’s, gemeenten en zorgaanbieders: nog niet in gang gezet. Bouwsteen 6 (escalatie model): dit is vastgesteld en vraagt geen verdere actie. Bouwsteen 7 (Regionaal Expertise Team (RET): Dit is ingeregeld en op dit moment geen actie nodig. Bouwsteen 8 (Werven en opleiden van professionals): Wij voorzien hierin geen regionale actie bovenop de uitwerking van bouwsteen 2.

☐6b. Inclusieagenda. R.A. de Bruin (SGP) Vraag 1: Graag de link tussen de inclusieagenda en het vastgesteld beleid duidelijker leggen. Ons voorstel is op de voorkant in het klein toe te voegen: Uitwerking van het beleidsplan sociaal domein. (of zoiets). Hiermee maken we duidelijk dat dit een uitwerking is van.. en past in het grotere plaatje. Antwoord: We zullen in de Inleiding (pagina 4, tweede alinea) duidelijker verwoorden dat deze Inclusie Agenda een uitwerking van het Integraal Beleidsplan Sociaal Domein voor bepaalde doelgroepen. Vraag 2: Doel 1: Dit is een algemeen doel. Deze inclusieagenda gaat over juist specifiek drie doelgroepen. Juist het voorkomen en bestrijden van de discriminatie is onderdeel van deze inclusieagenda. Voor ons voelt dit, ondanks dat het een belangrijk doel is, voor ons als een vreemde eend in de bijt. Kan dit doel in een ander document ondergebracht worden? Antwoord: In onze ogen is het onderwerp hier op zijn plaats. Het gaat namelijk om het recht op gelijke behandeling van mensen met een handicap en mensen met verschillende seksuele gerichtheid. De structureel extra middelen die het kabinet ter beschikking heeft gesteld komt ook de rechtspositie van de doelgroepen ouderen (leeftijd), mensen met een handicap / beperking en mensen met andere seksuele geaardheden ten goede.

De eerste kamer heeft in februari 2021 ingestemd met het initiatiefvoorstel om handicap en seksuele gerichtheid als verboden grond van discriminatie toe te voegen aan artikel 1 van de grondwet. De procedure tot grondwetswijziging is nog gaande. In de periode 14 – 16 december wordt het voorstel behandeld in als tweede lezing in de Tweede kamer. Als de procedure tot grondwetswijziging is doorlopen en de grondwet is gewijzigd, dan zal de wijziging geïmplementeerd worden in het Meldpunt Artikel 1 Noord en Oost Gelderland. Vraag 3: Doelen algemeen: Heel veel doelen staan op het jaar 2022. Is dit niet te ambitieus? Wanneer het kan, oké. Anders mogelijk doelen meer spreiden door de tijd. (liever realistisch, dan mensen teleurstellen). Antwoord: De tijdslijn is afgestemd met de ambtelijke trekkers van de betreffende actiepunten. We denken daarom dat dit een realistische agenda is. Vraag 4: Ik lees in het laatste hoofdstuk iets over het proces. Is het ook mogelijk voor elk doel specifiek eigenaren (bijv. afdeling en/of functie) aan te wijzen (dit om de continuïteit te borgen) en wanneer het wordt geevalueerd? Mogelijk opgenomen als bijlage in een tabelvorm. Eigenlijk vraagt elk doel/actiepunt om een goed projectplan.

Gaan die er (intern) ook komen? Antwoord: We gebruiken een intern werkdocument waaraan per actiepunt een ambtelijk trekker is gekoppeld die verantwoordelijk is voor de uitwerking. We hanteren het uitgangspunt dat inclusie onderdeel uitmaakt van het reguliere beleid en dat de middelen ook gevonden moeten worden binnen de bestaande budgetten. De projectleider van de Inclusie Agenda bewaakt de voortgang en is verantwoordelijk voor de jaarlijkse evaluatie.

Vraag 5: Actiepunt 6: Dit geldt voor veel meer inwoners. Wanneer dit punt wordt opgepakt zouden we graag zien dat hierin breder wordt gekeken naar betere verstaanbaarheid en begrijpelijkheid van de communicatie van de gemeente. Antwoord: Het is de bedoeling dat dit actiepunt wordt opgepakt voor een brede groep inwoners. We ontwikkelen een plan van aanpak ter bevordering van de communicatie (qua inhoud en vorm) voor een brede groep inwoners die om diverse redenen extra aandacht behoeven. Vraag 6: Is er zicht op hoeveel meldingen er bij Stimenz en/of politie zijn binnengekomen uit onze gemeente rondom discriminatie? Antwoord: In 2020 zijn er in de gemeente Nunspeet 4 meldingen gedaan bij de anti-discriminatievoorziening (ADV). Gronden waarop gemeld is zijn: geslacht en ras. De politie registreert ook meldingen en aangiften van discriminatie. In 2020 zijn in Nunspeet 5 meldingen bij de politie gedaan. Maken we een doorkijkje naar de meldingen voor 2021 (bekeken van 1 januari tot 1 december 2021), dan is te zien dat er tot nu toe 8 meldingen zijn gedaan, op verschillende gronden: geslacht, godsdienst, leeftijd, ras en seksuele gerichtheid. Voor 2021 is nog niet te zeggen hoeveel politiemeldingen er zijn. Vraag 7: Actiepunt 28: Is dit punt niet in strijd met onderwijsvrijheid? Gesprek oké, maar scholen zijn o.i. verantwoordelijk voor het inhoudelijke programma. Antwoord: Dat klopt.

Scholen zijn binnen de kaders van de wet verantwoordelijk voor het onderwijsprogramma. Scholen bepalen zelf of zij gebruik maken van ons aanbod en onze uitnodiging om deel te nemen aan of mee te werken aan de dialoogbijeenkomst waarin voorlichting wordt gegeven over én uitwisseling tussen de aanwezige organisaties plaatsvindt over seksuele geaardheid en seksuele gerichtheid. J.M. Elskamp (ChristenUnie) Vraag 1: Bij actiepunt 11 wordt aangeven dat het een doorlopende actie vereist. Is dit onderzoek al aan de gang? Zo niet, kan er een startdatum toegevoegd worden, vanaf wanneer dit doorlopend aandacht krijgt? Antwoord: We hebben ‘doorlopend’ in de tijdlijn opgenomen omdat inclusief sporten nu al onze aandacht heeft. Zo heeft in 2020 de workshop ‘sporters met een verstandelijke beperking’ plaatsgevonden. Diverse sportverenigingen hebben hieraan deelgenomen. In 2022 en verder zal het Team Nunspeet Beweegt zich onder meer inzetten voor: - In kaart brengen wensen en behoeften van de doelgroep in samenwerking met o.a. Careander, Philadelpia, Ons, MEE Oost, Mozaïek DAC de Stee en Stichting Grip op je leven - Sportaanbod inclusiever, zichtbaarder en bereikbaarder maken ism met de sportaanbieders op sportpark De Wiltsangh.

- Verbeteren regionale samenwerking ten behoeve van het ontwikkelen en aanpassen van regionale sportactiviteiten die aansluiten bij de wensen en behoefte van doelgroep. Vraag 2: Bij actiepunt 17 op pag. 15: Waarom moet hier onderzoek naar gedaan worden? De wenselijkheid is uit de klankbordgroep gebleken en de mogelijkheid hoeft niet onderzocht te worden, omdat dit de Internationale standaard is voor toegankelijk bouwen. Kunnen we niet beter een ingangsdatum afspreken dan een onderzoek?

Antwoord: Een aanvraag voor nieuwbouw wordt getoetst aan de eisen uit het bouwbesluit (oa toegankelijkheid). Als een aanvraag hieraan voldoet (en ook aan de andere toetsingsgronden) moet de vergunning worden verleend. Ook als dit strijdig is met de ITStandaard 2020. Vandaar dat onderzoek nodig is naar de juridische mogelijkheden. Het (meer) toegankelijk maken van bestaande gebouwen is waarschijnlijk ook juridisch niet afdwingbaar, maar dat zal ook uitgezocht moeten worden. Om die reden wordt geadviseerd eerst onderzoek te doen in plaats van een standaard op te leggen wat juridisch niet afdwingbaar is. Vraag 3: Bij actiepunt 19 op pag. 15: Wat maakt dat de aanbevelingen uit de Schouw uit november 2019 niet eerder onderzocht en/of geïmplementeerd zijn? Antwoord: Er is iets mis gegaan in de interne route- en zaaktoewijzing van de PWT-schouw. Hierdoor is de behandeling van de behandeling van de PWT-schouw vertraagd. We werden er door de klankbordgroep op geattendeerd. Vraag 4: Pag. 18: Er staat dat uit de tabel af te lezen is dat het grootste deel van de Nunspeetse jongeren homoseksualiteit normaal vindt. Ik meen af te lezen dat dat om 49% gaat. Antwoord: Klopt. We zijn onterecht uit gegaan van de antwoordcategorie ‘Normaal’ die het grootst is ten opzichte van de andere antwoordcategorieën.

We zullen de tekst wijzingen in: Uit het onderzoek blijkt dat iets minder dan de helft van de jongeren(49 %) homoseksualiteit normaal vindt. Vraag 5: Op pag. 23 wordt gesproken over een voorstel voor een nieuwe doelgroep voor de Inclusie agenda. Wanneer kunnen we dat voorstel verwachten? Antwoord: In Q3 2022. Vraag 6: Is dit een dynamische agenda? Kunnen mensen uit de doelgroep punten inbrengen in de loop van de komende tijd? Antwoord: Ja, zoals in de Startnotitie 2.0 is beschreven. Ook willen we daarom blijven samenwerken met de ambassadeurs van de 3 klankbordgroepen. Vraag 7: Bij doel 10 op pag.15: Het blijkt ook voor jongeren van het praktijkonderwijs en het ZMLK heel moeilijk om een reguliere baan te vinden. Recent zijn wij hiervoor door 2 ouders benaderd. Zij ervaren dat ze van het kastje naar de muur worden gestuurd. Als CU zouden we graag zien dat bij dit doel (10) ook deze groep wordt meegenomen. Antwoord: Deze groep wordt bij dit doel meegenomen. Jongeren die een beoordeling van het arbeidsvermogen bij het UWV aanvragen en bij wie wordt vastgesteld dat ze een (voormalig) leerling zijn van het Voortgezet Speciaal Onderwijs of het praktijkonderwijs, worden opgenomen in het doelgroepenregister. Het college is op grond van de Participatiewet verantwoordelijk voor het ondersteunen van deze jongeren bij de arbeidsinschakeling.

S.M. Kouwenberg (PvdA/GroenLinks) Vraag: 1. In het voorwoord en later in het stuk, wordt stelselmatig de term “kerken en gebedshuizen” genoemd. Het benadrukken van kerken naast gebedshuizen, doet vermoeden dat deze twee woorden afzonderlijk gebruikt dienen te worden en een andere betekenis zouden hebben. Een kerk is echter een gebedshuis, waardoor louter de term “gebedshuizen” voldoet. Zeker in het kader van inclusiviteit. Is het College voornemens om zich voortaan tot de term “gebedshuizen” te beperken? Antwoord: Het college hecht aan beide te benoemen benamingen. Een gebedshuis is een algemeen begrip, waarin ook kerken zijn bedoeld. Maar in verschillende religies hebben gebedshuizen een specifieke naam. In het christendom is dat ‘kerk’. Deze geloofsgemeenschap is in Nunspeet groot en we vragen daarom begrip om deze naam te gebruiken, ook omdat kerk niet alleen een plek betreft waar religieuze bijeenkomsten worden gehouden, maar ook een kerkelijke gemeenschap van gelovigen betreft. Vraag: 2. Inleiding. “Ook voor die domeinen is inclusie geen nieuwE thema.” Dit dient nieuw zonder e te zijn. Antwoord: Dank, het is een tikfout. Vraag: 3. Actiepunt 3, pagina 11.

Suggestie van PvdA GroenLinks: Het versturen van een brief naar alle inwoners die via WMO gebruik maken van huishoudelijke hulp, met de informatie dat bij veranderingen een nieuw gesprek kan worden aangevraagd om de geïndiceerde uren eventueel te herzien. Antwoord: Naar aanleiding van de suggestie om cliënten voor hulp bij het huishouden een brief te sturen zal het college, periodiek én in samenwerking met de aanbieders, meer inzetten op actieve communicatie. Dit om te borgen dat niet eenmalig maar ook gedurende de ondersteuningsperiode gewijzigde omstandigheden in beeld komen. Na het keukentafelgesprek is er periodiek contact met belanghebbende. Uiteraard door de hulpverlener maar ook vanuit de gemeente. De gemeente voert periodiek kwaliteitsonderzoeken uit waarbij o.a. gekeken wordt naar: de tevredenheid van de ondersteuning, of het afgesproken resultaat behaald wordt en of er klachten zijn. In deze gesprekken zal actief aandacht geschonken worden aan de gewijzigde omstandigheden. Deze werkwijze betreft niet alleen de inwoners die hulp bij het huishouden ontvangen maar ook de inwoners die dagbesteding en individuele begeleiding ontvangen. Daarnaast is contractueel met de aanbieders vastgelegd dat hulpverleners actief bij de gemeente aan de bel trekken wanneer zij omstandigheden signaleren die aanleiding kunnen zijn voor een nader onderzoek (signaalfunctie) .

Vooral dat laatste is een cruciale functie omdat de hulpverlener doorgaans wekelijks contact heeft met de inwoner en als geen ander snel zicht heeft op gewijzigde omstandigheden. Vraag: 4. Op pagina 18 staat dat uit onderzoek blijkt dat het grootste deel van de Nunspeetse jongeren homoseksualiteit normaal vindt. Uit de cijfers blijkt echter dat 51% van de jongeren, het grootste deel, een negatieve houding kent, variërend van “een beetje raar” tot “verkeerd.” De conclusie is dus incorrect. Antwoord: U hebt gelijk. We zijn onterecht uit gegaan van de antwoordcategorie ‘Normaal’ die het grootst is ten opzichte van de andere antwoordcategorieën. We zullen de tekst wijzigen in: Uit het onderzoek blijkt dat iets minder dan de helft van de jongeren (49%) homoseksualiteit normaal vindt. Vraag: 5. De stelling over ‘moeite met transgenderpersonen’ kent een identieke foutieve conclusie. Slechts 37% acht transgenderpersonen normaal.

Antwoord: U hebt gelijk. We zullen de tekst wijzigen in: Het grootste deel van de Nunspeetse jongeren heeft moeite met transgenderpersonen: 64 % van de jongeren vindt transgenderpersonen ‘beetje raar’, ‘erg raar’ of ‘verkeerd’. Slechts 37 % van de Nunspeetse jongeren acht transgenderpersonen Normaal. Vraag: 6. Is het College bekend met de achterliggende reden waarom Nunspeet het grootste percentage jongeren op de Noord Veluwe kent dat moeite heeft met transgenderpersonen en hoe denkt het College dit te gaan veranderen? Antwoord: Neen, daar geeft het onderzoek van de GGD geen antwoord op. Deze inclusie agenda is bedoeld om de sociale acceptatie van transgenderpersonen te bevorderen. Vraag: 7. Over de conclusie vanuit tabel 3, pagina 19: Waarom wordt bij voorgaande vragen (weliswaar foutief) de term “grootste deel” gebruikt en wordt hier gesproken over ongeveer de helft? Dit is overigens meer dan de helft! Antwoord: Het gaat om hier moeilijk te vergelijken categorieën die lastig zijn te interpreteren en samen te vatten. We zullen de tekst wijzigen in: 15 % van de jongeren in Nunspeet denkt dat je op school tegen iedereen kunt zeggen als je homo of lesbisch bent, 32 % denkt dat dit alleen bij vrienden kan,19 % denkt dat je dit tegen niemand kunt zeggen en 33 % weet het niet. Vraag: 8.

Op pagina 19 staat: “In onze gemeente is sprake van verschillende groepen met normen en waarden die niet altijd met elkaar in overeenstemming zijn. Dit maakt dat het thema LHBTI+ complex is en gevoelig ligt.“ Is het College met PvdA GroenLinks eens dat gender noch geaardheid een norm of een waarde is, maar simpelweg wie je bent als individu/hoe je geboren bent? Het betreft hier zodoende geen “normen en waarden die niet altijd met elkaar in overeenstemming zijn,” en wordt er zodoende onterecht gesuggereerd dat de oorzaak van de complexiteit en gevoeligheid deels ligt bij de LHBTIQ+ gemeenschap. Antwoord: Wij zijn het met u eens dat geaardheid en gender een norm noch een waarde is. De passage is niet bedoeld om schuldigen aan te wijzen. De passage beschrijft dat het gaat om verschillende opvattingen en overtuigingen over gender en seksuele geaardheid die binnen de gemeenschap aanwezig zijn. Vraag: 9. Op pagina 20 wordt het Jongerenonderzoek Nunspeet 2021 aangehaald, waaruit zou blijken dat “de meeste jongeren, etc.” Concrete cijfers en onderszoeksvragen over dit onderwerp ontbreken echter in voorgenoemd onderzoek. Graag een duiding! Antwoord: Dit zijn uitspraken die enkele individuele jongeren in het panelgesprek hebben geuit. Hoeveel jongeren de uitspraken met elkaar delen is niet onderzocht. Het betreft het kwalitatieve deel van het onderzoek. Vraag: 10.

Op pagina 20 wordt verwijtend gesproken naar ouders en LHBTI+ jongeren als het gaat om ‘te laat hulp zoeken.’ Aangezien verderop in de agenda ook de beperkte zichtbaarheid en de ontbrekende proactieve communicatie van de hulpverlening aan het licht komt, is deze alinea onvolledig en ligt hier onterecht de nadruk op doelgroep en ouders.

Antwoord: Het gaat hier om concluderende en analyserende uitspraken van professionals die allesbehalve verwijtend bedoeld zijn. Dat de hulp-, en dienstverlening beter zichtbaar moet worden, deelden de professionals met het actiepunt van de klankbordgroep LHBTI+. Vraag: 11. Bij actiepunt 29 staat “Loves tot Moves,” terwijl de campagne “Gelderland loves to move” heet. Antwoord: Klopt, we zullen de tekst aanpassen. Vraag: 12. Bij ditzelfde actiepunt wordt gesproken over een themabijeenkomst. Op de campagnepagina van de provincie valt te lezen: “Wilt u in de aanloop naar het internationale sportevenement Eurogames 2022 aandacht besteden aan inclusie in de Gelderse sport? Dan kunt u gebruik maken van het stimuleringsbudget Gelderland loves to move.” Gaat het College hier gebruik van maken? Antwoord: Voor de themabijeenkomst (gepland in 2023) wordt geen gebruik gemaakt van het stimuleringsbudget omdat deze buiten de aanvraagtermijn valt. Deze bijeenkomst heeft een inventariserend karakter. Er worden geen activiteiten georganiseerd maar wensen en behoeften opgehaald. In 2022 brengen we de Menukaart (ter inspiratie van de ontwikkeling van nieuw inclusief sportaanbod) én de mogelijkheid om daar een stimuleringsbudget voor aan te vragen onder de aandacht van de sportverenigingen. Vraag: 13.

Bij actiepunt 30 staat de term “bespreekbaar maken.” Onze suggestie is “beter bespreekbaar,” omdat anders gesuggereerd zou worden dat het nu onbespreekbaar is. Antwoord: We zullen de tekst wijzigen naar “beter bespreekbaar””. Vraag: 14. Waarom wordt, gezien de urgentie, actiepunt 30 pas in 2024 opgepakt? Antwoord: We kunnen niet alles in één keer. Maar waar mogelijk zullen we zaken eerder oppakken en is de tijdslijn niet in beton gegoten. Het straathoekwerk nemen we in elk geval ook mee in de dialoogbijeenkomst met organisaties die in 2022 wordt georganiseerd. We zullen het onderwerp dan in 2023 agenderen en bespreekbaar maken binnen het straathoekwerk. Vraag: 15. Bij actiepunt 33 staat seksueel geweld (Seksueel geweld is elke seksuele handeling of poging tot een seksuele handeling door het uitoefenen van geweld of dwang.) terwijl het hier gaat om geaardheidsgerelateerd en gendergerelateerd geweld. Antwoord: Het begrip geaardheids gerelateerd geweld is ons niet bekend. In de ons bekende literatuur worden de begrippen seksueel en gender gerelateerd vaak in samenhang behandeld als het gaat om geweld tegen iemands sekse of gender. Vraag: 16. Bij ‘Hoe verder’ op pagina 23 staat “Ook wordt dan een voorstel gedaan om voor een nieuwe doelgroep een Inclusie Agenda op te stellen.” Door wie wordt dit voorstel gedaan? Antwoord: Het college doet een voorstel.

Daarbij halen we input en suggesties op uit de samenleving.

M.J. Juffer (Gemeentebelang) Opmerkingen: Deze inclusie agenda geeft een helder beeld over het tot nu toe gevolgde proces. De 3 klankbordgroepen die hebben meegewerkt hebben duidelijke input gegeven waardoor deze mooie en zinvolle agenda tot stand is gekomen. Er zijn 2 agenda’s ontwikkeld en dat is voor een inclusie agenda best frappant. Dat de LHBTI agenda apart is duidt enigszins op exclusie. Pijnlijk voor deze groep maar zoals u de beargumentering geeft vinden wij het een begrijpelijke en logische weg. Al met al vanuit Gemeentebelang de nodige complimenten voor het tot stand komen van deze agenda. Maar het echte werk moet nog beginnen. Vraag: Actiepunt 3. Ambassadeurs geven aan dat het aantal geïndiceerde uren HH. niet toereikend is. Waarom volgen we niet de stelling: ‘u heeft recht op een schoon huis’? Gemeente Nijmegen zet dit ook in. Antwoord: Evenals in de gemeente Nijmegen hanteert de gemeente Nunspeet in haar beleidsregels de term schoon en leefbaar huis https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR639183. Een schoon huis is echter een subjectief begrip. De één heeft bij een schoon huis een andere beleving dan de ander. Om die reden is een onafhankelijk onderzoek uitgevoerd om op een objectieve manier een basisnormering vast te stellen (KPMG/HHM/Plexus).

Zowel cliënten, belangenbehartigers, aanbieders van hulp bij het huishouden als Wmo-consulenten hebben aan dit onderzoek bijgedragen. Meerdere gemeenten, ook de gemeente Nunspeet, hanteren deze normering als basis. In alle gevallen betreft het echter individueel maatwerk en wordt van dit kader afgeweken wanneer daartoe aanleiding is. Vraag: Actiepunt 7. Type in de zoekbalk van Google het woord ‘training klantvriendelijkheid’ en het aantal hits vanuit gecertificeerde aanbieders is ongekend. Wordt dit ook structureel aangeboden aan medewerkers die contact met klanten hebben? Antwoord: Nee deze trainingen worden momenteel niet structureel aangeboden. In 2022 onderzoeken we voor wie (welke doelgroepen), de communicatie qua vorm, inhoud, gedrag aangepast moet worden, welke effectieve methoden er zijn en wat ze kosten. In 2022 nemen we inclusief en klantvriendelijk communiceren mee in de ontwikkeling van de medewerkers van de nieuwe telefooncentrale. Vraag: Actiepunt 9. ‘organisaties stimuleren om hun gegevens op de sociale kaart bij te werken’. Kan dit onderwerp geagendeerd worden bij de jaarlijkse contractbesprekingen met aanbieders? Antwoord: Dank voor uw advies. Dit is een goede suggestie die we meenemen in de uitwerking van de Inclusie Agenda. Vraag: Actiepunt 10. De wereld van ervaringsdeskundigheid is een snel groeiende in het zorg-landschap.

Wordt ervaringsdeskundigheid ook methodisch en planmatig ingezet? Tip: het praktijkhuis in Harderwijk staat bol van ervaringsdeskundigheid. Wellicht dat een vorm van detachering vanuit het praktijkhuis naar Gemeente Nunspeet een optie is. Antwoord: De inzet van ervaringsdeskundigheid is van grote meerwaarde. Wij zijn, naast regionaal, ook lokaal nauw betrokken bij het praktijkhuis in Harderwijk en huren een ervaringsdeskundige GGZ in vanuit die voorziening. Verdere plannen om het ervaringsdeskundigheid verder en meer structureel in te zetten in onze gemeente worden op dit moment nader onderzocht. Opmerking: Actiepunt 20. Betrek het podium ‘samen sterk zonder stigma’.

Antwoord: Dank voor uw advies. Wij zijn bekend met Samen sterk zonder stigma, onder andere door het publiceren van persoonlijke verhalen van inwoners met GGZ problematiek in de wijk. We blijven in contact met deze organisatie, ook bij de verdere uitwerking van de inclusie agenda. Vraag: Actiepunt 22 Hoeveel trajecten IPS zijn voor 2022 ingekocht? Antwoord: Daar hebben we geen overzicht van. De GGZ dient bij het UWV een verzoek in om een gesubsidieerd IPS-traject te mogen uitvoeren. De gemeente koopt deze niet zelf in. Met de gemeente wordt samengewerkt als het gaat om cliënten waar de gemeente verantwoordelijk voor is. Vraag tot slot: Er zijn in deze agenda veel actiepunten verwerkt. In het kader van de PDCA cyclus zouden wij graag een overzicht (lees, tijdsbalk) zien waarin in één oogopslag te monitoren is wat de status van een actiepunt is. Vanuit de indicatoren gedachte komen we hier bijna niet onderuit. Antwoord: Voor de uitwerking van de agenda is per actiepunt is een ambtelijk trekker verantwoordelijk. Jaarlijks maakt de projectleider Inclusie een stand van zaken op en legt daarover verantwoording af aan het college. We maken daarvoor een overzicht met actiepunten met tijdbalk waarin op hoofdlijnen de stand van zaken wordt bijgehouden. ☐6c.

Visie Jeugdhulp regio Noord Veluwe.

R.A. de Bruin (SGP) Vraag 1: In dit totale plaatje mis ik de koppeling/verbinding met het welzijnswerk. Welke rol kunnen zij hierin spelen? Bijv. wanneer er een wachtlijst is, kan het welzijnswerk mogelijk ondersteunen, maar ook tijdens het proces. Antwoord: In de uitwerking van de visie sociaal domein zal expliciet gekeken worden naar de rol van het welzijnswerk als voorliggende voorziening, niet alleen voor Jeugd, maar ook voor de Wmo. Tegelijk kun je zeggen dat de in de visie onder het kopje ‘hier staan wij voor’ de zinsnede ‘Soms hebben gezinnen een beetje hulp nodig om vervolgens zelf, met steun uit de omgeving, weer verder te kunnen’ de welzijn een rol speelt bij dat beetje hulp wat geboden kan worden. Vraag 2: Ik lees in totaal één keer over een keuze voor een interventie. Juist aan de voorkant hebben we ook gesproken over keuzevrijheid voor aanbieders van zorg (binnen bepaalde kaders) dat lees ik niet terug. Hoe is dat geborgd en moet dat niet een plekje in dit document hebben? Antwoord: Dit document kan niet los gezien worden van de al eerder vastgestelde inkoopvisie. Daarin is benoemd dat we als gemeente uitgaan van een genoegzaam en dekkend aanbod, maar voor de nieuwe periode vanaf 1 april 2022 wel met minder partijen. Daarmee kunnen we beter en sneller tot een transformatie van de jeugdzorg komen, is de verwachting. Er is dus keuzevrijheid, maar niet onbeperkt.

Iemand die in Groningen denkt de juiste zorg te kunnen krijgen zal op die vraag niet automatisch groen licht krijgen als we het over ‘Jeugdzorg dichtbij organiseren’ spreken. Uiteraard is er voor iedere situatie oog voor de gezinsspecifieke omstandigheden en wensen. Daar waar zorg in natura geen uitkomst biedt een PGB de mogelijkheid tot zorg. Vraag 3: Meerinzicht neemt een grote plaats in de afhandeling in. Zijn de problemen uit het verleden bij Meerinzichten inmiddels verholpen? Hoe stabiel is Meerinzicht nu?

Antwoord: We hebben met ingang van 2021 een nieuwe dienstverleningsovereenkomst met Meerinzicht afgesloten. De taken die Meerinzicht voor ons uitoefent zijn meer specifiek omschreven dan voorheen. In de DVO is ook de verplichting voor Meerinzicht opgenomen dat zij na afloop van ieder kwartaal rapporteren over de uitvoering van taken. Met deze informatie kunnen wij dan beter sturen op onderdelen. Uit de laatste rapportage blijkt dat er wel een vacature was op contractmanagement, maar dat zij desondanks door inhuur en extra uren van medewerkers de taak overeenkomstig afspraken hebben kunnen uitvoeren. Ook de overige taken hebben zij overeenkomstig de DVO uitgevoerd. Op dit moment zijn er geen signalen dat Meerinzicht niet stabiel genoeg zou zijn voor de uitvoering van taken die wij bij Meerzicht belegd hebben. K.M. van Bronswijk (CDA Lokaal) Vraag: We hebben dit document doorgenomen. Kan de wethouder aangeven wat nu de vernieuwende elementen zijn in het stuk. Waarin zijn we veranderd vergeleken met eerdere stukken over jeugdhulp? Antwoord: Zoals in het voorstel is benoemd is dit document een samenvatting van al eerder vastgestelde beleidsdocumenten rondom Jeugd. Dit document wordt specifiek opgesteld om tegemoet te komen aan de Haagse wens voor goede regionale samenwerking. Er is dan ook geen vernieuwend element aan toegevoegd, want dat was niet de opzet van dit document.

Wel geeft het een overzichtelijk geheel van de visie die we als regio op jeugdhulp hebben. Het doel van de NvO is om aan het ministerie te laten zien dat er in de jeugdhulpregio's wordt samengewerkt ten behoeve van de ondersteuning aan jeugdigen. In de regio NV doen we dit al jaren en was een NvO niet nodig geweest. Toch gebruiken we wel de opdracht om alles goed op papier te zetten. Daarbij is het ook zo dat in dit proces de VNG onze regio heeft gevraagd om als voorbeeld te zijn voor andere regio's. Zo is ons format van de GAP-analyse gebruikt door andere regio's, heeft Liesbeth Vos een presentatie gegeven en is Gert Jan van Noort door de VNG geïnterviewd. A.J. Timmerman (PvdA/GroenLinks) Vraag: Wanneer één of meerdere gemeenteraden van de deelnemende gemeenten niet positief besluit over de ‘Visie Jeugdhulpregio Noord-Veluwe, kan deze niet volgens de afspraken van de NvO worden vastgesteld. Wat is de consequentie daarvan? Kan het Ministerie van VWS ingrijpen en verplichte samenwerking opleggen? Antwoord: Voor de VNG en voornamelijk voor het ministerie zal dat een signaal zijn dat de jeugdhulpregio niet met elkaar samenwerkt ten behoeve van jeugdigen. Wellicht dat er nog een mogelijkheid komt om als gemeenten weer samen naar de tekentafel te gaan en te kijken of er wel een gezamenlijk besluit mogelijk is.

Maar voor het ministerie zal het een bevestiging zijn van het vermoeden dat jeugdhulpregio's niet samenwerken en is de kans groot dat deze per wetgeving wordt verplicht. Vooralsnog lijken alle gemeenteraden in te stemmen met de regiovisie (Harderwijk, Putten, Elburg en Ermelo zijn na de beeldvorming positief) A. Harteveld (ChristenUnie) Vraag 1: In de eerste alinea staat: ‘We willen dat kinderen en jongeren tot hun recht komen vanaf het moment van de conceptie tot hun 23ste. In Regionale uitvoering Jeugdhulpregio Noord-Veluwe wordt gesproken over ‘- 9 maanden tot hun 23e’. Net als overigens in ons net vastgestelde integraal beleidsplan Sociaal Domein. Wat ons betreft zou het beter zijn om in gelijke termen te spreken en dan zou ‘- 9 maanden tot hun 23e’ onze voorkeur hebben.

Antwoord: Wij begrijpen uw voorkeur. Gezien het feit dat dit een regionaal opgesteld document betreft en de conceptie in de meeste situatie 9 maanden voor de geboorte plaats vind zien wij geen reden om dit aan te passen. Vraag 2: Bij ‘onze doelen’ staat bij doel 1: Sneller toegang tot informatie en hulp. Dat lijkt te suggereren dat er nu wachtlijsten zijn bij de toegang. Is dat zo? Antwoord: Dit doel gaat ook over de laagdrempelige wijze waarop jeugdigen en ouders de ondersteuning kunnen krijgen. Dichtbij en vroegtijdig in plaats van via verwijzingen of pas aan de achterkant van de keten. De huidige praktijk is inderdaad dat er nog wachtlijsten zijn. Met name bij GGZ partijen is sprake van meerdere weken wachttijd. Daar willen we dus als doel aan gaan werken om wachttijden te verkorten. Vraag 3: Onder doel 2 staat ‘Gezinnen met complexe problematiek die willen we versterken’. Gaat het alleen over deze gezinnen, of is, zoals onder doel 1 staat, informatie, advies en hulp vindbaar en bereikbaar voor alle gezinnen? Antwoord: Er is sprake van een piramide opbouw. Alle gezinnen kunnen waar nodig voor hulpvragen terecht bij het CJG.

Daarnaast is er een klein aantal gezinnen die verhoudingsgewijs veel tijd en inzet vragen en waarbij versterking van het gezinssysteem een substantiële bijdrage kan leveren tot het beheersbaar maken en houden van de problematiek waar men (sturctureel) mee te maken heeft. Vraag 4: Onder ‘Hier gaan we voor’ staat: We gaan voor de best mogelijke zorg voor gezinnen in onze gemeenten zo dicht mogelijk bij huis. Hoe verhoudt zich dat tot ‘beter betaalbaar’ onder doel 4? Antwoord: Met het nieuwe inkoopbeleid is ingezet op kwalitatief goede zorg. De tarieven en termijnen en de te verwachten gemiddelde hulpduur is daarmee bekend. In de uitvraag is aan de aanbieders ook gevraagd om de hulp zo thuis mogelijk nabij te organiseren. Die twee zaken gaan elkaar versterken Opmerking: De Regionale uitvoering Jeugdhulpregio Noord-Veluwe ligt niet voor te bespreking. We hebben er toch vragen over met name over 3.1 Jeugdpanel. We juichen het toe dat het uitgangspunt is dat we de visie niet kunnen beschrijven zonder inbreng van de jeugdigen. Vraag 5.1: ‘We kennen verschillende vormen waarop jeugdigen participeren in de (door) ontwikkeling van jeugdhulp’(Citaat). Zijn die vormen in alle gemeenten gelijk? Hoe functioneert dat in onze gemeente? Antwoord: Een aantal vormen zijn gelijk en regionaal georganiseerd.

Denk daarbij aan de cliënttevredenheidsonderzoeken bij de toegang en de gecontracteerde zorgaanbieders. Daarnaast is er ook een regionaal jongerenpanel in ontwikkeling en hebben we de regionale kenniswerkplaats. De lokale jongerenparticipatie is per gemeente lokaal georganiseerd en kan verschillen. Incidentele 'pizza-sessies' en structurele jongerenraden zijn daar voorbeelden van. De intentie is dat in het regionale jongerenpanel van elke gemeente uit onze regio één of meerdere jongeren deelnemen. Vraag 5.2: N.a.v. de opmerking ‘Een voorbeeld hiervan is dat jeugdigen (en opvoeder(s)) elkaar interviewen over de ontvangen jeugdhulp’. Gaat dat over het werken met Q4C? Werken we daar nog steeds mee en wat zijn de resultaten?

Antwoord: Dit betreft inderdaad de Q4C. In het jaarverslag heeft de SJNV aangegeven dat de meeste geinterviewde ouders en jongeren de begeleiding vanuit het CJG een aangename reis vinden. De tips en adviezen die de teams hebben ontvangen zijn omgezet in verbetervoorstellen, die nogmaals besproken zijn met de betrokken ouders en jongeren. Vervolgens hebben de uitkomsten een plek gekregen in de jaarplannen van de CJG teams. Vraag 5.3: T.a.v. het jeugdpanel: wordt dat lokaal of regionaal georganiseerd? Antwoord: Er is een regionaal jongerenpanel in ontwikkeling. Stichting Jeugd Noord-Veluwe (SJNV) en het jongerennetwerk zijn daarmee gestart. De gemeenten volgen het proces en faciliteren dit. Doel is dat jongeren uit de regio Noord-Veluwe die jeugdhulp (hebben) ontvangen meedenken in de ontwikkeling (beleid) en uitvoering (organisatie) van jeugdhulp. Daarnaast ondersteunen zij ook andere jongeren in het kader van ervaringsdeskundigen en lotgenoten. M.J. Juffer (Gemeentebelang) Opmerking: Bijlage AP6C geeft een helder en overzichtelijk beeld als het gaat om Visie. Vraag 1: Bij het punt 2. Gezinnen versterken zijn wij benieuwd of in het kort geschetst kan worden hoe de aanvang van een traject eruit ziet. Wordt er b.v.

een zelfredzaamheidsmatrix gebruikt, wordt er een sociale netwerkanalyse afgenomen? Antwoord: Met de nieuwe inkoopafspraken wordt verwacht dat toegang en aanbieders werken met de verklarende analyse. In de inkoopstukken verwijzen we naar de ‘verklarende analyse’ als basis voor het hulpplan voor jeugdige en opvoeders. Het doel van de verklarende analyse is zicht krijgen op de situatie van de jeugdige en het gezin. Op de factoren die van invloed zijn op het probleem of de vraag nu, wat ervoor zorgt dat deze problemen zijn ontstaan en blijven bestaan. De onderlinge samenhang van deze factoren wordt in kaart gebracht om vervolgens samen met ouders en jeugdige te bedenken aan welke doelen zij willen werken. De professional kan aan de hand van dit plan met opvoeders en jeugdige bepalen welke interventies ingezet kunnen worden om het probleem hanteerbaar te maken, te verminderen, verhelpen of voorkomen. De verklarende analyse brengt in beeld welke hulp op dit moment, met het oog op alle factoren, het best passend is. Er zijn verschillende vormen/modellen die hiervoor gebruikt kunnen worden. Vraag 2: Ik lees veel: zo dicht mogelijk bij huis! Kan dat zelfs impliceren dat in uiterste gevallen een ouder (tijdelijk) uit huis geplaatst kan worden? Antwoord: In geval van huiselijk geweld is het mogelijk dat de pleger van huiselijk geweld een tijdelijk huisverbod krijgt van 10 dagen.

Deze periode wordt gebruikt als adempauze om verdere escalatie te voorkomen. En deze periode wordt gebruikt om hulp in gang te zetten, waarbij naar het hele gezinssysteem wordt gekeken. Vraag 3: Tot slot: ‘Verminderen van regeldruk’ is een zin die ik las en mij uit het hart is gegrepen. Nou wil ik niet cynisch zijn (echt niet) maar deze zin hoor ik te vaak terwijl mijn ervaring juist tegenovergesteld is. Wellicht dat de wethouder dit nog wat kan toelichten.

Antwoord: Vermindering van regeldruk heeft alles te maken met de administratieve processen, het tijdschrijven, en de hantering van codes. Vanuit het landelijke project om via schrapsessies tot minder codes en tot meer uniformering te komen heeft geleid tot een model prestatie codes jeugd. Met andere woorden: Een eenvoudig, landelijk uniform toewijzings- en declaratiesysteem voor het jeugdveld Dit wordt in december 2021 door de programmaleider prestatiecodes Jeugd, mevrouw Rita Verdonk, gepresenteerd op nationaal niveau. Via een ministeriële regeling zal dit model voor alle gemeenten verplicht gaan worden. De start van de uitrol zal in 2022 plaats vinden. Daadwerkelijke realisatie (het is een enorme operatie) zal uiterlijk in 2025 plaatsvinden, omdat dit van alle partijen (gemeenten, zorgaanbieders, Gecertificeerde instellingen, backoffices) veel zal vragen in aanpassingen. Over de voortgang van dit proces zullen we u op de hoogte houden. Meer informatie hierover is in ieder geval te vinden op de VNG website.

☐6d. Belastingverordeningen 2022. S.M. Kouwenberg (PvdA/GroenLinks) Vraag 1: Vorig jaar stelde PvdA GroenLinks vragen over het percentueel verschil in het lastenoverzicht tussen één en meerpersoonshuishoudens. Toentertijd werd medegedeeld dat dit een politieke keuze betrof. Uit de voorliggende verordeningen, Bijlage lastendruk 2022, blijkt dat de groep éénpersoonshuishoudens een percentuele lastendrukverhoging kent van 6,3% terwijl de meerpersoonshuishoudens op 2,8% tot 3,6% zitten. (Hetgeen minder dan de helft is.) Dit verschil is aanzienlijk groter dan voorgaande jaren. Graag een uitleg. Antwoord: Omdat de kosten van de afvalstoffenheffing sterk zijn gestegen, zijn de tarieven voor deze heffing verhoogd voor alle huishoudensgrootte. De in het lastendrukoverzicht genoemde percentage van respectievelijke 6,3% en 2,8% zijn op dat punt niet vergelijkbaar, omdat in het eerste percentage alleen de afvalstoffenheffing is betrokken en in het andere percentage ook de ontwikkeling van de ozb en rioolheffing. Vraag 2: We zijn blij om te zijn dat er in de nabije toekomst wordt gekeken naar de hefwijze van toeristenbelasting. In een recent verleden vroeg PvdA GroenLinks het College ook om te kijken naar de heffingsvormen van forensenbelasting.

Dit gebeurt nu met een vast tarief per woning, maar wordt elders, en ons inziens eerlijker, gedaan met een tarief gebaseerd op de WOZ-waarde, eventueel met een onderverdeling in waardeklassen of een tarief gebaseerd op de vloeroppervlakte en de beschikbare grond bij de woning. Is het College bereidt om dit te onderzoeken? Antwoord: Voor het merendeel van de objecten die betrokken zijn in de forensenbelasting wordt geen WOZ-waarde bepaald, alsmede ook geen objectafbakening en zijn geen gegevens beschikbaar ten aanzien van de vloeroppervlakte derhalve zal een wijziging van de heffingsgrondslag een zeer grote verhoging van de perceptiekosten tot gevolg hebben, alsmede formatie uitbreiding vergen.

☐6e. Nieuwe Verordening bekostiging Leerlingenvervoer gemeente Nunspeet. J.M. Elskamp (ChristenUnie) Vragen en opmerkingen: Namens de fractie van de ChristenUnie wil ik het college vragen deze verordening weer terug te nemen. Het stuk ademt wat ons betreft dat het geschreven is vanuit financieel oogpunt en niet vanuit het belang van het kind. Vanuit de hardheidsclausule kan maatwerk geleverd worden, maar wij stellen voor dat deze verordening meer vanuit het belang van het kind opgesteld gaat worden. Wij zouden graag zien dat deze verordening herschreven wordt met de volgende uitgangspunten: 1. De plaatselijke belofte aan het Nunspeetse kind 2. De regionale opdracht om te voorzien in passend onderwijs zo nabij mogelijk.

3. Met daarin verwerkt (en inzichtelijk gemaakt) het gezamenlijke advies van de regionale adviesraden van 7 gemeenten en het aanvullende advies van de Adviesraad Sociaal Domein Nunspeet. We doen een aantal duidelijke wijzigingsvoorstellen die meegenomen kunnen worden in de nieuwe versie en die ook het belang aangeven van een herschreven versie: 1. Aan alle plaatsen waar ‘dichtsbijzijnde toegankelijke school’ wordt genoemd, wordt de volgende zinssnede toegevoegd: ‘waar passend onderwijs geboden kan worden’. Een belangrijke toevoeging, waarin een passende plek voor het kind voorrang heeft op financiële gevolgen. Die passende plek kan dan in overleg met de samenwerkingsverbanden gekozen worden. 2. Art. 4 punt 5 en 6: Een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan zou opgesteld moeten worden vanuit het perspectief van het kind. Hij/zij is de eigenaar van dat plan en werkt, met ondersteuning van ouders en indien nodig anderen, aan zijn/haar eigen ontwikkeling. In de bewoording van punt 4 en 5 lijkt het alsof het burgemeester en wethouders onderdeel zijn van dit plan. Ons voorstel in tekstuele wijzigingen: 4.5: Wanneer de leerling…bereikt, kunnen ouders en de leerling (indien nodig) in samenwerking met andere ondersteuners een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan opstellen, waarin…leerling.

4.6: Naar aanleiding van het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan kunnen burgemeester en…bevorderen. 3. Naar aanleiding van art. 5.3b: We zijn blij dat de gemeente een inspanningsverplichting aangaat richting het samenwerkingsverband. Dit artikel gaat echter voorbij aan het individuele maatwerk dat soms nodig is voor een leerling. Ook het samenwerkingsverband heeft als doel dat de leerlingen passend onderwijs in de buurt kunnen krijgen en bij voorkeur binnen het regulier onderwijs. Een uitzonderingssituatie zoals genoemd in art. 8.4 hoeft wat ons betreft niet meteen te leiden tot art.5.3b. 4. Art.8:1 Dit artikel is weer vanuit een financieel oogpunt bekeken. Wat ons betreft doen we meer recht aan de Nunspeetse belofte aan het kind. Een verder weggelegen school mag alleen een optie zijn als het onderwijs daar passender is voor de leerling en niet op grond van een financiële afweging. 5. Art.15.3d. Wij hebben moeite met de straal van 5 kilometer. Stageplaatsen liggen nou eenmaal niet voor het oprapen. Als de school van herkomst afspraken heeft met stagebedrijven die een passende stageplek kunnen bieden, die buiten de straal van 5km vallen, maar wel de passende ondersteuning kunnen bieden die de leerling nodig heeft, moet er wat ons betreft sprake zijn van maatwerk. 6. Overnemen van het advies van de ASDN a. b. c. d.

Een korte, toegankelijke versie voor ouders/verzorgers Meer aandacht voor maatwerk Kwaliteitseisen vervoerders Ouderplatform

Antwoord op vragen en opmerkingen: De titel van de verordening geeft weer dat deze inderdaad financieel ingestoken is; ‘Verordening bekostiging leerlingenvervoer gemeente Nunspeet 2021’. Dit past bij de basisgedachte, dat het bij het leerlingenvervoer in beginsel om een bekostiging gaat. De huidige citeertitel ‘Verordening leerlingenvervoer Gemeente Nunspeet 2015’ zou ten onrechte kunnen doen vermoeden, dat de modelverordening het vervoer van leerlingen regelt. Het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek van de leerling bij de ouders blijft. De financiële insteek zorgt er echter niet voor dat het belang van het kind, dat ook terug komt in de Belofte aan het Nunspeetse kind en het passend onderwijs, uit het oog wordt verloren. Integendeel, de verordening is gebaseerd op de modelverordening van de VNG die bij het opstellen van de nieuwe Model Verordening bekostiging leerlingenvervoer de aanbevelingen voor het leerlingenvervoer uit een tweetal rapporten over de werking van het passend onderwijs hebben meegenomen: het rapport ‘Met andere ogen’ van Rene Peeters (2018) en het rapport ‘Als de weg naar passend onderwijs niet passend is’ van de Kinderombudsman (2019).

1. De Wet passend onderwijs zorgt voor borging van een passende plek voor de leerling binnen het onderwijs. Dit is dus reeds een uitgangspunt voor de toegankelijkheid van een school en valt onder de zorgplicht van de scholen en het samenwerkingsverband. De verwijzing van een leerling door het samenwerkingsverband naar de best passende school sluit niet altijd aan bij de vergoeding voor de vervoerskosten. Om te voorkomen dat ouders en leerlingen de dupe worden van een mogelijke tegenstrijdigheid tussen de verwijzing van het samenwerkingsverband en de gemeentelijke Verordening bekostiging leerlingenvervoer, is er overleg nodig tussen het samenwerkingsverband en de gemeente. Dit overleg vindt plaats in het kader van het Op Overeenstemming Gericht Overleg (hierna: OOGO) (artikel 5 verordening). Het OOGO heeft een wettelijke basis in de bepalingen in de WPO, WVO en WEC. Het leerlingenvervoer is een vast agendapunt is in het OOGO met het samenwerkingsverband. Het hogere doel van de Wet passend onderwijs is, dat iedere leerling het voor hem benodigde onderwijs zo dicht mogelijk bij huis kan vinden.

In het OOGO worden daartoe afspraken gemaakt over onder andere hoe het onderwijsaanbod zo kan worden georganiseerd dat een leerling een minimale reisafstand hoeft te overbruggen, hoe symbiose-onderwijs in de eigen gemeente kan worden ontwikkeld en hoe de kosten van het leerlingenvervoer kunnen worden beperkt. 2. Burgemeester en wethouders zijn verantwoordelijk voor de beoordeling van de aanvraag leerlingenvervoer conform de verordening en worden daarom zo benoemd. Een aantal uitgangspunten bij de beoordeling van een aanvraag leerlingenvervoer zijn (zie ook Toelichting op verordening bekostiging leerlingenvervoer gemeente Nunspeet 2021): - het is belangrijk te kijken naar wat een leerling kan en wil; - het blijft maatwerk om te beoordelen hoe een kind kan reizen; - in overleg met de ouders en zo mogelijk met de leerling, stel het college een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan voor de leerling op. De verordening legt de verantwoordelijkheid van de beoordeling bij burgemeester en wethouders, met daarbij het perspectief vanuit de leerling en het gezin als uitgangspunt. 3. In aansluiting op het doel van de Wet passend onderwijs, namelijk: het onderwijs zo dicht mogelijk bij huis aanbieden, vindt er regelmatig overleg plaats tussen de gemeente en het samenwerkingsverband met als doel om het onderwijs dichter bij huis te organiseren. 4.

Wanneer een school als toegankelijk wordt beschouwd is deze passend conform de Wet passend onderwijs. De zin over de verder weg gelegen school is juist aan deze verordening toegevoegd om maatwerk te kunnen bieden. In de praktijk komt het voor dat ouders kiezen voor een verder weg gelegen school, terwijl niet bestreden wordt dat de dichtstbijzijnde toegankelijke school niet passend is. Het heeft dan met persoonlijke voorkeur te maken. Er is een groep ouders dat zelf busvervoer geregeld heeft naar deze school wat vanuit de nieuwe verordening op basis van dit artikel juist voor vergoeding in aanmerking komt. Voor ons staat het belang van het kind/de leerling zeker voorop en brengen wij de werelden van onderwijs, jeugdhulp en thuis bij elkaar zoals wij beloofd hebben. 5. Het routenetwerk van leerlingenvervoer in de regio is behoorlijk uitgebreid. Er kan gebruik gemaakt worden van alle routes die de leerlingen in de regio rijden. Hier kan de school rekening mee houden bij het zoeken van een stageplek (zie ook Toelichting op verordening bekostiging leerlingenvervoer gemeente Nunspeet 2021). Daarnaast is er ook nog de mogelijkheid voor school te kijken naar een stageadres binnen 5 kilometer van het huisadres of de school. In de praktijk zijn er geen signalen dat hierdoor problemen kunnen ontstaan voor leerlingen.

Om de vervoerskosten beheersbaar te houden is deze kilometerbeperking noodzakelijk. 6. a: Wij nemen dit advies over. Wij zullen bekijken op welke manier we dit het beste kunnen doen. Of we dit met een folder gaan doen of dat we een begeleidende tekst in begrijpelijke taal bij het aanvraagformulier voegen. In deze tekst zal contactinformatie opgenomen worden (telefoonnummer en emailadres), zodat inwoners weten bij wie zij terecht kunnen voor nadere informatie.

b: De verordening biedt juist meer ruimte voor maatwerk dan de huidige verordening. Dit is opgenomen in artikel 22. Dat artikel biedt specifiek ruimte om met ouders in gesprek te gaan over een andere passende vervoersvoorziening. Ook wij vinden het belangrijk om steeds alle relevante omstandigheden mee te wegen en de menselijke maat te hanteren. Tegelijk is het belangrijk om in de verordening de hoofdlijnen neer te zetten, die bij de uitvoering als basisuitgangspunt gelden. Het uitgangspunt van een verordening in het algemeen is om de rechten van betrokkenen te borgen en de plichten eenduidig weer te geven. Bij de uitvoering is het belangrijk om maatwerk te kunnen bieden wanneer dat nodig is. Deze verordening biedt daar ruimte voor. Naast artikel 22 dat we hierboven al noemden, denken we met name aan artikel 4 “Gesprek over zelfstandigheid en zelfredzaamheid bij de aanvraag” , artikel 20 “Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer”, artikel 26 “Beslissing burgemeester en wethouders in gevallen waarin de regeling niet voorziet” en artikel 27 Hardheidsclausule. c: Bij de aanbesteding leerlingenvervoer stellen we als gemeenten eisen aan dit vervoer. Deskundigheid van chauffeurs met de doelgroep is hierbij bijvoorbeeld een vaste eis.

Bij de uitvoering wordt altijd een afweging gemaakt tussen duur van de ritten en combineerbaarheid van het vervoer (zowel qua leerlingen als qua adressen op de route). d: Een platform van ouders voor leerlingenvervoer, vergelijkbaar met het reizigerspanel zoals dat voor het Wmo vervoer functioneert, kan een goede aanvulling zijn. Het beheerbureau ViaVé voert de gesprekken met het reizigerspanel over de uitvoering van het Wmo vervoer. Wij zijn bereid om het beheerbureau ViaVé te vragen om over de uitvoering van het leerlingenvervoer twee maal per jaar in gesprek te gaan met een platform van ouders. Wij vragen de (regionale) adviesraad het initiatief te nemen om zo’n platform voor ouders op te zetten. Graag treden we hierover met de adviesraad in overleg. Vraag: We hebben verder een vraag over het proces: Kan het college aangeven op welke manier het gezamenlijke advies van de regionale adviesraden van 7 gemeenten, het advies van de ASDN en de uitkomsten van de enquête leerlingvervoer van de gemeente Putten zijn meegenomen in de voorliggende verordening? En waarom deze adviezen niet zijn toegevoegd aan de voorliggende stukken met een reactie van het college? Antwoord: Het college heeft de genoemde adviezen en de enquête meegenomen in de totstandkoming van de Verordening bekostiging leerlingenvervoer gemeente Nunspeet 2021.

Een reactie van het college op het advies van de adviesraad sociaal domein Nunspeet is gestuurd (helaas met enige vertraging). Het betreft een advies aan het college, waardoor de stukken in het college behandeld zijn. Hierbij sturen we alsnog de stukken mee. K.M. van Bronswijk (CDA Lokaal) Vraag: Het blijkt dat de adviesraad hierover advies heeft gegeven. Waarom is dit niet meegenomen in de stukken? Antwoord: Het betreft een advies aan het college, waardoor de stukken in het college behandeld zijn. Hierbij sturen we alsnog de stukken mee. A. Pluim (Gemeentebelang) Vraag 1: Klopt het dat de huidige Verordening leerlingenvervoer dateert uit 2015 maar de beleidsregels leerlingenvervoer gemeente Nunspeet uit 2017? Als ik de beleidsregels van 2017 lees zie ik daar niet veel verschil in met de nieuwe verordening, klopt dat? Antwoord: Dat klopt.

Vraag 2: Gemeentebelang vindt het belangrijk dat er zoveel mogelijk lokaal vervoer wordt ingesteld. Ook als dit wat minder in de OOGD past. Is dit het geval? En zo niet waarom niet? Antwoord: De uitvoering van het leerlingenvervoer moet openbaar aanbesteed worden. Wanneer maatwerk voor de uitvoering noodzakelijk is heeft lokaal vervoer de voorkeur. Dit komt echter zeer incidenteel voor.

☐6f. Visie Veluvine. J.M. Elskamp (ChristenUnie) Vraag: We lezen in het commissievoorstel dat de Veluvine zich kan vinden in de doelstellingen en aangegeven ‘ankerpunten’. Betekent dat ook dat deze visie ten grondslag zal liggen aan de exploitatiekeuzes die zij zullen gaan maken? Antwoord: De Veluvine heeft inderdaad aangegeven zich te kunnen vinden in de doelstellen en ankerpunten. Hoe dit zich zal vertalen in hun exploitatie keuze ligt binnen de verantwoordelijkheid van de Veluvine. Hun positieve grondhouding is wel degelijk een goed uitgangspunt voor ons het gezamenlijk vervolgoverleg. A.J. Timmerman (PvdA/GroenLinks) Vraag 1: In het commissievoorstel staat dat er een integraal Plan van Aanpak wordt gemaakt. Wanneer zal dit plan van aanpak gereed zijn? Antwoord: Het plan van aanpak is omgezet naar een overlegstructuur, deze is gereed, en wordt binnenkort besproken met de directeur bestuurder, de RvC en de aandeelhouders. Over de specifieke onderdelen zoals de inpassing van het junior college worden ook nadere afspraken gemaakt met de Veluvine. Vraag 2: In het visiedocument wordt gesproken over eigen hoedanigheden en bevoegdheden van de gemeente en Veluvine Beheer C.V. Graag een toelichting wat de hoedanigheden en bevoegdheden van de beide partijen zijn. Antwoord: Veluvine beheer is exploitant van de Veluvine, daarmee verantwoordelijk voor de duurzame exploitatie.

De gemeente is een samenwerkingsovereenkomst aangegaan waarin is opgenomen dat de gemeente een inspanningsverplichting heeft. Gemeente heeft indirect een subsidie relatie met de Veluvine beheer CV. Bij bovenstaande rollen, horen ook verantwoordelijkheden en bevoegdheden bij. Deze zullen in het bestuurlijk overleg met de Veluvine verder worden besproken.

☐6g. Aanpassing Participatieweg Afstemverordening IOAW en IOAZ gemeente Nunspeet 2022. M.J. Juffer (Gemeentebelang) Opmerking: Goed dat er een wijziging wordt doorgevoerd waardoor dubbele sanctionering achterwege blijft. Vraag: Is het voor een inburgeringsplichtige mogelijk om de juiste (juridische) ondersteuning te krijgen naast een taalaanbieder wanneer dat noodzakelijk is?

Antwoord: Statushouders kunnen terecht bij het advies loket van VluchtelingenWerk (c.q. spreekuur). Kunnen vragen daar niet volledig worden opgepakt, dan kan VluchtelingenWerk wel helpen om gezamenlijk een vraag neer te leggen bij het Juridisch Loket. Via die weg kunnen statushouders een advocaat toegewezen krijgen die helpen bij bezwaar/beroep. De advocaat kan in dat geval worden bekostigd vanuit bijzondere bijstand. Zo zijn er geen kosten voor de statushouder en is juridische hulp ook voor deze groep mogelijk. We zullen dit onderdeel ook benoemen in het stukje ‘rechten en plichten’ in de welkomstfolder die we ontwikkelen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10867152/1