AP 4a. Overzicht schr. vrg. en antw. commissie Ruimte en Wonen 6 december 2021
Tekst van het document
Overzicht schriftelijke vragen en antwoorden commissie Ruimte en Wonen 6 december 2021. ☐3. Rondvraag A.J. Timmerman (PvdA/GroenLinks) Inleiding: Door het in de raadsvergadering van 28 oktober jl. aangenomen amendement luidt artikel 4, eerste lid van de Bomenverordening 2021 nu als volgt: “Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag gemeentelijke bomen met een stamomtrek van 120 cm of groter, bomen met een leeftijd van 80 jaar of ouder en een minimale toekomstwaarde van 10 jaar of bomen staande in Boomzonegbied (zie bijlage 1: Kaart met boomzonegebieden) met een stamomtrek van 120 centimeter of groter te vellen of te doen vellen, onverminderd het gestelde in artikel 3 lid 1.” Navraag via de griffie heeft geleerd: Er bestaat geen begripsomschrijving voor gemeentelijke bomen. Met gemeentelijke bomen bedoelen we de bomen die op percelen staan die in eigendom zijn van de gemeente. Net zoals particuliere bomen staan op percelen die in eigendom zijn bij particulieren.
Vraag: Klopt het dat alleen voor bomen die op percelen staan die in eigendom zijn van de gemeente een kapvergunning dient te worden aangevraagd en niet voor bomen die staan op percelen die in eigendom zijn bij particulieren? Zo ja, wat is dan de meerwaarde van het aangenomen amendement voor het beschermen van bomen tegen kappen door particulieren? Antwoord: -gemeentelijk bomen met een bepaalde stamomtrek -bomen in de boomzone (bomen met een bepaalde stamomtrek) dit zijn gemeentelijke en particuliere bomen. Door het toevoegen van het amendement geldt nu ook een kapverbod voor gemeentelijke en particuliere bomen die 80 jaar of ouder zijn en minimaal 10 jaar toekomstwaarde hebben. Hiermee zijn dus particuliere bomen van 80 jaar of ouder die niet in een boomzone staan ook beschermd met een vergunningplicht. Zonder het amendement waren deze bomen niet beschermd. Omdat in gebieden buiten een boomzone geen vergunningplicht geldt. ☐6a. Stand van zaken Project verbetering Stationsomgeving. Er zijn over dit onderwerp geen schriftelijke vragen gesteld.
☐ 6b. Definitief Ontwerp (DO) Stationsomgeving Er zijn over dit onderwerp geen schriftelijke vragen gesteld.
☐ 6c. Coördinatiebesluit Herontwikkeling Stationsomgeving Er zijn over dit onderwerp geen schriftelijke vragen gesteld.
☐ 6d. Afgifte verklaring van geen bedenkingen uitbreiding supermarkt Jumbo in Nunspeet. Er zijn over dit onderwerp geen schriftelijke vragen gesteld.
☐ 6e. Vaststelling bestemmingsplan De Kijktuinen. S.M. Kouwenberg (PvdA/GroenLinks) Vraag 1: Een niet geanonimiseerd en duidelijk overzicht van de oorspronkelijke zienswijzen ontbreekt. Graag toevoegen! Antwoord: In verband met de Wet op de Gegevensbescherming worden alleen geanonimiseerde stukken digitaal bijgevoegd. De oorspronkelijke zienswijzen zijn wel in te zien bij de griffie. Vraag 2: Was het College bij aanvang van het ‘dossier Kijktuinen’ op de hoogte van het feit dat de persleiding van het Waterschap aan vervanging toe was en dat deze buiten de planlocatie omgelegd kon worden? Antwoord: De bestaande persleiding die gedeeltelijk door het plangebied van de Kijktuinen loopt, zou volgens het geldende rioleringsplan over 5 jaar al vervangen worden. Vanwege de Kijktuinen is in samenspraak met het Waterschap besloten de persleiding vervroegd te vervangen en te verleggen. Vraag 3: Concept Zienswijzennota 1.2. Grondwaterpeil. In de tekst staat enerszijds “niet te verwachten” en anderszijds “uitgesloten.” Welke van de twee is het? Antwoord: Het is nooit 100 procent zeker dat er helemaal geen effect zal zijn op de grondwaterstand, vandaar “niet te verwachten”.
Effecten als gevolg van veranderende grondwaterstand zijn wel uit te sluiten, omdat wanneer er wel enige verandering zou optreden, dit nooit een dusdanig effect kan hebben op het gehele hydrologische systeem van de Veluwe, dat er significante effecten ontstaan. Vraag 4: Concept Zienswijzennota, pagina 10, over de das staat “ Aanvullend zijn twee wildcamera’s opgehangen om na te gaan of dassen van het maisveld gebruik maakten en hoe frequent.” Hier ontbreekt de constatering. Graag aanvullen. Antwoord: Tijdens het onderzoek zijn er geen (beeld)waarnemingen en/of (zand)sporen van das in en rondom het maisveld aangetroffen. Hiermee wordt bevestigd dat het maisveld geen essentieel onderdeel uitmaakt van het leefgebied van das. Met de ontwikkeling zijn negatieve effecten op das daarom uit te sluiten. Vraag 5: Nu de zorgwoningen niet doorgaan, vraagt PvdA GroenLinks in het kader van inclusiviteit: is het College bekend met Fokus-woningen en hoe denkt het College over de mogelijke inpasbaarheid van dit concept binnen de planlocatie? Antwoord: Voor zover wij begrijpen gaat dit om een zorgorganisatie die zorg verleent aan contractanten die wonen in woningen die volgens een bepaald concept (Fokus) zijn gebouwd. In Gelderland is deze organisatie slechts sporadisch actief. Qua inpasbaarheid wil het college in beginsel middenhuur op deze locatie te vestigen.
☐ 6f. Woodstock rapportage 2021. Er zijn over dit onderwerp geen schriftelijke vragen gesteld.
☐ 6g. Uitvoeringsplan Klimaatadaptatie. C. Jansen (Gemeentebelang) Vraag 1: Komen er gelden vanuit het rijk om dit deltaplan uit te voeren? Antwoord: Vanuit het rijk is een subsidie beschikbaar. Voor ons is deze subsidie verdeeld over de regio NoordVeluwe, gebaseerd op zowel inwonersaantal en oppervlakte van de gemeente. Concreet betekent dit dat de subsidie voor Nunspeet voor de periode 2021-2026 bestaat uit €502.000. Dit bedrag is op basis van cofinanciering, dus om het volledige bedrag te ontvangen zullen we zelf voor €1.004.000 aan klimaatmaatregelen moeten investeren. Als wij minder investeren en dus minder subsidie aanvragen wordt het restantbedrag verdeeld over de regio. Vraag 2: Wij lezen over berekeningen waar kans op overlast kan zijn. Hoe wordt dit met de werkelijkheid getoetst? Antwoord: De modellen zijn getoetst op nauwkeurigheid door in gesprek te gaan met een aantal medewerkers van de buitendienst. Zij weten uit ervaring waar overlastlocaties zijn. Daarnaast is gekeken naar de locaties waar we meldingen hebben ontvangen van overlast. De modellen zijn gekalibreerd op deze feedback en blijken een goede weergave te zijn van de werkelijkheid. Vraag 3: Wat zijn de gevolgen voor woningbouw op maat, wij zien dat dit redelijk vaak genoemd wordt bij oplossingen.
Is ontwikkelen nog wel mogelijk met steeds meer eisen, wensen waardoor de kosten stijgen? Antwoord: De directe gevolgen van het vaststellen van dit plan op woningbouw op maat zijn beperkt. Het is wel zo dat er steeds meer maatregelen genomen moeten worden om de woningen leefbaar te houden, zeker binnen de kernen. Deze maatregelen maken bouw mogelijk (maar niet noodzakelijk) duurder, maar het is nog onduidelijk hoeveel. Hier wordt zowel landelijk, provinciaal als regionaal onderzoek naar gedaan. Tegenover deze potentiële extra kosten staat wel dat er ook sprake is van een besparing op onderhouds- en gebruikskosten. Een groen dak zorgt bijvoorbeeld voor hogere opbrengsten en levensduur van zonnepanelen, betere isolatie van de woning, minder onderhoudskosten aan en langere levensduur van het dak zelf en zorgt ervoor dat de airco in de zomer minder aan hoeft. Daarnaast geldt dat hoe sneller de woningbouw hier op aangepast is, hoe minder woningen in de toekomst aangepast hoeven worden, wat duurder is dan bij de bouw de maatregelen te treffen. Vraag 4: We lezen: in 2050 groen aangepast aan veranderend klimaat. Hier zit toch geen eind moment aan? Misschien verandert het klimaat sneller of juist minder snel. Wanneer wordt er geëvalueerd of genoemde maatregelen (nog) wel nodig zijn of misschien anders moeten? Antwoord: Correct, dit is een doorlopend proces.
2050 is genoemd als ijkpunt om aan te sluiten op de gangbare omschrijvingen van ambities op dit onderwerp, zowel nationaal als internationaal. Uiteraard zal ook daarna goed nagedacht moeten worden welke plantsoorten worden toegepast. Dit plan is zo opgesteld dat er elke 5 jaar een herijking plaatsvindt. Eind 2026 zal er dus een nieuwe versie van het plan ter vaststelling aangeboden worden, waarin onder andere een evaluatie van de reeds uitgevoerde maatregelen en huidige voortgang richting de ambitie. Indien uit voortschrijdend inzicht blijkt dat enkele van de ambities aangepast moeten worden zal dit ook dan meegenomen worden. Vraag 5: Waar is er door de raad ja of nee te zeggen en hoe definitief is die keuze dan? Dit m.n. als de financiële gevolgen bekend worden.
Antwoord: Door dit plan vast te stellen zegt de raad ja op de gestelde ambities op het gebied van klimaatadaptatie. Daarnaast wordt de raad gevraagd een richting mee te geven wat in 2022 prioriteit moet hebben. Vervolgens volgt er begin 2022 bij de herijking van het programma duurzaamheid, gebaseerd op deze prioritering, een voorstel welke projecten uit de lijst dat jaar opgestart worden. Deze lijst is dan inclusief financiële onderbouwing. Op dat moment kan de raad het geld toewijzen en officieel opdracht geven tot uitvoering van deze projecten. Verder zal er jaarlijks een voorstel komen van projecten om in het daaropvolgende kalenderjaar uit te voeren waarop de raad op dat moment kan besluiten. Vraag 6: Hoe snel kan water weg bij een extreme bui als je juist ook water vast wilt houden? Antwoord: Het water vasthouden gaat over het grondwater. De Veluwe is een belangrijke buffer voor de Nederlandse drinkwatervoorziening. Daarnaast is het ook op kleinere schaalgrootte voor de tuinen en gemeentelijk groen beter om water vast te houden dan veel te sproeien. Voor het infiltreren van regenwater zal over het algemeen de grondwaterstand in ons gebied geen beperking zijn op de afvoersnelheid van het water. Dit is omdat het grondwater hier verder onder het maaiveld zit dan in bijvoorbeeld de Randstad.
Vraag 7: Is men bekend met het onderzoek over de biodiversiteit die op akkers hoger is dan op natuurvelden? Antwoord: Ons is dat onderzoek niet bekend, wel de onderstaande 2: https://www.landbouwmetnatuur.nl/maatregelen/vogelakkerranden/ https://www.akkernaarbos.nl/wat-is-natuurlijke-landbouw/ De biodiversiteit op de akkers en weilanden zoals die op dit moment bewerkt worden, is laag. Dit komt omdat er sprake is ven een monocultuur waarbij de overige kruiden geweerd worden. Door deze wijze van beheer van de gronden is er van de oorspronkelijke zadenbank niet veel (niets) meer over. Het bodemleven is veelal dood en elke cm2 wordt bewerkt. Hierin is vooral bij de akkers veel winst te halen. Het gewenste gewas doorzaaien met akkerkruiden; wisselteelt toepassen en randen gedurende de winter laten staan zijn enkele zaken die hierin een grote verbetering kunnen bewerkstelligen voor de biodiversiteit. Bij graslanden is juist het aanbrengen van houtsingels een betere optie waardoor meer gradienten ontstaan en daarmee meer biodiversiteit. In beide gevallen is het terugbrengen van bodemleven een lastige maar niet onmogelijke opgave.
☐ 6h. Principeverzoek Stakenbergweg 86 in Elspeet. Dit onderwerp wordt doorgeschoven naar een volgende vergadering.
☐ 6i. Vaststelling bestemmingsplan “Beekhuizen-Hoekerd”. A.J. Timmerman (PvdA/GroenLinks) Vraag: Om een grotere afzetmarkt te bereiken is het gewenst om de bestemming Kantoor te wijziging in Gemengd. Is deze wens gebaseerd op een marktonderzoek? Zo ja, dan dit graag aan de Commissie toezenden. Antwoord: Er is geen marktonderzoek uitgevoerd. Een gemengde bestemming kan meer mogelijkheden bieden op invullingen die passen bij een woonwijk.
☐ 6j. Verordening doelgroepen woningbouw. C. Jansen (Gemeentebelang) Vraag 1: Wat betekent de verandering, wat zijn de gevolgen van de verandering in deze verordening voor de betaalbaarheid en behoud van passende woningen voor de genoemde doelgroepen? Graag een toelichting. Antwoord: De veranderingen van de voorliggende doelgroepenverordening woningbouw ten opzichte van de geldende doelgroepen verordening zijn dat de categorie “geliberaliseerde woningen voor middenhuur” als woningbouwcategorie is toegevoegd. De minimale instandhoudingstermijn voor de sociale huurwoningen en voor de geliberaliseerde woningen voor middenhuur is in voorliggende verordening bepaald op ten minste 15 jaar. Dit betekent een langere instandhoudingstermijn ten behoeve van de doelgroep. In de geldende verordening geldt een instandhoudingstermijn van 10 jaar. Voor de instandhouding van de sociale koopwoningen geldt een termijn van 10 jaar, langer is wettelijk niet toegestaan. In artikel 4 van de voorliggende verordening wordt deze instandhoudingsplicht expliciet benoemd in de geldende verordening is hiervoor niet specifiek een artikel opgenomen. Artikel 5 Meldingsplicht is ook toegevoegd, dit artikel is bedoeld om artikel 4 te ondersteunen. Het is de bedoeling om de intenties (categorieën) van deze verordening publiekrechtelijk via het bestemmings- of het omgevingsplan vast te leggen.
Daarnaast wordt in exploitatieovereenkomsten de verplichting opgenomen dat de inhoud van deze verordening als kettingbeding moet worden opgenomen in de koopovereenkomsten met de kopers van de woningen. Een notaris kan daardoor toezien op naleving van de regels uit deze verordening. Naast de toevoeging van de categorie “geliberaliseerde woningen voor middenhuur” is de voorliggende verordening aangepast op de invoering van de Omgevingswet, verwacht wordt dat deze 1 juli 2022 in werking treedt. Met de invoering van de Omgevingswet worden de huidige bedragen uit het Bro gekoppeld aan de NHG-grens e.e.a. is geëffectueerd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL), een van de vier AMvB's behorende bij de Omgevingswet. Op dit moment ligt deze NHG-kostengrens op € 325.000,-. In 2022 zal deze kostengrens stijgen naar € 355.000. Gemeenten zijn niet verplicht om deze verhoogde verkoopprijs te hanteren, de NHG-grens geldt als nationale maximumprijs. Gemeenten zijn vrij om in hun lokale beleid een lagere prijs te kiezen. Om te voorkomen dat toekomstige sociale koopwoningen met de invoering van de Omgevingswet een sprong maken van € 200.000,- naar € 344.500,- is de voorliggende doelgroepenverordening hiervoor alvast aangepast. In de voorliggende doelgroepenverordening is een segmentering aangebracht voor sociale koopwoningen.
Voor het bepalen van deze segmenten is aangesloten bij de prijscategorieën zoals die ook worden genoemd in de woonvisie. De gevolgen van de verandering in deze verordening voor de betaalbaarheid en behoud van passende woningen voor de genoemde doelgroepen zijn dat met de voorliggende verordening de woningbouwcategorie sociale huur langer voor de doelgroep in stand blijft er geldt nu een instandhoudingstermijn van 10 jaar dit wijzigt in 15 jaar. Met de toevoeging van de woningbouwcategorie “geliberaliseerde woningen voor middenhuur” kan voor deze woningbouwcategorie een specifieke bestemming worden opgenomen in de bestemmings- en omgevingsplannen. Vraag 2: Wat betekent dit voor de ontwikkeling van de locatie Kijktuinen en t Hul N en eventueel in de toekomst te ontwikkelende bouwlocaties vanuit het programma woningbouw op maat? Graag een toelichting.
Antwoord: Voor de locaties Kijktuinen en ’t Hul Noord betekent dit dat voor de verschillende woningbouwcategorieën een specifieke bestemming opgenomen kan worden in de bestemmings- en omgevingsplannen. Door de doelgroepenverordening te koppelen aan deze categorieën ontstaat er een afdwingbaar middel om én te bouwen voor de doelgroep én deze woningen ook in stand te houden. Voor Woningbouw op Maat betekent dit dat de bepalingen uit de doelgroepenverordening worden opgenomen in de anterieure overeenkomsten en in de voorschriften horende bij de omgevingsvergunning.
☐ 6k. Omgevingswet: delegatie, bindend adviesrecht, verplichte participatie en uitgebreide procedure. Dit onderwerp wordt doorgeschoven naar de vergadering van 17 januari 2022.