CConstaterende datNunspeet
Koppel je AI →
Document · PDF

AP 4a. Overzicht schr. vrg. en antw. commissie Maatschappij en Middelen 8 januari 2026

Commissie Maatschappij en Middelen 8 januari 2026, gemeente NunspeetBij agendapunt: Mededelingen college en commissie3.260 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Overzicht schriftelijke vragen en antwoorden commissie Maatschappij en Middelen 8 januari 2026. ☐ 3.

Rondvraag.

Er zijn geen schriftelijke vragen gesteld voor de rondvraag.

☐5a. Begroting en exploitatiebijdrage Sportbedrijf Nunspeet 2026. Er zijn geen schriftelijke vragen gesteld over dit agendapunt.

☐5b. Regionaal beleidsplan Maatschappelijke Zorg Noord Veluwe en Zeewolde 2026-2032. A.J. Timmerman (PvdA/Groen/Links) Vraag 1: Naar aanleiding van het advies van de adviesraden sociaal domein is in het regionaal beleidsplan een definitie van zelfregie opgenomen. Daarin is opgenomen welke verantwoordelijkheden bij een inwoner liggen. Er is echter – in tegenstelling tot het advies van de adviesraden – niet opgenomen welke ondersteuning de gemeente biedt. Waarom is dat niet opgenomen? Antwoord: De concrete ondersteuning van de gemeente is bewust níet in de begripsdefinitie vastgelegd, maar krijgt invulling in de uitvoeringsafspraken en uitvoeringsplannen. Dit zorgt voor de noodzakelijke maatwerkruimte en fasering (instroom, verblijf, uitstroom), en maakt jaarlijkse bijstelling mogelijk in de PDCA-cyclus. Dat past bij de uitgangspunten “zo licht als kan, zo zwaar als nodig; lokaal waar het kan, regionaal waar nodig” [Beleidsplan, §5.2, uitgangspunten 2 en 6]. In het regionaal uitvoeringsplan is de ondersteuning wel concreet uitgewerkt: • Ambitie 1 (thuis & BW): uitbreiding respijtvoorzieningen, maatwerkwonen, samenwerking met verhuurstichting, doorontwikkeling BW voor moeilijk plaatsbare inwoners, rol van het regioteam en casusregie.

• Ambitie 2 (jongvolwassenen): structurele inbedding en uitbreiding van het pilotteam 16–27, benutten respijtvoorzieningen, versterking samenwerking Jeugd/Wmo. • Ambitie 3 (mentaal welzijn): GEM-implementatie, suïcidepreventie-werkwijze, (supra)regionale streettriage. • Ambitie 6 (middelengebruik): integrale ketenaanpak (GGZ, verslavingszorg, schuldhulp, veiligheid), training medewerkers, meeloopfunctie verslavingszorg. Vraag 2: De adviesraden adviseren om de voortgangsmonitoring concreter te maken. In de reactie daarop geeft het College aan monitoring van belang te vinden. De suggesties van de adviesraden worden meegenomen in de verdere uitwerking van de monitoring. Wanneer vindt deze verdere uitwerking plaats en wordt de Commissie Planning & Control daarbij betrokken?

Antwoord: Monitoring en kwaliteit zijn in de regio structureel belegd via de bestaande overleg en verantwoordingscyclus (o.a. regiegroep, bestuurlijk overleg, accounthoudersgesprekken en het jaarverslag van het Regiecentrum). Daarmee borgen we zowel kwalitatieve signalen uit “het echte gesprek” als cijfermatige inzichten. De verdere uitwerking en de keuzes van monitoring die daarin gemaakt worden is een regionaal proces. In de Maatschappelijke Zorg is de regionale, gemeentegrens overstijgende inzet/aanpak een belangrijk onderdeel. Na besluitvorming van alle gemeenten kunnen we alle reacties verzamelen en bekijken welke monitoring we regionaal/lokaal kunnen en willen oppakken. Toelichting doorlooptijd Het Regionaal beleidsplan geeft de koers voor 2026–2032. De uitvoering vindt bewust in tweejaarlijkse tranches plaats via regionale én lokale uitvoeringsplannen (bijv. 2026–2027, 2028–2029, 2030–2031). Zo kunnen we jaarlijks monitoren en elke twee jaar gericht bijstellen (PDCA). Het nu voorliggende regionale uitvoeringsplan beschrijft de acties die vanaf 2026 starten en vormt daarmee de eerste tweejarige uitvoeringsstap; de lokale doorvertaling volgt in het lokale uitvoeringsplan 2026–2027. R.A. de Bruin (SGP) Vraag: Dit nieuwe beleidsplan bouwt verder op eerdere plannen.

Waarom kent dit nieuwe plan niet een goede evaluatie? Juist analyse en evaluatie vormen voor raadsleden het middel om nieuwe plannen aan te toetsen. Antwoord: Het regionaal beleidsplan bouwt inderdaad voort op eerdere plannen en bevat een inhoudelijke terugblik 2020–2025 met concrete ontwikkelingen, resultaten en leerpunten (o.a. scheiden wonen & zorg, Regioteam, Pilotteam 16–27, doorontwikkeling opvang naar 24/7, GEM-transformatie, diverse woonprojecten) plus statistieken en jaarverslag 2024 van het Regiecentrum [Beleidsplan, §4 Terugblik; Bijlage 2 en Bijlage 3]. Het plan positioneert evaluatie doorlopend via de PDCA-cyclus: tweejaarlijkse regionale en lokale uitvoeringsplannen en jaarlijkse verantwoording (begroting/jaarrekening/jaarverslag). De regionale uitvoeringsplannen 2026–2027 zetten die terugblik om in concrete acties en meetpunten (ethos-light telling, woonantwoorden, pilotteam, GEM, verslavingsaanpak) [Uitvoeringsplan, Ambities 1–3 & 6].

☐5c.

Voorstel pilot open inloop straathoekwerk Nunspeet.

R.A. de Bruin (SGP) Vraag 1: Waarom heeft het college in de aanpak gekozen voor één partij?

Antwoord: Het gaat om een pilot en niet om een structurele voorziening. Bij een pilot is het belangrijk om snel te kunnen starten en ervaring op te doen met een nieuwe werkwijze. Daarom is gekozen voor één partij die: • Ervaring en expertise heeft binnen het jeugdwerk en een bewezen goede reputatie. • Flexibel en snel inzetbaar is. • Snel kan schakelen met bijv P-wet, veiligheidsoverleg, welzijn, etc • Zorgt voor continuïteit. Deze doelgroep komt over meerdere jaren meerdere keren in beeld en met deze partij maak je de drempel als er opnieuw ondersteuning nodig is kleiner. Door deze keuze kan de gemeente de effectiviteit van de aanpak toetsen en op basis van de resultaten later besluiten of en hoe deze structureel wordt geborgd. Vraag 2: Ik lees over een nog bredere aanpak en beschikbaarheid. Betekent dit dat we geen nieuwe zaken gaan doen, maar gaan uitbreiden van de faciliteiten die we hebben? Antwoord: Dat klopt. De bredere openstelling betekent dat we niet een geheel nieuwe voorziening creeren, maar de bestaande faciliteiten uitbreiden. Door ruimere openingstijden en een bredere beschikbaarheid (5 dagen en 4 avonden) wordt de toegankelijkheid voor de doelgroep vergroot. Dit vermindert het demotiverende effect van een gesloten deur en zorgt ervoor dat jongeren vaker en op meer momenten terechtkunnen voor ondersteuning.

Daarmee versterken we de preventieve werking van de pilot. Vraag 3: In het voorkomen van zware problematiek (1.2) is nu alleen straathoekwerk in beeld. Waarom is bij de invulling (ook) niet gekozen voor een invulling via de welzijnspartijen en andere ketenpartners? Antwoord: Straathoekwerk is gekozen vanwege de outreachende aanpak die deze moeilijk bereikbare doelgroep het beste bereikt. Welzijnspartijen worden actief betrokken om te voorkomen dat de verantwoordelijkheid volledig bij straathoekwerk ligt en om samenhang in de aanpak te waarborgen. Straathoekwerk kan daarbij een regierol vervullen in complexe situaties op het grensvlak van zorg en veiligheid. Zaak is dan ook dat andere partijen hen eerder betrekken. Vraag 4: Op welke manier sluit deze aanpak specifiek aan bij onze huidige OKO-doelen? Antwoord: • Het is een preventieve maatregel tegen middelengebruik en mentale problematiek. Door jongeren met risico’s tijdig te bereiken en ondersteunen, vermindert risico op later middelengebruik. De intensieve begeleiding helpt bij vroege interventie. • Het versterkt de mentale veerkracht van kwetsbare jongeren. Het straathoekwerk biedt laagdrempelige opvang en begeleiding, wat helpt psychische klachten en isolement te voorkomen.

•

•

•

Het verhoogt de netwerkslagkracht en de beschikbaarheid van hulp op lokaal niveau. Specifiek gericht op jongeren zonder dagbesteding in Nunspeet, vult het een lacune in het huidige aanbod, in lijn met OKO’s focus op lokaal maatwerk Het biedt gericht lokaal maatwerk voor een doelgroep die buiten bestaande kaders valt. Door extra formatie voor straathoekwerk bouwt de gemeente capaciteit op om risicojongeren eerder en effectiever te bereiken. Het draagt bij aan de community-benadering door samenwerking en verbinding met tal van lokale partners. De pilot verbindt straathoekwerk met scholen, ouders, CJG, maatschappelijke organisaties en GGD, en draagt zo bij aan lokale samenwerking.

Vraag 5: Een pilot is ervoor om te kijken of een bepaalde werkwijze succesvol is. In het document van de gemeente lees ik nergens wat de opbrengsten zijn. Is het mogelijk om doelen aan deze pilot te verbinden, zodat er later gekeken kan worden of de pilot geslaagd is of niet? Antwoord: Een pilot is bedoeld om te leren of een werkwijze succesvol is. Na 1,5 jaar zijn er mogelijk nog weinig harde resultaten, maar wel waardevolle inzichten. Deze periode kan dienen als een nulmeting, waarin we actief op zoek gaan naar een doelgroep die nu vaak niet in beeld is en gegevens verzamelen over bereik, behoeften en werkzame elementen. Op basis daarvan kunnen we later bepalen of de aanpak effectief is en welke vervolgstappen nodig zijn.

☐5d.

Mededelingenbrief Koersplan Onderwijshuisvesting.

G. Bronkhorst (SGP) Junior College: Vraag 1: Kan het college het Junior College zoals dat nu wordt beoogd eenduidig definiëren (doel, doelgroep, onderwijssoort en beoogde omvang), en aangeven op welke vastgestelde documenten of besluiten deze definitie is gebaseerd? Antwoord: Ons college heeft het projectplan van het Junior College nog niet ontvangen, dus kan nog niets zeggen over omvang. In het projectplan zal onder andere meer informatie staan over de beoogde omvang. Volgens de visie, zoals toegelicht in het OOGO, is het Junior College een voorziening voor leerlingen met extra onderwijs- en/of ondersteuningsbehoefte die vastlopen op het snijvlak tussen het primair- en voortgezet onderwijs. Vraag 2: Kan het college in één overzicht aangeven welke wijzigingen sinds vaststelling van het Koersplan 2023 zijn opgetreden in: • deelnemende partijen, • governance/samenwerking, • en opzet van het Junior College, inclusief het moment en de reden van deze wijzigingen?

Antwoord: Zoals in de mededelingenbrief van december is aangegeven trekt Volare zich terug uit het Junior College, omdat Volare de leerlingen wil concentreren in het IKEC. CNS Nunspeet en Nuborgh College zijn voornemens om door te gaan met het Junior College. Het projectplan zal meer duidelijkheid geven over de deelnemende partijen, samenwerking en opzet. Vraag 3: Het college geeft aan dat “de inhoud hetzelfde blijft”. Kunt u concreet aangeven welke onderdelen inhoudelijk ongewijzigd zijn gebleven en welke onderdelen zijn aangepast, ten opzichte van de eerdere opzet? Antwoord: Zoals in de mededelingenbrief van 1 december 2025 is aangegeven blijft het Junior College een voorziening voor leerlingen die tijdelijk extra onderwijs- of ondersteuningsbehoefte nodig hebben. Het Junior College blijft dus een kleinschalige tussenvoorziening voor kinderen van 10-14 jaar die extra tijd en begeleiding nodig hebben om door te stromen naar regulier voortgezet onderwijs. Een wijziging ten opzichte van het Koersplan is dat stichting Volare zich heeft teruggetrokken uit het Junior college 2.0 en CNS Nunspeet deze rol heeft overgenomen. CNS Nunspeet zal verantwoordelijk worden voor de invulling van de onderbouw (10-12 jaar). Op dit moment wordt een projectplan 'Junior college 2.0' opgesteld over de concrete invulling, planning en huisvesting.

Vraag 4: In hoeverre past de huidige opzet van het Junior College nog binnen de ruimteclaims (m²), fasering en financiële aannames zoals opgenomen in het Koersplan Onderwijshuisvesting 2023? Antwoord: De ruimtebehoefte is afhankelijk van het leerlingenaantal. Hierbij wordt de ruimtebehoefte berekend volgens de Verordening voorziening onderwijshuisvesting gemeente Nunspeet 2015 (Verordening). Dit zal in de te verwachten businesscase voor de nieuwbouw worden opgenomen. Vertraging van het Junior College betekent geen vertraging voor andere projecten. De schoolbesturen zijn ervan op de hoogte dat de financiën in het Koersplan taakstellend zijn. Verder zijn er in het Koersplan (pagina 11) afspraken gemaakt over de jaarlijkse actualisatie van de uitvoerende onderdelen en de vierjaarlijkse herijking. Vraag 5: Welke financiële en huisvestingsconsequenties hebben de wijzigingen in opzet en samenwerking, en op welk moment en in welke vorm wordt de raad betrokken bij besluitvorming over de definitieve invulling, huisvesting en financiering? Antwoord: U zult als raad net als in november 2025 bij de Eerste Veluwse Montessorischool een besluit kunnen nemen over het projectplan van het Junior College, in lijn met de afspraken uit het Koersplan (pagina 10). Er zal bestuurlijk overleg volgen over de financiële en huisvestingsgevolgen voor de leerlingen vanuit CNS richting het Junior College.

Leerlingen worden niet

dubbel geteld, met andere woorden de leerlingen uit de projecten van CNS kunnen niet worden gerekend voor zowel het Junior College als IKC Noord en IKC West. Aventurijn: Vraag 6: Welke leerlingenprognose (per jaar) is voor Aventurijn gehanteerd bij het bepalen van de maatregel “renoveren” in het Koersplan/actualisatie, en hoe verhoudt deze zich tot de prognose 2025 waarin Aventurijn doorgroeit naar circa 175–176 leerlingen? Antwoord: Zoals in het Koersplan is te vinden, is gerekend met 60 leerlingen voor IKC Aventurijn. Zoals ook in het Koersplan is te vinden (pagina 73), was bij het opstellen van het Koersplan nog geen duidelijkheid beeld voor de ontwikkeling van het leerlingenaantal bij de nieuw gestichte school. In het Koersplan is daarom aangegeven dat de komende jaren een eindbeeld wordt gecreëerd voor de Aventurijn. Dit wordt vastgelegd in een projectplan en ter besluitvorming voorgelegd aan uw raad. Vraag 7: Kunt u de prognose 2025 voor Aventurijn vertalen naar de benodigde onderwijs-m² volgens de gemeentelijke normering, en aangeven of deze m²-behoefte past binnen de bestaande gebouwschil, vóór en na renovatie? Antwoord: Een leerlingenaantal van 175 leerlingen betekent een ruimtebehoefte van 1.085 m2 volgens de verordening. Het schoolgebouw van Aventurijn aan randweg 11 is 999 m2, zoals in het Koersplan is te vinden. Dit betekent een tekort van 86 m2 voor renovatie.

Wanneer het projectplan van IKC Aventurijn wordt opgesteld, wordt naar de ruimtebehoefte en mogelijke uitbreiding gekeken. Vraag 8: Betreft de maatregel “Aventurijn – renoveren” uitsluitend kwalitatieve renovatie, of wordt hiermee (impliciet) ook uitbreiding van capaciteit beoogd? Indien uitbreiding nodig is: waarom is dit niet expliciet als zodanig benoemd? Antwoord: Renovatie is een levensverlengende operatie voor 25 jaar (pagina 31 Koersplan). De leerlingenprognose wordt bij alle projecten in het projectplan nogmaals bekeken. Daaruit volgen de te nemen maatregelen. Vraag 9: Zijn de in de actualisatie 2025 opgenomen investeringsbedragen voor Aventurijn gebaseerd op de oorspronkelijk veronderstelde omvang of op de huidige, fors hogere leerlingaantallen, en welke m²- en capaciteitsaannames liggen hieraan ten grondslag? Antwoord: De actualisatie is gebaseerd op de oorspronkelijk veronderstelde omvang. Er vindt per project een actualisatie plaats via het projectplan. De ruimtebehoefte wordt berekend op basis

van de laatste leerlingenprognoses, verordening en eventuele aanvullende ruimte voor zorgfunctie, zoals in het Koersplan is opgenomen (pagina 88). De leerlingenprognoses zijn in deze actualisatie niet meegenomen, omdat dit niet de definitieve aantallen zijn bij de projecten. Hiermee wordt een schijnsituatie gecreëerd. Per project wordt via het projectplan en in herijking bij de actualisatie aangesloten. Vraag 10: Gezien de voorziene groei vóór 2030: welke tijdelijke huisvestings- of capaciteitsmaatregelen zijn voorzien tot aan oplevering, en welke kosten zijn hiervoor geraamd en waar zijn deze verwerkt? Antwoord: De leerlingenprognoses worden meegenomen in de herijking. Bij tijdelijk tekort kan een schoolbestuur jaarlijks een aanvraag indienen op basis van de verordening, zoals genoemd als ‘formeel vangnet’ in het Koersplan. Dat is bijvoorbeeld in 2025 van toepassing geweest bij De Arend en De Wingerd van stichting EduCare. Deze zullen aan u worden voorgelegd via de programmabegroting. Vraag 11: Beschouwt het college de huidige uitwerking van Aventurijn nog als uitvoering binnen de kaders van het Koersplan Onderwijshuisvesting 2023, of als een feitelijke herijking die expliciete besluitvorming door de raad vraagt? Antwoord: Zoals is opgenomen in het Koersplan (pagina 10) wordt elk project via een projectplan aan u voorgelegd.

Bij elk project wordt afzonderlijk in het projectplan gekeken naar de actualisatie van dat moment. Dit wordt vastgelegd in een projectplan en voorgelegd aan de gemeenteraad ter besluitvorming. De leerlingenprognoses worden ook in de herijking meegenomen. In de leerlingenprognose is geen daling van leerlingen bij andere scholen te zien. De leerlingenprognose laat een stijging van het leerlingenaantal zien in de gehele gemeente. Dit betekent dat de leerlingaantallen in Nunspeet West autonome groei zijn. Het Koersplan is een dynamisch document (pagina 11), waarbij is aangegeven dat de leerlingontwikkeling wordt meegenomen in de uitvoerende onderdelen. De ontwikkeling van het leerlingenaantal was niet voorzien in de leerlingenprognose uit het Koersplan. Financiële consequenties Vraag 12: Kan het college een vergelijkend financieel overzicht aanleveren tussen: • het vastgestelde Koersplan Onderwijshuisvesting 2023, en • de actualisatie zoals opgenomen in de mededelingenbrief 2025, waarbij expliciet wordt uitgegaan van: • dezelfde scope-afbakening, • en uitsluitend de gemeentelijke investeringslasten?

Antwoorden: De scope is vooralsnog hetzelfde als het Koersplan. De actualisatie zoals opgenomen in de mededelingenbrief is de indexering. Vraag 13: Kan het college in dit overzicht aangeven waardoor eventuele verschillen worden verklaard, uitgesplitst naar: • prijsindexatie/bouwkosten, • gewijzigde leerlingaantallen en m²-behoefte, • fasering/tijdstip van uitvoering, • en overige oorzaken (bijv. subsidies, tijdelijke huisvesting)? Antwoorden: Het Koersplan is een raamwerk, waarbinnen per project ruimte is om aansluiting te vinden bij de actuele situatie van dat moment. Eventuele wijzigingen verschillen per project en worden uitgewerkt en verklaard in de projectplannen. Wel kan worden aangegeven dat de bouwprijzen ondertussen hoger zijn dan de VNG-normindex waarmee in het Koersplan is gerekend. Vraag 14: Klopt het dat de totale gemeentelijke investering op basis van de actualisatie circa € 60,1 mln. bedraagt, tegenover circa € 56,2 mln. in het Koersplan 2023? (Versie 11 april, p.79) Zo ja: kunt u aangeven wat hiervan als structurele afwijking moet worden beschouwd en wat als indexatie? Antwoord: Er is geen sprake van een structurele afwijking. Het uitgangspunt zijn de bedragen zoals vastgesteld door de gemeenteraad met daarbij opgeteld de jaarlijkse indexering, zoals afgesproken in het Koersplan.

Vraag 15: Kunt u een geactualiseerd tijdschema van investeringen aanleveren, met daarbij een overzicht van de jaarlijkse kapitaallasten (rente en afschrijving) voor de gemeente: • vanaf 2024, • tot en met 2040 (of verder indien relevant)? Antwoord: U vraagt om een geactualiseerd tijdschema met daarbij als resultante de jaarlijkse kapitaallasten voor de gemeente. Deze actualisatie is onderwerp van onderzoek in de herijking en is op dit moment niet bekend. Wij gaan met de betrokken schoolbesturen in gesprek om te komen tot een nieuw, actueel tijdschema voor wat betreft de realisatie van de verschillende projecten. Op basis van deze nieuwe tijdschema en een nieuwe berekening van de verwachte bouwkosten kan een vergelijking worden opgesteld tussen een nieuwe berekening van de kapitaallasten versus de beschikbare kapitaallasten op basis van het vastgestelde Koersplan onderwijshuisvesting 2023. Op basis van deze vergelijking maken wij de financiële consequenties inzichtelijk. Deze zullen aan u als gemeenteraad worden voorgelegd.

Tot aan de raadsbehandeling en -vaststelling van de herijking blijven de financiële kaders uit het Koersplan onderwijshuisvesting (inclusief jaarlijkse storting in de reserve onderwijshuisvesting) het uitgangspunt bij besluitvorming over lopende en/of nieuw op te starten projecten. Vraag 16: Kunt u dit kapitaallastenoverzicht expliciet vergelijken met het oorspronkelijke kapitaallastenverloop uit het Koersplan 2023, zodat inzichtelijk wordt: • of kapitaallasten eerder inzetten, • of ze hoger pieken. Antwoord: Zie antwoord vraag 15. Vraag 17: In hoeverre leidt de snellere groei van het aantal leerlingen ertoe dat projecten eerder moeten worden uitgevoerd dan in het Koersplan 2023 was voorzien, en welke gevolgen heeft dit voor: • het investeringsritme, • de kapitaallasten per jaar, • en de financiële ruimte binnen de meerjarenbegroting? • en wat het verschil per jaar is? Antwoorden: Het is niet gezegd dat er per definitie sprake is van snellere groei. De prognoses laten wel op termijn een hogere groei zien ten opzichte van de leerlingenprognoses die aan het huidige Koersplan ten grondslag liggen. De gevolgen van de leerlingenprognoses voor de omvang van de investeringen en de planning vormen (samen met een actualisatie van de bouwkosten) de basis voor de herijking.

De uitkomsten hiervan zullen bij een vergelijking met de huidige ramingen inzicht geven in de financiële consequenties voor de toekomstige Programmabegrotingen. Algemeen: Vraag 18: Kan het college aangeven waar leerling prognoses op worden gebaseerd en waar de groei vandaan komt in de totale leerling omvang? Graag een onderbouwing. Antwoord: De leerlingenprognoses zijn opgesteld door een extern bedrijf. Dit bedrijf gebruikt softwarepakket G4PRO. Dit programma voldoet aan de eisen vanuit de VNG voor het opstellen van leerlingenprognoses. Het bereken wordt gebaseerd op herkomstgebieden (wijk- en buurtindeling CBS). Daarnaast wordt het huidig aantal 4 tot 11-jarigen gebruikt. Hierin zijn demografische ontwikkelingen uit het verleden en aannames over de trends te vinden.

Daarnaast wordt het aantal vestigers, vertrekkers, overledenen en geboorte berekend. Het aantal geboorte wordt berekend op basis van een verwachting van geslacht en leeftijd van de gemeente. De vestigers worden weer berekend over aanwezige ruimte op de woningmarkt. Het kan zijn dat voedingsgebieden elkaar overlappen, met andere woorden er zijn leerlingen woonachtig buiten de gemeente Nunspeet die naar school gaan in Nunspeet. Dit wordt ondervangen door prognoses van de basisgeneratie te maken voor afzonderlijke wijken of herkomstgebieden. Voor de berekening zijn volledig geanonimiseerd inwoneraantallen per leeftijd, geslacht en actueel geboren personen gebruikt. Daarnaast zijn gegevens aangeleverd over de huidige woningvoorraad en de planning van woningbouw gebruikt voor de berekening. Ook de 1 oktobertellingen zijn gebruikt voor de prognose en cijfers van waargenomen belangstelling voor scholen wordt hierbij gebruikt als referentiemateriaal.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16457974/1