AP 4a. Overzicht schr. vragen en antwoorden Maatschappij en Middelen 3 februari 2022
Tekst van het document
Overzicht schriftelijke vragen Maatschappij en Middelen 3 februari 2022 per agendapunt. ☐3.
Rondvraag.
A.J. Timmerman (PvdA/GroenLinks) Het kabinet heeft in december 2021 aangekondigd dat er geld beschikbaar wordt gesteld voor huishoudens die te maken hebben met energiearmoede. Gemeenten ontvangen geld voor een eenmalig compensatiebedrag voor inwoners met lage inkomens en geld om te besteden aan isolatiemaatregelen. De fractie van PvdA/GroenLinks heeft de volgende vragen: Vragen: 1. Heeft de gemeente al geld van het Rijk ontvangen? 2. Zo nee, wanneer verwacht de gemeente dit te ontvangen? 3. Zo ja, wanneer ontvangen inwoners die dat nodig hebben het eenmalige compensatiebedrag en geld om te besteden aan isolatiemaatregelen? Antwoorden: 1&2: Nee, de gemeente heeft deze middelen nog niet ontvangen. De kaders zijn ook nog niet gepubliceerd door het Rijk. Op 1 februari 2022 vindt naar verwachting besluitvorming over de landelijke kaders van deze regeling plaats. Daarna worden gemeenten geïnformeerd over de verdere gang van zaken en zal ook duidelijk worden wanneer de gemeente deze middelen zal ontvangen. ☐6a.
Stand van zaken Jeugdzorg (aan de hand van mededelingenbrief wethouder).
R.A. de Bruin (SGP) Vraag 1: De ontwikkeling bij CJG zijn positief lees ik. Het aantal cliënten neemt toe. In welk opzicht duidt u dit positief? Is er dan op een andere plek ook een afname? Antwoord: Bij de invoering van de Jeugdwet zijn in het beleidskader Jeugd 2015-2018 uitgangspunten geformuleerd voor de Inrichting van het CJG, waarbij de insteek was dat elke Nunspeetse jongere en de ouders met hun opvoed- en jeugdzorgvragen het CJG zouden weten te vinden. (Netwerk van werkers zo dicht mogelijk bij de burgers thuis; generalistisch basisteam). Het sluit goed aan bij de oorspronkelijke gedachten van de gemeente waarbij er naar gestreefd is dat ouders met alle vragen rond opgroeien, opvoeden en gezondheid het CJG om advies en hulp kunnen vragen. De insteek is daarbij geweest dat dit een plek is waar ouders laagdrempelig naar binnen kunnen lopen. Daarnaast is de gedachte dat het CJG gedurende de periode dat kinderen opgroeien voor ouders een blijvende vertrouwde plek is voor al hun vragen. Omdat er binnen het CJG meer tijd is om met ouders in gesprek te gaan is op die manier sprake van een doorgaande lijn die het gezin kan volgen en waar meer tijd is dan bij een huisarts. Vandaaruit kan er vroegtijdig en preventief met ouders meegedacht worden, om zo erger te voorkomen.
Ook in de regiovisie/regionale uitvoeringsplan jeugdhulp regio Noord Veluwe is weer opgenomen dat het CJG goed zichtbaar en toegankelijk, laag drempelig, moet zijn als de plek voor alle vragen voor opgroeien en opvoeden. We zetten in op het versterken van het CJG met verschillende expertise, zoals GGZ. We zetten in op de samenwerking tussen CJG en onderwijs. Het CJG is de spil in het lokale netwerk. Dus dat het aantal cliënten groeit is als positief te duiden. Tegelijk zien we dat we als gemeenten veel van het CJG vragen als het gaat om nieuwe ontwikkelingen en dat verklaart mede de groei van de organisatie. Vanuit de nieuw geformuleerde Inkoop wordt bijvoorbeeld meer verwacht van het CJG als het gaat om aansluiting bij evaluaties, aansluiting op de Gelderse Verbeteragenda en goede ketensamenwerking. De afname op andere plekken is (helaas) niet direct zichtbaar. Als het gaat om gecontracteerde hulp was de ontwikkeling als volgt: 2018: 644 jongeren in hulp, in 2019 683 in 2020 721 en in 2022 771 jongeren die op enigerlei wijze hulp hebben ontvangen.
Vraag 2: In hoeverre wordt de kwaliteit van het CJG bijgehouden/gemeten? Dit in bijv. vergelijk met andere CJG’s Antwoord: De kwaliteit wordt volgens de standaard van de Jeugdwet beoordeeld. De werkers moeten SKJ geregistreerd zijn wat inhoudt dat zij voldoende kwaliteit in huis hebben én jaarlijkse bijscholing en intervisie zijn verplicht om zo hun registratie en daarmee kennis op orde te houden. Daarnaast is sprake van interne controle en vanuit Meerinzicht vindt steekproefsgewijs een controle plaats op de cliënttevredenheid van de ontvangen jeugdhulp. Vier keer per jaar hebben wij als gemeente een gesprek met het CJG aan de hand van een door hen aan te leveren kwartaalrapportage. In deze rapportages zien we getallen en vindt monitoring plaats op een aantal met name genoemde onderwerpen, zoals ketensamenwerking, verwijzingen, preventie, inzet GGZ-expertise, casusregie etc. Regionaal is er verder een 6-wekelijks overleg waarin ook allerlei onderwerpen het CJG aangaande worden besproken. Verder wordt de klanttevredenheid gemeten via Q4c en PPP, waarbij ouders andere ouders interviewen of jongeren andere jongeren interviewen over hun ervaringen bij het CJG. Deze worden met de collega’s van het CJG en de gemeente gedeeld in tips en tops. De tips worden in het team opgepakt om te kijken of ze daarop kunnen verbeteren.
Q4C en PPP is iets wat door het CJG zelf is opgepakt, dit is niet landelijk gekoppeld aan de CJG’s. Het is een vorm van kwaliteitstoetsing en klanttevredenheid meting. M.J. Juffer (Gemeentebelang) Vraag: Er wordt gesproken over ‘partnertafels’ die door het jaar heen georganiseerd gaan worden. Welke partners zitten aan deze tafels? Antwoord: Vanaf 1 april 2022 zal er met een vernieuwd model leveranciersmanagement gewerkt gaan worden. Daarin wordt een onderscheid gemaakt tussen strategische partners, pluspartners en overige partners. Bij de partnertafels zal een vertegenwoordiging van de partijen die in segment 1 en 2 zijn gecontracteerd (20 in totaal) als participant deelnemen aan het gesprek. Een overzicht van deze partijen is al eerder aan u toegezonden. Bij de eerste bijeenkomst/’heidag’, welke op 10 februari 2022 zal plaatsvinden, zullen alle 20 partijen uit segment 1 en 2 deelnemen. Zij leveren de zwaardere jeugdzorg en 47% van het jeugdbudget wordt aan deze partijen betaald. Voor de segmenten 3 en 4 zullen ook partnertafels georganiseerd worden en de indeling en inrichting hiervan zal met de partijen zelf verder vormgegeven worden. ☐6b. Uitvoeringsplan Inburgering. R.A. de Bruin (SGP) Vraag 1: Met name het welkomspakket: Is het niet goed om in ieder geval in het Engels aan te bieden? Antwoord: We ontwikkelen dit pakket in de eigen taal en in het Nederlands.
Omdat we niet op voorhand álle talen kunnen dekken, zullen we het pakket ook in het Engels vertalen. Vraag 2: In hoeverre wijkt het kennismaken met Nunspeet af van andere gemeenten. Doen zij dit ook op deze manier? Antwoord: Maatschappelijke begeleiding vanaf de start is een wettelijke verplichting. Gemeenten kunnen zelf kiezen (binnen de kaders) hoe ze deze begeleiding vorm geven. Dit is in veel gemeenten op een soortgelijke manier vormgegeven. Nunspeet kiest er wel expliciet voor veel aandacht aan de sociale component te geven.
Vraag 3: Iets wat raakvlakken met deze notitie heeft: In hoeverre worden maatschappelijke instellingen gestimuleerd om deze mensen op te nemen als vrijwilliger of als deelnemer? Antwoord: Via het Servicepunt Vrijwilligers zijn er veel lijntjes naar verschillende maatschappelijke organisaties. Daarnaast wordt via Stichting Present ook ingezet op voortzetting van vrijwilligerswerk ná afloop van het inburgeringstraject. J.M. Elskamp (ChristenUnie) Opmerkingen: 90% van de inburgeringsplichtigen doet examen op A2 niveau (p.6). Dat moet straks B1 niveau worden. Kennismaken met Nunspeet en Nederland Hier wordt gezegd dat de maatschappelijke begeleiding start bij moment van koppeling. Idealiter stromen mensen binnen 10 weken na koppeling uit in het AZC. Op dit moment zijn de wachttijden veel langer. Vraag: 1. Start de maatschappelijke begeleiding op het moment dat ze in Nunspeet wonen? Aangezien de begeleiding 8 maanden is, lijkt het niet zinvol om die te laten ingaan bij de koppeling. Antwoord: In de praktijk wordt de maatschappelijke begeleiding gestart zodra er een concrete woning beschikbaar is, maar voordat de statushouder zich concreet vestigt in Nunspeet. Zo krijgt de statushouder hulp bij het ondertekenen van het huurcontract en het inrichten van de woning. Opmerking Op pag.
8 staat dat de kinderen van statushouders worden aangemeld voor kinderopvang wanneer dit nodig is vanwege het inburgeringstraject. Vraag: 2. Is er sprake van wachttijden lokaal in de kinderopvang? ? Ivm de termijn hebben statushouders niet de mogelijkheid dat hun kinderen lang op de wachtlijst staan. Zijn hierover afspraken met de kinderopvang? Antwoord: Momenteel zijn er geen signalen over wachttijden voor statushouders. We houden wel contact met de kinderopvang op dit onderdeel. Eventuele wachttijden zijn voor een groot deel afhankelijk van de mate van instroom (taakstelling) in de gemeente. Opmerking: Het klinkt heel goed dat bij de maatschappelijke begeleiding meer ingezet wordt op de sociale kant. Dit is ook voor VW nieuw en dus een nieuwe werkwijze, manier van denken. Daarbij moet je rekening houden met dat dit werk door vrijwilligers gedaan wordt. Vragen: 3. Zijn de vrijwilligers daar goed in getraind? 4. Hoe gaat de gemeente het werk van VW monitoren en evalueren? Antwoorden: 3: Vrijwilligers van VluchtelingenWerk krijgen via de eigen organisatie regelmatig trainingen over verschillende onderwerpen (denk aan cultuur-sensitief werken). Het stukje sociale ondersteuning is overigens niet nieuw voor VluchtelingenWerk, de vrijwilligers krijgen wel meer tijd om hier aandacht aan te besteden omdat een deel van de administratieve ondersteuning weg valt.
4: De gemeente heeft op uitvoeringsniveau 4x per jaar overleg met VluchtelingenWerk. Daarnaast wordt er 2x per jaar op beleidsniveau geëvalueerd met VluchtelingenWerk. Overigens zijn de lijnen met VluchtelingenWerk kort en worden signalen ook eerder gedeeld wanneer hier aanleiding voor is.
Opmerking: Pag. 10: De B1-route omvat minimaal 8 dagdelen gevuld met taalles en re-integratieactiviteiten. Vragen: 5. Hoe gaat dat in het geval van een gezin waarvan zowel de man als de vrouw de B1-route gaan volgen? Is er dan 4 dagen kinderopvang beschikbaar? Wat als de ouders niet zoveel dagdelen weg willen bij hun kinderen? 6. Op welke manier worden onze inwoners betrokken bij deze nieuwe wet? 7. Hoe wordt de sociale cohesie versterkt tussen inwoners en statushouders? Antwoorden: 5: Het streven is voltijds inburgeren. Wij hebben momenteel geen signalen dat er een bottleneck bij de kinderopvang zal ontstaan. We zien overigens dat kinderen uit statushouders gezinnen kwetsbaar zijn als het gaat om een taalachterstand. Kinderopvang helpt bij de ontwikkeling van de taal van de kinderen, dit zal bij de gesprekken met de statushouder aan de voorkant ook besproken worden. We kijken bij het opstellen van het inburgeringstraject altijd naar de persoonlijke omstandigheden van de statushouder of voltijds inburgeren haalbaar is. De taalaanbieder zal ook een minder intensieve variant aanbieden. We kunnen dus afschalen als de omstandigheden dat vragen. 6: We betrekken informele inzet waar mogelijk. Denk aan vrijwilligersplekken bij maatschappelijke instanties, taalmaatjes of een gespreksgroep.
7: We zetten in op kennismaking met de buurt waar buurtbemiddeling en VluchtelingenWerk samen in op zullen trekken. We hopen zo vanaf het begin de buurt bij de statushouder te betrekken. Opmerkingen: Het is een mooi streven is om duale trajecten bij reguliere werkgevers te hebben. Reguliere werkgevers willen misschien wel, maar in de praktijk vragen ze toch om mensen die minimaal een beetje Nederlands spreken. En dan nog is er goede begeleiding op de werkvloer nodig. Dit vraagt ook de nodige tijd van de casusregiseur inburgering of de jobcoach. Vragen: 8. Is er voldoende aanbod van werk dat past bij vrouwelijke statushouders? 9. Is de verwachting dat in de praktijk de meeste mensen naar inclusief groep zullen gaan. 10. Hoe is de doorstroom vanuit Inclusief naar een reguliere werkgever geregeld? Hoe lang zijn de trajecten bij Inclusiefgroep? Hoe wordt hier op gemonitord? Antwoorden: 8: Ja, dit moet geen probleem zijn. 9: Enige taalbasis is voor de werkgever zeker gewenst. In de praktijk zal de statushouder naar verwachting eerst beginnen met de combinatie taalles en het ontwikkelen van werknemersvaardigheden bij de Inclusief Groep, waarbij zo snel als mogelijk de overstap naar regulier werk wordt gezet. 10: De gemeente is nog in overleg met de Inclusief Groep om tot een compleet duaal traject te komen. Hiervoor is ook afstemming met de taalaanbieder nodig.
We verwachten het contract met de taalaanbieder per 1 maart rond te hebben. Hoe lang een traject bij de IG zal duren zal in grote mate afhankelijk zijn van de ontwikkelingssnelheid van de statushouder. De casemanagers statushouders zullen regelmatig voortgangsgesprekken voeren met de taalaanbieder (en IG als die betrokken is), om te onderzoeken of een volgende stap kan worden gezet. Vragen: Pag. 11: over het PVT: 11. We lezen over de keus om statushouders 1,5-2 jaar na vestiging te laten starten met het PVT. Te verwachten is dat de meesten na 1,5 jaar nog niet het taal niveau hebben om het PVT zonder tolk kunnen volgen. Veel thema’s als gezondheid, politie etc. zijn in NL heel anders dan in land van herkomst. Als er toch een tolk aanwezig moet zijn, is het dan niet beter om deze informatie eerder aan te bieden? 12. Hoe gaat de kwaliteit van het PVT geëvalueerd en gemonitord worden? Antwoorden: 11: Na 1,5 jaar mag met voltijds inburgering minimaal een basistaalniveau worden verwacht (uitzonderingen daargelaten). Het is ook niet zo dat statushouders na 1,5 jaar pas voor het eerst over deze onderwerpen zullen horen. Ook in de taallessen zullen deze onderwerpen namelijk voorbij komen.
12: Het PVT wordt halfjaarlijks op beleidsniveau geëvalueerd. De casemanagers statushouders hebben regelmatig contact met de uitvoerder van de PVT, omdat zij de statushouders ook aanmelden voor de PVT. Als het PVT is afgerond volgt terugkoppeling naar de casemanager. Opmerking: Inzet ervaringsdeskundigen. In de gemeente Zwartewaterland is een expertpool opgezet van (oud) tatushouders. Vraag: 13. Op welke manier zullen (oud) statushouders een rol hebben in de uitvoering? Zij zijn de experts op dit gebied. Hoe wordt er van hun geleerd en hoe hebben zij inspraak op de uitvoering van nieuwe wet inburgering? Antwoord: We hebben bij het opstellen het beleidsplan gebruik gemaakt van een Klankbordgroep Statushouders waarbij statushouders uit iedere gemeente in de regio vertegenwoordigd waren. Bij het opstellen van het uitvoeringsplan is er daarnaast nog weer met een Nunspeetse afvaardiging gesproken (bv. om te toetsen of onze communicatie helder is, maar ook over de inzet van bv. budgetbeheer). We willen met statushouders die inburgeringsplichtig zijn onder de nieuwe wet inburgering op eenzelfde manier de Nunspeetse werkwijze op het gebied van inburgering/integratie gaan toetsen/evalueren. Dit krijgt dus structurele invulling. Overigens maakt VluchtelingenWerk ook regelmatig gebruik van ervaringsdeskundigen wanneer dit nodig is.
We willen daarnaast gebruik maken van succesverhalen van statushouders die al enige tijd in Nunspeet zijn (bv. in ons welkomstpakket, of als gastspreker bij de inburgeringslessen). M.J. Juffer (Gemeentebelang) Vraag 1: Hoe gaat college de samenwerking monitoren en de kwaliteit toetsen van de geleverde inspanning van alle betrokkenen in de inkoop van de inburgeringsketen? Dus Taalaanbieders, Omnia, Charis Fin. zorg. Antwoord: Met de betrokken partijen worden/zijn inkoopcontracten afgesloten waarin afspraken staan over de evaluatie op zowel beleidsniveau en (indien nodig) ook op uitvoeringsniveau. Daarnaast maken we gebruik van een klankbordgroep statushouders, zodat ook de ervaringen van de personen (voor wie we dit allemaal doen) mee genomen worden in de monitoring en evaluaties. Vraag 2. Heeft het college genoeg invloed om bij te sturen wanneer kwaliteit niet voldoende is? Antwoord: Het nieuwe inburgeringsstelsel is als lerend stelsel gepresenteerd. Dit hebben wij ook op voorhand besproken met de betrokken partijen. Het zal ongetwijfeld voor gaan komen dat ervaringen uit de praktijk ertoe leiden dat bepaalde aanpassingen in de werkafspraken en contracten noodzakelijk zijn. Voor wat betreft de taalaanbieders, we verwachten te kunnen bijsturen op de kwaliteit door contractbeheer- en management.
We sturen hierbij op de eisen en criteria die bij de aanbesteding zijn neergelegd en waaraan de taalaanbieder zich conformeert. Vraag 3: Gemeentebelang heeft recent een werkbezoek gehad bij vluchtelingenwerk. Daar is ons gebleken dat er vaak sprake is van trauma’s, depressie en angststoornissen. Is er genoeg expertise bij de casemanager m.b.t mentale en fysieke gezondheid van statushouders? Wordt hier rekening mee gehouden met opleiden/ontwikkelen/aannemen van de casemanager? Antwoord: Wij herkennen de geschetste problematiek en het belang van een goede omgang met deze problematiek binnen het inburgeringstraject (en ook daarbuiten). Onze medewerkers zijn (en worden) specifiek getraind op dit onderwerp door bv. trainingen van expertisecentrum Pharos. In deze trainingen is niet alleen aandacht voor trauma-herkenning, maar ook over hoe hiermee om gegaan dient te worden als
onderdeel van het inburgeringstraject en wanneer doorverwezen moet worden naar specialistische zorg. Overigens stellen we jaarlijks een training beschikbaar waar ook ketenpartners bij kunnen aansluiten (waaronder VluchtelingenWerk, Charis, Stichting Present, Inclusief Groep, etc.). Vraag 4: Integratie is een gedeelde verantwoordelijkheid van zowel statushouders als van de ontvangende samenleving. Voor de statushouder blijft DUO (landelijk) verantwoordelijk voor de handhaving van de inburgeringsplicht. Zij houdt in de gaten of de inburgeraar op tijd slaagt, verleent verlengingen of ontheffing en deelt bij het verstrijken van termijnen boetes uit. Antwoord: Betreft hier geen vraag, dus het antwoord is mogelijk niet helemaal wat beoogd wordt. DUO is verantwoordelijk voor handhaving op de inburgeringstermijn. De gemeente is verantwoordelijk voor handhaving en monitoring gedurende het inburgeringstraject. ☐6c.
Uitgangspuntennota 2023 GGD Noord- en Oost-Gelderland.
J.M. Elskamp (ChristenUnie) Opmerking: Onlangs zijn alle GGD medewerkers opgeroepen om mee te helpen met de boostercampagne. Dit zorgde ervoor dat ook jeugdartsen, verbonden aan de scholen, per direct hun taken voor de scholen neer moesten leggen. Ons voorstel zou zijn een zienswijze in te dienen waarin we de GGD vragen prioriteit te geven aan de inzet van de jeugdarts op scholen. Vooral in deze tijd is het belangrijk om de gezondheid van onze jongeren goed te monitoren en in te zetten op weerbaarheid van jongeren. Vraag: Wat was de beschikbaarheid van schoolartsen op de Nunspeetse scholen de afgelopen maanden? Antwoord: In de tweede helft van 2021 heeft de jeugdgezondheidszorg van GGD NOG volgens het reguliere programma gewerkt. Vanaf half december is dit vier weken anders geweest. VWS heeft GGD’en opdracht gegeven voor een enorme opschaling voor de boostercampagne, zodat ook de inzet van medewerkers jeugdgezondheidszorg noodzakelijk was. De jeugdartsen zijn ingezet bij de boostercampagne. De jeugdarts die verantwoordelijk is voor de nieuwkomers heeft haar reguliere werkzaamheden voortgezet. Daarnaast zijn van de vier andere jeugdartsen op in de regio Noord-Veluwe er twee volledig beschikbaar gebleven voor de vragen van leerlingen, ouders en scholen.
De schoolsluiting van 3 weken viel in boosterperiode, zodat de aanpassingen van de reguliere jeugdgezondheidszorg voor scholen weinig consequenties zouden moeten hebben gehad.
☐6d.
Overheveling budgetten 2021.
M.A. Mol (Gemeentebelang) Vraag 1: Over 2020 ongeveer 2 miljoen overgeheveld, over 2021 ruim 3 miljoen. Is dit met name het gevolg van corona gerelateerde oorzaken? Antwoord: In het commissievoorstel is per voorgestelde overheveling een korte toelichting gegeven. Daaruit blijkt dat meerdere overhevelingen verband houden met de corona-crisis. Daarnaast zijn de overhevelingen voor Duurzaamheid en Omgevingswet en de december circulaire al goed voor ruim 1 miljoen van het totaal. Vraag 2: Horen stelposten algemene uitkering Gemeentefonds niet gewoon in de algemene reserve? Er is namelijk geen doel voor...
Antwoord: De stelposten algemene uitkering Gemeentefonds betreffen posten die voor een specifiek onderwerp zijn toegevoegd aan de algemene uitkering Gemeentefonds. Hoewel het een algemeen dekkingsmiddel is wordt in lijn met voorgaande jaren voorgesteld deze stelposten wel voor (de planvorming voor) deze onderwerpen beschikbaar te houden. Vraag 3: Gaan de volgende posten daadwerkelijk nog uitgegeven worden? Kansrijk wonen Warmtetransitie Cultuurhistorisch beleid Controles toeristenbelasting (je gaat in 2022 toch niet dubbel controleren?) Loon naar werken Data gedreven werken (eerst een plan, dan geld!) Overweeg deze niet over te hevelen en in de algemene reserve te laten zitten en daar uit halen als er daadwerkelijk een plan is. Antwoord: Alle overhevelingen zijn voorgesteld met de intentie de werkzaamheden in 2022 uit te voeren. Het gaat om zaken die voor 2021 waren gepland maar die door diverse omstandigheden niet zijn uitgevoerd. A.T. van den Pol (SGP) Opmerkingen: Onze fractie dringt steeds aan op zo scherp mogelijk begroten. Dat vergt goed plannen en goed afwegen van wat in een begrotingsjaar wel of niet gaat passen binnen de beschikbare formatie en capaciteit. Financiële middelen die in een bepaald begrotingsjaar niet (kunnen) worden besteed, zouden achteraf bezien misschien wel voor andere of betere doelen zijn ingezet.
We staan daarin niet alleen en we weten dat het college deze opvatting onderschrijft. We nemen in de achterliggende collegeperiode een stijgende trend waar als het gaat om de over te hevelen middelen: 2018: € 1.000.000 2019: € 1.250.000 2020: € 1.750.000 2021: € 2.000.000 2022: € 3.250.000 We zien ook dat de over te hevelen bedragen de laatste twee jaren samenhangen met de vigerende corona-omstandigheden. Vraag 1: Misschien wilt u toch reageren op de noodzaak om scherp te begroten en onze wens om jaarlijks zo min mogelijk gelden over te hevelen naar een volgend begrotingsjaar? Antwoord: De gemeenteraad stelt jaarlijks de Programmabegroting vast. In de begroting wordt bestaand beleid maar ook nieuw, aanvullend beleid vastgesteld. De overhevelingen laten zien dat begroten en plannen soms moeilijk is. Door diverse omstandigheden, waaronder zeker ook de coronacrisis, zijn bepaalde onderwerpen onderhanden of nog niet ten uitvoer gekomen. Voor deze onderwerpen worden overhevelingen voorgesteld. Als uw gemeenteraad minder overhevelingen wil, heeft dit tot gevolg dat sommige onderwerpen niet of niet meer kunnen worden uitgevoerd. Inleiding vraag 2: Een vraag n.a.v. de toelichtingen bij ‘Transformatie WMO’ en ‘Handhaving in het buitengebied’. Die casussen staan wellicht ook een beetje model voor andere posten.
Bij ‘Transformatie WMO’ kan de indruk ontstaan dat het gaat om werkzaamheden die niet binnen de begroting passen. Daarvoor wordt middels dit voorstel € 200.000 overgeheveld. Iets dergelijks wordt voorgesteld bij ‘Handhaving in het buitengebied’. Ons is niet meer bekend dan dat er nog moet worden afgewogen of er extra inzet moet komen voor de handhaving in het buitengebied (HUP 2022).
Die afweging heeft (waarschijnlijk) nog niet plaatsgevonden, de commissie / raad is niet geïnformeerd of geraadpleegd en toch wordt op voorhand voor dit doel al € 25.000 overgeheveld. Dat voelt een beetje aan of er d.m.v. dit overhevelingsvoorstel impliciet een besluit wordt genomen. Vraag 2a: Onze meer algemene vraag is: Het lijkt soms of (tot) nieuw beleid wordt geïnitieerd en wordt besloten via dit overhevelingsvoorstel. We vragen ons af of die indruk juist is. Antwoord: Het college heeft alle overhevelingsvoorstellen afgewogen en deelt niet de mening dat hier sprake is van nieuw beleid. Het gaat bij de hierboven genoemde onderwerpen om ingezette werkzaamheden/beleidsuitvoering die in 2022 zal worden voortgezet. Ten aanzien van de post Transformatie Wmo wordt opgemerkt dat deze is bedoeld om zaken die te maken hebben met transformatie plaats te kunnen laten vinden. Dit betreft geen nieuw beleid, maar nieuwe onderwerpen die te maken hebben met de ontwikkelingen binnen het sociaal domein die nog ingebed moeten worden. Vraag 2b: En wanneer ‘nieuw beleid’ noodzakelijk is, waarin niet is voorzien binnen de betreffende begroting (in dit geval over 2021), moet dit dan wel via een overhevelingsvoorstel mogelijk worden gemaakt? Antwoord: Nieuw beleid wordt via de Perspectievennota en financiële verkenning in de Programmabegroting opgenomen.
Het college heeft alle overhevelingsvoorstellen beoordeeld en is van mening dat hier geen sprake is van nieuw beleid via de overhevelingen. Vraag 2c: Is het formeel gezien niet beter om daarin dan op een andere manier te voorzien, bijv. via een commissie- of raadsvoorstel, een voorstel tot begrotingswijziging of anderszins? Antwoord: Niet-voorzien nieuw beleid zal inderdaad via een commissie- en raadsvoorstel aan de gemeenteraad worden voorgelegd.