CConstaterende datNunspeet
Koppel je AI →
Document · PDF

AP 4a. Overzicht schr. vragen en antwoorden commissie Maatschappij en Middelen 3 april 2025

Commissie Maatschappij en Middelen 3 april 2025, gemeente NunspeetBij agendapunt: Mededelingen college en commissie3.879 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Overzicht schriftelijke vragen en antwoorden Maatschappij en Middelen 3 april 2025. ☐3.

Rondvraag.

G. Bronkhorst (SGP) Jaarverslag Jeugdfonds Sport & Cultuur (stukken ter kennisname nr. 3) Vraag 1: In het overzicht valt op dat de subsidieaanvragen vooral gaan naar zwemlessen en – in mindere mate – naar andere sporten. Kan ik op basis hiervan concluderen dat er geen aanvragen worden gedaan voor bijvoorbeeld muzieklessen? Antwoord: Er zijn in 2024 inderdaad geen aanvragen gedaan voor muzieklessen bij het Jeugdfonds Sport en Cultuur. Echter, naast het Jeugdfonds heeft het college ook nog de regeling bijdrage sport en cultuur. Dit is een vrij besteedbaar bedrag (€ 350,-- per jaar per kind) voor inwoners met een laag inkomen. Doordat dit bedrag vrij besteedbaar is, heeft het college alleen geen zicht op hoeveel kinderen via deze regeling nog mee doen aan culturele activiteiten. Om de drempel naar de verenigingen laag te houden, vragen zij niet uit of zij komen sporten via een gemeentelijke regeling. Vraag 2: Op welke manier zorgt het college ervoor dat kinderen met een passie voor cultuur net zoveel kansen krijgen als kinderen die willen sporten? Antwoord: Kinderen worden bij het Jeugdfonds aangemeld door intermediairs. Zij kennen de gezinnen en gaan het gesprek met deze gezinnen aan. Zij lichten de gezinnen in over de mogelijkheden. De gezinnen kiezen zelf voor een activiteit of sport die zij willen doen.

We zien in de praktijk dat de gezinnen vaker voor sport dan cultuur kiezen, dat is dan hun eigen keuze. Overigens is de bijdrage voor culturele activiteiten hoger dan die voor sport, omdat de kosten voor deze activiteiten ook vaak hoger zijn. We proberen hiermee de (financiële) drempel zoveel mogelijk te verlagen. Het college organiseert regelmatig bijeenkomsten met intermediairs om ze voor te lichten over de mogelijkheden en zodat er onderling kennis en ervaringen kunnen worden uitgewisseld. Vraag 3: Wat is de rol van de intermediair in deze? Antwoord: Zie antwoord op vraag 2. Vraag 4: Zijn er signalen dat kinderen en ouders hierdoor afhaken bij cultuuractiviteiten? Zo ja, hoe wordt dit gemonitord? Antwoord: Nee, deze signalen zijn er niet. Er zijn regelmatig gesprekken met de verschillende intermediairs. We zien vaak dat kinderen voor activiteiten kiezen die kinderen om hen heen ook al doen. Dat zijn meestal sportieve activiteiten.

S.M. Kouwenberg (PvdA/GroenLinks) Vraag 1: Wat is het totale bedrag dat wordt uitgegeven aan gemeentelijke minimaregelingen en hoeveel van dit bedrag komt netto terecht bij de Nunspeetse minima? Antwoord: In 2024 zijn de onderstaande bedragen verstrekt aan inwoners: Collectieve zorgverzekering € 161.980,00 Bijdrage afvalstoffenheffing € 78.635,46 Bijdrage sport en cultuur € 201.850,00 Individuele inkomenstoeslag € 120.092,00 Bijzondere bijstand € 489.386,27 Totaal verstrekkingen € 1.051.943,73 Daarnaast heeft het college kosten aan de behandeling van aanvragen, administratie en eventueel bezwaar en beroep. Dit is niet exact te duiden, omdat de uitvoerder vaak meerdere rollen hebben (voor uitkeringsadministratie zijn de minimaregelingen maar een klein onderdeel en ligt het zwaartepunt bijvoorbeeld op de administratie rondom de uitkeringen Participatiewet. De consulenten minima/bijzondere bijstand zijn bijvoorbeeld ook betrokken bij vergoedingen voor kinderopvang (reintegratie)). Bij benadering is er ongeveer 1,5 – 1,75 FTE beschikbaar voor de uitvoering van de minimaregelingen, ofwel tussen € 105.000,-- en € 122.500,-- per jaar.

Vraag 2: Tijdens de inspraak waren ouders van kinderen op de Da Costaschool aanwezig, die zich ernstig zorgen maken over de onzekerheid waarin kinderen, ouders en leerkrachten momenteel leven aangaande onderwijshuisvesting en de zich herhalende puzzel welke klas/welk kind waar onderwijs kan ‘genieten.’ PvdA GroenLinks deelt het belang van duidelijkheid en een toekomstvisie. Op welk standpunt staat het college? Antwoord: Voor de beantwoording van deze vraag verwijzen wij u naar de mededelingenbrief d.d. 2 april 2025. Inleiding vraag 3: In november 2024 lag het treinverkeer er vanwege de ondertunneling van het spoor enkele dagen uit. Er werd treinvervangend vervoer ingezet in de vorm van bussen. Enerzijds konden reizigers de bus nemen naar Harderwijk en aan de andere kant naar 't Harde om daar hun reis voort te zetten. Een tweetal situaties zorgden voor onduidelijkheid en ergernis bij reizigers. Allereerst was het vertrekpunt van de bussen volstrekt onduidelijk en ook willekeurig. Doordat het bouwverkeer zich mengde met het reguliere verkeer, vertrokken bussen de ene keer van de ene zijde en de andere keer aan de overzijde van de Molijnlaan. De bussen waren ook niet of nauwelijks gemarkeerd. Hierdoor misten reizigers de bus omdat ze bij de aangegeven halte aan de ene kant van de Molijnlaan bleven wachten terwijl de bussen of busjes ongemarkeerd aan de overzijde vertrokken.

Een tweede situatie was ergerlijker. Door een fout in het aangeleverde reisschema arriveerden alle bussen naar 't Harde één a twee minuten nadat de trein vanaf 't Harde was vertrokken. Ondanks dat de welwillende chauffeurs van het treinvervangend vervoer dit vanaf het eerste begin hebben aangekaart bij de opdrachtgever (en PvdA GroenLinks bij het college) is dit in de gehele periode dat station Nunspeet er uit lag niet aangepast. Alle reizigers moesten noodgedwongen en niet volgens de afspraken een klein half uur extra wachten op 't Harde om hun reis voort te zetten. Dit bovenop het aangegeven half uur extra reistijd. Scholieren misten school, etc. Vraag 3: In Juni 2025 ligt station Nunspeet er wederom er een paar dagen uit. PvdA GroenLinks beseft dat het treinvervangend vervoer en de logistiek hier omheen weliswaar geen collegetaak is, maar vraagt het college om een herhaling van zetten te voorkomen en het gesprek aan te gaan met betrokken partijen en er voor te zorgen dat er een eenduidig en goed aangegeven vertrekpunt is, bussen duidelijk met een bestemming zijn gemarkeerd en het reisschema klopt, waardoor beloofde overstapmogelijkheden ook daadwerkelijk gehaald kunnen worden. Is het college hiertoe bereid? Antwoord: De hierboven geschetste situatie bij de stationsomgeving, genoemd onder 1) is bekend.

Op de eerste ochtend van de TVP is voor de situatie aandacht gevraagd bij NS Reizigers en de externe partij die het trein-vervangend busvervoer coördineert. NS is ter plaatse geweest en heeft enkele kleine wijzigingen doorgevoerd. Na de TVP is de uitvoering van trein-vervangend busvervoer geëvalueerd. Daarbij is geconcludeerd dat de situatie rondom het stationsgebied op meerdere punten (halteringslocatie, busroutering) niet overeenkomstig de vooraf gemaakte afspraken is verlopen. Met deze partijen zijn reeds afspraken gemaakt over het trein-vervangend busvervoer voor de komende treinvrije periode. Deze periode valt samen met de werkzaamheden aan en afsluiting van de F.A. Molijnlaan. Daarom wordt de haltelocatie voor zowel regulier openbaar vervoer als het treinvervangend busvervoer NS gewijzigd ten opzichte van november. Vanuit gemeente wordt toezicht gehouden en worden betrokken partijen aangesproken als e.e.a. niet volgens afspraken verloopt. De situatie onder 2) is bij projectteam van de Stationomgeving niet bekend. Voor zover bij ons bekend reden de kleine busjes vaker dan 1x/30 minuten in beide richtingen. Rijtijden van het trein-vervangend busvervoer zijn afhankelijk van de verkeerssituatie op de weg, en kunnen daarmee enigszins fluctueren. Projectteam zal de ervaren situatie duiden bij NS Reizigers en de externe partij die het trein-vervangend busvervoer coördineert. G.

Bronkhorst (SGP) en A. Pluim (Gemeentebelang) Onderwijshuisvesting situatie Da Costa / Immanuël / Florion Vraag 1: Kan het college aangeven wat momenteel de concrete problemen zijn als het gaat om de huisvesting van leerlingen bij genoemde scholen? Antwoord: Sinds schooljaar 2021-2022 maken zowel de Da Costaschool (CNS) als de Aventurijn (Florion) gebruik van het schoolgebouw aan de Randweg 11. Basisschool de Aventurijn heeft een groeiend aantal leerlingen. De Da Costaschool (CNS) zit op dit moment aan de Randweg 11 en Eeckelhagen 37. Hoewel normatief voldoende ruimte is aan de Randweg 11 voor de Da Costaschool en de Aventurijn, vindt het schoolbestuur van CNS Nunspeet het organisatorisch en onderwijskundig onwenselijk dat de Da Costaschool op meerdere locaties onderwijs geeft. Daarnaast wenst de Aventurijn een eigen gebouw met het oog op de groei van de school.

Vraag 2: In de inspraak hoorden we over een lokalentekort op genoemde scholen. Is dit correct? Antwoord: Volgens de Verordening voorziening onderwijshuisvesting gemeente Nunspeet 2015 wordt de ruimtebehoefte berekend op basis van vierkante meters, omdat dit een objectieve en eenduidige methode is die toepasbaar is op alle scholen, ongeacht onderwijsconcept en groepsgrootte. Daarom wordt er volgens de verordening niet gerekend met lokalen maar met vierkante meters. Uit de verordening blijkt dat met de Randweg 11 voldoende ruimte is om de Aventurijn en de Da Costaschool te huisvesten. Vraag 3: Klopt het dat dit voor het aankomend schooljaar ook nog niet opgelost is? Antwoord: Voor de beantwoording van deze vraag verwijzen wij u naar de mededelingenbrief d.d. 2 april 2025. Vraag 4: Op welke manier denkt het college tegemoet te komen aan de actuele vragen die leven bij genoemde scholen? Antwoord: Voor de beantwoording van deze vraag verwijzen wij u naar de mededelingenbrief d.d. 2 april 2025. Vraag 5: Er blijkt achterstallig onderhoud te zijn. Kan het college samen met het CNS zorg dragen dat kinderen en leerkrachten in een gezonde omgeving onderwijs kunnen genieten? Antwoord: De gemeente draagt de plicht om te voorzien in de onderwijshuisvesting. Het onderhoud van een schoolgebouw is de verantwoordelijkheid van een schoolbestuur. ☐6a.

Perspectievennota Programmabegroting 2026-2029.

J. van den Hoorn (SGP) Vraag 1: Stationsomgeving inclusief poort van de Veluwe a. Het projectsaldo komt uit op € 717.000,- negatief. Wat is de reden dat hier vervolgens een stelpost van 6,5 miljoen EUR nodig is? Hoe komt u op dit bedrag? b. Is de 1,8 miljoen een voorziening voor "onbekende risico's"? en de 2,2 miljoen voor "geïdentificeerde risico's"? c. Wat wordt er bedoeld met voorzien vs. onvoorzien? Deze termen worden gewoonlijk gebruikt zodra risico's zich al hebben voltrokken? Antwoorden: a. De post van 6,5 miljoen is het bedrag dat in het raadsakkoord als dekking is opgenomen om te voldoen aan de subsidievereisten van het Rijk. Overeenkomstig de afspraken met het Rijk dient er dekking te zijn op basis van een probalistische risicoberekening van 85%. De zogenaamde p85 waarde.

Het projectsaldo van € 717.000,- negatief is de stand van het project op dit moment en staat op zichzelf. Waarbij wij aantekenen dat er voorzichtigheidshalve is gerekend. Zo rekenen wij in ons projectsaldo met een toekenning van 75% EU-subsidie. Deze is vastgesteld op €5,8 miljoen, maar voorzichtigheidshalve is een bedrag van €4,3 miljoen (75%) opgenomen vanwege het risico op lagere vaststelling na afronding van het project op basis van de werkelijke gemaakte kosten. b. Bij start van het project zijn risico sessies gehouden waarbij de risico’s zijn benoemd (voorzien). Daarnaast kunnen zich risico’s voordoen die niet zijn benoemd (onvoorzien). Op basis hiervan komt in de totale risico reservering een tweedeling tot stand. Het risicodossier is recent geactualiseerd en het totale risicobedrag is vastgesteld op € 4,0 miljoen. c. Zie antwoord onder b. Vraag 2: Autonome en noodzakelijke ontwikkelingen: Is het getoonde overzicht van baten en lasten per heden? Zijn hier de effecten van de 4e kwartaalrapportage en de septembercirculaire in verwerkt? Antwoord: Nee, in het getoonde overzicht op pagina 10 staan de maatregelen die genomen zijn in de begroting 2024-2027 en in de begroting 2025-2028 om te kunnen komen tot een sluitende begroting vanaf het ravijnjaar (2026). Op pagina 15 is een overzicht financiële verkenning begroting 2026-2029 opgenomen.

Dat is een actueel overzicht waarbij de structurele effecten van de derde kwartaalrapportage 2024 en de decembercirculaire zijn opgenomen. De effecten van de septembercirculaire 2024 zijn meegenomen in de bijstellingsbrief bij begroting 2025-2028. De vierde kwartaalrapportage heeft alleen betrekking op het boekjaar 2024. Vraag 3: In het dekkingsvoorstel van Gemeentebelang m.b.t. ondertunneling Eperweg, wordt 50% van het jaaroverschot inbegrepen. a. Is dit een verwacht jaaroverschot van 2025? b. Is er realistisch gezien een jaaroverschot te verwachten voor 2025? c. Als er een jaaroverschot plaatsvindt, wordt dit dan geconsumeerd door over te hevelen budgetten? Of wordt een jaaroverschot vastgesteld na overheveling van budgetten? Antwoorden: a. Gemeentebelang wil in de programmabegroting een voorbereidingskrediet ad € 250.000,-- opnemen en beginnen met sparen voor de ondertunneling van de spoorwegovergang. Dit door 50% van de middelen, die binnen het huidige beleid naar de algemene reserve vloeien bij de jaarrekening, ten goede te laten komen van de reserve grote projecten en te labelen voor de beoogde ondertunneling. De € 250.000 is niet het verwachte jaaroverschot, maar de hoogte van het voorbereidingskrediet. b. Het is begin maart moeilijk te voorspellen of er sprake zal zijn van een jaaroverschot in 2025.

Veel is ook afhankelijk van de circulaires, de specifieke uitkeringen van het rijk en de werkelijke uitgaven die de gemeente gaat doen in 2025. Met het ravijnjaar 2026 in het vooruitzicht zien we een dalende trend in de jaaroverschotten. c. De BBV-richtlijnen schrijven voor dat het gerealiseerde resultaat na bestemming (dus het uiteindelijke rekeningresultaat) ten laste of ten gunste wordt gebracht van de algemene reserve. Vooruitlopend op het besluitvormingsproces van de jaarrekening stemt de raad in met het overhevelen van budgetten naar het volgende jaar. De over te hevelen budgetten worden onttrokken aan de algemene reserve.

Vraag 4: Indexatie (Ramingen (van baten en lasten)-prijscompensatie) (Karin) a. Over de laatste 5 jaar is de CPI inflatie gemiddeld 4,42%. Is 2,5% indexatie dan realistisch? b. Op welke posten in de programmabegroting wordt deze indexatie toegepast? Zijn er posten waarop de indexatie niet wordt toegepast? Antwoorden: a. Het CBS publiceert de Consumentenprijsindex (CPI). Dit is het indexcijfer dat het prijsverloop weergeeft van een pakket goederen en diensten zoals dit gemiddeld aangeschaft wordt door alle huishoudens in Nederland. Na een inflatie van 10% in 2022, daalde de inflatie in 2023 al naar 3,8%. Volgens de raming in de macro economische verkenning 2025 (MEV) kwam de inflatie in 2024 uit op 2,9 %. De verwachting is dat de inflatie in 2025 daalt naar 3,4% en in 2026 uitkomt op 2,4% . Voor de gemeentelijke begroting wordt een ander prijsindexcijfer toegepast namelijk het prijsindexcijfer voor het bruto binnenlands product. Dit percentage sluit aan bij de prijscompensatie die gemeenten ontvangen via de algemene uitkering. In de MEV wordt de bijstelling van dit indexcijfer geraamd voor 2026 op 2,6% . Dit is in de begroting afgerond naar 2,5 %. Het is een gemiddeld percentage en zal niet voor alle uitgavenposten toereikend zijn. b. Deze indexatie wordt toegepast op “derden” uitgaven en inkomsten in de begroting, bij de reserves en nieuwe investeringen.

Voor de ambtelijke salariskosten en voor de lokale welzijnsinstellingen (incl. MEE Samen, Stimenz, en de wijkontmoeitingscentra) en de stichting Jeugd Noord-Veluwe gelden andere percentages. Vraag 5: Compensatie reserves Gezien genoemde CPI inflatie van 4,42%, wat is de reden dat de reserves met slechts 2,5% worden geindexeerd? In 2025 was deze ook al lager dan de CPI. Antwoord: Zie antwoord 4. G. Pluim (ChristenUnie) Vraag 1: Inclusief Groep Via de Bijstellingsbrief Programmabegroting 2024-2027 is vanaf 2027 een gemeentelijke bijdrage opgenomen ad. € 286.000. In hoeverre is de verwachting dat dit toereikend is, gelet op het toekomstplan dat nu in de maak is? Kan het college hier al meer zicht op geven? Antwoord: In het toekomstplan is een voorlopige begroting opgenomen. De uiteindelijke resultaten van de begroting zijn afhankelijk van de gemeenten die blijven of uittreden en welke besluiten de blijvende gemeenten maken omtrent de inzet van de 5 knoppen die in het onderzoek zijn meegenomen. De voorlopige begroting is te lezen in het eindrapport ‘Verantwoord Vooruit’. AEF geeft daarin nadrukkelijk aan dat dit prognoses zijn. De reële verwachting is dat gemeenten aan IG moeten gaan bijdragen.

Hoeveel dat is, is onder andere afhankelijk van de onderhandeling met betrekking tot de aandelen, besluitvorming rondom de 5 knoppen, het bedrijfsplan van IG, van de mate waarin de gemeente objectief gefinancierd wordt binnen de BUIG en in hoeverre IG in staat is om inwoners bij reguliere werkgevers te plaatsen.

Vraag 2: Sportbedrijf Nunspeet De sluitende exploitatie van het Sportbedrijf Nunspeet is een aandachtspunt. Hier is in Programmabegroting 2025-2028 op geanticipeerd met een incidentele aanvullende exploitatiebijdrage. Op basis van de eerste exploitatiejaren en een meerjarenbegroting moet de structurele exploitatiebijdrage inzichtelijk worden. Kan het college al meer inzicht geven in de verwachte hogere structurele exploitatiebijdrage op basis van de huidige cijfers? Zo nee, op welke termijn verwacht het college dit wel inzichtelijk te hebben? Antwoord: In mei volgt de definitieve verantwoording van project de Wiltsangh aan commissie en gemeenteraad, waaronder ook projectonderdeel ‘exploitatie Sportbedrijf Nunspeet’. Hierin schetsen we een beeld van de exploitatie door het Sportbedrijf op basis van de eerste twee jaren en specifiek voor de jaren 2023, 2024 en 2025. Voor 2026 en verder verwachten we vanaf het najaar 2025 op basis van de exploitatie-ervaringen de definitieve hogere structurele exploitatiebijdrage vast te stellen met een voorstel aan uw commissie. A.J. Timmerman (PvdA/GroenLinks) Vraag 1: Over de Inclusief Groep wordt gemeld dat via de Bijstellingsbrief Programmabegroting 2024-2027 vanaf 2027 een gemeentelijke bijdrage is opgenomen ad. € 286.000’-.

Betekent dit dat er in 2026 geen gemeentelijke bijdrage nodig is? Antwoord: Nee, in 2026 is geen gemeentelijke bijdrage nodig. In 2026 kan de Inclusief Groep tekorten nog opvangen met hun eigen reserve. Vraag 2: Gemeld wordt dat veel gemeenten bij indexering voor jeugd het percentage van de Overheidsbijdrage in Arbeidsontwikkeling (OVA) hanteren. Nunspeet volgt de raming van Meerinzicht. Wat is de reden voor deze keuze? Antwoord: Het percentage van de Overheidsbijdrage in Arbeidsontwikkeling (OVA) is een algemeen percentage. De raming van Meerinzicht is specifiek gericht op de situatie van Nunspeet. ☐6b.

Verlenging programma Opgroeien in een Kansrijke Omgeving (OKO) t/m 2034.

R.A. de Bruin (SGP) Vraag 1: Ik lees onderaan pagina 3 van hogere lasten van €7.000,-. Waar komen deze vandaan? Zijn deze te verklaren? Antwoord: De eerdere berekening van de programmakosten bleek te laag, omdat de kosten voor de inzet vanuit de GGD NOG en het Trimbosinstituut specifiek voor OKO hoger uitvielen dan geraamd. Echter kunnen tot op heden de kosten gedekt worden via het regionaal IZA-budget. Met de onzekere toekomst over de voortgang van en de deelname van gemeenten aan het IZA/AZWA is vooralsnog niet duidelijk of in de toekomst (een gedeelte van) deze kosten gedekt kunnen worden uit dit budget.

Vraag 2: Er staat in datzelfde stukje: In het onderstaand overzicht. Waar zijn de kosten van volkshuisvesting te vinden? Ik kan de €27.300,- niet terug vinden. Antwoord: Ervan uitgaand dat met ‘volkshuisvesting’ ‘volksgezondheid’ wordt bedoeld, betreft het weergegeven overzicht de totale kosten van het programma vanaf 2027. De kosten ad €27.300,- betreffen de kosten die reeds structureel zijn opgenomen in de begroting. Met ingang van 2027 worden de verhoogde kosten ad €7.000,- gedekt via volksgezondheid algemeen. Vraag 3: Het project is nog al wat jaren vooruit gepland. Hoe zit het met de indexatie van de financiële middelen? Antwoord: Jaarlijks worden de (structurele) budgetten geïndexeerd conform het percentage wat bestuurlijk is vastgesteld in de uitgangspunten voor de nieuwe Programmabegroting. De € 34.211,- die nu in een tweetal budgetten in de begroting is opgenomen zal dus jaarlijks worden geïndexeerd. ☐6c.

Uitvoeringsplan Opgroeien in een Kansrijke Omgeving (OKO) 2025-2027.

R.A. de Bruin (SGP) Vraag 1: Bijlage 2: Zijn de leerlingen die van de Jacobus Fruytier genoemd worden alleen van locatie Uddel, of ook van locatie Apeldoorn? Antwoord: De leerlingenaantallen betreffen zowel de locatie Apeldoorn als Uddel. Vraag 2: Wanneer ik de financiële paragraaf van het voorstel lees, klopt het dat er dan €65.000,- extra én structureel wordt gevraagd? Antwoord: Naast de programmakosten (onderzoek GGD en projectleiderschap) wordt er voor de lokale uitvoering van OKO met ingang van 2026 t/m 2027 € 65.000 per jaar incidenteel aangevraagd. De ambities die we met de OKO-aanpak nastreven zullen na 2027 opnieuw voorgelegd worden aan de raad, waarbij opnieuw in kaart wordt gebracht welke middelen we verwachten nodig te hebben om de uitvoering voort te zetten. We begrijpen dat hierin een risico schuilt omdat dit uitvoeringsplan niet verder reikt dan 2027. Vraag 3: In het uitvoeringsplan, pag. 12 is een overzicht van activiteiten te zien. Realiseert het college zich dat een groot deel van de ouders zich niet kunnen vinden in de activiteiten (muziek en theater)? En is het college ook voornemens andere activiteiten te organiseren?

Antwoord: De activiteiten zoals genoemd in het uitvoeringsplan zijn een start van het te ontwikkelen aanbod. De werkgroepen zijn doende met het organiseren van activiteiten waarbij zij rekening houden met diversiteit binnen de doelgroep. Daarom is de kostenpost ‘budget activiteiten in ontwikkeling’ opgenomen. Het doel is om een breed aanbod te creëren. De werkgroepen zullen daarnaast contact zoeken met mensen uit diverse doelgroepen die daarin graag meedenken. Vraag 4: Hoofdstuk 4 uitvoeringsplan: Scholen werken zelf al hard aan een veilig schoolklimaat. Wat denkt de gemeente hier nog aan toe te kunnen voegen? Is er behoefte vanuit de scholen dat gemeente op dit thema meedenkt en doet? Antwoord: School is één van de vier domeinen van OKO. Het speerpunt ‘werken aan een veilig schoolklimaat’ richt zich op de beschermende en risicofactoren in dit domein. Dit speerpunt is gekozen naar aanleiding van de cijfers uit de Gezondheidsmonitor Jeugd. Voorop staat dat OKO een community-aanpak is, waarbij verschillende partners in de omgeving van jongeren met elkaar samenwerken. Hierbij wordt rekening gehouden met de visie en het beleid van beide VO-scholen. Beide scholen maken daarom verschillende keuzes in de activiteiten/interventies die zij toepassen om te werken aan een veilig/positief schoolklimaat. Tot op heden zijn beide scholen enthousiast over de OKO-aanpak.

Vraag 5: Hoofdstuk 5: Opvoedingsondersteuning Hoe gaan we ouders bereiken? Antwoord: Ouders worden altijd uitgenodigd voor grote OKO-bijeenkomsten, zoals de dialoogsessie. Ook is veel energie gestoken in het betrekken van ouders bij de lokale Nunspeetse sessie. Dit heeft niet geleid tot aanwezigheid van veel ouders. De komende tijd zetten de werkgroepen zich in om veel aan te sluiten bij plekken waar ouders zich bevinden, bijvoorbeeld ouderavonden op school (primair + voortgezet onderwijs). Betrokken scholen en andere partners communiceren via diverse kanalen actief over het activiteitenaanbod naar ouders. Vraag 6: Hoe weet het college dat deze bijeenkomsten/acties aansluiten bij de behoefte van ouders? Antwoord: In twee werkgroepen vindt er oudervertegenwoordiging plaats. Activiteiten en bijeenkomsten die worden georganiseerd worden ook beschouwd als gelegenheid om ouders te bevragen naar hun behoeften. In andere gemeenten blijkt Triple P veelal een succesvolle interventie. Ouders van tieners geven aan baat te hebben bij deze themabijeenkomsten. Vraag 7: Geloofsgemeenschappen spelen een grote rol in onze gemeente. Toch kom ik deze niet tegen. Is dat een bewuste keuze? O.i. moet het college ook kerken (en de jongerenwerkers hiervan) betrekken bij dit uitvoeringsplan. Ziet het college dit ook zo?

Antwoord: Tijdens het halfjaarlijks overleg met de kerken in de gemeente Nunspeet staat OKO regelmatig op de agenda. Kerken waren uitgenodigd voor de dialoogsessie in april 2024 en zullen voor de komende dialoogsessies ook uitgenodigd worden. Tevens is de Triple P scholing aan hen aangeboden om hier gebruik van te maken. Er is juist gekozen voor deze scholing, omdat deze ruimte biedt voor invulling vanuit eigen identiteit. Het Venster neemt o.a. deel aan deze scholing. Nu de uitvoering van OKO steeds concreter wordt, hopen we dat geloofsgemeenschappen aanleiding zien om onderdeel te zijn van de OKO-community. Geloofsgemeenschappen zoeken namelijk rondom het thema middelengebruik al regelmatig samenwerking met de gemeente en netwerkpartners. Dit blijkt uit de voorlichtingsbijeenkomsten in kerken die regelmatig georganiseerd worden (op verzoek van kerken).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15361200/1