CConstaterende datNunspeet
Koppel je AI →
Document · PDF

AP 4a. Overzicht schr. vragen en antw. cie. Maatschappij en Middelen 4 juni 2026

Commissie Maatschappij en Middelen 4 juni 2026, gemeente NunspeetBij agendapunt: Mededelingen college en commissie5.905 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Overzicht schriftelijke vragen commissie Maatschappij en Middelen 4 juni 2026. ☐ 3.

Rondvraag.

Er zijn geen schriftelijke vragen gesteld voor de rondvraag. ☐5a. Jaarstukken 2025. Technische vragen over dit agendapunt kunnen worden gesteld via het mailadres: jaarrekeningvragen@nunspeet.nl ☐5b. Nota reserves en voorzieningen herijking 2026. K. Koers (Gemeentebelang) Vraag: Hoe verhouden de huidige labelingen voor vluchtelingenopvang (€14,9 mln.) zich tot de feitelijke en meerjarige geraamde kosten aangezien uit de nota geen integrale kostenraming blijkt? Kunt u een kostenraming geven? Antwoord: Bij de opvang wordt onderscheid gemaakt tussen de huisvesting ontheemden Oekraïne en opvang vluchtelingen. Bij de huisvesting ontheemden Oekraïne is sprake van Rijksmiddelen die Nunspeet da afgelopen jaren op een efficiënte manier heeft ingezet. Dit heeft ertoe geleid dat de afgelopen jaren niet-ingezette middelen toegevoegd konden worden aan de Algemene reserve. Naar de toekomst toe zijn de gemeenten in afwachting van nieuwe wetgeving over dit onderwerp. De opvang zal voortgezet worden maar de vorm en inhoud is op dit moment nog niet bekend. Ook zal een financiële paragraaf inclusief bijbehorende Rijksmiddelen worden gepresenteerd. Gezien de ervaringen uit het verleden is op dit moment de verwachting dat voor dit onderdeel de (toekomstige) kosten kunnen worden gedekt uit de te ontvangen Rijksmiddelen.

Zodra de nieuwe wetgeving bekend is inclusief de financiële consequenties, zult u hierover geïnformeerd worden. De opvang vluchtelingen loopt op dit moment via het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA). De gemeentelijke kosten voor deze opvang is minimaal. Wel is de gemeente verantwoordelijk voor de jeugdzorgkosten op basis van het woonplaatsbeginsel voor de alleenstaande minderjarige vreemdelingen (AMV’er) in onze opvang. De afgelopen jaren is een stijging in deze kosten te zien. Deze stijging is het afgelopen jaar financieel gedekt uit het overschot op het Rijksbudget opvang ontheemden Oekraïne. Afhankelijk van het toekomstig wettelijk kader vanuit het Rijk kan de opvang van vluchtelingen een grotere, financiële impact voor de gemeente gaan krijgen. Op dit moment is hier geen zicht op. Mocht dit in de toekomst aan de orde zijn, dan zouden de gelabelde middelen hiervoor incidenteel ingezet kunnen worden. Structureel kunnen de gelabelde middelen in de Algemene reserve niet ingezet worden.

J. van den Hoorn (SGP) We komen nu uit op een negatieve vrije ruimte van 2 miljoen euro. Vragen: a. Sinds wanneer is de vrije ruimte negatief? b. Welke dekkingsvoorstellen/raadsvoorstellen liggen hieraan ten grondslag? c. Waarom is de raad hier niet over geïnformeerd direct na het ontstaan van een negatieve besteedbare ruimte? d. De berekening van het bodembedrag is min of meer afkomstig van de provincie. Hoe kijken zij aan tegen de ontstane negatieve besteedbare ruimte? Antwoorden: a.: Het saldo van de algemene reserve per 31 december 2025 bedraagt € 30,6 miljoen. Als alle (voorgestelde) raadsbesluiten hiermee verrekend worden (€ 13,5 miljoen) bedraagt de vrije ruimte in de algemene reserve € 17,1 miljoen. In de afgelopen jaren zijn echter ook raadsbesluiten genomen tot labeling van middelen binnen de algemene reserve voor opvang vluchtelingen en ontheemden. Deze labelingen (totaal € 14,8 miljoen) hebben betrekking op ontvangen maar niet-bestede Rijksmiddelen. Deze middelen zijn door de labeling nog niet ‘vastgezet’ met een definitief raadsbesluit. Om een beter zicht te krijgen op de werkelijk benodigde middelen voor dit onderwerp, zal hier op korte termijn onderzoek naar worden gedaan. Over de uitkomsten hiervan wordt u op een later moment nader geadviseerd.

b.: Op pagina 11 van de Nota reserves en voorzieningen vindt u het overzicht met alle raadsbesluiten die aan het beslag en de labeling op de algemene reserve ten grondslag liggen. c.: Formeel is er nog steeds sprake van een vrij besteedbare ruimte in de algemene reserve omdat de labelingen geen vaststaand raadsbesluit betreffen. Daarom wordt de gemeenteraad voorgesteld nadere advisering over de werkelijk benodigde middelen voor opvang vluchtelingen en ontheemden af te wachten. Daarna kan de labeling worden omgezet naar een definitief beslag binnen de vrij besteedbare ruimte. d.: De berekening van het bodembedrag wordt niet afgestemd met de provincie omdat de wetgeving geen verplichting voor een minimumomvang van de algemene reserve kent. Het bodembedrag is een buffer die de gemeente zelf voorzichtigheidshalve hanteert. Voor de berekening wordt aangesloten bij de provinciale norm. ☐5c. Concept-programmabegroting 2027 en Jaarstukken 2025 GGD NOG. K. Koers (Gemeentebelang) Inleiding: GGD NOG heeft bij het dagelijks bestuur aangegeven dat de jeugd gezondheidszorg - JGZ in de huidige vorm niet uitvoerbaar is voor de GGD. In februari 2025 hebben de portefeuillehouders jeugdgezondheidszorg daarom besloten tot het uitvoeren van een onderzoek naar een toekomstbestendige JGZ in de regio. Uitkomsten zijn nog niet duidelijk. In de huidige

JGZ (0-4 jaar & 4-18 jaar) praten de ICT-systemen niet zo goed met elkaar en daardoor 1) mogelijk kinderen niet in beeld, en 2) door de verschillende systemen is personeel in de regio niet onderling inzetbaar. Hier worden extra middelen voor ingezet. Het aanvullende budget wordt ingezet voor extra formatie in de uitvoering, zoals artsen, verpleegkundigen en doktersassistenten (blz 18). Ik heb hierover de volgende vragen: Vraag 1: Dit lijkt voornamelijk een probleem bij de JGZ. [Bij de andere sectoren gaat het vooral om veiligheid en het inkopen van software (aanbesteding)]. Dat er al een onderzoek loopt is mooi, echter: a. Kan het inzetten van de gevraagde extra middelen dit probleem verlichten? b. Is dit een haalbaar scenario ivm de krapte op de arbeidsmarkt? c. Zijn er mogelijkheden onderzocht die het ICT-probleem (het niet communiceren van de systemen) tijdelijk kunnen ondervangen? Antwoorden: a. De GGD geeft aan dat hiermee de structurele knelpunten niet opgelost worden. Die volgen uit de ‘knip’ bij 4 jaar oud, één jeugdgezondheidsorganisatie (Icare) voor 0 tot 4 jaar oude kinderen en de ander (GGD) voor 4 tot 18 jaar oud. Doordat in Nederland meer dan 80% van de gemeenten JGZ-integraal van 0-18 jaar heeft georganiseerd volgen de landelijke richtlijnen, en daarmee ook middelen, dat uitgangspunt. De extra middelen helpen de grootste belemmeringen incidenteel op te lossen.

Het koopt tijd totdat er zorgvuldige besluitvorming over de toekomst van de JGZ heeft kunnen plaatsvinden. b.: Er is inderdaad krapte op de arbeidsmarkt voor jeugdartsen, gelukkig is die er iets minder voor verpleegkundigen en doktersassistenten. Door middel van taakdifferentiatie zet de GGD erop in om zoveel mogelijk dienstverlening mogelijk te maken ondanks de schaarste aan artsen. c.: In de regio Noord-Veluwe wordt gewerkt met één kinddossier. Hier is bewust voor gekozen om de knip tussen de 0-4 en 4-18 jaar teniet te doen. Voor de andere regio’s in de GGDregio Noord- en Oost-Gelderland ligt dit anders. Hierop heeft de GGD extra ondersteuning ingezet. Er is een team JGZ-ondersteuning die, naast andere ondersteuningstaken, dagelijks bezig is met de overdracht van dossiers. Daarnaast geeft de GGD aan dat het werken in verschillende systemen het uitwisselen van professionals ingewikkelder maakt, omdat ze niet zomaar bekend zijn met alle systemen. Dat wil niet zeggen dat uitwisseling helemaal niet mogelijk is, maar wel dat een professional meer tijd nodig heeft om in een ‘vreemd’ dossiersysteem verslaglegging te doen. Vraag 2: Inverdienen van indexering (blz 38): de GGD hanteert een inspanningsverplichting om de indexering (geraamd op 4,11%) ‘in te verdienen’, zoals ze dat de afgelopen jaren ook gedaan hebben.

Is dat gezien de arbeidsmarktkrapte, systeembelemmeringen en stijgende kosten een haalbaar scenario?

Antwoord: De ontwerpbegroting wordt geruime tijd voor het betreffende jaar opgesteld. Daarbij worden relevante ontwikkelingen en prognoses zoveel mogelijk meegenomen. Waar er afwijkingen zijn, wordt het Algemeen Bestuur van de GGD daarover geïnformeerd. Vraag 3: Weerbaarheid en crises (blz 20): de GGD zet in op het versterken van de weerbaarheid van inwoners voor toekomstige crises. Wat is de concrete lokale meerwaarde van de GGD hierin naast de taken die de VNOG al uitvoert? Antwoord: De meerwaarde van de GGD ten opzichte van de VNOG ligt op de focus op het gezondheidsaspect in een crisis. De kennis en het netwerk dat de GGD daarin heeft. GGD heeft tijdens een crisis een aantal formele taken: • Infectieziektebestrijding. Bijvoorbeeld de bestrijding van het COVID-19 virus, maar ook zeer recent inzet rondom het Hanta-virus. • Psychosociale hulpverlening. Bijvoorbeeld voor de omstanders bij het auto-ongeluk op 22 december 2025 in Nunspeet. En ook voor de omstanders bij het brugongeluk in Lochem op 21 februari 2024. • Medische milieukunde. Bijvoorbeeld bij de ontploffing en ontsnapping van een wolk met gevaarlijke stoffen bij FrieslandCampina in Borculo op 4 juli 2025. • Gezondheidsonderzoek na rampen. Geen recent voorbeeld in onze regio want dit onderzoek wordt alleen ingezet na grote rampen.

Voorbeeld, na de overstromingen in Limburg in 2021 of na de explosie op de Tarwekamp in Den Haag op 7 december 2024. De afgelopen jaren is er meer aandacht voor het feit dat een veiligheidsvraagstuk altijd ook een gezondheidsvraagstuk is. In de bovenstaande incidenten trekken GGD en VNOG dan ook nauw samen op. Ook bereiden beide organisaties zich gezamenlijk voor op scenario’s die zich gelukkig niet recent hebben voorgedaan maar die een grote impact hebben op zowel veiligheid als gezondheid. Bijvoorbeeld op een overstroming in onze regio, of langdurige stroomuitval.

☐5d.

Exploitatiebijdrage Sportbedrijf Nunspeet 2027-2030.

S.W. de Rooij (Lux21) Vraag 1: We lezen in de Paragraaf Verbonden Partijen van de Programmabegroting 2026-2029 dat de risicoclassificatie van het Sportbedrijf op ‘hoog’ wordt geschat. Is de structurele exploitatiebijdrage daarin al verwerkt? En heeft de bijdrage invloed op de risicoclassificatie? Antwoord: Deze classificatie is gebaseerd op de huidige situatie van het Sportbedrijf. De structurele exploitatiebijdrage is daar nog niet in verwerkt. Indien het Sportbedrijf over een structurele aanvullende exploitatiebijdrage beschikt zal dit een positieve invloed hebben op de risicoclassificatie. Met een aanvullende exploitatiebijdrage kan het Sportbedrijf een toekomstbestendige, duurzame en betere exploitatie realiseren.

Vraag 2: De begrotingen van het Sportbedrijf kennen indexeringen van 3,5% tot 10% per kostenpost. Is er een indexering van de exploitatiebijdrage overwogen? En hoe ziet het college de mogelijke asymmetrie tussen steeds stijgende kosten en de structurele exploitatiebijdrage? Antwoord: Jaarlijks wordt de exploitatiebijdrage geïndexeerd conform vastgesteld gemeentelijk indexcijfer door de gemeenteraad. Er kan hierdoor een asymmetrie ontstaan vanwege sneller stijgende kosten (inflatie) en minder sneller stijgende exploitatiebijdrage (gemeentelijk indexcijfer). Desondanks is de verwachting dat Sportbedrijf komende jaren door toenemende bekendheid en gebruik extra inkomsten genereert, waarmee dit opgevangen wordt. Mochten de kosten versus baten scheef gaan lopen dan wordt de gemeenteraad hier vroegtijdig over geïnformeerd. Vraag 3: In de prestatieafspraken is de overkoepelende doelstelling voor financiële vitaliteit: “binnen begroting blijven”. Is overwogen om indicatoren op te nemen als kostendekkingsgraad of aandeel eigen inkomsten? Antwoord: Dit is niet overwogen. Het is een (realistische) optie om bovengenoemde indicator op termijn op te nemen in de prestatieafspraken. Het voorstel is om voorlopig vast te houden aan de huidige prestatie indicatoren. Na de eerste resultaten en bijbehorende evaluatie kunnen in samenspraak ook kwalitatieve prestatie indicatoren toegevoegd worden.

Vraag 4: In de prestatieafspraken worden uiteindelijke bezoekersaantallen gebruikt als prestatie-indicatoren. Is overwogen om ook te sturen op indicatoren als bezoekerservaring of omzet per bezoeker? Antwoord: Dit is niet overwogen. Het is een (realistische) optie om bovengenoemde indicator op termijn op te nemen in de prestatieafspraken. Het voorstel is om voorlopig vast te houden aan de huidige prestatie indicatoren. Na de eerste resultaten en bijbehorende evaluatie kunnen in samenspraak ook kwalitatieve prestatie indicatoren toegevoegd worden. Vraag 5: Ziet het college binnen het huidige omgevingsplan ruimte voor meer evenementen op het Wiltsangh-terrein? En ziet het college mogelijkheid tot het wijzigen van het omgevingsplan of een aanwijzing als evenementenlocatie, om meer exploitatiemogelijkheden te bieden? Antwoord: Het Sportbedrijf is verantwoordelijk voor (het faciliteren van) evenementen binnen sportief recreatiecentrum de Wiltsangh (bijv. de Keiler). Hiervoor kan via de reguliere weg een vergunning aangevraagd worden, indien nodig. Voor buitenevenementen op de Wiltsangh zijn andere partijen aan zet en kan via de reguliere weg een evenementenvergunning aange-

vraagd worden. Voor de aanwijzing of realisatie van een specifieke evenementenlocatie wordt een separaat onderzoek uitgevoerd. Vraag 6: Is tijdens het ontwikkelen van (de plannen voor) De Wiltsangh overwogen om het Sportcafé commercieel te verpachten? Antwoord: Het Sportbedrijf beschikt voor het sportcafé en de foyer over een commerciële vergunning. Weliswaar wel met specifieke schenktijden die ook gelden voor verenigingen met een para commerciële vergunning i.v.m. jeugdige bezoekers. Het sportcafé is een ruimte die verhuurd kan worden, onder andere bedrijven zoals Hellebrekers maken daar gebruik van om personeel te trainen. Verder is het sportcafé/foyer primair bedoeld voor sportverenigingen en (zwem)bezoekers. Het is aan het Sportbedrijf om een goede mix van maatschappelijk en commercieel te vinden. K. Koers (Gemeentebelang) Vraag 1: Structureel tekort en onderbouwing bijdrage: De begroting 2027 laat een negatief resultaat zien vóór gemeentelijke bijdrage van circa € 865.824,- (realistisch).

Vraag: Kunt u onderbouwen hoe de voorgestelde structurele exploitatiebijdrage van € 498.000 zich verhoudt tot het geprognosticeerde exploitatietekort in 2027 en de jaren daarna, en welke resttekorten daarna nog verwacht worden? Op basis van welke concrete prestaties wordt de structurele bijdrage van €498.000 als “minimaal noodzakelijk” gezien? Welke prestaties mag de raad minimaal verwachten in ruil voor deze bijdrage? Antwoord: Met de structurele aanvullende exploitatiebijdrage moet het verwachte exploitatietekort van € 498.000 opgelost worden. Nadien worden de komende tijd geen resttekorten verwacht. Deze aanvullende bijdrage is minimaal noodzakelijk om een reguliere maar veilige, schone en gezonde exploitatie te realiseren. Hiervoor spant het Sportbedrijf zich in om de bezetting en potentieel van alle binnensportaccommodaties maximaal te benutten door inzet van efficiëntie, roostering, marketing, communicatie en alle andere reguliere personele inzet binnen Sportbedrijf Nunspeet. Vraag 2: Verschil realistische vs. ambitieuze variant: De ambitieuze variant leidt tot een lager tekort (circa € -428.745 na bijdrage) dan de realistische variant (circa € -499.627). Vraag: Kunt u kwantitatief specificeren welke aannames (bezetting, Swim2Play, onderwijs, horeca e.d.) het verschil tussen beide varianten verklaren en welke onzekerheden daarbij bestaan?

Antwoord: De verantwoordelijkheid voor het (laten) aanbieden van Swim2Play en onderwijs ligt bij de scholen. Zij besluiten of ze gebruik maken van Swim2Play en of zij 2 keer per week (45 minuten per les) bewegingsonderwijs aan hun groepen aanbieden. Als de volledige potentie benut wordt genereerd het Sportbedrijf extra inkomsten, maar de onzekerheid zit in de afhankelijkheid en keuze van de scholen, waarmee dit weldegelijk een risico vormt voor het Sportbedrijf. De extra inkomsten voor Swim2Play en bewegingsonderwijs worden eveneens uit gemeentelijke middelen gefinancierd, waardoor dit geen financiële afweging voor de gemeente vormt. Vraag 3: Realiteitswaarde opbrengstgroei (met name leszwemmen en onderwijs): Er wordt een duidelijke omzetgroei verwacht, o.a. bij leszwemmen en basisscholen Vraag: Kunt u onderbouwen waarop u deze groei baseert? Antwoord: Op basis van de doelgroep die in de gemeente Nunspeet woonachtig is (5-8 jaar). Maar ook daarbuiten ligt potentie om leszwemmers aan te trekken. Door middel van efficiency worden hier al stappen in gezet. Vraag 4: In de begroting staan een aantal bijdragen van de gemeente Afhankelijkheid van externe inkomsten en subsidies. Een substantieel deel van de exploitatie komt uit o.a. SPUK, subsidie Team Nunspeet Beweegt en detacheringen.

Vraag: Welke risico’s zijn er voor het wegvallen of wijzigen van deze inkomstenstromen op middellange termijn (2027–2030) en hoe worden deze financieel afgedekt? Antwoord: Het risico van het wijzigen van de SPUK Sport of de uitkering die wordt gebruikt als gedeeltelijke dekking voor de subsidie van Nunspeet Beweegt is lastig in te schatten. Het is afhankelijk van landelijk beleid in hoeverre de regelingen worden gewijzigd of voortgezet. De komende jaren worden desondanks geen wijzigingen verwacht. Vraag 5: Structurele stijging personeelskosten: De personeelskosten stijgen fors richting circa € 2,0 mln in 2027. Vraag: Kunt u specificeren welke delen van deze stijging structureel zijn (cao, bezetting, inhuur→vast personeel) en welke beïnvloedbaar zijn? Antwoord: In de afgelopen jaren hebben medewerkers geen periodieke salarisverhoging ontvangen; uitsluitend de cao-verhogingen en inflatiecorrecties zijn toegepast. Normaal gesproken ontvangt een medewerker bij goed functioneren na één jaar dienstverband een periodiek. Vanaf 2026 hebben wij deze systematiek weer in werking gesteld. Daarnaast hebben zich de afgelo-

pen jaren aanzienlijke cao-loonstijgingen voorgedaan. Zowel de cao-verhogingen als het toekennen van periodieken hebben een structureel karakter. Wat betreft de personele bezetting is het Sportbedrijf inmiddels vrijwel volledig op sterkte. Bovendien is de externe inhuur in de afgelopen maanden al aanzienlijk teruggebracht, waardoor de inzet van ingehuurde capaciteit sterk is afgenomen. Vraag 6: Onderhouds- en vervangingskosten: Er wordt expliciet aangegeven dat eerdere begrotingen onvoldoende rekening hielden met onderhoud en vervanging Vraag: Hoe ontwikkelen deze kosten zich in de meerjarenraming? Antwoord: De vervanging van inventaris is opgenomen onder afschrijving. Preventief en correctief onderhoud is opgenomen in de exploitatiebegroting. Conform de demarcatielijst tussen Sportbedrijf en de gemeente, is het Sportbedrijf hiervoor verantwoordelijk. Vraag 7: Energiekosten en risico’s: De begroting gaat uit van indexaties (o.a. +10% gas, +5% elektriciteit) terwijl de markt onzeker is. Vraag: Welke bandbreedte in energiekosten is doorgerekend (scenario’s hoog/laag) en wat is het effect daarvan op het exploitatieresultaat en de benodigde gemeentelijke bijdrage? Antwoord: Op dit moment is het nog te vroeg in het jaar om met voldoende zekerheid vast te stellen welke exacte prijsontwikkelingen voor gas en elektriciteit zullen optreden.

De in de begroting opgenomen indexaties zijn gebaseerd op de op dit moment beschikbare marktinformatie. Het gasverbruik is minimaal, aangezien Sporthal De Wiltsangh volledig elektrisch wordt verwarmd en geëxploiteerd. Hierdoor is de organisatie voornamelijk afhankelijk van de ontwikkeling van de elektriciteitsprijzen. Vraag 8: Relatie KPI’s en financiële prestaties: Er zijn KPI’s voor bezoekersaantallen, bezetting en gebruik (bijv. ≥94.000 bezoekers zwembad) Vraag: Hoe werken afwijkingen door op deze KPI’s in de exploitatie (bijvoorbeeld opbrengsten per extra/minder bezoeker) en welke sturingsmaatregelen beschikbaar zijn bij onderrealisatie? Antwoord: Daar zit inderdaad een wisselwerking in. Als bepaalde KPI’s afwijken heeft dit een positief of negatief gevolg voor de exploitatie. De sturingsmaatregelen bij onderrealisatie worden in het voorstel aangeven. Via kwartaalrapportage en/of mededelingenbrief wordt de gemeenteraad op de hoogte gehouden. Zodra de realisatie negatief afwijkt van de vastgestelde indicator

wordt de raad hier conform motie en escalatieladder over geïnformeerd. Vraag 9: Invulling van de motie: Waarom is ervoor gekozen om geen expliciete financiële KPI’s (kostprijs, kostendekkingsgraad) op te nemen, terwijl de motie juist vraagt om koppeling met de exploitatie? Antwoord: Alle KPI’s hebben juist een koppeling met de exploitatie. Het is mogelijk om financiële vitaliteit (overkoepelende doelstelling) uit te breiden met een KPI aangaande kostendekkingsgraad of aandeel eigen inkomsten. Zoals hierboven aangegeven wordt voorgesteld om eerst de huidige prestatieafspraken te handhaven. Na de eerste resultaten en evaluatie hiervan kunnen prestatie indicatoren toegevoegd worden. Vraag 10: Waarom wordt voorgesteld om per kwartaal slechts één indicator per thema te rapporteren aan de raad? Antwoord: Alle indicatoren rapporteren per kwartaal vraagt om een grote personele inzet. Alle monitoringsinstrumenten, die antwoord moeten geven op de indicatoren, per kwartaal beheren en analyseren vraagt veel tijd en inzet. Met het huidige voorstel schatten we de extra inzet (vanuit Sportbedrijf en gemeente) op nihil. Per thema kan, na een eerste evaluatie, ervoor gekozen worden om nog één of twee indicatoren toe te voegen.

Vraag 11: Op welke wijze is de escalatieladder uit de motie concreet vertaald: Wanneer is sprake van fase 1, 2 of 3? Welke termijnen gelden daarbij? Waarom is deze escalatiestructuur niet expliciet opgenomen in de prestatieafspraken? Antwoord: Ook dit vraagt om een (te) grote personele inzet. Als de gemeente/aandeelhouder constateert via reguliere bestuurlijk overleggen en/of via de kwartaalrapportage (waar in ieder geval 1 indicator per thema wordt gerapporteerd) dat er sprake is van fase 1 conform escalatieladder, dan wordt de gemeenteraad tussentijds hierover geïnformeerd (via mededelingenbrief of de kwartaalrapportage). Als dit tweemaal op rij gebeurt (fase 2 escalatieladder) volgt een verbeterplan. Vraag 12: Hoe borgt het college dat de raad niet alleen achteraf geïnformeerd wordt, maar ook tijdig kan bijsturen? Antwoord: Zie het antwoord hierboven.

J. van den Hoorn (SGP) Vraag 1: T.a.v. de begroting: wat is het verschil tussen "Extra aanvulling Wiltsangh" en “extra bijdrage Wiltsangh”? Antwoord: De ‘extra bijdrage Wiltsangh’ (€ 104.000) heeft de gemeenteraad vanaf besluitvorming bouw Wiltsangh (2019) vastgezet als extra jaarlijkse structurele aanvullende bijdrage voor de exploitatie van de Wiltsangh. De ‘extra aanvulling Wiltsangh’ is een jaarlijks incidentele aanvullende bijdrage die werd toegekend op basis van het verwachte exploitatietekort. Hierover bent u destijds geïnformeerd. Het huidige voorstel met een aanvullende structurele exploitatiebijdrage van € 498.000 is in de lijn met de incidentele bijdragen van voorgaande jaren, maar aangevuld met ouderhouden vervangingsbudget. Dat is voor 2026 tot een minimum beperkt omdat we voor dit jaar geen grote uitgaven verwachten. Vraag 2: Klopt het dat na evt. toekenning van de aanvullende subsidie van € 498.000, Sportbedrijf Nunspeet een structurele jaarlijkse subsidie van € 864.197 zal ontvangen? Dan tel ik de bijdrage volgens begroting 2027 erbij op. Antwoord: Dat klopt.

☐5e.

Startnotitie Natuureducatiebeleid.

S.W. de Rooij (Lux21) Vraag 1: Is er al een boswachter publiek aangesteld of in dienst genomen? Antwoord: Nee, deze is nog niet aangenomen. Vraag 2: Voorziet het college juridische of praktische spanningen om een aanstelling van een boswachter publiek na 2027 niet om te zetten naar onbepaalde tijd? Antwoord: Nee, deze voorziet het college niet. Vraag 3: Hoe worden de boswachter(s) publiek Veluwe Noord van Staatsbosbeheer ingezet in Nunspeet? En is verkend of de voorgenomen taken voor de gemeentelijke bossen kunnen wor-

den ondergebracht bij de boswachter(s) publiek Veluwe Noord? Antwoord: De boswachter van Staatsbosbeheer heeft als werkgebied de natuurterreinen van Staatsbosbeheer. Hetzelfde geldt voor de boswachters van Natuurmonumenten etc. Het voorstel is om daarnaast een zelfstandige gemeentelijke boswachter publiek aan te stellen voor de gemeentelijke bossen en natuurterreinen (3500 hec) i.v.m. toenemende vraag naar natuurcommunicatie en educatie voor inwoners, toeristen en bedrijven. Vraag 4: We lezen over vijf taken die de boswachter publiek moet uitvoeren. Welke verdere onderbouwing ligt er onder de keuze voor 1 FTE en schaal 8? Antwoord: Inschaling vindt plaats op basis van advies van de afdeling HR van de gemeente Nunspeet in samenspraak met de betreffende Teammanager. Vraag 5: Waarom is gekozen voor inschakelen van een extern bureau (SME) voor het opstellen van de startnotitie? En wat waren de kosten van de opdracht aan SME? Antwoord: Omwille van beperkte ambtelijke capaciteit is deze keuze gemaakt. De kosten voor de opdracht aan SME bedroegen € 19.800 ex BTW. Vraag 6: Wij lezen de drie scenario’s eigenlijk als één scenario met twee aanvullingen daarop. Zijn er ook werkelijk alternatieve richtingen overwogen? Antwoord: De scenario’s zijn inderdaad modulair en een alternatief voor het huidige scenario (geen beleid omtrent natuureducatie).

Andere opties zijn ook de revue gepasseerd maar vielen om verschillende redenen af. Vraag 7: Welke rapportage voorziet het college voor de SNIV-subsidie en het Natuureducatiebeleid breed? Antwoord: Het nieuw vast te stellen natuureducatiebeleid zal doorlopend worden gemonitord. Waar nodig zal bijsturing plaatsvinden. Het college en de raad zullen worden geïnformeerd over de ervaringen en voortgang van het natuureducatiebeleid. Vraag 8: De subsidie aan SNIV vormt ongeveer twee derde van het totale subsidiebudget binnen het kader. Heeft het college overwogen om een apart beleidskader te maken voor de subsidie aan SNIV en deze niet te verweven met natuureducatiebeleid?

Antwoord: Nee, er is niet overwogen een apart beleidskader toegespitst op een (mogelijke) subsidie aanvrager te schrijven. G. Bronkhorst (SGP) Vraag 1: In de startnotitie wordt gesteld dat natuureducatiebeleid nodig is om bestaande subsidiëring van initiatieven beleidsmatig te kunnen onderbouwen. Welke subsidies worden momenteel verstrekt waarvoor volgens het college nog geen passend beleidskader bestaat? Antwoord: De subsidies aan SNIV en de natuur- en bijentuin. Vraag 2: Kan het college aangeven welke onderdelen van het basisscenario volgens haar absoluut noodzakelijk zijn om de geconstateerde beleidsleemte op te lossen en welke onderdelen als aanvullende beleidskeuzes moeten worden beschouwd? Antwoord: Het basisscenario is ook echt het basisscenario. Al jaren is er behoefte aan een boswachter Publiek. Daarnaast wordt ook al enkele jaren subsidie verstrekt uit andere beleidsvelden die eigenlijk zijn te rubriceren onder de noemer natuureducatie. Vraag 3: Is het mogelijk om bij de verdere uitwerking van het beleid afzonderlijke keuzes te maken ten aanzien van: • bezoekerscentrum; • schooleducatie; • publiekscommunicatie; • ondersteuning van overige initiatieven; of ziet het college deze onderdelen als één ondeelbaar pakket? Antwoord: Dit ziet het college als een ondeelbaar geheel.

Vraag 4: Welke concrete taken worden momenteel niet uitgevoerd waardoor volgens het college een boswachter publiek noodzakelijk is? Antwoord: Voorlichting en educatie over uitvoerende werkzaamheden in gemeentelijke terreinen als bomen- en houtkap, heidebeheer, maaiwerk, bestrijding exoten. Natuurcommunicatie rondom aanwezigheid van flora en fauna soorten in de gebieden, o.a. wilde dieren. Communicatie rondom opgaves in kader van recreatieve zonering, natuurherstelplannen, SPUK-projecten, o.a. natuurbrandpreventie). Communicatie t.a.v. recreatieve gebruikers in de terreinen (o.a.

wandelaars, fietsers, ruiters, mountainbikers, hondenbezitters). Structurele begeleiding van vrijwilligers in o.a. heidevelden en landgoed Hulshorst. Het opzetten van nieuwe natuurcommunicatie door nieuw bebording met routebureau Veluwe. Waarbij o.a. draagvlak en participatie een belangrijk voorwaarde vormen van de dagelijkse werkzaamheden. Vraag 5: Hoeveel uren per jaar worden op dit moment door bestaande medewerkers besteed aan publiekscommunicatie over natuurbeheer, excursies, vrijwilligerscoördinatie en beantwoording van vragen van inwoners? Antwoord: Naast beleidswerk, ecologie, uitvoerend bosbouw werk en toezichthoudende taken is ongeveer 8% beschikbaar voor bestaande (natuur) communicatie. Het verder uitzetten van natuureducatie en communicatie naar inwoners, toeristen, bedrijven, sporters en basisscholen blijft ondergeschoven. En dit terwijl natuurcommunicatie op veel mediakanalen en in de samenleving gevraagd is op dit moment. Het belang van natuureducatie richting inwoners, gebruikers en scholen neemt alleen maar toe in deze groene woon- en leefomgeving. Vraag 6: Welke alternatieven zijn onderzocht voordat gekozen werd voor een structurele functie van boswachter publiek? Antwoord: Tijdelijk inhuur, maar dit is niet wenselijk i.v.m. gewenste terreinkennis, netwerk opbouwen, lokale kennis, samenwerken met stakeholders enz. De wens is een structurele oplossing i.v.m.

beschikbare fte’s binnen cluster bos en natuurbeheer en te beheren 3500 hectare bos en natuur terrein. Waarbij het de laatste jaren alleen maar drukker is geworden met verschillende gebruikers en doelgroepen. Vraag 7: Kan het college nader onderbouwen waarom de aanstelling van een boswachter publiek onderdeel uitmaakt van deze startnotitie, terwijl het hier feitelijk gaat om een concrete organisatorische en personele keuze? Antwoord: Beide onderwerpen boswachter publiek (natuurcommunicatie) en nieuw natuureducatiebeleid liggen erg dichtbij elkaar in de toekomstige opgaves en uitvoering. En waarin een taakafbakening van eigen gemeentelijke organisatie en SNIV met bezoekerscentrum van toepassing is. Het betreft immers een apart nieuw beleidsthema naast het bestaande bos en natuurbeheer met daarbij behorende organisatievraagstuk voor intern en extern. Daarnaast is het thematisch met elkaar verbonden. Vraag 8: Welke meetbare resultaten verwacht het college van de inzet van een boswachter publiek? Antwoord: Het is een groeifunctie in taken en samenwerking intern en extern. Met als doel o.a.

verbetering lokale natuurcommunicatie en natuureducatie, extra handjes om opgaves en vraagstukken t.a.v. bos en natuurbeheer verder op te pakken. Bijvoorbeeld recreatieve zonering, natuurherstelplannen, nieuwe bebording in de gebieden, samenwerking met routebureau Veluwe voor nieuw natuureducatieborden, ondersteuning aan de bos- en natuur uitvoering. Verbetering samenwerking in de keten met SBB, NM, GLK, Landgoed Tongeren, particuliere bosbeheerders, Provincie Gelderland, Waterschap Vallei en Veluwe. Vraag 9: Kan het college per financiële post aangeven op welke berekening, offerte, exploitatiegegevens, benchmark of andere onderbouwing het genoemde bedrag is gebaseerd?  €45.000 basissubsidie bezoekerscentrum;  €10.000 regionale exposure;  €25.000 gratis toegankelijkheid;  €40.000 overige initiatieven;  €50.000 natuureducatie scholen;  €100.000 natuur- en duurzaamheidscentrum. Antwoord: Deze bedragen zijn tot stand gekomen op basis van gesprekken met de SNIV; wat gaat men straks doen. Empirisch onderzoek (wat zijn de laatste jaren de kosten geweest, inschatting steller startnotitie vergelijkbare casussen). Vraag 10: Beschikt het college over een exploitatiebegroting van SNIV waarop de voorgestelde subsidiebedragen zijn gebaseerd? Zo ja, kan deze met de raad worden gedeeld? Antwoord: De SNIV heeft voor 2027 nog geen aanvraag voor subsidie ingediend.

Uit gesprekken met de SNIV zijn de in de startnotitie opgenomen bedragen naar voren gekomen. Vraag 11: Hoeveel bezoekers, schoolklassen, educatieve activiteiten of andere concrete prestaties verwacht het college jaarlijks voor de voorgestelde subsidiebedragen terug te ontvangen? Antwoord: Bij een toegekende subsidie zullen hieraan voorwaarden worden verstrekt. Het is nog afwachten welke partijen een aanvraag tot subsidie zullen indienen in de categorie Vraag 12: Hoeveel bezoekers heeft het bezoekerscentrum in de afgelopen drie jaar ontvangen, uitgesplitst per jaar? Antwoord: Dit betreft data van het bezoekerscentrum zelf, deze zijn niet bij de gemeente exact bekend.

Vraag 13: Hoeveel schoolklassen hebben in de afgelopen drie jaar gebruik gemaakt van educatieve activiteiten vanuit het bezoekerscentrum? Antwoord: Zie vraag 12; dit betreft data van een externe organisatie. Vraag 14: Waarom zijn basisscholen en middelbare scholen niet expliciet genoemd in het participatieoverzicht, terwijl onderwijs een belangrijke doelgroep vormt binnen de voorgestelde scenario’s? Antwoord: Natuureducatie richt zich op natuurcommunicatie richting onze inwoners en de bezoekers van onze gemeente, het vervangt niet en intervenieert niet in het onderwijscurriculum.

☐5f.

Eerste kwartaalrapportage 2026.

K. Koers (Gemeentebelang) Programma 1: Vraag 1: Hoe verhouden de stijgende schuldmeldingen (+41%) zich tot capaciteit en doorlooptijden schuldhulpverlening? Antwoord: We maken onderscheid tussen twee KPI’s. De KPI die met 41% is gestegen is het aantal meldingen van vroegsignalering van schulden. Dit betreft meldingen van vaste lasten partners (nutsbedrijven, zorgverzekeringen en verhuurders van woningen). Dit zijn vaak beginnende schulden en leiden vaak niet tot een formeel schuldentraject, omdat we in een vroeg stadium (vrijblijvend) hulp kunnen bieden. Sinds 2026 is hier een nieuwe signaallijst aan toegevoegd, namelijk de CAK-achterstanden voor de zorgverzekeringspremies. Dit zijn formeel (volgens de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening) geen wettelijke signalen voor vroegsignalering, maar zijn wel zeer waardevol om te matchen met alle andere vroegsignalen. Deze signalen pakten we voorheen al op, maar vanaf Q1 2026 is het ook mogelijk deze als vroegsignaal op te voeren, waardoor er in Q1 ineens een grote toename van het aantal vroegsignalen is binnen de KPI. Het is zodoende ook geen nieuwe taak die uitgevoerd wordt, maar een taak die op een andere (efficiëntere) manier invulling krijgt. Een andere KPI (het aantal meldingen schuldhulpverlening) richt zich op het aantal meldingen voor een formeel schuldentraject, hierin zien we in absolute zin geen forse toename.

De impact op de formele schuldhulpverlening is daarom ook zeer beperkt. Vraag 2: Hoe wordt de effectiviteit van vroeg signalering schulden gemeten (doorstroom naar hulp/resultaat)?

Antwoord: De signalen worden verzameld in het klantvolgsysteem (RIS). Hierin worden signalen aan elkaar gematcht (zijn er meerdere achterstanden, is er recidive, wat is de hoogte van de achterstand, etc.). Op basis van het resultaat van deze matching wordt een actie uitgevoerd (brief, bellen, huisbezoek), waarbij de voorkeur persoonlijk contact is. De resultaten van deze acties worden ook in RIS geregistreerd (wel bereik, geen bereik, hulpaanbod geaccepteerd, etc.). Bij de Evaluatie Bestaanszekerheid en Schulden die in Q3 naar de raad gaat, wordt hier dieper op de cijfers van de aanpak vroegsignalering ingegaan. Programma 2 – Onderwijs: Vraag: Hoe robuust is de raming van aanvullend krediet (€160.000) tegen verdere prijsstijgingen? Antwoord: Het krediet is benodigd voor een afgesproken prijsstijging. Deze prijsstijging is vastgesteld en het bedrag is inmiddels uitbetaald. Het krediet kan dus niet meer oplopen. Programma 3 – Wonen en RO: Vraag: a. Wat is het effect wanneer een deel van de €700.000 loonkosten niet kan worden toegerekend aan grondexploitaties? b. Hoe groot is het risico op structurele onderdekking bij vertraging van projecten? c. Hoe wordt gestuurd op de dalende slaagkans huurwoningen (11,3%)? d.

Waarom blijven Woningbouw opmaat -initiatieven achter en wat betekent dit voor woningproductie? Antwoorden: a.: Op het moment dat niet de volledige €700.000 kan worden toegerekend aan de grondexploitaties dan komt er een deel ten laste van de exploitatie. b.: Het risico op een structurele onderdekking is relatief klein omdat de grondexploitaties op jaarlijkse basis worden herzien. Onderdeel hiervan is een actuele inschatting van de loonkosten die kunnen worden toegerekend. c.: Antwoord volgt nog. d.: Zie toelichting wethouder J. Groothuis in Beeldvormende bijeenkomst 1 juni 2026 (noot griffie). Programma 4 – Volksgezondheid en milieu: Vraag: Welke structurele maatregelen zijn voorzien om de stijgende kosten begraafplaatsen (+€120.000) op te vangen? Antwoord: Voor de structurele extra dekking wordt voorgesteld nieuw beleid op te nemen in de Programmabegroting 2027-2030.

Programma 5 – Verkeer en vervoer: Vraag: Hoe worden de meerprijzen door aanbesteding (ecologisch maaien, areaaluitbreiding) structureel gedekt? Antwoord: De meerkosten op het bestek buitengebied hebben te maken met: - Extra duikeronderhoud; - Gewijzigde wet- en regelgeving ten aanzien van flora en fauna. Dit heeft gevolgen voor het maaien van de wegbermen en sloten/watergangen in het buitengebied; - Toenemende vraag naar certificering en eisen voor Europese aanbestedingen; - Ten beperkt aantal inschrijvers. Voor de structurele extra dekking wordt voorgesteld nieuw beleid op te nemen in de Programmabegroting 2027-2030. Programma 7 – Sport, cultuur en recreatie: Vraag: Hoe worden de oplopende kosten voor: o groenbeheer o heidebeheer o recreatieve voorzieningen structureel gedekt? Hoe wordt inzicht verkregen in de werkelijke kostenontwikkeling groenbeheer? Antwoorden: Openbaar groen: (groen, bomen en maaien binnen de kom) De oplopende kosten voor de uitbreiding van het beheerareaal, indexering (o.a. brandstof), EU-aanbestedingen, capaciteitsgebrek in het groenbeheer en het stoppen van de Inclusief Groep, worden gemonitord. Deze monitoring en inzicht in de werkelijke kostenontwikkeling van het groenbeheer wordt gerealiseerd met behulp van het beheersysteem GBI World. Hiervoor heeft de gemeente een digitaal dashboard beschikbaar.

Daarnaast kijken we naar innovatieve oplossingen voor de toekomst van het groenbeheer om alles efficiënt en betaalbaar te kunnen uitvoeren met eigen personeel en aannemers. Recreatieve voorzieningen De oplopende kosten voor het onderhoud van nieuwe routenetwerken (fietsen, wandelen en ruiters) en het beheer en onderhoud van openbare toiletten en de speelweide De Stakenberg worden hoofdzakelijk gedekt de algemene middelen in de begroting. Heidebeheer Het structureel tekort op het heidebeheer wordt meegenomen in het nieuwe heidebeheerplan. De kosten van begrazing door de schaapskuddes nemen dit jaar fors toe. Dit mede door de komst van de wolf, de inzet kuddebeschermingshonden, indexering van brandstofkosten en beperkt aanbod van schaapskuddes en herders. We streven ernaar het heidebeheerplan dit najaar aan de raad voor te leggen. Voor eventuele tekorten zal een dekkings-

voorstel in het beheerplan worden opgenomen. Voor nu wordt er tijdelijk minder begrazing toegepast totdat er duidelijkheid komt over de financiële middelen. Programma 9 – Bestuur en ondersteuning: Vragen: a. Welke maatregelen worden genomen om structurele overschrijding vastgoedbeheer (€180.000) te beperken? b. Hoe wordt omgegaan met structureel hogere energiekosten gemeentehuis? c. Hoe wordt gestuurd op toenemende inhuurkosten (ziekte/vervanging) versus formatieplanning? d. Wat is het percentage externe inhuur momenteel? e. In welk programma wordt het meest gebruik gemaakt van externe inhuur? f. Wat is de reden van externe inhuur? g. Zijn er momenteel capaciteitsproblemen binnen de ambtelijke organisatie? Antwoorden: a.: Voor de komende projectontwikkelingen van o.a. Nieuw Feithenhof en ’t Hul Noord, worden vastgoedobjecten aangekocht, alleen worden de kosten voor het beveiligen en de energiekosten van deze vastgoedobjecten tot het daadwerkelijke project, bij vastgoedbeheer geboekt. Dit geldt ook voor projecten die voor sloop gepland staan. De leegstaande vastgoedobjecten moeten beveiligd worden en van energie worden voorzien. De kosten worden minder als projecten worden gerealiseerd of overgedragen aan project en vastgoedontwikkelaars. b.: Wij hebben minder invloed op de structurele hogere energiekosten.

Het verbruik van het gemeentehuis is sinds 2023 hetzelfde gebleven, alleen zijn de energieprijzen de laatste jaren exceptioneel gestegen. c.: Er is een toetsingskader opgesteld van afspraken, regels en uitgangspunten rond de inzet van externe inhuur. Als externe inhuur noodzakelijk is, wordt deze getoetst aan 4 kernprincipes, doelmatigheid, rechtmatigheid, transparantie en marktconform en binnen het budget. Uitgangspunt is altijd zoveel mogelijk gebruik maken van interne capaciteit. d.: 11% wettelijke indicator (2025), 21% (2025) wanneer ook de inhuur grondexploitatie en investeringen worden meegenomen. Voor 2026 is dat nog niet bekend. e.: Programma 3, ruimtelijk domein. f.: Specifieke kennis, tijdelijke werkdruk, capaciteitsproblemen, vervanging bij ziekte. g.: Er zijn enkele vacatures die moeilijk in te vullen zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17029291/1