AP 24. Bijlage 1. Vast te stellen BP Regels en Toelichting Functiever. omg. Veelhorsterweg 21 23
Tekst van het document
Bestemmingsplan Functieverandering omgeving Veelhorsterweg 21/23 Gemeente Nunspeet
COLOFON Gegevens over het plan: Plannaam: Identificatienummer: Status: Datum laatste wijziging: Projectnummer Buro SRO:
Functieverandering omgeving Veelhorsterweg 21/23 NL.IMRO.0302.BP01194-ow02 Ontwerp Maart 2023 24.90.07
Gegevens projectbetrokkenen: Opdrachtgever: Contactpersoon opdrachtgever:
Gemeente Nunspeet Dhr. H. van der Noord
Gegevens Buro SRO: Projectleider Buro SRO: Bezoekadres vestiging Arnhem: Telefoon: E-mail: Internet:
Mevr. L. Brouwer Sweerts de Landasstraat 50, 6814 DG te Arnhem 026 – 35 23 125 arnhem@buro-sro.nl www.buro-sro.nl
2
Functieverandering omgeving Veelhorsterweg 21/23
Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 Hoofdstuk 2 2.1 2.2 Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 Hoofdstuk 5 5.1 5.2 Hoofdstuk 6 6.1 6.2 6.3 6.4
5 Inleiding Aanleiding voor het bestemmingsplan Ligging plangebied Leeswijzer Het initiatief Huidige situatie Toekomstige situatie Beleidskader Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid Uitvoerbaarheid Milieu Water Ecologie Verkeer Cultuurhistorie en archeologie Economische uitvoerbaarheid Juridische planbeschrijving Algemeen Wijze van bestemmen Procedure Algemeen Verslag vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro Verslag inspraak ex artikel 3.1.6 Bro Verslag zienswijzen
7 7 7 8 9 9 11 12 12 13 15 22 22 27 29 30 30 31 33 33 34 35 35 35 35 36
Bijlagen bij de toelichting
37
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10
39 41 43 45 47 49 51 53 55 57
Stedenbouwkundig advies Bodemonderzoek 1 Bodemonderzoek 2 Verkennend geuronderzoek Geuronderzoek Resultaat Watertoets Voortoets stikstofdepositie Quickscan Wet natuurbescherming Verslag informatiebijeenkomst 25 november 2022 Verslag gesprek 15 december 2022
Functieverandering omgeving Veelhorsterweg 21/23
3
Regels Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2 Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Hoofdstuk 3 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Hoofdstuk 4 Artikel 12 Artikel 13
59 Inleidende regels Begrippen Wijze van meten Bestemmingsregels Natuur - Landschap Wonen Waarde - Archeologie 2 Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Overige regels Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
61 61 66 67 67 69 75 77 77 77 77 78 79 79 82 82 82
Bijlagen bij de regels
83
Bijlage 1
85
4
Landschappelijk inrichtingsplan
Functieverandering omgeving Veelhorsterweg 21/23
Toelichting
Functieverandering omgeving Veelhorsterweg 21/23
5
6
Functieverandering omgeving Veelhorsterweg 21/23
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding voor het bestemmingsplan
Het voornemen bestaat om op een grotendeels onbebouwd agrarisch perceel naast de Veelhorsterweg 21 en 23 in het buitengebied van Nunspeet een nieuwe woning te realiseren. Eerder is in het plangebied voormalige agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt. Het plan voldoet voor een groot deel aan de voorwaarden van het functieveranderingsbeleid van de gemeente Nunspeet. De gemeente Nunspeet heeft eerder gronden aan de Bovenweg te Nunspeet van de initiatiefnemer gekocht. Het verkrijgen van deze grond was voor de gemeente noodzakelijk om een ontsluitingsweg aan te kunnen leggen voor de toekomstige woonwijk 't Hul Noord. In ruil daarvoor mag de initiatiefnemer de woning uit voorliggend plan realiseren. Gezien de noodzakelijkheid en het grote algemeen belang van het verkrijgen van de gronden aan de Bovenweg mag de woning uit voorliggend plan gerealiseerd worden ondanks dat het niet aan alle voorwaarden van het functieveranderingsbeleid voldoet. Op basis van het geldende bestemmingsplan zijn de beoogde functieverandering en de realisatie van de nieuwe woning niet mogelijk. Omdat het initiatief wel passend is op de locatie, wordt medewerking verleend aan een herziening van het bestemmingsplan. In dit document wordt dit toegelicht en gemotiveerd waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen aan de Veelhorsterweg, naast nr. 21 en 23. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.
Omgeving plangebied, plangebied in rood (bron: openstreetmap.org)
Functieverandering omgeving Veelhorsterweg 21/23
7
1.3
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de bestaande situatie en van het plan. Daarna wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 wordt de haalbaarheid van het project getoetst op grond van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Ook wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische opzet van het plan. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op de wijze hoe burgers en andere belanghebbenden betrokken zijn bij het plan (maatschappelijke uitvoerbaarheid). Hierin zijn de uitkomsten van inspraak, vooroverleg en zienswijzen opgenomen.
8
Functieverandering omgeving Veelhorsterweg 21/23
Hoofdstuk 2
Het initiatief
In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.
2.1
Huidige situatie
Het plangebied ligt in het buitengebied, aan de noordzijde van de kern Nunspeet. De omgeving van het plangebied bestaat met name uit open weilanden, met enkele woningen en agrarische bedrijven. Aan de oostzijde van het plangebied staan twee-aan-één-gebouwde woningen aan de Veelhorsterweg 21 en 23. In het plangebied stonden tot voor kort meerdere bijgebouwen. Ook staan er meerdere bomen. Het overige deel van het plangebied bestaat uit weiland en grasland. Tot enkele jaren geleden stonden hier tevens nog agrarische gebouwen met een oppervlakte van circa 868 m². Navolgende afbeelding geeft de huidige situatie weer.
Luchtfoto huidige situatie, plangebied in rood (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Functieverandering omgeving Veelhorsterweg 21/23
9
Onderstaande afbeelding geeft weer hoeveel m2 bebouwing eerder aanwezig was.
Te slopen / eerder gesloopte bebouwing. Bron: anterieure overeenkomst Gemeente Nunspeet
10
Functieverandering omgeving Veelhorsterweg 21/23
2.2
Toekomstige situatie
Met het initiatief wordt één nieuwe vrijstaande woning mogelijk gemaakt. De woning zorgt voor een logische invulling in het bestaande bebouwingslint. Bij de nieuwe woning wordt een nieuw bijgebouw gerealiseerd. Bij de bestaande woningen op nummer 21 en 23 worden ook een aantal nieuwe bijgebouwen gerealiseerd. Langs de perceelsgrens met de woning van nummer 21 wordt een houtsingel aangelegd om de grens tussen deze percelen te markeren. Langs de noordzijde van het plangebied wordt eveneens een houtsingel aangelegd. Aan de west- en zuidzijde wordt het woonperceel van het omliggende weiland gescheiden door middel van een lage haag. Het perceel zal worden ontsloten via de Veelhorsterweg. In het plangebied is voldoende ruimte om op eigen terrein te parkeren. Voor dit initiatief is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, waarin de groene landschapselementen zijn vastgelegd. Dit inpassingsplan is opgenomen in bijlage 1 van de regels. Navolgende afbeelding geeft de toekomstige situatie weer.
Schets toekomstige situatie (bron: gemeente Nunspeet)
Functieverandering omgeving Veelhorsterweg 21/23
11
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Per januari 2021 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers. De NOVI is vastgesteld op grond van de geldende regelgeving omdat de Omgevingswet nog niet in werking is. De NOVI voldoet tevens aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een omgevingsvisie. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze omgevingsvisie dan ook gelden als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet.
Met de komst van de NOVI komen meerdere nationale beleidsstukken te vervallen, waaronder de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Strategisch relevante delen van de SVIR en het Barro worden echter opgenomen in de NOVI en blijven daarmee ook na inwerkingtreding van de NOVI gelden. Dit bestemmingsplan zal daarom ook aan dit beleid worden getoetst. Gebiedsgericht De NOVI benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. In het Barro waren regels opgesteld waarmee deze gebiedsbescherming juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd. Ladder duurzame verstedelijking Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is 'duurzame verstedelijking'. Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied.
Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2). De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. In de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient de behoefte aan die ontwikkeling te worden beschreven. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
12
Functieverandering omgeving Veelhorsterweg 21/23
Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is: "een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur." Door het ministerie van Infrastructuur en Milieu is een handreiking gemaakt. Deze 'handreiking ladder voor duurzame verstedelijking' werkt verder uit hoe met de ladder omgegaan moet worden. Voor een verdere uitleg van de ladder duurzame verstedelijking wordt naar die handreiking verwezen. Planspecifiek Gebiedsgericht Het plangebied ligt niet in een van de aangewezen gebieden van de NOVI/SVIR en het Barro. Ladder duurzame verstedelijking Het plan betreft de realisatie van één nieuwe woning in het buitengebied van Nunspeet. Volgens de geldende jurisprudentie is bij een woningbouwproject van 11 woningen of minder geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. De ontwikkeling kan dus niet als stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt. Verdere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is niet nodig. Het plan past binnen het rijksbeleid.
3.2
Provinciaal beleid
Algemeen In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. De visie integreert een vijftal beleidsterreinen: ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer. Op 24 september 2014 is door Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Deze is op 19 december 2018 geactualiseerd op basis van de nieuwe omgevingsvisie. Sindsdien zijn een aantal actualisatieplannen gevolgd, waarvan op 5 juli 2022 de meest recente is vastgesteld. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. Omgevingsvisie Gaaf Gelderland De provincie wil de focus leggen op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Door daarin te investeren wil de provincie werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Om dat te bereiken wordt de focus gelegd op zeven ambities op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving.
Deze ambities worden hieronder kort samengevat: Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten; Een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid; Een voortvarend en innovatief circulair beleid; Een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit; Efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag; Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat; Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen.
Functieverandering omgeving Veelhorsterweg 21/23
13
Omgevingsverordening Gelderland De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. Planspecifiek Ter plaatse van het plangebied zijn de volgende artikelen uit de Omgevingsvisie en -verordening van toepassing: Plussenbeleid Het Plussenbeleid stelt regels voor de uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf of nietgrondgebonden veehouderijtak. Dit is in voorliggend plan niet van toepassing. Overig gebied glastuinbouw Voor glastuinbouwbedrijven is de ontwikkelingsruimte in de Omgevingsverordening vastgelegd. Omdat geen sprake is van glastuinbouwbedrijven in de huidige en in de beoogde toekomstige situatie, heeft deze regeling geen invloed op het plan. Nationaal Landschap Veluwe Het plangebied ligt in het Nationaal Landschap Veluwe, deelgebied 'Randmeerkust agrarisch'. Een bestemmingsplan voor gronden binnen een Nationaal Landschap en buiten GO/GNN en de Nieuwe Hollandse Waterlinie, maakt alleen bestemmingen mogelijk die de kernkwaliteiten van aan Nationaal Landschap niet aantasten of versterken.
Hiervan kan alleen worden afgeweken als: 1. er geen reële alternatieven zijn; 2. er sprake is van redenen van groot openbaar belang, en 3. er compenserende maatregelen worden getroffen ter waarborging van de betreffende kernkwaliteiten. Als kernkwaliteiten van de 'Randmeerkust agrarisch' in en rondom het plangebied zijn genoemd: Zichtbare beeldbepalende gradiënt van stuwwal naar Randmeer: bos – open essen – strokenverkaveling – onregelmatige blokverkaveling op strandwallen; van besloten boslandschap via kleinschaligheid naar grootschalig open; de overgang is eerst steil, daarna geleidelijk. Karakteristieke open veenweidegronden met een groot aantal zuid-noord stromende sloten en laaglandbeken; van hieruit zicht op de bossen van Flevoland en het Veluwemassief. Kleinschalige flank van het Veluwemassief met dorpen en buurtschappen, houtsingels en grasland. Lintbebouwing parallel aan de hoogtelijnen. Enkele landgoederen in de strokenverkaveling vormen mooie ensembles. Relatief gaaf ontwaterings-, ontsluitings- en verkavelingspatroon: regelmatig in het veenlandschap, onregelmatig in het kleilandschap. Met dit initiatief wordt een nieuwe woning mogelijk gemaakt, in het verlengde van het bestaande bouwlint. Deze ontwikkeling is zodanig kleinschalig dat deze de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap niet zal beïnvloeden.
Het initiatief wordt landschappelijk ingepast om aan te sluiten bij de uitstraling van de omliggende percelen. Hiermee is het initiatief passend in het provinciaal beleid.
14
Functieverandering omgeving Veelhorsterweg 21/23
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Omgevingsvisie Nunspeet In de Omgevingsvisie (vastgesteld in november 2018) kijkt de gemeente vooruit in de periode tot 2030. De koers van de Omgevingsvisie is niet nieuw; doelstelling blijft het bouwen aan een krachtige en vitale gemeente waar het goed wonen, werken en recreëren is. Er zijn zes speerpunten benoemd: 1. Versterken sociaal-economische positionering. 2. Een duurzame ontwikkeling van het (agrarisch) buitengebied. 3. Een vitale toeristisch-recreatieve sector. 4. Ruimtelijk inpassen van duurzame energieopwekking. 5. Ontwikkeling stationsomgeving als levendig knooppunt in Nunspeet. 6. Gebiedsgericht milieu- en gezondheidsbeleid initiëren en accommoderen. Op basis van landschappelijke kenmerken en nederzettingspatronen zijn vier deelgebieden onderscheiden. Welke ontwikkelingen waar in welke vorm mogelijk zijn is afhankelijk van het gebied waarbinnen een ontwikkeling gedacht is. Een ontwikkeling moet de identiteit en kracht van een gebied ondersteunen. Gemengd kleinschalig gebied Het plangebied ligt in het 'Gemengd kleinschalig overgangsgebied'. Dit deelgebied ligt globaal in een strook tussen het grootschalig open landschap en het Centraal Veluws Natuurgebied. Uitgangspunt voor dit deelgebied is het behoud van de karakteristieke afwisseling en voorkomen van vermindering van de ruimtelijke kwaliteit door bijvoorbeeld leegstand.
Verdichting is mogelijk op plaatsen waar geen bebouwing aanwezig is. Er is ruimte voor verbreding van agrarische bedrijven, bedoeld om het karakter en de functionele diversiteit te behouden. Gezien de brede functionaliteit van het gebied zijn er veel mogelijkheden, uiteraard passend binnen de kaders van omgevingsaspecten en zonder andere functies te hinderen in hun voortbestaan. Belangrijk is dat het kleinschalige initiatieven zijn en er sprake is van een goede landschappelijke inpassing, duurzaamheid, ecologisch verantwoord ondernemen en energieneutraliteit. Uitgangspunten kwaliteit: Behoud van het open landschap en agrarische karakter. Versterking van natuurwaarden en bekenstructuur in het veenweidegebied. Behoud van doorzichten naar de bosrand en naar het grootschalige open landschap. Versterken van de landschapsstructuur; houtwallen in het coulissenlandschap en de open enken. Nieuwe ontwikkeling zorgvuldig inpassen in de bosrand en het kampenlandschap. Bosrand bestaande uit loofhout behouden en versterken. Behoud van klein dorpse karakteristiek Hulshorst. Planspecifiek De ontwikkeling van een nieuwe woning past goed in het scala van functies die in het deelgebied 'Gemengd kleinschalig overgangsgebied' mogelijk zijn. In paragraaf 2.2 is beschreven hoe het plan landschappelijk wordt ingepast en bijdraagt aan de versterking van natuur- en landschapswaarden.
Het plan past hiermee binnen de Omgevingsvisie Nunspeet.
Functieverandering omgeving Veelhorsterweg 21/23
15
3.3.2 Landschapsontwikkelingsplan Nunspeet Met het Landschapsontwikkelingsplan (9 december 2005) wil de gemeente Nunspeet de aandacht en het draagvlak vergroten voor het in stand houden en ontwikkelen van landschapskwaliteit binnen de gemeente. De ontwikkelingsvisie bestaat uit enkele basisstrategieën die er op gericht zijn de contrasten tussen verschillende landschappen te handhaven en waar mogelijk te versterken. De basisstrategieën leggen een zonering over het buitengebied die overeenkomt met de visueel-ruimtelijke karakteristieken. Kenmerkend voor het landschap binnen de gemeentegrenzen van Nunspeet is het weidegebied langs het randmeer, het Centraal Veluws Natuurgebied (CVN) en de overgangszone tussen beide landschappen. Veranderingen op het platteland en de beperkte groei van de kernen vragen om specifieke oplossingen om de kwaliteit van het landschap in stand te houden en waar mogelijk te verbeteren. Met het Landschapsontwikkelingsplan wil de gemeente o.a. oplossingen bieden voor de verrommeling in de dorpsrandzones, de nivellering van de landschapstypen en nadenken over verantwoord bouwen (landgoederen) in het buitengebied. Planspecifiek Het plangebied ligt in het halfopen overgangsgebied. De basisstrategie is hier gericht op: Behoud van gave delen en ontwikkeling van de karakteristieke beplantingstructuur van singelpatronen, bosstroken en erfbeplantingen.
Ontwikkeling van een landschappelijk raamwerk als onderligger voor ontwikkelingen van de kernen. Behouden en zichtbaar maken van cultuurhistorische waarden. Met dit initiatief worden de landschapskenmerken van het overgangsgebied versterkt. Rond het plangebied worden nieuwe houtsingels aangelegd, waarmee het gebied beter aansluit op de karakteristieke beplantingsstructuur. 3.3.3 Woonvisie "Goed wonen in de gemeente Nunspeet" In februari 2020 is de visie “Goed Wonen in de Gemeente Nunspeet” vastgesteld, deze woonvisie geldt voor de periode 2020-2025. Wat betreft “wonen” gaat het goed in Nunspeet. De woningbouwproductie neemt toe en de laatste jaren kent de gemeente een positief verhuissaldo, oftewel er komen meer mensen wonen in de gemeente dan dat er vertrekken. De toename wordt voornamelijk veroorzaakt door de vestiging van jonge gezinnen uit de grotere steden. Jongeren, eenpersoonshuishoudens en paren zonder kinderen vertrekken juist naar de grotere steden. De afgelopen jaren heeft de gemeente de woningproductie fors verhoogd, ondanks dat is er nog steeds sprake van druk op de woningmarkt. Het aantal huishoudens neemt toe en er is sprake van een inhaalvraag, als gevolg van de huidige krapte in de markt. Naast de natuurlijke groei van het aantal huishoudens, komt daarbovenop nog het woningtekort van starters en spoedzoekers.
De groei van het aantal huishoudens tot 2025 zorgt voor een uitbreiding van het aantal woningen met ongeveer 670 en wanneer verder wordt gekeken naar 2030 dan komt de uitbreiding in totaal uit op 950 woningen. Planspecifiek Met onderhavig plan wordt één vrijstaande woning gerealiseerd. Hiermee levert het plan een kleine bijdrage aan de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte van de gemeente Nunspeet. 3.3.4 Notitie Functieverandering agrarische bebouwing naar wonen De ontwikkeling van woningen ter plaatse van vrijkomende agrarische bebouwing kan bijdragen aan behoud van de waardevolle bebouwing en de beeldkwaliteit van het karakteristieke landschap. De gemeente Nunspeet heeft de regeling voor functieverandering van agrarische bebouwing naar wonen opgenomen als wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan voor het buitengebied (2019). Voor de functieverandering moet aan een aantal algemene voorwaarden worden voldaan:
16
Functieverandering omgeving Veelhorsterweg 21/23
Alle bedrijfsbebouwing, maar tenminste 500 m² wordt gesloopt en tenminste 350 m² in de ecologische hoofdstructuur; Met uitzondering van monumentale gebouwen; De wijziging naar wonen levert geen beperking op voor omliggende (agrarische) bedrijven; De overige gronden van het voormalige bouwblok krijgen een agrarische of natuurbestemming; Er wordt een inrichtingsplan opgesteld op kosten van de initiatiefnemer, bij voorkeur door de ervenconsulent. Uit het inrichtingsplan moet blijken dat functieverandering landschappelijk wordt ingericht en ingepast en de ruimtelijke kwaliteit wordt verbeterd; Er wordt een overeenkomst gesloten waarin afspraken worden gemaakt over sloop, inrichting, planschade en instandhouding; In beginsel is er geen mogelijkheid om de hobbyboerenregeling toe te passen bij functieverandering. Uitruil van bijgebouwen binnen de ontwikkeling is mogelijk. Dat houdt in dat bij één woning meer bijgebouwen gebouwd mogen worden als bij de andere woning minder bijgebouwen worden gebouwd. Als initiatiefnemer afziet van de mogelijkheid om twee vrijstaande woningen te bouwen en in ruil daarvoor medewerking vraagt om één vrijstaande woning te bouwen kan hij een beroep doen op 150 m² extra bijgebouwen.
Als initiatiefnemer afziet van de mogelijkheid om een twee-onder-één-kapwoning te bouwen en in ruil daarvoor medewerking vraagt om één vrijstaande woning te bouwen kan hij een beroep doen op 75 m² extra bijgebouwen. Binnen 6 jaar na bedrijfsbeëindiging moet het verzoek zijn ingediend. De te slopen agrarische gebouwen kunnen alleen meetellen voor de benodigde vierkante meters indien deze gebouwen minimaal 10 jaar agrarisch zijn gebruikt.
Notitie Functieverandering Uitgangspunten voor nieuw functieveranderingsbeleid van agrarisch naar wonen In 2020 is het beleid ten aanzien van functieverandering aangepast. Deze notitie bevat richtinggevende uitgangspunten voor een herijking van het beleid voor functieverandering naar wonen in het buitengebied van de gemeente Nunspeet. De essentie van deze herijking is een koerswijziging in aanpak: "van het overal in de gemeente zoveel mogelijk faciliteren van functieverandering naar wonen naar een meer gebiedsgerichte en doelmatige functieverandering naar wonen" De ingangsdatum van het beleid in deze notitie is 1 januari 2021 en geldt tijdelijk tot 31 december 2022. De reeds ingediende functieveranderingsverzoeken van voor 1 januari 2021 vallen nog onder de huidige regeling voor functieverandering (overgang). Na twee jaar wordt de herijkte regeling geëvalueerd en zo nodig verlengd en/of aangepast. Planpecifiek In het plangebied was voorheen aan agrarisch bedrijf gevestigd. Er stonden agrarische gebouwen (870 m²) welke inmiddels al enige tijd zijn gesloopt. Voorliggend plan voldoet hiermee aan alle bovengenoemde voorwaarden uit het functieveranderingsbeleid, behalve aan de voorwaarden dat het verzoek binnen 6 jaar moet zijn ingediend en dat het plangebied een agrarische bedrijfsbestemming moet hebben.
Zoals in paragraaf 1.1 is beschreven heeft de initiatiefnemer eerder gronden aan de Bovenweg aan de gemeente Nunspeet verkocht. Het verkrijgen van deze grond was voor de gemeente Nunspeet noodzakelijk om een ontsluitingsweg aan te kunnen leggen voor de toekomstige woonwijk 't Hul Noord. In ruil daarvoor mag de initiatiefnemer de woning uit voorliggend plan realiseren. Gezien de noodzakelijkheid en het grote algemeen belang van het verkrijgen van de gronden aan de Bovenweg mag de woning uit voorliggend plan gerealiseerd worden ondanks dat het niet aan alle voorwaarden van het functieveranderingsbeleid voldoet.
Functieverandering omgeving Veelhorsterweg 21/23
17
3.3.5 Geldend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied 2019' van de gemeente Nunspeet, vastgesteld op 25 juni 2020. Het plangebied kent de volgende bestemmingen en aanduidingen: "Agrarisch" (enkelbestemming). "Wonen" (enkelbestemming). "Waarde - Archeologie 2" (dubbelbestemming). "Waarde - Dekzandrug" (dubbelbestemming). Gebiedsaanduiding "reconstructiewetzone - verwevingsgebied". Voorts gelden hier een drietal gemeentebrede parapluplannen m.b.t. de volgende onderwerpen: parkeren, bed & breakfast en onzelfstandige bewoning. De regels uit deze plannen zijn in voorliggend nieuwe bestemmingsplan opgenomen.
Uitsnede uit bestemmingsplan Buitengebied 2019, plangebied in rood
“Agrarisch” Het voorliggende plan kan niet worden gerealiseerd binnen het huidige bestemmingsplan, aangezien het realiseren van een woning binnen de bestemming “Agrarisch” niet is toegestaan. Ook kan geen gebruik worden gemaakt van een wijzigingsbevoegdheid volgens het bestemmingsplan “Buitengebied 2019”. Een (partiële) herziening van het bestemmingsplan is daarom noodzakelijk. “Wonen” De geplande nieuw te bouwen woning is geprojecteerd in een gebied waar de bestemming “Agrarisch” geldt en niet de bestemming “Wonen”. Dat is een belangrijke reden dat er een (partiële) herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk is en ook dat er niet kan worden volstaan met een wijzigingsplan. “Waarde – Archeologie 2” De gronden in het plangebied hebben ook de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 2”. Binnen deze bestemming is voor bouwwerken groter dan 120 m2 en dieper dan 0,5 meter een archeologisch onderzoek
18
Functieverandering omgeving Veelhorsterweg 21/23
nodig. De nieuwe woning heeft een oppervlakte van in principe niet meer dan 120 m 2. De archeologische verwachtingswaarde voor het plangebied is afgestemd met de regioarcheoloog. Het plangebied heeft een middelhoge verwachting. Door de regioarcheoloog is de onderzoeksstrategie bepaald dat bij het uitgraven van de bouwput een archeologische waarneming wordt gedaan. In het voorliggende bestemmingsplan wordt daarom de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie” overgenomen, ter bescherming van de mogelijk aanwezige archeologische waarden in het gebied. "Waarde – Dekzandrug” De onderstaande onderbouwing (zie “Stedenbouwkundig advies. Onderbouwing. Nieuwbouwlocatie Veelhorsterweg 21/23 Nunspeet” d.d. 3 november 2022 in bijlage 1 bij deze toelichting) betreft de toetsing aan de dubbelbestemming “Waarde – Dekzandrug” volgens het bestemmingsplan “Buitengebied 2019” van de gemeente Nunspeet: “31.1 Bestemmingsomschrijving. De voor “Waarde – Dekzandrug” aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden zoals deze tot uitdrukking komen in het reliëf en de morfologie en zoals deze zijn vastgelegd in paragraaf 3.2.3.
in Bijlage 6 bij de toelichting.” “Bijlage 6: Quickscan cultuurhistorische waarden en landschapsanalyse - 3.2.3 Dekzandrug – Rug van Wessinge: Conclusie / toetsingscriteria: Ruimtelijk handelen op of aan de flanken van de rug moet erop gericht zijn de herkenbaarheid ervan te versterken (een 'eiland' in zee). Vanuit het oogpunt van landschap en cultuurhistorie is ontgronding, afgraven of egaliseren dan ook ongewenst. Beplanting en wegen en de inrichting daarvan dienen zich in de context van een langgerekte rug in een open landschap te voegen. Door de prominente ligging in het landschap van de rug heeft erfbeplanting een grote invloed op de beleving en kwaliteit van de omgeving. Deze verdient dan ook zorgvuldige aanpak middels een voor de locatie op maat gemaakt advies. Zeer terughoudend met bebouwing op de Oude Enk.” Het voornemen bestaat om naast het perceel Veelhorsterweg 21 / 23 een nieuwbouwperceel in te richten, dit conform de overeenkomsten die door de initiatiefnemer zijn gesloten met de gemeente. Het bestaande perceel Veelhorsterweg 21 / 23 is van oorsprong een boerderij met een agrarische bestemming. Duidelijke kenmerken van een erf zijn aanwezig. De ligging ligt, zoals bij vele boerderijen langs de Rug van Wessinge, op de flank van de dekzandrug. Dit wordt ook vaak versterkt door de aanwezigheid van een begeleidende houtsingel van oude bomen, zoals eiken.
Het perceel Veelhorsterweg 21 / 23 is gesplitst en heringericht naar twee woningen in de bestaande boerderij. Direct naast dit boerenerfperceel wordt een nieuw woonperceel gepland, waarvoor nu een bestemmingsplanprocedure dient te worden doorlopen. Het plan is getoetst aan de dubbelbestemming “Waarde – Dekzandrug”. De onderzoeksvraag luidde: houdt het plan rekening met het behoud, de bescherming en het behoud van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden zoals deze tot uitdrukking komen in het reliëf en de morfologie. Geconstateerd wordt dat het plan in een zone ligt waar van oudsher boerderijen liggen, namelijk op de flank van de Rug van Wessinge. De Rug van Wessinge is een verhoogd dekzand welke schuin van west naast oost loopt, van de voormalige Zuiderzee naar de hoger gelegen Veluwe. De Rug van Wessinge loopt ten noorden
Functieverandering omgeving Veelhorsterweg 21/23
19
van de Bovenweg en de Molenbeek. De loop van dit verhoogde landschap is duidelijk herkenbaar in het landschap. Ook herkenbaar is dat vanuit deze plek ten noorden van de Rug van Wessinge ook de lage landen beginnen, een open weidegebied welke zich uitstrekt richting het Veluwemeer. Vanuit de topografische kaarten en de hoogtekaarten AHN is duidelijk het hoogteverschil in het landschap te zien, maar ook is te zien dat de genoemde locatie voor de nieuwe woning op de rand ofwel flank buiten de Rug van Wessinge ligt (zie de afbeeldingen Hoogtekaarten AHN hieronder). Daarnaast volgt het plan, zoals op de verbeelding is weergegeven, de bebouwingslijn van de boerderijen.
Geconcludeerd mag worden dat het planvoornemen op de flank van de Rug van Wessinge ligt en niet op de verhoogde Rug van Wessinge. Hierdoor wordt de Rug van Wessinge en het verhoogde landschap niet aangetast. Ook wordt niet op de Oude Enk, de oude (verhoogde) bouwlanden, gebouwd. Verder wordt gezorgd dat de landschappelijke inrichting van het plan met de aanwezige karakteristieken van het landschap herkenbaar blijven, namelijk de wisseling van open en besloten landschappen. Het plan voor de nieuwbouw past binnen het herkenbare en aanwezige beleid van de hier kenmerkende bebouwing als een “eiland in zee”. De landschappelijke en cultuurhistorische waarden worden daarom met dit plan niet aangetast gezien ook de ligging op de flank van de Rug van Wessinge. De plek van het planvoornemen zorgt er voor dat de dekzandrug wordt behouden. Het plan voldoet zo aan de toetsingscriteria van bijlage 6 van het bestemmingsplan “Buitengebied 2019”, paragraaf 3.2.3, en het plan voldoet aan de regels van een “goede ruimtelijke ordening”.
20
Functieverandering omgeving Veelhorsterweg 21/23
“Reconstructiewetzone – verwevingsgebied”. In het bestemmingsplan “Buitengebied 2019” is de gebiedsaanduiding “Reconstructiewetzone – verwevingsgebied” op het plangebied aanwezig. Het grootste deel van de reconstructiegebieden heeft de aanduiding “Reconstructiewetzone – verwevingsgebied” gekregen. Vestiging van nieuwe intensieve veehouderijen is hier niet mogelijk. Voor bestaande bedrijven zijn er soms wel (beperkte) uitbreidingsmogelijkheden. Bij het onderhavige bestemmingsplan is een vestiging van een nieuwe intensieve veehouderij niet aan de orde. Ook is er hier geen sprake van een uitbreidingsplan van een intensieve veehouderij.
Functieverandering omgeving Veelhorsterweg 21/23
21
Hoofdstuk 4
Uitvoerbaarheid
De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
4.1
Milieu
4.1.1 Bodem Op grond van de Wet Bodembescherming (Wbb) moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd. Planspecifiek In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn twee bodemonderzoeken uitgevoerd. Eén bodemonderzoek is uitgevoerd in het westelijk deel van het plangebied waar de nieuwe woning komt. Het volledige onderzoeksrapport is toegevoegd als bijlage 2. Hierin wordt geconcludeerd dat in de bovengrond en ondergrond geen verontreinigingen zijn aangetoond. In het grondwater is een licht verhoogde concentratie barium aangetoond. Dit wordt beschouwd als een natuurlijk verhoogde achtergrondwaarde. Het andere bodemonderzoek is uitgevoerd in het oostelijk deel van het plangebied waar de bestaande woningen staan. Het volledige onderzoeksrapport is toegevoegd als bijlage 3. Hierin wordt geconcludeerd dat enkele lichte verontreinigingen zijn aangetroffen. De gemeten lichte gehalten geven geen aanleiding tot nader onderzoek. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het gehele plangebied geschikt voor de huidige en de toekomstige bestemming. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect bodem.
4.1.2 Lucht De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' zijn twee aspecten van belang. Ten eerste of de luchtkwaliteit ter plaatse de nieuwe functie toelaat (de gevoeligheid van de bestemming) en ten tweede wat de bijdrage is van het plan aan die luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit ter plaatse In de Wet milieubeheer zijn normen opgenomen voor de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht ter bescherming van de mens. De twee belangrijkste stoffen zijn PM10 en PM2,5(fijnstof) en NO2 (stikstofdioxide). Voor grenswaarde van PM10 en NOx bedraagt 40 µg/m3, van PM2,5 is dat 25 µg/m3. Bijdrage aan luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet maakt een onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
22
Functieverandering omgeving Veelhorsterweg 21/23
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt. Planspecifiek Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de NSL Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Door de metingen ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit metingen van het rekenpunt 15563647 (aan de Elburgerweg ter hoogte van plangebied) zijn de volgende concentraties naar voren gekomen:
Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2020 (µg/m3) Grenswaarde concentratie (µg/m3)
NO2 (stikstofdioxide) 13,1 µg/m3
PM10 (fijnstof) 15,9 µg/m3
PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof) 9,4 µg/m3
40 µg/m3
40 µg/m3
25 µg/m3
De gemeten concentraties stikstofdioxide en fijnstof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. Bijdrage initiatief Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief, bestaande uit één woning, van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%, gelijk aan 1.500 woningen). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit. 4.1.3 Geluid De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd: woningen; geluidgevoelige gebouwen, zoals scholen, ziekenhuizen, verzorgings- en verpleeghuizen, psychiatrische instellingen en kinderdagverblijven; geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen en bestemde ligplaatsen voor woonschepen). Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen.
Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen, geluidbelastingkaarten en actieplannen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.
Functieverandering omgeving Veelhorsterweg 21/23
23
Planspecifiek Voor voorliggend plan is het van belang te kijken naar de mogelijke gevolgen van wegverkeerslawaai. In het plan zal een nieuwe geluidsgevoelige functie worden gerealiseerd aan de Veelhorsterweg. Dit is een lokale landweg die voornamelijk wordt gebruikt door bestemmingsverkeer van en naar de aangrenzende percelen. De verkeersintensiteit is dermate laag dat de verwachting is gerechtvaardigd dat er geen belemmeringen zijn vanuit het aspect wegverkeerslawaai. De Bovenweg ligt op bijna 300 m afstand en valt daarmee buiten de onderzoeksafstand van de Wgh. Geluid afkomstig van industrie of spoorwegen is in het plangebied niet aan de orde. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid. 4.1.4 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaalt in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd.
Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren. Op grond van artikel 3 lid 1 van de Wgv gelden de volgende normen ten behoeve van vergunningverlening voor dieren met een geuremissiefactor: geurgevoelig object gelegen in:
concentratiegebied binnen bebouwde kom concentratiegebied buiten bebouwde kom niet-concentratiegebied binnen bebouwde kom niet-concentratiegebied buiten bebouwde kom
maximaal toegestane geurbelasting (odour units per m3 lucht) 3,0 ouE/m3 14,0 ouE/m³ 2,0 ouE/m3 8,0 ouE/m3
Als het geen bedrijf is waar een geuremissiefactor voor is vastgelegd gelden de volgende eisen: binnen de bebouwde kom geldt een afstand van 100 meter; buiten de bebouwde kom geldt een afstand van 50 meter. Tot slot geldt voor zowel dieren met als voor dieren zonder geuremissiefactoren altijd een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Dit betreft 50 respectievelijk 25 meter voor hetzij binnen dan wel buiten de bebouwde kom. De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat. Planspecifiek Met het plan wordt een nieuw geurgevoelige object gerealiseerd. Daarom is het van belang om de geurbelasting van omliggende veehouderijen te onderzoeken. Hiervoor is eerst een verkennend geuronderzoek uitgevoerd naar de geurbelasting van individuele veehouderijen in de direct omgeving van het plangebied (voorgrondbelasting). De rapportage hiervan is toegevoegd als bijlage 4.
Hierin wordt geconcludeerd dat nader onderzoek naar de achtergrondbelasting nodig is om te bepalen of sprake is van overschrijding van de geurnormen en van een goed woon- en leefklimaat bij de nieuwe woning. Dit onderzoek
24
Functieverandering omgeving Veelhorsterweg 21/23
is uitgevoerd en toegevoegd als bijlage 5. Hierin wordt geconcludeerd dat uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat er is sprake van een zeer goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied. Hiermee is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tevens blijkt uit het onderzoek dat er geen veehouderijbedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden belemmerd door voorliggend plan. De realisatie van de woning binnen het plangebied is in het kader van geurhinder in relatie tot omliggende veehouderijbedrijven aanvaardbaar. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur. 4.1.5 Milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten. De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen).
Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype en verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Planspecifiek In de omgeving van het plangebied liggen enkele agrarische bedrijven. In paragraaf 4.1.4 is het plan getoetst aan de geuremissie van de lokale veehouderijen. In dit hoofdstuk zullen de overige milieubelastende factoren van deze bedrijven worden getoetst. Het meest nabijgelegen bedrijf is een goederenvervoersbedrijf aan de Veelhorsterweg 11, ten westen van het plangebied, op ca 110 meter van het plangebied.
De richtafstand voor deze bedrijven is minimaal 50 meter, gemeten vanaf de bedrijfsbebouwing. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Er zijn geen andere bedrijven in de omgeving die het woon en leefklimaat van het plangebied negatief kunnen beïnvloeden. Daarnaast zijn er woningen aan de Veelhorsterweg aanwezig die op kortere afstand van de veehouderijen zijn gelegen dan het plangebied. Deze woningen zijn reeds maatgevend voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de bedrijven. Geconcludeerd wordt dat bij de nieuwe woning sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dat er met de ontwikkeling geen bedrijven in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect milieuzonering.
Functieverandering omgeving Veelhorsterweg 21/23
25
4.1.6 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen. De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting. De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, parkeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn. Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR).
Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan. Planspecifiek Via de website risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website met het plangebied blauw omcirkeld.
Uitsnede risicokaart
26
Functieverandering omgeving Veelhorsterweg 21/23
Uit de risicokaart is op te maken dat er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen, transportroutes voor gevaarlijke stoffen of buisleidingen voorkomen die een belemmering kunnen vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Op het gebied van externe veiligheid is het plan uitvoerbaar.
4.2
Water
Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden.
Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
Watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek gaan voorafgaand aan de vaststelling van het plan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen: de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en
Functieverandering omgeving Veelhorsterweg 21/23
27
de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan.
Beleid waterschap Vallei en Veluwe In het Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 heeft waterschap Vallei en Veluwe tactische doelen geformuleerd. Per jaarplan geeft het waterschap concreet invulling aan de daadwerkelijke realisatie van deze doelen. Daarnaast heeft het waterschap de Keur met de Algemene – en Beleidsregels van Waterschap Vallei en Veluwe vastgesteld. Alle handelingen in of nabij een waterstaatswerk worden hieraan getoetst. In de Algemene beleidsregels (3e wijziging, 2017) bij de Keur 2013 wordt ten doel gesteld dat een uitbreiding van het verhard oppervlak in principe, vanuit waterhuishoudkundig oogpunt, waterbalans neutraal moet plaatsvinden. Voor ruimtelijke ontwikkelingen gelden op basis van beleid bovengenoemd beleid de volgende uitgangspunten: Hemelwater wordt op basis van de trits 'vasthouden-bergen-afvoeren' zoveel mogelijk ter plaatse vastgehouden. Wanneer lozen in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is kan geloosd worden op oppervlaktewater. Lozen op de riolering is in principe niet toegestaan; Afvalwater niet zijnde 'schoon' hemelwater aansluiten op het riool; Houdt bij het ontwerp rekening met de gemiddelde hoogste grondwaterstand; De ontwikkeling dient in de gebruiksfase grondwaterneutraal te zijn.
Structurele drainage of andere middelen om grondwater af te voeren zijn in principe niet toegestaan; Geen uitlogende materialen gebruiken op plaatsen die in contact kunnen komen met (grond)water; Er is sprake van een vrijstelling van het compenseren van de toename van verhard oppervlak als de toename minder is dan 1.500 m² in stedelijk gebied. In landelijk gebied geldt deze vrijstelling ook, tenzij de afvoer niet plaatsvindt in een oppervlaktelichaam met de aanduiding 'water met natuurfunctie zijnde Hen-Sed water' (Hen-Sed: Hoogst ecologische niveau en Specifiek ecologische doelstelling) op de natuurkaart behorende bij de Algemene Regels van de Keur. Dan is er sprake van een vrijstelling bij een toename van het verhard oppervlak van minder dan 4.000 m². Planspecifiek Met voorliggend plan wordt een nieuwe woning ontwikkeld. Met de nieuwbouw, erfinrichting en ontsluiting neemt de hoeveelheid verharding met naar schatting 500 m² toe. Dit is minder dan de vrijstellingsgrens van het waterschap. De aanleg van nieuwe waterberging is daarmee niet nodig voor dit plan. Voor het plan is de digitale watertoets doorlopen. Een verslag hiervan is opgenomen in bijlage 6. Uit de watertoets blijkt dat in het plangebied geen belangrijke (beschermingszones van) oppervlaktewateren, waterkeringen of gebieden liggen die zijn aangewezen voor waterberging.
Het Waterschap Vallei en Veluwe heeft op basis van deze watertoets een positief advies gegeven voor dit plan. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect water.
28
Functieverandering omgeving Veelhorsterweg 21/23
4.3
Ecologie
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en bosopstanden in Nederland. Gebiedsbescherming In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied. Soortenbescherming Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden.
De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Planspecifiek Gebiedsbescherming Op circa 1,8 kilometer afstand van het plangebied ligt het beschermde Natura 2000 gebied Veluwe. Op grotere afstand (ca. 2,5 kilometer) ligt het Natura 2000 gebied Veluwerandmeren. Gezien de omvang van de ontwikkeling (realiseren 1 woning) en de afstand tot de te beschermen gebieden kan het optreden van significante negatieve effecten (zoals licht en geluid) uitgesloten worden. Om het effect van stikstofuitstoot door het plan te bepalen is een voortoets stikstofdepositie uitgevoerd. De rapportage hiervan is toegevoegd als bijlage 7. Hieruit blijkt dat als gevolg van de ontwikkeling de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden zowel in de gebruiksfase als in de aanlegfase niet toeneemt. Er is dus geen sprake van mogelijke negatieve effecten op beschermde Natura 2000 gebieden. Het aanvragen van een Wnb-vergunning is daarom niet nodig voor dit project.
Soortenbescherming In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is toegevoegd als bijlage 8. Hierin wordt geconcludeerd dat de planlocatie geen essentiële betekenis heeft voor beschermde soorten. Nader onderzoek is daarom niet nodig. Wel dient er te allen tijden rekening gehouden te worden met de Algemene zorgplicht en algemene broedvogels. De uitvoerbaarheid van het initiatief voor ecologie is hiermee aangetoond.