CConstaterende datNunspeet
Koppel je AI →
Document · PDF

AP 15 Bijlage Toel. bestermmingsplan Elspeet, Oude Hof 25-27pdf

Raadsvergadering 30 juni 2022, gemeente NunspeetBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan “Elspeet, Oude Hof 25-27” (hamerstuk).17.198 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Derhalve kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een verslechtering van de instandhoudingsdoelstellingen van het naastgelegen natura 2000 gebied. Tevens staat omschreven in de onderliggende Natuurbeschermingswetvergunning dat er bij de aanvraag: “Vaststellen overige effecten. Gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied zijn er naast de effecten van stikstof geen andere effecten op het Natura 2000-gebied.” Uit de AERIUS-berekeningen blijkt dat in de toegepaste ‘worst-case’ benadering de stikstofdepositie middels interne saldering niet leidt tot significant negatieve effecten op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Derhalve kan op voorhand worden uitgesloten dat er bij onderhavig project sprake zal zijn van significant negatieve effecten. Oude Hof 25-27: voortoets Voor het voorliggende plan is een voortoets6 opgesteld. De effectenstudie geeft geen aanleiding om de beoogde planontwikkeling geen doorgang te laten vinden of maatregelen te treffen, buiten de geadviseerde inspecties vanuit de quickscan. Het project leidt niet tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen, beheerdoelstellingen en habitatsoorten van het Natura2000gebied Veluwe en is niet vergunning plichtig in het kader van de Wet natuurbescherming, onderdeel Natura2000. Aanvullende onderzoeken zoals een Verslechteringstoets of Passende beoordeling is niet nodig.

5

Memo beoordeling stikstof, functieverandering perceel Oude Hof 25 te Elspeet, VanWestreenen, kenmerk: AS/220510/1, 10 mei 2022.

6

Flora en fauna Voortoets N2000 Oude hof; Elspeet, Inventarium, 23 september 2020. 35

Krommeweg 16: quick scan flora en fauna Ter plaatse van het plangebied is een quick scan flora en fauna7 uitgevoerd, om te onderzoeken of het project van invloed is op natuurwaarden en beschermde soorten en of de ontwikkeling niet in strijd is met de provinciale verordening of de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Omdat het NNN in Gelderland geen externe werking kent en het plangebied buiten het NNN gelegen is, is een verdere toetsing niet aan de orde. Het plangebied ligt nabij Natura 2000-gebieden de Veluwe en Veluwerandmeren. Gezien de aard van de werkzaamheden wordt geen verstoring verwacht. Op voorhand kan niet uitgesloten worden dat in de sloopfase de geplande ontwikkeling effect heeft op het dichtstbijzijnde Natura2000 gebied. Een Aerius berekening kan worden geadviseerd (door het bevoegd gezag). Aangezien de bebouwing op deze locatie bij vaststelling van het bestemmingsplan al gesloopt is, zijn er geen werkzaamheden voorzien als gevolg van het plan. Een stikstofberekening is niet noodzakelijk. Soortenbescherming Met betrekking tot flora, vleermuizen, zoogdieren en vogels is er geen sprake van overtreding van de Wet Natuurbescherming. Houtopstanden Er worden geen bomen gekapt. 4.3.3

Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect natuur geen belemmeringen vormt ten aanzien van de voorgenomen ontwikkelingen in het plangebied.

4.4

Bedrijven en milieuzonering

4.4.1

Algemeen Bij het realiseren van een nieuwe functie dient vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening, gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe functies worden gerealiseerd. Hierbij spelen twee vragen: 1 Past de nieuwe functie in de omgeving? 2 Laat de omgeving de nieuwe functie toe? Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Kenmerkend voor deze milieuaspecten is dat de belasting op grotere afstand van de bron afneemt. Daarnaast is de mate waarin een bedrijfstype 7

Flora en fauna quickscan Krommeweg 16 Elspeet, Inventarium, 20 oktober 2020. 36

personen- en/of goederenverkeer aantrekt, mede bepalend voor de mate van hinder. Onderstaande tabel geeft inzicht in het verband tussen de (richt)afstand en de milieucategorie. Richtafstand

Milieucategorie

10 m

1

30 m

2

50 m

3.1

100 m

3.2

200 m

4.1

300 m

4.2

De richtafstanden gelden ten opzichte van een rustige woonwijk en kunnen zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied. Gemengde gebieden zijn gebieden met functiemenging. 4.4.2

Toetsing Oude Hof 25-27 Het plangebied maakt deel uit van een ‘rustig buitengebied’, aangezien de directe omgeving van het plangebied zich voornamelijk kenmerkt door agrarische gronden en een enkele woning. In de eerste plaats toetsen we of de nieuwe functie past in de omgeving. Het plan omvat de toevoeging van vier nieuwe gevoelige functies (vier nieuwe woningen) en de verplaatsing van één gevoelige functie ((bedrijfs)woning).

In de omgeving van het plangebied zijn op basis van het geldende bestemmingsplan de volgende bedrijfsmatige functies mogelijk:

37

1 Verblijfsrecreatief terrein (Molenweg 46) 2 Intensieve veehouderij (Oude Hof 32) In de directe omgeving van het plangebied liggen geen andere bedrijven waarvoor de ontwikkeling van de woningen een beperking kan vormen. Verblijfsrecreatief terrein (Molenweg 46) Aan de Oude Hof 32 is op basis van het geldende bestemmingsplan ‘Molenweg 46’ een verblijfsrecreatief terrein toegestaan. Dit betekent dat de gronden gebruikt kunnen worden voor recreatiewoningen, standplaatsen voor kampeermiddelen, stacaravans, groepsaccommodaties, trekkershutten en voorzieningengebouwen. Op basis van de VNG-brochure bedrijven en milieuzonering wordt een verblijfsrecreatiefterrein aangemerkt als ‘kampeerterreinen, vakantiecentra e.d. (met keuken). Hierbij geldt een grootste richtafstand van 50 meter voor geluid. Voor de aspecten geur en gevaar geldt een richtafstand van 30 meter en voor stof een richtafstand van 0 meter. De nieuwe woningen komen op een afstand van minder dan 30 meter van het terrein te liggen. Aan de richtafstand voor geur, gevaar en geluid wordt hiermee niet voldaan. In de feitelijke situatie zijn op het terrein aansluitend op het plangebied kampeerplekken en parkeerplaatsen gerealiseerd (zie volgende afbeelding).

Luchtfoto plangebied en naastgelegen verblijfsrecreatieterrein, bron: cyclomedia.com Binnen 30 meter van het plangebied komen op het terrein geen keukens of andere functies voor die geurhinder veroorzaken. Voor het aspect geur is nader onderzoek daarom niet noodzakelijk. Het aspect gevaar is behandeld in paragraaf 4.8 (externe veiligheid). Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid geen belemmeringen vormt ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied. Het is op voorhand niet uit te sluiten dat ter plaatse van de nieuwe woningen geluidhinder wordt ondervonden van de camping. Een akoestisch onderzoek industrielawaai

38

is noodzakelijk om te onderzoeken of ter plaatse van de nieuwe woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Intensieve veehouderij (Oude Hof 32) Aan de Oude Hof 32 is op basis van het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2019’ een intensieve veehouderij toegestaan. Raadpleging van de I-GO veehouderij database waarin alle vergunde veehouderijen zijn opgenomen, wijst uit dat ter plaatse van de Oude Hof 32 geen veehouderij meer vergund is (zie onderstaande afbeelding). Dit betekent dat hier op basis van het bestemmingsplan alleen een agrarisch bedrijf aanwezig kan zijn dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, niet zijnde: een glastuinbouwbedrijf, een hout- en/of fruitteeltbedrijf, een boom- en/of sierkwekerij, een gebruiksgerichte paardenhouderij of een bollenteeltbedrijf. Op basis van de VNG-brochure bedrijven en milieuzonering geldt voor bedrijfsgebouwen voor akkerbouw en fruitteelt een grootste richtafstand van 30 meter voor geluid. De nieuwe woningen komen op een afstand van circa 45 meter van het bouwvlak van de Oude Hof 32 te liggen. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand.

Uitsnede I-GO veehouderij kaartviewer, met ligging vergunde veehouderijen (symbool van een koe) In de tweede plaats moet worden bepaald of de omgeving de nieuwe functie toelaat. De activiteit wonen brengt geen belemmeringen met zich mee voor omliggende hindergevoelige functies. Geconcludeerd wordt dat de nieuwe woningen geen belemmering vormen voor het woon- en leefklimaat in de omgeving.

39

Krommeweg 16 Het plan aan de Krommeweg 16 omvat de toevoeging van één nieuwe gevoelige functie, namelijk het omzetten van de bedrijfswoning naar een burgerwoning. De bedrijfswoning is in de huidige situatie enkel niet gevoelig voor de overlast van het eigen bedrijf. Voor omliggende bedrijven geldt het al als een gevoelige functie. De ontwikkeling zorgt daarom niet voor een beperking van de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven. Aangezien het agrarische bouwvlak aan de Krommeweg 16 met het voorliggende plan wordt verwijderd, ontstaan er ook geen belemmeringen met betrekking tot het eigen bedrijf. Bovendien worden op de locatie geen hinderveroorzakende functies mogelijk gemaakt en er is daarom geen belemmering voor het woon- en leefklimaat in de omgeving. 4.4.3

Onderzoek Om te bepalen of ter plaatse van de nieuwe woningen sprake is van een goed woonen leefklimaat, is een akoestisch onderzoek industrielawaai8 uitgevoerd naar de te verwachten geluidbijdrage vanwege een camping op de gevels van de nieuw te bouwen woningen. Uitgaande van door de opdrachtgever aangereikte gegevens en verzamelde gegevens is een rekenmodel opgesteld. Met dit rekenmodel is de geluidbijdrage ter plaatse van de nieuw te bouwen geluidgevoelige bestemmingen bepaald. Uit de rekenresultaten en toetsing blijkt het volgende: − Directe hinder: − Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) bedraagt ter plaatse van de meeste woningen maximaal 45 dB(A) etmaalwaarde. Er wordt voldaan aan stap 2 uit de VNG publicatie bedrijven en milieuzonering. Bij één woning is sprake van een langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 49 dB(A) etmaalwaarde. Bij deze woning wordt voldaan aan stap 3 uit de VNG publicatie. − Er wordt ten aanzien van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus voldaan aan de − normstelling volgens het Activiteitenbesluit. − Het maximale geluidniveau (LAmax) bedraagt ter plaatse van woningen maximaal 59 dB(A). De aanbevolen grenswaarden behorende bij stap 2 uit de VNG publicatie worden overschreden. De normstelling behorende bij stap 3 uit de VNG publicatie wordt niet overschreden.

− Er wordt ten aanzien van de maximale geluidniveaus voldaan aan de normstelling volgens het Activiteitenbesluit. − Indirecte hinder: − De geluidbijdrage vanwege het verkeer dat van en naar de inrichting rijdt bedraagt ter plaatse van woningen minder dan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Volgens de Circulaire indirecte hinder is er dan geen hinder te verwachten vanwege het verkeer dat van en naar de inrichting rijdt.

8

Oude Hof 25-27 te Elspeet akoestisch onderzoek, Tecmap, kenmerk: 20200183-01, 22 december 2020. 40

Uit deze conclusies blijkt dat het mogelijk is om de voorgenomen nieuwbouw te realiseren, waarbij sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De voorgenomen nieuwbouw resulteert niet in een inperking van de exploitatiemogelijkheden van de camping. 4.4.4

Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen vormt ten aanzien van de voorgenomen ontwikkelingen in het plangebied.

4.5

Geluid

4.5.1

Algemeen De Wet geluidhinder regelt de mate waarin geluid bepaalde functies mag belasten. Indien geluidgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting een akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van wegen en spoorwegen. Wonen is een geluidgevoelige functie. De geluidbelasting op woningen mag in principe de 48 dB niet overschrijden. Wegen met een 30 km/u zone zijn formeel uitgezonderd van akoestisch onderzoek.

4.5.2

Toetsing Op de locatie Krommeweg 16 worden geen nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk gemaakt. Aan de Oude Hof 25-27 worden vier nieuwe woningen gerealiseerd. Daarnaast wordt de bedrijfswoning verplaatst en omgezet naar een burgerwoning. Woningen zijn geluidsgevoelige bestemmingen. De nieuw te bouwen woningen zijn gelegen binnen de geluidzone van Oude Hof. Van deze doodlopende weg zijn geen verkeersgegevens bekend. De hoeveelheid verkeer over deze weg zal niet meer bedragen dan 500 motorvoertuigen per etmaal. Uitgaande van deze ruim ingeschatte verkeersintensiteit en de verkeersverdeling behorende bij een streekweg volgens “bepaling van verkeersgegevens ten behoeve van de Wet Geluidhinder”, GF-DR-35-01 kan de geluidbelasting op de gevels van de woningen worden berekend. Het resultaat is weergegeven in onderstaande afbeelding. In de volgende afbeelding zijn de berekende geluidbelastingen weergegeven exclusief aftrek artikel 110g. Zoals is te verwachten is de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen beduidend lager dan de voorkeursgrenswaarden van 48 dB Lden. Er hoeft voor de woningen geen hogere waarde wegverkeerslawaai te worden aangevraagd.

41

Berekende geluidbelastingen op toekomstige woningen (excl. aftrek artikel 110g), Tecmap.

4.5.3

Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect geluid geen belemmeringen vormt ten aanzien van de voorgenomen ontwikkelingen in het plangebied.

4.6

Luchtkwaliteit

4.6.1

Algemeen De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO 2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor.

42

Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio’s waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het plan tot maximaal 1,2 µg/m3 verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM.

Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het plan ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is significant is ten opzichte van een etmaal. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuw vestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden. 4.6.2

Toetsing Op de locatie Krommeweg 16 worden geen nieuwe gebouwen mogelijk gemaakt waar mensen kunnen verblijven of nieuwe functies met een verkeersaantrekkende werking. Een toets met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit is voor deze locatie daarom niet relevant. Het onderhavige project omvat ter plaatse van de locatie Oude Hof 25-27 de beëindiging van een agrarisch bedrijf, de realisatie van vijf woningen waarvan één de huidige bedrijfswoning vervangt. Er is geen sprake van een gevoelige functie zoals bedoeld in het ‘Besluit gevoelige bestemmingen’. Daarnaast is bij de realisatie van vijf woningen sprake van een NIBM- project en het project hoeft daarom niet getoetst te worden aan de Europese grenswaarden.

43

Verder blijkt uit de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van het RIVM en de kaarten Luchtkwaliteit uit de Atlas Leefomgeving dat de luchtkwaliteit ter plaatse goed is; er worden geen grenswaarden overschreden (PM10, PM2,5 of NO2). 4.6.3

Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect lucht geen belemmeringen vormt ten aanzien van de voorgenomen ontwikkelingen in het plangebied.

4.7

Geur Algemeen Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt: − voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) geldt een maximale geurbelasting op een geurgevoelig object; − voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand voor veehouderijen ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object (zoals een woning) in vier situaties, deze zijn weergegeven in de volgende tabel.

concentratiegebieden niet-concentratiegebieden

binnen bebouwde kom 3,0 (in ou/m3) 2,0 (in ou/m3)

buiten bebouwde kom 14,0 (in ou/m3) 8,0 (in ou/m3)

Geurnormen Wet geurhinder en veehouderij Voor veehouderijen met diercategorieën waarvoor geen emissiefactor is vastgesteld geldt op grond van artikel 4 van de wet een minimumafstand ten opzichte van een geurgevoelig object. Binnen de bebouwde kom is deze minimumafstand 100 meter en daarbuiten 50 meter. Voor geurgevoelige objecten die onderdeel uitmaken van een andere veehouderij gelden niet de maximale geurbelastingen, maar gelden ook deze minimumafstanden. Verder moet op grond van artikel 5 van de Wgv een minimale afstand tussen de gevel van een geurgevoelig object en de gevel van het dierenverblijf worden aangehouden. Deze afstand bedraagt ten minste 50 m voor objecten binnen de bebouwde kom en ten minste 25 m voor objecten buiten de bebouwde kom.

44

Toetsing Op de locatie Krommeweg 16 worden geen nieuwe geurgevoelige functies mogelijk gemaakt. Met het onderhavige plan worden op de locatie Oude Hof 25-27 vijf nieuwe woningen mogelijk gemaakt, waarvan één de huidige bedrijfswoning vervangt. Woningen zijn geurgevoelige objecten. Binnen een afstand van 250 meter van de planlocatie komen geen veehouderijen voor. Daarnaast is er altijd sprake van andere bestaande tussenliggende geurgevoelige functies, waardoor het plan geen belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.8

Externe veiligheid

4.8.1

Algemeen Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico’s dienen te worden beoordeeld voor twee risiconormen: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen.

Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn et cetera), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

45

Groepsrisico Het groepsrisico is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. 4.8.2

Toetsing Ter plaatse van de locatie Krommeweg 16 worden geen nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Ter plaatse van de locatie Oude Hof 25-27 omvat het plan de toevoeging van vijf nieuwe woningen, waarvan één de huidige bedrijfswoning vervangt. Dit zijn kwetsbare objecten. Raadpleging van de risicokaart wijst uit dat in de omgeving van het plangebied twee inrichtingen (een camping en een veehouderij) voorkomen op een afstand van meer dan een kilometer van het plangebied (zie volgende afbeelding). Het plangebied ligt hiermee ver buiten de plaatsgebonden risicocontour en het invloedsgebied van deze inrichtingen. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk.

Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied (rode ster) en inrichting (binnen rode lijnen), bron: risicokaart.nl

46

4.8.3

Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid geen belemmeringen vormt ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied.

4.9

Water In het kader van het Nationaal Bestuursakkoord Water moet bij ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond, middels hydrologisch onderzoek, dat de waterhuishouding niet negatief wordt beïnvloed door de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Dit is vastgelegd in het procesinstrument de Watertoets. In de waterparagraaf van het bestemmingsplan moeten de resultaten van deze toets worden opgenomen, waaronder het wateradvies van de waterbeheerder. Hieronder is een beknopt overzicht gegeven van het relevante nationale, provinciale en waterschap beleid ten aanzien van water voor deze ontwikkeling. Rijksbeleid - Het Nationaal Waterplan 2016-2021 Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: − Nederland blijft de veiligste delta in de wereld. − Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater. − Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht. − Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement. − Nederlanders leven waterbewust.

Het kabinet zet de veranderingen in het waterveiligheidsbeleid voort en zal hiertoe een wetsvoorstel met nieuwe normen voor de primaire keringen voorbereiden. Nieuwe normen zijn nodig, omdat de huidige eisen aan primaire keringen grotendeels uit de jaren zestig van de vorige eeuw dateren. Sindsdien is het aantal mensen en de economische waarde achter de dijken toegenomen. Ook is nieuwe kennis beschikbaar gekomen over de werking van de keringen en de gevolgen van overstromingen. De doelen op het gebied van waterveiligheid zijn omgerekend naar normspecificaties voor de keringen. Deze zijn niet meer gebaseerd op dijkringen, maar op dijktrajecten. Elk dijktraject krijgt een norm-specificatie die past bij de gevolgen in dat specifieke gebied. De normspecificaties zijn ingedeeld in zes klassen, waarbij de overstromingskans varieert van 1/300 per jaar tot 1/100.000 per jaar. Het Rijk onderkent het belang van verbinden van ruimte en water. Bij het aanpakken van wateropgaven en de uitvoering van watermaatregelen vindt daarom afstemming plaats met andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied, zodat scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of, beter nog, elkaar versterken. Het kabinet streeft daarbij ook naar integrale combinaties, waarbij ruimtelijke inrichting een belangrijke rol speelt bij het oplossen van wateropgaven.

Omgekeerd is het van belang om bij ruimtelijke opgaven vroegtijdig rekening te 47

houden met wateropgaven en de veerkracht van watersystemen. De gewenste betere verbinding tussen water en ruimte geldt voor alle opgaven op het gebied van waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Provinciaal beleid - Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De hoofdzaken van het provinciaal beleid voor water zijn gericht op een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem. Dit systeem bestaat uit bodem en ondergrond, grondwater en oppervlaktewater en is duurzaam als het ook in de toekomst kan blijven functioneren en in stand kan worden gehouden tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. De provincie onderschrijft de ambitie van de Europese Kaderrichtlijn Water dat uiterlijk in 2027 het grond- en oppervlaktewater in Europa schoon en ecologisch gezond moet zijn en dat er voldoende water is voor duurzaam gebruik en voert deze uit. De beschermde gebieden voor grondwater, waterberging, de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000 zijn leidend bij de uitwerking van dit beleid in programma’s of in kaders in de verordening.

Er worden condities gesteld voor effectief en zuinig gebruik van drinkwater, speciale waterecologie (Hoogst Ecologisch Niveau wateren en Specifiek Ecologische Doelstelling wateren), (grond)waterafhankelijke landnatuur plus de beschermingszones natte landnatuur en grondwateronttrekkingen voor drinkwater en industrie, groter dan 150.000 m3/jaar. De provincie stelt via uitvoerend beleid de doelen voor de regionale wateren voor de Kaderrichtlijn Water vast en geeft daarbij ook invulling aan de voorzieningenniveaus. Met de Gelderse waterschappen en de landbouw geeft de provincie invulling aan het vasthouden van water in de bodem, het grondwater en de haarvaten van het watersysteem. Bescherming tegen overstromingen vindt primair plaats op basis van preventie, waar nodig aangevuld met maatregelen in de ruimtelijke ordening en evacuatie. Deze bescherming gebeurt bij voorkeur in combinatie met het ontwikkelen en versterken van karakteristieke riviernatuur in Natura 2000-gebieden. Beleid Waterschap Vallei en Veluwe - Waterbeheerprogramma 2016-2021 Het besluitgebied valt binnen het beheergebied van Waterschap Vallei en Veluwe. Het Waterschap heeft zijn waterbeheerprogramma vastgesteld op 30 september 2015. Hierin legt het Waterschap zijn koers voor de komende zes jaar op hoofdlijnen vast.

In het programma zijn zes uitdagingen geformuleerd die het waterschap aangaat samen met inwoners, waterpartners en het bedrijfsleven om het gewenste resultaat te bereiken: veilige dijken, droge voeten en voldoende en schoon water. Deze uitdagingen zijn: − omgaan met klimaatverandering; − groeiende aandacht voor hergebruik van grondstoffen; − toenemend gebruik van nieuwe stoffen; − krimp en groei van de bevolking; − technische kennis wordt schaarser; − veranderende houding in de samenleving.

48

4.9.1

Situatie plangebied Oude Hof 25-27 Huidige situatie In de huidige situatie is in het plangebied ongeveer 1.818 m2 aan bedrijfsbebouwing en een bedrijfswoning aanwezig, met de daarbij behorende verhardingen. Het overige deel van het plangebied is onverhard en in gebruik als weiland. Toekomstige situatie In de toekomstige situatie wordt 2.077 m2 aan bedrijfsbebouwing en de bedrijfswoning gesloopt, daarnaast worden vijf nieuwe woningen met bijgebouwen gerealiseerd. Drie woningen krijgen een oppervlakte van maximaal 140 m2 en twee woningen een oppervlakte van maximaal 120 m2. Daarnaast is per woning een oppervlakte van maximaal 110 m2 aan bijbehorende bouwwerken toegestaan. Dit betekent dat in de toekomstige situatie de totale oppervlakte aan nieuwe bebouwing maximaal 1.210 m2 bedraagt. Het verhard oppervlak in het plangebied neemt hierdoor in totaliteit af ten opzichte van de huidige situatie. Krommeweg 16 Aan de Krommeweg 16 wordt een deel van de aanwezige bedrijfsbebouwing gesloopt. Er worden op deze locatie geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Het verhard oppervlak neemt in dit deel van het plangebied ook af ten opzichte van de huidige situatie.

4.9.2

Watertoets Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Via de digitale watertoets910 is zowel voor de locatie Oude Hof 25-27 als de locatie Krommeweg 16 beoordeeld of en welke waterbelangen voor het plan relevant zijn. Uit de beoordeling volgt dat op beide locaties in het plangebied geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde primaire of A- watergangen), waterkeringen of gebieden liggen die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Dit betekent dat dit plan geen essentiële waterbelangen raakt. Op basis daarvan wordt door het waterschap voor het onderhavige plan een positief wateradvies gegeven.

4.9.3

Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect water geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan. 9

Wateradvies voor ruimtelijke plannen met een klein waterbelang, Waterschap Vallei en Veluwe, kenmerk: 20201214-10-25034, 14 december 2020 (Oude Hof).

10

Wateradvies voor ruimtelijke plannen met een klein waterbelang, Waterschap Vallei en Veluwe, kenmerk: 20201214-10-25035, 14 december 2020 (Krommeweg). 49

4.10

Archeologie

4.10.1

Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Malta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet 2016 is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. De gemeente Nunspeet heeft voor het geldende bestemmingsplan buitengebied een archeologische kaart laten opstellen. De archeologische verwachtingen die hieruit zijn gekomen, zijn vertaald in het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2019’. Voor gebieden met een hoge archeologische verwachting is archeologisch onderzoek nodig als er een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 120 m². Deze zijn bestemd als Waarde - Archeologie 2. Voor gebieden met een middelmatige archeologische verwachting is archeologisch onderzoek nodig als er een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 500 m². Deze zijn bestemd als Waarde - Archeologie 3. Hieruit is op te maken dat de gronden in het plangebied een hoge archeologische verwachtingswaarde hebben. Deze waarden zijn vertaald in het bestemmingsplan "Buitengebied Elburg 2012".

Het gevolg van de indicatie met gronden waarvoor een hoge archeologische verwachtingswaarde geldt, is dat bij het oprichten van een bouwwerk groter dan 120 m2 archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden.

4.10.2

Toetsing Krommeweg 16 Ter plaatse van de locatie Krommeweg 16 komen geen archeologische dubbelbestemmingen voor. Dit betekent dat er een lage archeologische verwachting geldt en dat er op deze locatie voor eventuele bouw- of graafwerkzaamheden geen onderzoeksplicht geldt. Oude Hof 25-27 Ter plaatse van de locatie Oude Hof 25-27 komen de dubbelbestemmingen ‘Waarde Archeologie 2’ en ‘Waarde - Archeologie 3’ voor: − Gebieden met de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2’ kennen een hoge archeologische verwachting. Hier is archeologisch onderzoek nodig als er een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 120 m². − Gebieden met de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 3’ kennen een middelmatige archeologische verwachting. Hier is archeologisch onderzoek nodig als er een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 500 m².

50

Binnen het plangebied wordt meer dan 500 m2 nieuwe bebouwing gerealiseerd. Ter plaatse van het plangebied is daarom een archeologisch onderzoek uitgevoerd in de vorm van een inventariserend veldonderzoek verkennende fase 11. Uit het vooronderzoek blijkt dat in het plangebied sprake is van een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten. Dit is gebaseerd op de ligging op pleistocene sneeuwsmeltwaterafzettingen en de aanwezigheid van een grotendeels intacte bodemopbouw, getuige het voorkomen van een BC-horizont. De top van de sneeuwsmeltwaterafzettingen betreft het archeologisch relevante niveau. Deze bevindt zich onder een humeus dek op een diepte tussen 50 en 95 cm -Mv (tussen 30,50 en 32,60 m +NAP). Op basis van de ouderdom van de afzettingen i.c.m. de bekende archeologische waarden in de omgeving geldt een hoge verwachting op resten vanaf het Neolithicum t/m de Late-Middeleeuwen. Voor de overige periodes Paleolithicum, Mesolithicum en de Nieuwe tijd geldt een lage verwachting. Op basis van het onderzoek wordt het volgende geadviseerd: In het plangebied is vastgesteld dat sprake is van een hoge verwachting op het aantreffen van intacte archeologische resten vanaf een diepte van 50 cm -Mv. Indien met de voorgenomen ingrepen behoud in situ van het archeologisch relevante niveau niet mogelijk is, wordt vervolgonderzoek geadviseerd.

Dit onderzoek kan het beste plaatsvinden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Voor een dergelijk onderzoek is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk, die door de bevoegde overheid (de gemeente Nunspeet) moet worden goedgekeurd. Bovenstaande vormt een advies. Het is aan de bevoegde overheid, de gemeente Nunspeet, om op basis van de resultaten van dit rapport een selectiebesluit te nemen. Pm selectiebesluit 4.10.3

Conclusie In het voorliggende plan zijn de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde - Archeologie 3’ overgenomen. Op deze wijze worden eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied beschermd. Indien de werkzaamheden in het plangebied dieper reiken dan 50 cm, dan zal in het kader van de omgevingsvergunning het benodigde archeologische vervolgonderzoek worden uitgevoerd. Het aspect archeologie vormt hierdoor geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

11

Elspeet, Oude Hof 25, een inventariserend veldonderzoek (IVO), verkennende fase, Transect, rapportnummer 2996, 14 oktober 2020. 51

4.11

Cultuurhistorie

4.11.1

Algemeen Door de wijziging van artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen.

4.11.2

Toetsing Krommeweg 16 In het kader van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2019’ is een quick scan cultuurhistorische waarden uitgevoerd. Hierin is het buitengebied van Nunspeet opgedeeld in verschillende deelgebieden. De Krommeweg 16 ligt in het deelgebied Randmeerkust. De kenmerken van dit deelgebied zijn: − Langs de kust komt oudere onregelmatige blokvormige verkaveling voor − Wat verder van de kust af komt planmatige regelmatige verkaveling voor haaks op de beeklopen − Kronkelige oost-west stromende beken − Rechte sloten − Oost-west georiënteerde wegen tussen laagland en hoogland − Zandrug ‘Rug van Wessinge’ ligt zichtbaar hoog en slingerend in het laagland − Weidegebied, groen en open − Restanten van houtsingels en hakhoutbossen. Op deze locatie blijft de huidige verkavelingsstructuur behouden. Daarnaast wordt uitsluitend bebouwing gesloopt, waarmee wordt bijgedragen aan de openheid. Op de kavel wordt enige beplanting toegevoegd. Doordat het erf in de huidige situatie al omsloten is door groenstructuren, heeft dit geen invloed op de kenmerkende openheid voor dit deelgebied. Verder is op de locatie geen cultuurhistorische waardevolle of monumentale bebouwing aanwezig. Oude Hof 25-27 In het plangebied komt geen cultuurhistorisch waardevolle of monumentale bebouwing voor.

In het kader van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2019’ is een quick scan cultuurhistorische waarden uitgevoerd. Hierin is het buitengebied van Nunspeet opgedeeld in verschillende deelgebieden. De locatie Oude Hof 25-27 ligt in het deelgebied Oude Bouwlanden - Enclaves. De kenmerken van dit deelgebied zijn: − schaapskooien en veedriften aan de randen van de bouwlanden; − ligt tegen oud bos aan: Elspeterbos; − in de nabijheid van prehistorische grafheuvels; − oude verbindingswegen komen samen in de enclaves; − oude boerderijen van het Veluwse type; hallehuizen met rieten zadeldaken met wolfeind en lage goten. Ze lijken gestrooid en verspreid in het dorp te staan, soms dicht op de weg, soms verderaf. 52

Het plangebied ligt binnen de oude bouwlanden, een agrarische zone tussen de woonkern van Elspeet en het natuur en bosgebied van de Veluwe. Voor Elspeet is dit een kenmerkend landschap. De Oude Hof met zijn kenmerkende houtwallenstructuur vormde vroeger de grens tussen het agrarische landschap en het bos- en heide landschap. Door verandering in de landbouw, de opkomst van het toerisme en de verandering van het agrarisch dorp naar een woondorp hebben hier veranderingen plaatsgevonden. Naast de vergroting van het dorp met nieuwe woonwijken, is ook het omliggende landschap veranderd door stoppende agrariërs, het omzetten van boerderijen naar burgerwoningen, verdichting met woningbouw en het toevoegen van recreatieterreinen. Ondanks deze veranderingen zijn karakteristieke landschappen, landwegen, agrarische verkavelingen, landschapsstructuren en gebouwen zoals de Korenmolen de Hoop nog steeds afleesbaar in het landschap. De bestaande houtwallen structuur is kenmerkend voor dit gebied en specifiek in het bestemmingsplan vastgelegd. In de quick scan cultuurhistorische waarden zijn de volgende toetsingscriteria opgenomen voor de oude bouwlanden - enclaves: 1. respecteer de open ruimte tussen dorp en bos. Sta hier geen of zeer transparante verticale elementen toe; 2.

plaats de aanleg van nieuwe en de rationalisatie van bestaande wegen en waterlopen in historisch context door deze nauw te laten aansluiten op het natuurlijk reliëf. Verlang een onderbouwing op dit vlak; 3. borg een helder contrast tussen bouwland en bosrand; 4. (veranderen van) Erfbeplanting is goed mogelijk, mits de nieuwe situatie zich goed in het karakter voegt. Een voor deze locatie op maat gemaakt plan is daarbij van grote waarde. Ad 1: Ter plaatse van het plangebied is in de huidige situatie al agrarische bebouwing aanwezig. Daarnaast wordt het plangebied aan de west-, zuid- en oostzijde begrenst door houtwallen. Alleen aan de meest noordelijke zijde van het plangebied is hierdoor sprake van zicht op de kenmerkende open ruimte tussen Elspeet en de Veluwe. De meest noordelijke woning wordt tegen de oostelijke houtwal gerealiseerd, waardoor deze de zichtlijnen vanaf de Oude hof richting het open gebied niet beperkt. Het op de molen blijft op deze wijze ook behouden. De overige nieuwe woningen zijn zuidelijker gesitueerd en hierdoor niet van invloed op de open ruimte. Aan dit criterium wordt hiermee voldaan. Ad 2: Het voorliggende plan ziet niet op de realisatie van nieuwe wegen of waterlopen. Dit toetsingscriterium is daarom niet relevant.

Ad 3: Door het behoud van de bestaande houtwallen en de toevoeging van hagen en houtsingels in het plangebied, wordt de beslotenheid op de locatie behouden en hiermee ook het contrast met het open bouwland aan de noordzijde. Bovendien wordt hiermee

53

de kenmerkende houtwallenstructuur behouden en versterkt. Aan dit criterium wordt hiermee voldaan. Ad 4: Voor het plangebied is op maat een landschappelijke inpassing gemaakt. Hierin is rekening gehouden met de zichtlijnen op de open ruimte aan de noordzijde van het plangebied. De toekomstige perceelindelingen volgen verder de aanwezige natuurlijke structuren. De randen van de tuin en woningen worden begrensd door hagen en langs de gehele oostzijde wordt een houtwal gerealiseerd. Op deze wijze worden de aanwezige landschappelijke structuren in de directe omgeving van het plangebied versterkt. Aan dit criterium wordt gezien bovenstaande voldaan. 4.11.3

Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.12

Verkeer en parkeren

4.12.1

Verkeer Op de locatie Oud Hof 25-27 worden vijf nieuwe woningen gerealiseerd (waarvan één de huidige bedrijfswoning vervangt). Deze woningen worden via drie inritten ontsloten op de Oude Hof. Aan de hand van CROW-publicatie 381 (d.d. december 2018) is de verkeersgeneratie bepaald. Onderhavige locatie wordt beschouwd als ‘buitengebied’. In de navolgende tabel is de verkeersgeneratie bepaald.

Woningtype

Aantal

Kencijfer

Per

Verkeersgeneratie

(max.) Koop, huis, vrij-

3

8,6

woning

25,8

2

8,2

appartement

16,4

staand Koop, huis, tweeonder-een-kap Totaal

42,2

Door de realisatie van de vijf woningen zal de verkeersgeneratie met maximaal 42,2 verkeersbewegingen per etmaal toenemen. De daadwerkelijke toename van het aantal verkeersbewegingen zal lager zijn, aangezien op de locatie een agrarisch bedrijf wordt beëindigd en de bedrijfswoning wordt gesloopt, die in de huidige situatie al verkeer met zich meebrachten. De toekomstige verkeersgeneratie zal daarom weinig invloed hebben op de bestaande verkeersintensiteit op de omliggende wegen en kan derhalve worden opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Voor de locatie Krommeweg 16 zal enkel sprake zijn van een afname van het aantal verkeersbewegingen, aangezien hier een agrarisch bedrijf wordt beëindigd.

54

4.12.2

Parkeren Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door de aard en omvang van de activiteit waarin het plan voorziet. Om de parkeerbehoefte te bepalen, is gebruikgemaakt van de kengetallen van het CROW. Bij de berekening van de parkeerbehoefte is voor de nieuwe woningen uitgegaan van een ligging in het buitengebied. De parkeernormen hierbij zijn als volgt: Minimaal aantal

Maximaal aantal

parkeerplaatsen

parkeerplaatsen

Vrijstaande woning

3,0

2,8

Twee-onder-een-

1,8

2,6

kapwoning

Het perceel biedt per woning voldoende ruimte om het parkeren op eigen terrein mogelijk te maken. In de regels is opgenomen dat aan de parkeernorm moet worden voldaan. 4.12.3

Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect verkeer en parkeren geen belemmeringen vormt ten aanzien van de voorgenomen ontwikkelingen in het plangebied.

4.13

Kabels en leidingen Er zijn geen planologisch relevante leidingen aanwezig waarmee in het plangebied rekening moet worden gehouden. Voorafgaand aan de werkzaamheden binnen het plangebied zal een KLIC-melding worden gedaan om inzicht te geven in de mogelijk aanwezige kabels en leidingen.

55

5 5.1

Wijze van bestemmen Algemeen Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. De wijze van bestemmen is gebaseerd op de uitgave “Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012”, die wordt beheerd door GeoNovum. De verbeelding is IMRO-gecodeerd volgens IMRO2102.

5.2

Methodiek

5.2.1

Verbeelding Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn opgenomen. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de regels aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden. Een aantal aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding (bijvoorbeeld topografische gegevens). Deze zijn daarom opgenomen bij de ‘verklaringen’.

5.2.2

Regels De regels van het bestemmingsplan zijn ondergebracht in vier hoofdstukken: − Hoofdstuk 1 (artikelen 1 en 2) bevat de inleidende regels. Deze regels beogen een eenduidige interpretatie en toepassing van de overige, meer inhoudelijke regels en van de verbeelding te waarborgen. − Hoofdstuk 2 (artikelen 3 tot en met 9) bevat de bestemmingsregels. Per op de verbeelding aangegeven bestemming bevat dit hoofdstuk regels die specifiek voor die bestemming gelden. − Hoofdstuk 3 (artikelen 10 tot en met 16) bevat de algemene regels, waaronder een anti-dubbeltelregel en de algemene afwijkingsregels. − Hoofdstuk 4 (artikelen 17 en 18) bevat het overgangsrecht en de slotregel.

56

regels in verband met de bestemmingen De bestemmingsregels kennen alle een zelfde opbouw met de volgende leden: − lid 1 bestemmingsomschrijving − lid 2 bouwregels − lid 3 nadere eisen (indien aanwezig) − lid 4 afwijken van de bouwregels (indien aanwezig) − lid 5 specifieke gebruiksregels (indien aanwezig) − lid 6 afwijken van de gebruiksregels (indien aanwezig) − lid 7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (indien aanwezig) − lid 8 Wijzigingsbevoegdheid (indien aanwezig) De bestemmingsomschrijving is de centrale bepaling van elke bestemming. In de bestemmingsomschrijving worden de binnen een bestemming toegestane functies genoemd. De bouwregels zijn gerelateerd aan deze omschrijving. Ook het gebruik van grond en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. inleidende, algemene en overgangs- en slotregels De inleidende (hoofdstuk 1), algemene (hoofdstuk 3) en overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4) zijn de gebruikelijke bestemmingsregels en worden hier verder niet toegelicht.

5.3

Bestemmingen Dit bestemmingsplan kent de bestemmingen: ‘Agrarisch’, ‘Natuur - Landschap’ en ‘Wonen’. Daarnaast kent dit bestemmingsplan de dubbelbestemmingen ‘Waarde Archeologie 2’, ‘Waarde - Archeologie 3’, ‘Waarde - Oude bouwlanden enclaves’ en ‘Waarde - Randmeerkust’.

5.3.1

Bestemming Agrarisch De gronden met de bestemming ‘Agrarisch’ zijn bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf, het weiden van vee, bos- en of natuurelementen, bestaande wegen, wandel-, fiets- en ruiterpaden en toegangswegen, voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, teeltondersteunende voorzieningen en het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke waarde en de landschappelijke waarde van de gronden. Er mogen op deze gronden geen gebouwen worden gebouwd. Wel zijn teeltondersteunende voorzieningen met een bouwhoogte van niet meer dan 0,3 meter toegestaan en bouwwerken, geen gebouwen zijnde met een bouwhoogte van niet meer dan 1,5 meter.

5.3.2

Bestemming Natuur - Landschap De gronden met de bestemming ‘Natuur - Landschap’ zijn bestemd voor bos, houtwallen, solitaire bomen, heide, zandverstuivingen, vennen en houtproductie, natuurlijk

57

beheerde graslanden, het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke waarde en de landschappelijke waarde, bestaande wegen, wandel-, fiets- en ruiterpaden, voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van het vasthouden, bergen, aan- en afvoeren van water, voorzieningen ten behoeve van extensief recreatief medegebruik, zoals parkeervoorzieningen ten behoeve van toeristische overstappunten. Daarnaast zijn daarbijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, andere werken en terreinen toegestaan. Er mogen op deze gronden geen gebouwen worden gebouwd. Bestaande gebouwen mogen worden gehandhaafd. Wel zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde met een bouwhoogte van niet meer dan 2,5 meter toegestaan. 5.3.3

Bestemming ‘Wonen’ De bestemming Wonen is toegekend aan de percelen van de vijf nieuwe woningen. De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen in een woning of een woonhuis al dan niet in combinatie met een aan-huis-verbonden beroep en/of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen - mestopslag’ is mestopslag toegestaan. Daarnaast zijn de gronden medebestemd voor landschappelijke inpassing en/of erfbeplanting. Verder zijn bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, andere werken, tuinen en erven toegestaan. In het plangebied zijn vijf bouwvlakken opgenomen. Per bouwvlak mag één woning worden gebouwd. Hierop geldt een uitzondering voor het bouwvlak met de aanduiding ‘maximum aantal aaneen te bouwen wooneenheden’. Deze aanduiding is opgenomen ter plaatse van het bouwvlak waar de twee-onder-een-kapwoning beoogd is. Hier is de bouw van twee woningen toegestaan. Verder gelden voor woningen de volgende bouwregels: − De oppervlakte van de woningen mag niet meer dan 120 m2 bedragen. − De goothoogte mag niet meer dan 6 meter bedragen of de bestaande goothoogte. Ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal aaneen te bouwen wooneenheden’ is de maximum goothoogte 3 meter. − De bouwhoogte mag niet meer dan 9 meter bedragen, of de bestaande bouwhoogte.

Ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal aaneen te bouwen wooneenheden’ is de maximum bouwhoogte 8 meter. − De dakhelling mag niet minder dan 15 procent bedragen. − Kelders mogen alleen loodrecht onder het woonhuis worden gerealiseerd, tot een diepte van 3,5 meter. − De afstand tot de bouwperceelgrens moet minimaal 3 meter bedragen. Daarnaast zijn bijbehorende bouwwerken toegestaan: − Deze moeten op 1 meter achter de voorgevel van het woonhuis worden gerealiseerd, behalve als dit in de bestaande situatie al anders is gesitueerd. Ook voor geïntegreerde bijbehorende bouwwerken geldt deze regel niet. − Daarnaast dienen bijbehorende bouwwerken binnen 25 meter van het woonhuis te worden gerealiseerd, met uitzondering van bijbehorende bouwwerken ter plaatse van de aanduiding ‘maximum oppervlakte (m2). Deze aanduiding is opgenomen ter

58

−

− − −

plaatse van de locatie Krommeweg 16, waar de bestaande afstand tussen de woning en de bijbehorende bouwwerken in de bestaande situatie al groter is dan 25 m. De gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bedraagt per woning maximaal 110 m2. Op de locatie Krommeweg 16 is in afwijking hiervan een oppervlakte van 290 m2 toegestaan. De goot- en bouwhoogte mogen maximaal 3,5 respectievelijk 6 meter bedragen. de afstand tot de bouwperceelgrens moet ten minste 3 meter bedragen. vrijstaande bijbehorende bouwwerken mogen niet worden voorzien van een kelder.

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van 2,5 meter. Behalve wanneer deze voor de voorgevel of een naar de weg gekeerde zijgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan liggen. Dan mag de bouwhoogte niet meer dan 1,5 meter bedragen. Om te waarborgen dat de benodigde bedrijfsbebouwing op beide locaties wordt gesloopt en dat de landschappelijke inpassingen worden gerealiseerd zijn in de specifieke gebruiksregels een drietal voorwaardelijke verplichtingen opgenomen. 5.3.4

Dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie 2’ en ‘Waarde - Archeologie 3’ De gronden die de bestemming ‘Waarde - Archeologie 2’ of ‘Waarde - Archeologie 3’ hebben als doel het behoud, de bescherming en/of archeologische waarden in de bodem.

5.3.5

Dubbelbestemmingen ‘Waarde - Randmeerkust’ en ‘Waarde - Oude bouwlanden enclaves’ Deze dubbelbestemmingen zijn bedoeld voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van de natuurlijke, landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden zoals deze tot uitdrukking komen in de openheid en de bestaande houtwallenstructuur.

5.3.6

Algemene regels In dit hoofdstuk zijn de regels opgenomen die betrekking hebben op het gehele plangebied en alle andere regels in het bestemmingsplan. Binnen het hoofdstuk algemene regels is binnen het artikel overige regels nog een parkeerregeling opgenomen. Hierin wordt bepaald dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen en / of voor het wijzigen van het gebruik van een gebouw dan wel voor het wijzigen van het gebruik van een onbebouwd terrein wordt alleen wordt verleend als wordt aangetoond dat in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van auto's en fietsen, het laden of lossen van goederen en het realiseren van parkeervoorzieningen voor invaliden.

59

6

Economische uitvoerbaarheid Voorliggend plan wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten die gepaard gaan met het plan en de kosten voor ontwikkeling en inrichting van het plangebied zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Het kostenverhaal zal geregeld worden in een tussen de gemeente Nunspeet en de initiatiefnemer af te sluiten anterieure overeenkomst. De economische uitvoerbaarheid wordt hiermee geacht te zijn aangetoond.

60

7 7.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Proces In het kader van het voorliggende plan heeft een omgevingsdialoog plaatsgevonden. In verband met de coronamaatregelen kon geen avond worden gehouden. Er zijn daarom in eerste instantie documenten gemaakt met een verbeelding van de gewenste toekomstige situatie. Deze zijn in de brievenbussen van omwonenden gedaan, met het verzoek om te reageren. Vervolgens is bij de omwonenden aangebeld, om ook mondeling de reacties te peilen. Eén omwonende heeft een reactie gegeven aangaande de zichtlijn. Later hebben twee andere omwonenden ook aangegeven wat bezwaren te hebben. De drie hebben zich tot de gemeente gewend, en vervolgens heeft een overleg op locatie plaatsgevonden met de betreffende omwonenden, initiatiefnemer met adviseur, tekenaar en gemeente. Naar aanleiding van dit overleg is initiatiefnemer de buurt tegemoet gekomen door de bedrijfswoning te verplaatsen en de dubbele woning meer naar het zuiden te verplaatsen, zodat de zichtlijn van de buren naar de molen blijft bestaan. Daarnaast zijn de uitritten samengevoegd en hiermee beperkt tot de huidige 2 uitritten.

7.2

Overleg Met de inwerkingtreding van de Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure is de verplichte inspraak, alvorens een ontwerpbestemmingsplansplan ter inzage te leggen, komen te vervallen. Ook de Wet ruimtelijke ordening verplicht gemeenten niet meer tot het bieden van de mogelijkheid tot inspraak. Het Besluit ruimtelijke ordening doet dat evenmin. Conform artikel 3.1.1. van het Bro dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

7.3

Zienswijzen Op de procedure van het bestemmingsplan is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. In navolging hiervan heeft het ontwerpbestemmingsplan van 2 februari 2022 tot en met 16 maart 2022 ter inzage gelegen. In deze periode is één zienswijze ingediend. Deze zienswijze is in de Nota Zienswijzen (bijlage 11) samengevat en van een antwoord voorzien.

61

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11622601/1