CConstaterende datNunspeet
Koppel je AI →
Document · PDF

AP 12 Molenbiotoop aanvullend onderzoek20

Raadsvergadering 27 mei 2021, gemeente NunspeetBij agendapunt: Afgifte verklaring van geen bedenkingen Staverdenseweg 93 in Elspeet.2.953 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Invloed bouwplan Staverdenseweg 93 Elspeet op windvang molen De Hoop

Rapportnummer O 16482-1-RA-001 d.d. 4 september 2020

Invloed bouwplan Staverdenseweg 93 Elspeet op windvang molen De Hoop

opdrachtgever

ASB projecten

rapportnummer

O 1 64 82 - 1- R A - 00 1

datum

4 s e p t e m b e r 2 02 0

referentie

O O / M a V / / O 16 48 2- 1 - R A- 0 01

verantwoordelijke O.E. Otten opsteller

ir. M.A. Verbruggen +31 858 228 623 m.verbruggen@peutz.nl

peutz bv, postbus 66, 6585 zh mook, +31 85 822 86 00, mook@peutz.nl, www.peutz.nl kvk 12028033, opdrachten volgens DNR 2011, lid NLingenieurs, btw NL.004933837B01, ISO-9001:2015 mook – zoetermeer – groningen – eindhoven – düsseldorf – dortmund – berlijn – leuven – parijs – lyon

O 16482-1-RA-001 2

Inhoudsopgave 1

Inleiding

4

2

Situatie

5

3

Regelgeving molenbiotoop

7

3.1

Regelgeving

7

3.2

Beoordeling bouwhoogte in relatie tot regelgeving

7

4

Windvang van de molen

9

4.1

Windklimaat op de locatie

9

4.2

Bepaling wind aan- en afvoer van de molen

11

4.2.1

Windaanvoer

11

4.2.2

Windafvoer

13

4.2.3

Compensatie

14

4.3 5

Beoordeling windvang in relatie tot regelgeving Samenvatting en conclusies

14 15

O 16482-1-RA-001 3

1

Inleiding Er zijn voornemens enkele woningen te realiseren aan de Staverdenseweg 93 te Elspeet. Ten behoeve van deze nieuwbouw zullen enkele bestaande schuren worden gesloopt. In verband met de ligging van de bouwlocatie in de nabijheid van molen de Hoop gelden binnen de regelgeving restricties voor de bouwhoogte. In opdracht van ASB projecten is een indicatieve studie verricht ten einde vast te stellen in hoeverre het bouwplan van invloed is op de windvang van de molen. Hierbij wordt onder meer gebruik gemaakt van statistische gegevens van het heersende windklimaat bij de molen. In dit rapport wordt kort ingegaan op de situering van de molen en de bouwlocatie en op de regelgeving voor de molenbiotoop. Vervolgens wordt nader ingegaan op het windklimaat bij de molen en worden rekenresultaten gegeven van de invloed van realisatie van het plan in relatie tot de wind aan- en afvoer van de molen.

O 16482-1-RA-001 4

2

Situatie Molen de Hoop is een rijksmonument. Volgens de molens.nl heeft de molen een vlucht van 22,5 meter en een stelling van 3,6 meter. De voor de berekening benodigde ashoogte bedraagt aan de hand van deze gegevens 22,5/2+3,6 = 14,9 meter. Het NAP-niveau van de bouwlocatie is 0,6 meter lager dan dat van de omgeving van de molen. De bouwlocatie is gelegen ten noordwesten van de molen. Ten behoeve van de geplande nieuwbouw zullen enkele bestaande gebouwen worden gesloopt. De gebouwhoogte van deze bestaande bebouwing bedraagt maximaal circa 6,5 meter. Het bouwplan kent een hoogte van maximaal 7 meter. In figuren 2.1 en 2.2 zijn een situatietekening en een impressie van de geplande nieuwbouw weergegeven. De afstand vanaf het midden van de molen tot de dichtstbijzijnde rand van de nieuw te bouwen woningen bedraagt 88 meter. In figuur 2.3 zijn de locatie van de molen, de locatie van het bouwplan en de voor het onderzoek relevante aanwezige bestaande bebouwing en begroeiing bij overeenkomstige hoeksector te zien. In het gebied tussen de molen en de bouwlocatie is bestaande bebouwing aanwezig. Tevens zijn bij dezelfde hoeksector achter de bouwlocatie dichte bomen aanwezig.

2.1

Situatietekening bouwplan

Vrijstaande woning

Twee onder één kap woning

O 16482-1-RA-001 5

f2.2 Impressie vrijstaande woning (links) en twee-onder-één-kap woning (rechts)

f2.3 Situatie plan ten opzichte van molen

3 2 plan

1

Molen de Hoop

O 16482-1-RA-001 6

3

Regelgeving molenbiotoop

3.1 R e g e l g e v i n g

Voor de toetsing van het bouwplan in verband met de molenbiotoop is gebruikt gemaakt van de regels zoals vastgelegd in het onheroepelijke bestemmingsplan ' Elspeet Dorp 2011', vastgesteld op 14 augustus 2013. De bouwlocatie valt in 'Centrumdoeleinden 3'. Binnen dit bestemmingsplan wordt de maximale bouwhoogte bepaald door de molenbiotoop. In artikel 21 van het bestemmingsplan (NL.IMRO.0302.BP01067-vg02) is de dubbelbestemming molenbeschermingszone beschreven. De bouwlocatie valt binnen deze zone. De voor het onderzoek meest relevante artikelen zin 21.1.2 en 21.1.3. 21.1.2 Bouwregels Op de voor 'vrijwaringszone - molenbiotoop' aangewezen gronden mag de bouwhoogte van bouwwerken in afwijking van hetgeen elders in de regels is bepaald, niet meer bedragen dan:

a. bij een afstand tot 100 m van de molen: de hoogte van de onderste punt van de verticaal staande wiek; b. bij een afstand tussen 100 en 500 m van de molen: 1/50 van de afstand tussen het bouwwerk en de molen, gerekend vanaf de onderste punt van de verticaal staande wiek, vermeerderd met 3 m. 21.1.3 Afwijking van de bouwregels Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 21.1.2 in die zin dat de bouwhoogte van bouwwerken wordt verhoogd, mits: − de windvang van de molen hierdoor niet onevenredig wordt geschaad. 3.2 B e o o r d e l i n g b o u w h o o g t e i n r e l a t i e t o t r e g e l g e v i n g

Opgemerkt wordt dat de molenbiotoop beschreven in artikel 21.1.2b de afstand van het bouwwerk tot de onderste punt van de verticaal staande wiek gebruikt om de maximale bouwhoogte te bepalen. De in dit rapport gehanteerde methode is echter gebaseerd op de molen als puntbenadering, hetgeen aansluit bij de algemene biotoopformule opgesteld door de Hollandsche Molen. Voor de bepaling van de maximale bouwhoogte volgens de molenbiotoop in artikel 21 zal de horizontale afstand van het middelpunt van de molen tot de onderste punt van de verticaal staande wiek worden afgetrokken van de afstand van het middelpunt van de molen tot het bouwwerk. De horizontale afstand tussen het middelpunt van de molen tot de onderste punt van de verticaal staande wiek bedraagt naar schatting circa 6 meter. Hiermee bedraagt de afstand tussen de geplande woningen en de onderste punt van de verticaal staande wiek 88 – 6 = 82 meter.

O 16482-1-RA-001 7

In onderstaande tabel worden de overschrijdingen van de geplande gebouwen weergegeven op basis van artikel 21.1.2, waarbij teven het verschil in maaiveldhoogte van 0,6 meter is meegenomen. t3.1 Bouwhoogtes ten opzichte van de molenbiotoop Afstand tot de

Maximale

onderstaande wiek

bouwhoogte

Bouwhoogte

Maximale

Conclusie

overschrijding

van de molen Geplande woning 1

82 tot 101 m

4,2 tot 5,6 m

6,8 m

2,6 m

Voldoet niet

Geplande woning 2

111 tot 130 m

5,7 tot 6,1 m

6,8 m

1,1 m

Voldoet niet

Geplande woning 3

125 tot 140 m

6,0 tot 6,3 m

7,0 m

1,0 m

Voldoet niet

In de figuur 3.1 is de hoogtebegrenzing binnen de molenbiotoop middels een rode lijn in een doorsnede van de geplande situatie weergegeven. Hieruit blijkt dat naast de geplande bebouwing tevens een deel van de bestaande omgevingsbebouwing en begroeiing de maximale hoogte van de molenbiotoop overschrijden. f3.1 Hoogtelijn molenbiotoop en overschrijdingshoogte hoogte bouwplan: maximaal 7,0 meter Toegestaan: 4,2 – 6,3 meter overschrijding: maximaal 2,6 meter

Volgens artikel 21.1.3 van het bestemmingsplan is onder voorwaarden een vrijstelling van de hoogtebeperking te verkrijgen. In relatie tot de windvang is met name relevant in hoeverre wordt voldaan de voorwaarde 'de windvang van de molen hierdoor niet onevenredig wordt geschaad'. Teneinde de situatie nader inzichtelijke te maken wordt in hoofdstuk 4 ingegaan op het lokale windklimaat bij de molen en op de mogelijke invloed van de geplande bebouwing hierop.

O 16482-1-RA-001 8

4

Windvang van de molen

4.1 W i n d k l i m a a t o p d e l o c a t i e

Voor beschouwingen van het windklimaat op de locatie van de molen wordt gebruik gemaakt van een windstatistiek. Hiervoor wordt uitgegaan van de NPR 6097:2006 Toepassing van de statistiek van de uurgemiddelde windsnelheden voor Nederland . Met behulp van de bijbehorende software wordt voor de specifieke locatie een windstatistiek berekend op basis van meteogegevens van een groot aantal meteostations en gegevens omtrent terreinruwheden tot 6 km afstand van de molen. De terreinruwheden van het omliggende gebied worden per categorie weergegeven in figuur 4.1. De kleur geeft de terreinruwheid aan. Rood staat bijvoorbeeld voor bebouwd gebied, met een zogeheten ruwheidslengte z 0 van 1,6 meter en blauw voor water met een z 0 van 0,001 meter. f4.1 Terreinruwheid tot 6 km afstand volgens NPR 6097

In figuur 4.2 wordt de windroos, gebaseerd op de middels de NPR 6097 berekende windstatistiek op 60 meter hoogte boven de molen, weergegeven. In de windroos wordt de kans op het voorkomen van wind uit een bepaalde richting aangegeven alsmede de verdeling van windsnelheden binnen de betreffende richtingen.

O 16482-1-RA-001 9

f4.2 Windroos locatie molen volgens NPR 6097

t4.1 Windstatistiek van de molenlocatie volgens NPR 6097 (60 meter hoogte)

O 16482-1-RA-001 10

Uit de windroos en de in tabel 4.1 opgenomen windstatistiek blijkt onder meer dat bij de molen de wind relatief vaak uit het zuidwesten komt, terwijl de planlocatie ten noordwesten van de molen is gelegen. Deze gegevens zijn van invloed van de beoordeling van de windaanvoer. 4.2 B e p a l i n g w i n d a a n - e n a f v o e r v a n d e m o l e n

4.2.1 W i n d a a n v o e r

Aan de hand van de windstatistiek zoals bepaald met de NPR 6097 is het potentiële windaanbod bij de molen berekend voor de sector corresponderend met de geplande bebouwing. Hiermee kan inzicht worden verkregen in de mogelijke invloed op het functioneren van de molen. Doordat de windstatistiek geldt voor 60 meter hoogte boven de molen, wordt rekening gehouden met het windsnelheidsverloop met de hoogte. Het verloop wordt afhankelijk van de terreinruwheid berekend met de zogenaamde logwet. De terreinruwheid is op basis van gegevens zoals weergegeven in figuur 4.1 voor de sector overeenkomend met de planlocatie over een afstand tot 6 km ingeschat op een gemiddelde ruwheidslengte van 0,7 meter. Dit is een worst-case benadering, een hogere ruwheid geeft een lagere berekende invloed. De algemene grenzen waarbinnen molenbedrijf mogelijk is, van 5 tot 15 m/s op ashoogte van de molen (bron: vereniging De Hollandsche Molen), komen door het windsnelheidsverloop met de hoogte overeen met een windsnelheidsbereik van 7,3 tot 21,9 m/s op 60 meter hoogte. De in de windstatistiek aangegeven uren in dit windsnelheidsbereik komen bij een onbelemmerde situatie overeen met de potentiële draaimomenten van de molen. In figuur 4.3 zijn de windrichtingen aangegeven waarbij de wind bij de molen aanstroomt uit de richting van de planlocatie.

O 16482-1-RA-001 11

f4.3 Belemmerde hoeksector 308° – 323°

plan

In deze afbeelding is te zien dat de geplande bebouwing een belemmering van de windaanvoer kan geven bij wind uit het noordwesten, in de hoeksector 308° – 323°. Door middel van een berekening met de voor deze windsector geïnterpoleerde waarden uit de windstatistiek is vastgesteld dat in een onbelemmerde situatie 3,1% van de tijd wind uit deze hoeksector komt. Doordat bij deze windrichting relatief lage windsnelheden optreden, valt blijkens de windstatistiek slechts 18% van deze wind binnen het vermelde windsnelheidsbereik van de molen. Dit geeft in een onbelemmerde situatie 0,6% van de tijd 'draaiwind' uit deze sector. Gedurende deze tijd, overeenkomend met 53 uren per jaar, is een niet nader bepaalde mate van verstoring van de windstroming te verwachten. De overige 99,4% van het aantal uren per jaar komt de wind uit een andere richting, of valt de windsnelheid buiten het gehanteerde windsnelheidsbereik van de molen. Om het genoemde percentage van 0,6% in perspectief te zetten is tevens gekeken naar het bruikbare windaanbod bij overige windrichtingen in de biotoop. In tabel 4.1 zijn de resultaten samengevat en in figuur 4.4 grafisch weergegeven. Zonder de directe effecten van de rondom aanwezige belemmeringen, kan de molen volgens de gehanteerde methode per jaar 25,8% van de tijd draaien.

Het bruikbare windaanbod uit de sector overeenkomend met de geplande woningen (0,6%) komt in relatie tot het totaal overeen met 2,3% van het bruikbare windaanbod. 97,7% van het bruikbare windaanbod komt derhalve uit een andere windrichting.

O 16482-1-RA-001 12

t4.1 Samenvatting windaanbod molenbiotoop Hoeksector

Aandeel bruikbaar windaanbod t.o.v.

Percentage t.o.v. het totale

Bestaande situatie

totale tijd

bruikbare windaanbod

A: 308° - 323° (plan)

0,6%

2,3%

deels belemmerd

B: overige windrichtingen

25,2%

97,7%

deels belemmerd

0 – 360°

25,8%

100%

deels belemmerd

f4.4 Grafische weergave van de resultaten in tabel 4.1

A

0,6% c.q. 2,3%

B

25,2% c.q. 97,7%

De werkelijke invloed van realisatie van de geplande woningen valt hiermee in het bereik van 0% tot 0,6% van de tijd of 0% tot 2,3% van het bruikbare windaanbod van de molen. Doordat het plan deels samenvalt met aanwezige belemmeringen, zal de werkelijke invloed naar verwachting lager zijn dan het maximum. Een meer nauwkeurige vaststelling van de invloed kan alleen met een uitvoerig windtunnelonderzoek nader worden vastgesteld. 4.2.2 W i n d a f v o e r

Bij een dicht bebouwde situatie op een beperkte afstand van een molen kan de windafvoer bij tegenovergestelde windrichting in het geding komen. Er vormt zich dan een drukopbouw en een afwijking van de windstroming. Gezien de afstand tussen de molen en het plan wordt verwacht dat dit effect verwaarloosbaar is. Een nadere analyse hiervan ten gevolge van het plan is derhalve niet noodzakelijk. O 16482-1-RA-001 13

4.2.3 C o m p e n s a t i e

Doorgaans kan worden overwogen de invloed van het plan te compenseren middels een verbetering van de windomstandigheden door een aanpassing van de begroeiing in de omgeving van de molen. Zoals uit figuur 2.3 blijkt zijn in de directe omgeving van de molen bomen aanwezig die tevens de molenbiotoophoogte overschrijden. Desgewenst kan worden overwogen de windvang van de molen door het snoeien of rooien van (enkele van) deze bomen te verbeteren. Zonder dit nu concreet te onderbouwen wordt verwacht dat per saldo het verkrijgen van een neutrale situatie aannemelijk is. Desgewenst is een nadere analyse mogelijk. 4.3 B e o o r d e l i n g w i n d v a n g i n r e l a t i e t o t r e g e l g e v i n g

Er is sprake van een mogelijke invloed van de geplande woningen op de windvang van de molen, die gedurende maximaal 0,6% van de tijd optreedt en tot 2,3% vermindering van de capaciteit van de molen kan geven. Of wel of niet wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel 21.1.3 van het bestemmingsplan, oftewel of de windvang van de molen wel of niet onevenredig wordt geschaad, is afhankelijk van hoe strikt deze voorwaarde gelezen en gehanteerd wordt en wellicht of er compenserende maatregelen getroffen worden.

O 16482-1-RA-001 14

5

Samenvatting en conclusies In opdracht van ASB projecten is een indicatieve studie verricht ten einde vast te stellen in hoeverre het bouwplan aan de Staverdenseweg 93 te Elspeet van invloed is op de windvang van de molen de Hoop. De geplande woningen worden maximaal 7 meter hoog. De bouwlocatie valt tevens binnen de dubbelbestemming molenbeschermingszone. Volgens de regels van artikel 21.1.2 is ter plaatse van de geplande woningen aan de zijde van de molen, op 82 meter horizontale afstand van de onderste punt van de verticaal staande wiek van de molen, een maximale bouwhoogte toegestaan van 4,2 meter. De toegestane hoogte loopt op tot 6,3 meter aan de verste zijde van de woningen. Met een gebouwhoogte van maximaal 7 meter wordt de maximale hoogte aan de zijde van de molen met 2,6 meter overschreden. Volgens artikel 21.1.3 van het bestemmingsplan is onder voorwaarden een vrijstelling van de hoogtebeperking te verkrijgen. In relatie tot de windvang is met name relevant in hoeverre wordt voldaan de voorwaarde 'de windvang van de molen hierdoor niet onevenredig wordt geschaad'. Teneinde de situatie nader inzichtelijke te maken is in dit rapport ingegaan op het lokale windklimaat bij de molen en op de mogelijke invloed van de geplande bebouwing hierop. Hierbij is onder meer gebruikgemaakt van de locatie specifieke windstatistiek conform de NPR 6097.

Uit de analyse volgt dat er sprake is van een mogelijke beperkte invloed van de geplande woningen op de windvang van de molen, die worst-case gedurende 0,6% van de tijd optreedt. De overige 99,4% van het aantal uren per jaar komt de wind uit een andere richting of valt de windsnelheid buiten het gehanteerde windsnelheidsbereik van de molen. In relatie tot de capaciteit van de molen bij alle windrichtingen is het mogelijk dat de woningen tot 2,3% vermindering tot gevolg heeft. De overige 97,7% van de capaciteit van de molen treedt op bij wind uit andere windrichtingen.

Mook,

Dit rapport bevat 15 pagina's

O 16482-1-RA-001 15

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10148674/2