AP 12 Bijlagen bij de toelichting Bijlage 4 Verkennend ecologisch onderzoek
Tekst van het document
f
BURO SRO B.V. T.a.v. dhr. M. Geerts Sweerts de Landasstraat 50 6814 DG Arnhem
Datum
23 oktober 2020
Kenmerk
BE/2020/707/r
Uw kenmerk
Email d.d. 16 september 2020
Auteur(s)
M.A. Brinkbaumer
Collegiale toets
ir. ing. K.J. Rebergen
Quickscan Wet natuurbescherming Molenbeek Fase 3 te Nunspeet Ten noorden van Nunspeet, onder de Molenbeek is de nieuwbouwwijk genaamd Molenbeek gelegen. De ontwikkeling van de nieuwbouwwijk is verdeeld in drie fasen waarvan fase 1 en 2 reeds uitgevoerd zijn. Deze betreffende quickscan is aangevraagd voor de ontwikkeling van fase 3. De gemeente Nunspeet is voornemens fase 3 te ontwikkelen op het huidige akker- en grasland en braakliggend terrein ten westen van de Elburgerweg. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Buro SRO B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan.
Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Gelders Natuurnetwerk? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?
Planlocatie De planlocatie is gelegen ten noorden van Nunspeet onder de Molenbeek ten westen van de Elburgerweg (figuur 1). De planlocatie is gelegen rondom een bouwmarkt en is onderverdeeld in drie delen, (1) een braakliggend terrein, (2) een maïsakker en (3) een grasland (figuur 1). Het braakliggend terrein is omheind en wordt gebruikt als zanddepot en als opslag voor puin/stenen. De maïsakker is omringd door waterloze afwateringgreppels ca. 75cm lager gelegen dan de akker. Ten tijden van het veldbezoek was het maïs nog niet geoogst. Het grasland betreft een soortenarm cultuurgrasland. Het grasland is gelegen ten noorden van een provinciale weg met als afscheiding een fietspad en afwateringgreppel. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door woonwijken, landelijk gebied en op iets verdere afstand bosgebied. Ten zuidwesten van de planlocatie zijn fase 1 en fase 2 van nieuwbouwwijk Molenbeek gelegen, deels gerealiseerd. Ten oosten wordt de planlocatie gescheiden van de Elburgerweg door een greppel en een fietspad. Ten noorden wordt de planlocatie gescheiden van de Molenbeek door een maïsakker van ca. 100 meter. De dichtstbijzijnde autosnelweg is gelegen ten zuidoosten op ca. 2,5 km afstand.
De dichtstbijzijnde bosrijke omgeving betreft de Veluwe op ca. 1,5 km ten zuiden.
2
Figuur 1
De planlocatie (rood omkaderd) betreft Molenbeek fase 3 te Nunspeet (bron kaartmateriaal: arcgis.com).
Figuur 2
Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een nieuwbouwwijk. De functie van het perceel dient gewijzigd te worden. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • •
verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Figuur 3
Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Buro SRO B.V.).
Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 24 september 2020 en is uitgevoerd door M.A. Brinkbaumer. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 5/8 bewolkt, 22 Celsius en windkracht 3-4 (Bft).
3
Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.
In de verordening Ruimte van de provincie Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis Bruine kikker Dwergmuis Dwergspitsmuis
Haas Huisspitsmuis Kleine watersalamander Konijn
Rosse woelmuis Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos
Egel
Meerkikker
Woelrat
(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten.
Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld,
4
dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde vaatplanten niet bekend (NDFF 2010-2020). + De planlocatie betreft deels maïsland en soortenarm cultuurgrasland met bemeste en verzuurde grond. Ter plaatse van de planlocatie zijn enkel stikstof-minnende planten waargenomen zoals; akkerdistel, beklierde duizendknoop, braam, grote brandnetel, kleefkruid en paardenbloem. De planlocatie volledig onverhard. Echter grenst het gebied ten zuidoosten en westen aan infrastructuur. Aangezien bebouwing op de planlocatie ontbreekt is er ook geen sprake van (beschermde) muurvegetatie.
Op de planlocatie zelf zijn geen bomen of struiken aanwezig, langs de Elburgerweg staat een bomenlaan en in de perceelgrens van de bouwmarkt bevat een houtwal. Deze blijven echter behouden in de beoogde ontwikkelingen. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten.
5
Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: boommarter, bosmuis, bruine rat, bunzing, egel, haas, konijn, mol, ree, rode eekhoorn, vos, wezel en woelrat (NDFF 2010-2020). Voor de boommarter, bunzing, rode eekhoorn en wezel geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. De boommarter en rode eekhoorn komen voor in aaneengesloten bosgebieden met voldoende (oude) bomen met holen. Wegens volledig ontbreken van bomen op de planlocatie is functioneel leefgebied op de planlocatie uitgesloten. Negatieve effecten ten aanzien van de boommarter en rode eekhoorn zijn uitgesloten bij de beoogde ontwikkelingen. De das leeft in gebieden die bestaan uit een combinatie van diverse habitattypen. Vaak zijn dit zowel hooggelegen als laaggelegen gronden die op korte afstand van elkaar liggen, in meestal kleinschalige akker- en weidelandschappen met voldoende bosjes, houtwallen, singels en heggen. In de directe omgeving (straal van 2,5 km) is sinds 2000 een enkele waarneming van een das gedaan op ca. 2,1 km ten oosten van de planlocatie.
Ondanks dat de planlocatie geschikt is als foerageergebied zou aanwezigheid gepaard gaan met sporen in de vorm van latrines en graafsporen. Tijdens het veldbezoek zijn dergelijke sporen niet waargenomen, er zijn verder ook geen burchten of overige verblijfplaatsen waargenomen. Derhalve is de das uitgesloten van de planlocatie. Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) hebben een voorkeur voor een kleinschalig landschap met voldoende dekking en schuilgelegenheid. De planlocatie betreft een braakliggend terrein, maïsakker en cultuurgrasland. Rondom de terreinen en akkers zijn volledig overwoekerde afwateringgreppels gelegen. Dergelijke structuren bieden veel mogelijkheden als foerageermogelijkheden en migratieroutes voor kleine marterachtigen (figuur 4).
Figuur 4
Fotografische ondersteuning van de afwateringgreppel langs en door de percelen.
Naast de greppel is tevens de houtwal rondom de bouwmarkt geschikt als schuilgelegenheid. Aangezien niet uit te sluiten is dat kleine marterachtigen zoals bunzing, hermelijn of wezel de afwateringgreppel gebruiken als (essentiële) migratieroute van en naar houtopstanden omliggend om de agrarische landen, dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden (zie vervolgstappen). Dit aanvullend onderzoek zal vaststellen of er sprake is van een essentiële migratieroute en/of essentieel foerageergebied. Gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van gunstige migratieroutes in de directe omgeving van de locatie is het aannemelijk dat soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten niet op de locatie voorkomen. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10).
Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten.
6
Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: bosvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (NDFF 2010-2020). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Wegens volledig ontbreken van bebouwing en bomen op de planlocatie zijn vaste rust- en/of verblijfplaatsen van vleermuizen uitgesloten van de planlocatie. Mogelijke dat de bomenlaan langs de Elburgerweg of de houtwal rondom de bouwmarkt geschikt is als vliegroute voor vleermuizen. Deze bomen en begroeiing blijven echter behouden, derhalve blijft de vliegroute intact. Om negatieve effecten te voorkomen op langs vliegende vleermuizen wordt geadviseerd om geen lichtbundels richting de bomenlaan of houtwal te plaatsen. Wegens ontbreken van opgaande begroeiing is geen sprake van essentieel leefgebied. In de luwte van opgaande vegetatie kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden.
Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander (NDFF 2010-2020). Voor al deze soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming, maar vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat.
Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen op de planlocatie, echter is dit uitgevoerd in de herfstperiode en zijn veel individuen reeds vertrokken naar overwinteringsplaatsen. Op de planlocatie is echter geen oppervlaktewater aanwezig waardoor er geen sprake is van functioneel leefgebied van beschermde amfibiesoorten. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende inheemse reptielen: hazelworm, levendbarende hagedis en zandhagedis (NDFF 2010-2020). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. De hazelworm komt voor in bosgebied, de levendbarende hagedis in ruige graslanden en de zandhagedis in heide of duingebieden.
Op de planlocatie is voor geen van deze soorten functioneel leefgebied aanwezig. De waarnemingen van deze soorten zijn ook gedaan ca. 1,5 km ten westen in een heidegebied in de Veluwe. Derhalve is de aanwezigheid van inheemse reptielen op de planlocatie uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten.
7
Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 2010-2020). Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkeling bevindt zich geen oppervlaktewater. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: grote weerschijnvlinder en sleedoornpage (NDFF 2010-2020). De grote weerschijnvlinder is een soort welke voorkomt in (open) bossen of bosranden met als waardplanten de boswilg en soms grauwe wilg. Aangezien er geen bomen op de planlocatie aanwezig zijn is er geen sprake van functioneel leefgebied van de soort. Aanwezigheid van de grote weerschijnvlinder zijn derhalve uitgesloten. De sleedoornpage is een honkvaste vlindersoort met de sleedoorn (en enkele andere gecultiveerde Prunus-soorten) als waardplant. Het leefgebied van de soort bestaat uit sleedoornstruwelen, houtwallen en bosranden. Aangezien er geen geschikte (sleedoorn) struwelen aanwezig zijn op of rondom de planlocatie is er geen sprake van functioneel leefgebied op de planlocatie. De aanwezigheid van de sleedoornpage kan derhalve uitgesloten worden van de planlocatie. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten.
Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: blauwe reiger, buizerd, ooievaar, kauw, koolmees, pimpelmees en zwarte kraai. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn op de planlocatie geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nestlocatie en/of leefgebied. De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). Op het terrein van de bouwmarkt en onder de daken van de bebouwing zijn meerdere huismussen waargenomen. Aangezien de bouwmarkt met rondom houtwallen de enige opgaande begroeiing betreft in landelijk gebied is niet uit te sluiten dat het essentieel leefgebied betreft. In het kader van de beoogde ontwikkelingen wordt deze bouwmarkt en houtwal niet aangetast.
Binnen de planlocatiegrenzen bevindt zich geen bebouwing, derhalve zijn nestlocaties van huismussen uitgesloten op de planlocatie. Het cultuurgrasland en de maïsakker zijn geen functioneel leefgebied van huismussen. Het braakliggende terrein binnen de planlocatie zou mogelijk functie kunnen hebben voor huismussen als zandbad, echter is dit op grotere afstand verwijderd van nestlocaties als de zandhopen op het terrein van de bouwmarkt. Derhalve is uit te sluiten dat er sprake is van essentieel leefgebied op de planlocatie. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Wegens ontbreken van bebouwing op de planlocatie is er geen sprake van geschikte nestlocaties van de gierzwaluw. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. Op de planlocatie bevindt zich geen bebouwing (en/of geschikte bomen; steenuil soms ook in boomholten) waar nesten van in gebouw broedende uilen in zouden kunnen zitten. In de directe omgeving (<1 km)zijn enkele waarnemingen van kerkuil en steenuil. Echter betreffen dit enkel waarnemingen van foeragerende individuen, het dichtstbijzijnde bekende broedgeval is ca. 2 km verwijderd van de planlocatie.
Voorafgaand aan de ontwikkeling van fase 2 van de nieuwbouwwijk zijn in 2016 inventarisatierondes uitgevoerd waarbij geen territoria binnen de begrenzing van het plangebied zijn vastgesteld (Ruimte voor Advies, 2016). De planlocatie is sinds de realisatie van de woonwijk voor uilensoorten niet positief ontwikkeld. De ontwikkeling van fase 3 van de nieuwbouwwijk vindt plaats in een dichte grasmat van Engels raaigras en een
8
maïsakker. De grasmat is niet ideaal geschikt als foerageergebied en de maïsakker ondervindt te veel verstoring. Aangezien ten noorden van de planlocatie minder intensief beheerd grasland behouden blijft, wordt er geen essentieel foerageergebied van in gebouw broedende uilensoorten. Negatieve effecten op kerkuil en steenuil zijn derhalve uitgesloten. In de houtwal rondom de bouwmarkt of de bomen langs de Elburgerweg zijn geen grote nesten waargenomen. Derhalve is niet aannemelijk dat de planlocatie essentieel leefgebied betreft van soorten als buizerd of sperwer. Negatieve effecten op roofvogelsoorten zijn derhalve uitgesloten. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en zeer beperkt in structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. Mogelijk dat het cultuurgrasland voor weidevogels en overige grondbroeders een functie kan hebben als nestgelegenheid. Om negatieve effecten te voorkomen op algemene broedvogels wordt geadviseerd te starten met de werkzaamheden buiten het algemene broedseizoen.
Indien starten buiten het broedseizoen niet mogelijk is dient de planlocatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige om vast te stellen of er nog nestgevallen zijn.
Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone. Op een afstand van circa 1,5 km ligt het Natura 2000-gebied ‘De Veluwe’ (figuur 5). Op een afstand van circa 1,5 km ligt het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 1,2 km ligt de Groene ontwikkelingszone (figuur 6).
Figuur 5
9
De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,5 km tot het Natura 2000-gebied ‘De Veluwe’ (bron: arcgis.com).
Figuur 6
De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,5 km tot het Gelders Natuurnetwerk en op ca. 1,2 km van een Groene Ontwikkelingszone (bron: nationaal Georegister PDOK).
Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van fase 3 van nieuwbouwwijk Molenbeek te Nunspeet. Ten opzichte de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben.
Gezien de omvang van het project en de geringe afstand (1,5 km) tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ‘De Veluwe’, wordt geadviseerd om een berekening met de AERIUS Calculator uit te voeren. Hiermee kan inzichtelijk gemaakt worden of er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000gebieden.
Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien.
10
Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar kleine marterachtigen om vast te stellen of er sprake is van een essentiële migratieroute en/of foerageergebied. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Gelders Natuurnetwerk of een Groene Ontwikkelingszone. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden. Dit kan middels de AERIUS Calculator. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’toets is niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
-
-
-
-
-
-
-
-
n
n
n
n
+/-
+/-
n
n
Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort
-
-
Geschikt habitat Andere soort
-
+
Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk
n
j
Gebiedsbescherming
afstand
effecten
nader onderzoek
Natura 2000
1,5 km
stikstof
AERIUS
Gelders Natuurnetwerk
1,5 km
geen
n.v.t.
Groene Ontwikkelingszone
1,2 km
geen
n.v.t.
Houtopstanden
aanwezig
kap
melding
Struiken
nee
nee
n.v.t.
Bomen
nee
nee
n.v.t.
n
-
broedvogels (j)
Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort
broedvogels (a)
vissen
reptielen
amfibieën
insecten en ongewervelden
Soortenbescherming - = ongeschikt + = geschikt n (nee)/ j (ja)/ m (maatregelen)
vaatplanten
Legenda
vleermuizen
Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna en ook de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen. (a) algemene broedvogel en cat. 5 soorten, (j) jaarrond beschermde nesten, cat. 1 t/m 4 soorten.
grondgebonden zoogdieren
Tabel 2
Uitvoerbaarheid Indien de voorgestelde vervolgstappen en voorwaardelijke maatregelen uitgevoerd en gehonoreerd worden, leiden de werkzaamheden niet tot overtreding van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Mogelijk dat er als gevolg van het uit te voeren onderzoek een ontheffing aangevraagd dient te worden. Als hiervoor een aantoonbaar belang, een compensatiepakket en alternatieve overweging voor aangeleverd wordt, is aannemelijk dat deze ontheffing verleend wordt. Verder dient om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, vooraf een berekening door middel van de AERIUS Calculator uitgevoerd te worden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.
11
Conclusie De ontwikkeling van fase 3 van nieuwbouwwijk Molenbeek te Nunspeet is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). Vervolgstappen • Er dient aanvullend onderzoek naar kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) uitgevoerd te worden om vast te stellen of het plangebied deel uitmaakt van het functioneel leefgebied en of er sprake is van een essentiële migratieroute. Voor kleine marterachtigen wordt geadviseerd om een cameravallen te plaatsen in een marterbox of gebruik te maken van struikrovers. Ten tijde van de actieve periode, respectievelijk maart – augustus, dienen de cameravallen minsten zes weken in het gebied te worden geplaatst. Buiten de actieve periode dienen de cameravallen minstens twaalf weken geplaatst te worden. Voor het aantal te plaatsen cameravallen, marterboxen en struikrovers is maatwerk benodigd. • Voor de beoogde ontwikkeling dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden. Dit kan middels de AERIUS calculator.
Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).
12
Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Kerkuil Tyto alba, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Levendbarende hagedis Zootoca vivipara, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Steenuil Athene noctua, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Zandhagedis Lacerta agilis, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermpuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen.
Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.gldanders.planoview.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
13
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., M.A. Brinkbaumer Auteur
Blom Ecologie B.V., ir. ing. K.J. Rebergen Collegiale toets
Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming
© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
14
Bijlage 1 Fotografische impressie
15
Figuur 1
Het braakliggend terrein is gelegen ten midden van de deels gerealiseerde nieuwbouwwijk en wordt huidig gebruikt als (omheind) zanddepot.
Figuur 2
Het cultuurgrasland gelegen naast de Elburgerweg. Dit grasland wordt geregeld gemaaid.
16
Figuur 3
De afwateringsgreppel welke de twee maïsakkers scheidt.
Figuur 4
Het zanddepot wordt actief gebruikt voor de bouw.
Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.
17
Stap 4b. Is er sprake van een wettelijk belang? Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4b).
Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b
18
ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5b). Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2).
19
20