AP 10. Bijlagen bij de toelichting Bijlage 7 Quickscan flora en fauna Diepeweg 20
Tekst van het document
BURO SRO B.V. T.a.v. dhr. E. Mekelenkamp Sweerts de Landasstraat 30 6814 DG Arnhem
Datum
5 februari 2021
Kenmerk
BE/2021/063/r
Uw kenmerk
Email d.d. 18-01-2021
Auteur(s)
ing. G. Fairhurst
Collegiale toets
ir. ing. K.J. Rebergen
Quickscan Wet natuurbescherming Diepeweg 20 te Elspeet Aan de Diepeweg 20 is een bedrijventerrein gesitueerd. Gemeente Elspeet is voornemens dit bedrijventerrein samen te voegen met de ontwikkelingen en bestemmingsplanwijziging betreffende het bedrijventerrein aan de Uddelereweg te Elspeet. De exacte werkzaamheden aan het bedrijventerrein is reeds onbekend. Aannemelijk zal de huidige bebouwing gesaneerd worden t.b.v. een nieuw bedrijventerrein. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Buro SRO B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan.
Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van het Gelders Natuurnetwerk? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Diepeweg 20 te Elspeet (figuur 1). Het betreft een bedrijventerrein, voor houtbewerking, met een bedrijfswoning en een loods met kantoorgebouw. Om het terrein staan groenblijvende struiken en hagen, een goed onderhouden tuin en ten zuiden sluit het terrein aan op een kleine bosschage bestaande uit voornamelijk zomereik. De bedrijfswoning is opgetrokken uit gemetselde muren met spouw en een pannendak. De loods met daaraan het kantoorgebouw is opgetrokken uit stenenmuren met spouw en damwandplaten en heeft een golfplaten dak. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door agrarische terreinen, akkers en groenstructuren. Op circa 350 m ten westen ligt de Uddelereweg, op circa 200 m ten oosten en 400 m ten zuiden begint het bos dat verbinden staat met de Veluwe.
2
Figuur 1
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Diepeweg 20 te Elspeet (bron kaartmateriaal: arcgis.com).
Figuur 2
Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft de ontwikkeling van een nieuw bedrijventerrein in Elspeet. De herontwikkeling van het bedrijventerrein aan de Diepeweg 20 te Elspeet zal hiervan onderdeel uitmaken. De exacte werkzaamheden zijn reeds onbekend. Aannemelijk zullen alle opstallen gesaneerd worden en het groen verwijderd worden t.b.v. de herontwikkeling van het bedrijventerrein. Onderstaand volgt een korte opsomming van de mogelijke ingrepen: • • • • • •
saneren van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; kappen van bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 27 januari 2021 en is uitgevoerd door ing. G. Fairhurst. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; lichte regen, 8/8 bewolkt, 3 Celsius en windkracht 1 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.
3
In de Omgevingsverordening Provincie Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker Dwergmuis Dwergspitsmuis
Huisspitsmuis Kleine watersalamander Konijn
Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos
Egel
Meerkikker
Woelrat
(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten.
Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming).
4
In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde vaatplanten niet bekend (NDFF 2011-2021). Gedurende het veldbezoek zijn enkel inheemse of aangeplant soorten aangetroffen als: buxus, conifeer, ereprijs, gewone braam, haagbeuk, laurier, liguster, klimop, paarse dovenetel, ruwe berk, zomereik en een paar fruitbomen. De planlocatie betreft een bedrijventerrein met een bedrijfswoning en daaromheen een sterk onderhouden tuin. Doordat de planlocatie een bedrijventerrein betreft en voorheen agrarisch was heeft de planlocatie een sterk verstoorde bodem. Langs de planlocatie staan groenstructuren van groenblijvende struiken en hagen en een kleine bosschage. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht.
Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 3 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: aardmuis, boommarter, bosmuis, bruine rat, damhert, das, dwergmuis, dwergspitsmuis, edelhert, egel, haas, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rode eekhoorn, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wezel, wild zwijn, en wolf (NDFF 2011-2021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: boommarter, damhert, das, edelhert, rode eekhoorn, wezel, wild zwijn en wolf. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. Voor grote zoogdiersoorten als het damhert, edelhert, wild zwijn en wolf is geen geschikt functioneel leefgebied aanwezig, door de mate van verstoring en aanwezigheid van omheining. De boommarter en rode eekhoorn zijn beide soorten die sterk verbonden zijn aan boomrijke gebieden als bossen, bosranden en parken. Om de planlocatie heen liggen verschillende groenstroken als bomenrijen, bosschages en houtsingels die in verbinding staan met het grote bosgebied van de Veluwe.
Hierdoor bestaat er een mogelijkheid dat de soorten (sporadisch) voorkomen in de omgeving van de planlocatie. De voorgenoemde structuren met behoudens van de bosschage blijven binnen de beoogde ontwikkeling behouden. Daarnaast zijn in de bosschage geen sporen en/of geschikte nestlocaties voor deze soorten aangetroffen. Tevens vindt hier veel verstoring plaats doordat de bosschage direct naast het houtbewerkingsbedrijf aan ligt. Hierdoor is er geen sprake is van afname van rust- of voortplantingsplaatsen. Door voorgenoemde kunnen negatieve effecten op de boommarter en rode eekhoorn uitgesloten worden. Ten zuiden van de planlocatie is de aanwezigheid van de das bekend. Blom Ecologie heeft in de periode 2019 – 2020 reeds verschillende onderzoeken uitgevoerd naar de aanwezigheid van de das en het gebruik van de dassenburcht (Fairhurst & Rebergen, 2020). Naar aanleiding hiervan is een inrichtingsplan opgesteld voor het bedrijven terrein t.b.v. de das (Fairhurst, 2020). Uit het onderzoek bleek tevens dat het noordelijke deel van de houtsingel, welke aansluit op de bosschage geen essentieel onderdeel uitmaakt van het leefgebied van de das. Daarnaast zijn ten tijde van het veldbezoek op 27 januari 2021 hier geen sporen aangetroffen welke wezen op de aanwezigheid van de das. Door voorgenoemde kunnen negatieve effecten op de soort uitgesloten worden.
De wezel geeft net als de das de voorkeur aan kleinschalige en afwisselende structuren. Ten tijde van het onderzoek naar de aanwezigheid van de das, is de wezel of sporen hiervan niet waargenomen. De planlocatie is voor een groot deel verhard, waardoor dit geen onderdeel uitmaakt van het essentieel leefgebied van de wezel. De bosschage en houtsingel ten zuiden van de planlocatie zijn in een eerdere quickscan onderzocht op de functionaliteit voor beschermde soorten (Fairhurst & Rebergen, 2020). Hieruit bleek dat deze geen essentieel onderdeel uitmaken
5
voor beschermde soorten als de wezel. Doordat er weinig lage structuren en ondergroei aanwezig is die voldoende dekking kan geven aan de wezel. Gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van gunstige migratieroutes in de directe omgeving van de locatie is het aannemelijk dat soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten niet op de locatie voorkomen. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, bruine rat en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Binnen een straal van 3 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: baardvleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (NDFF 2011-2021). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd.
Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. Dergelijke holte zijn niet aanwezig, aanwezigheid van rust- en verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen kan derhalve uitgesloten worden. De bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De woning is opgetrokken uit stenenmuren met spouw en heeft een pannendak. Op enkele plaatsen zijn kapotte of deels ontbrekende dakpannen aanwezig.
Daarnaast sluiten de kantpannen niet overal direct aan op de gevels waardoor kieren aanwezig zijn. De loods en kantoorgebouw zijn opgetrokken uit deels damwandplaten en deels stenenmuren met spouw. In deze muren zijn open stootvoegen aanwezig welke toegang bieden tot de open spouwruimte. Voorgenoemde openingen (figuur 3) leiden mogelijk naar geschikte rust- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen waardoor de aanwezigheid van soorten als niet uitgesloten kan worden. Aanwezigheid van een massa winterverblijfplaats kan uitgesloten worden door de afwezigheid van een thermisch bufferend vermogen. Om de aan- of afwezigheid van leermuizen vast te stellen dient aanvullend onderzoek middels 5 gerichte veldbezoeken in de periode (15 april t/m 30 september (zie Vervolgstappen).
6
Figuur 3
Openstootvoegen, kierende en ontbrekende kantpanen en niet aansluitende gevels kunnen vleermuizen toegang verlenen tot de open spouwruimte en/of dakruimte.
Naast de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Enkel de bosschage zal gekapt worden ten behoeve van het bedrijventerrein Elspeet. Deze zal aannemelijk geen onderdeel uitmaken van een essentiële vliegroute doordat deze niet naar een essentieel foerageergebied leidt maar enkel naar de stallen van het agrarisch terrein ten oosten van de planlocatie. Mogelijk maakt de houtsingel ten zuiden van de planlocatie wel onderdeel uit van een dergelijk essentiële migratieroute, deze zal binnen de beoogde ontwikkeling behouden blijven. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen echter vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones.
Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Hierbij is het van belang dat er geen lichtuitstraling plaats vindt in de richting van de houtsingel. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: Alpenwatersalamander, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander (NDFF 20112021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Alpenwatersalamander. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen.
7
De planlocatie is voor een groot deel verhard en wordt intensief gebruikt, waardoor veel verstoringen optreden. Tevens is er geen oppervlaktewater aanwezig op de planlocatie of de directe omgeving hiervan, waardoor er geen sprake is van voortplantingswater. Daarnaast zijn de dichtstbijzijnde waarnemingen van de Alpenwatersalamander bekend op minimaal 1,5 km van de planlocatie. Hierdoor maakt de houtsingel en de vorstvrije structuren geen onderdeel uit het landhabitat van de soort. Derhalve kan de aanwezigheid van essentieel functioneel leefgebied van de Alpenwatersalamander uitgesloten worden. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende inheemse reptielen: adder, gladde slang, hazelworm, levendbarende hagedis ,ringslang en zandhagedis (NDFF 20112021). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.
Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. De adder, gladde slang, hazelworm, levendbarende hagedis en zandhagedis geven de voorkeur aan afwisselende (zandige) biotopen met voldoende schuil en zonplaatsen. De ringslang geeft specifiek de voorkeur aan waterrijke gebieden met een ruim voedselaanbod van voornamelijk amfibieën. Gezien de afwezigheid van de voorgenoemde biotopen, de hoge mate van menselijke verstoring en doordat de planlocatie voor een groot deel is verhard, maakt de planlocatie geen onderdeel uit van functioneel leefgebied van de voorgenoemde soorten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkeling bevindt zich geen oppervlaktewater. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: bosparelmoervlinder, gentiaanblauwtje en grote vos (NDFF 2011-2021).
Mogelijk komen deze soorten in de directe omgeving van de planlocatie voor, echter doordat de planlocatie voor een groot deel is verhard en bebouwd en er geen plantensoorten zijn aangetroffen die specifiek voor deze beschermde ongewervelde een waardplant vormen, kan aanwezigheid van beschermde soorten uitgesloten worden. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: braamsluiper, goudhaan, huismus, houtduif kauw, koolmees, merel, pimpelmees, Turkse tortel, vink en roodborst. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn verschillende huismussen gehoord en gezien. De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten.
Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). De bedrijfswoning heeft een pannendak met een overstek en de loods heeft een golfplaten dak met dakbeschot. Door de hoge hoeveelheid van groenblijvende hagen, struiken, zandbaden en het aantal waarnemingen van de huismus kan voorkomen van nestlocaties van huismus op de planlocatie niet uitgesloten worden.
8
De beoogde ontwikkeling leidt tot aantasting van groene delen en resulteert mogelijk in afname van essentieel leefgebied. Derhalve dient voorafgaand aan de beoogde werkzaamheden de aanwezigheid van de huismus vast gesteld te worden middels twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april t/m 15 mei (zie Vervolgstappen). De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Door de afwezigheid van geschikte aanvliegroutes in de loods en doordat de kierende kantpannen van de woning niet van voldoende formaat zijn, kan de aanwezigheid van nestlocaties van de gierzwaluw uitgesloten worden. Daarnaast ligt de planlocatie voor een deel in agrarisch gebied en in de directe omgeving van de planlocatie zijn geen waarnemingen van de gierzwaluw bekend. In de bebouwing zijn geen openingen van voldoende formaat om uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) toegang te bieden. Op de planlocatie is tevens geen sprake van functioneel leefgebied van uilen door de hoge mate van verharding en verstoring. Er zijn geen tevens grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden.
Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
9
Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone. Op een afstand van circa 200 m ligt het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ (figuur 4). Op een afstand van circa 200 m ligt het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 210 m ligt de Groene ontwikkelingszone (figuur 5).
Figuur 4
De planlocatie ligt op een afstand van circa 200 m tot het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ (bron: arcgis.com).
Figuur 5
De planlocatie ligt op een afstand van circa 200 m tot het Gelders Natuurnetwerk en op circa 210 m tot een Groene ontwikkelingszone (bron: arcgis.com).
Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. In 2020 is een Voortoets ten behoeve van de realisatie van het bedrijventerrein uitgevoerd. Hieruit bleek dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn betreffende de instandhoudingsdoelen van het Natura2000-gebied ‘Veluwe’ ten gevolge van de beoogde ontwikkelingen (Fairhurst, 2020).
10
Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. Buro SRO heeft op 29 juli 2020 een AERIUS-berekening uitgevoerd om de effecten van stikstofdepositie op omliggende beschermde en stikstofgevoelige habitattype inzichtelijk te maken. Hierin is de realisatie van het bedrijventerrein in Elspeet opgenomen. Hieruit bleek dat zowel in de aanlegfase als in het toekomstig gebruik geen sprake is van een stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/j binnen stikstofgevoelige habitattypen. Derhalve kunnen negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie op omliggend Natura 2000-gebied uitgesloten worden.
Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Echter, vallen de houtopstanden onder type a (houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom). Het kappen/verwijderen van houtopstanden op de planlocatie is derhalve niet meldingsplichtig in het kader van de Wet natuurbescherming. Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
11
Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming De planlocatie heeft mogelijk een essentiële betekenis voor beschermde soorten. Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de volgende soorten of soortgroepen: huismus en gebouwbewonende vleermuizen. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Gelders Natuurnetwerk. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de beoogde situatie en de voorafgaande onderzoeken is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Tabel 2
Overzicht van de Soortenbescherming. Voor de benoemde soorten geldt dat aanvullend onderzoek benodigd is. Soortenbescherming Soortgroep BeschermingsSoortspecifiek Mogelijk functie regime Wet nb onderzoek plangebied Vaatplanten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels Huismus
n.v.t. n.v.t artikel 3.5 n.v.t n.v.t. n.v.t. n.v.t.
nee nee ja nee nee nee nee
verblijfplaatsen -
Artikel 3.1
ja
nestlocaties/foerageergebied
Tabel 3
Overzicht van de potentie voor verblijfplaatsen van de verschillende vleermuissoorten (soortenbescherming) en essentiële vliegroute en/of foerageergebied. Vleermuissoort Potentie Boom Gebouw Onderbouwing bewonend bewonend
12
Gewone dwergvleermuis
ja
ja
ja
(Massa)winterverblijfplaats gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis
nee
n.v.t.
n.v.t.
ja
ja
ja
Kleine dwergvleermuis Laatvlieger
ja ja
ja nee
ja ja
Meervleermuis Watervleermuis Franjestaart
nee nee nee
nee ja ja
ja nee nee
Baardvleermuis
nee
ja
ja
Gewone grootoorvleermuis Rosse vleermuis
nee nee
ja ja
ja nee
Tweekleurige vleermuis
nee
nee
ja
potentiële openingen in bebouwing geen hoge bebouwing met bufferende vermogen potentiële openingen in bomen én bebouwing bos- en waterrijke omgeving potentiële openingen van voldoende grootte in bebouwing geen waterrijke omgeving geen waterrijke omgeving geen boomholte(s) met voldoende inrotting geen boomholte(s) met voldoende inrotting (te) veel lichtverstoring geen boomholte(s) met voldoende inrotting geen bebouwing met meer dan vierbouwlagen
Vleermuizen algemeen Essentiele vliegroute Essentieel foerageergebied
nee nee
n.v.t. n.v.t.
n.v.t. n.v.t.
lijnvormige structuren geen oppervlaktewater
Tabel 4 Overzicht van de potentie type verblijfplaats per soort. Vleermuissoort zomer kraam
paar
winter
Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Kleine dwergvleermuis Laatvlieger
ja ja ja ja
nee nee nee nee
Tabel 5
ja ja ja Ja
ja nee ja
Overzicht van de Gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming
afstand
effecten
nader onderzoek
Natura 2000
200 m
geen
n.v.t.
Gelders Natuurnetwerk
200 m
geen
n.v.t.
Groene ontwikkelingszone
210 m
geen
n.v.t.
Tabel 6
Overzicht van de Houtopstanden.
Houtopstanden
aanwezig
kap
melding
Struiken
ja
ja
n.v.t.
Bomen
ja
ja
n.v.t.
Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de bebouwing een relevante functie heeft voor de huismus en gebouwbewonende vleermuizen (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (vleermuizen: er is sprake van een reden van sociale of economische aard, huismus: er zijn belangen vanuit volksgezondheid -klimaatsverandering- aan te voeren) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.
Conclusie De ontwikkeling aan de Diepeweg 20 te Elspeet, het toevoegen van het bedrijventerrein aan de bestemmingsplanwijziging betreffende de realisatie van het bedrijventerrein Elspeet is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). Vervolgstappen • Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar huismus uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar huismus wordt uitgevoerd middels twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april t/m 15 mei of middels vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart t/m 20 juni (met een tussenperiode van 10 dagen tussen de veldbezoeken), conform het Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2017). Een technische inspectie wordt uitgevoerd middels het lichten van dakpannen en inventariseren van nestlocaties buiten het broedseizoen, tussen 15 september en 1 maart. Bij een technische inspectie bestaat er de kans dat oude nesten ook meegenomen worden. • Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september, conform het Vleermuisprotocol 2021. Hiervan dienen 3 rondes in het voorjaar (15 april – 15 juli) en 2 in het najaar (augustus-
13
september) plaats te vinden. De planlocatie heeft potentie voor zomer-, kraam- en paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Van een essentiële vliegroute en/of foerageergebied is geen sprake.
Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a.
op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
14
Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Das Meles meles, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Levendbarende hagedis Zootoca vivipara, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Zandhagedis Lacerta agilis, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita (voorheen Bufo calamita), versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O.
von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Fairhurst, G. & K.J. Rebergen, 2020. Quickscan Wet natuurbescherming Bedrijvenstrip te Elspeet. Blom Ecologie B.V., Waardenburg. Fairhurst, G., 2020. Onderzoek naar de dassenburcht aan de Bedrijvenstrip te Elspeet m.b.v. wildcamera’s. Blom Ecologie B.V., Waardenburg. Fairhurst, G., 2020. Voortoets effecten bedrijvenstrip Heetkamp te Elspeet op Natura2000-gebied ‘Veluwe’. Blom Ecologie B.V., Waardenburg. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.gelderland.maps.arcgis.com www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
15
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., ing. G. Fairhurst Auteur
Blom Ecologie B.V., ir. ing. K.J. Rebergen Collegiale toets
Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming
© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
16
Bijlage 1 Fotografische impressie
17
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Diepeweg 20 te Elspeet en bestaat uit een bedrijfswoning en loods met kantoorruimte.
Figuur 2
De loods.
18
Figuur 3
Een deel van de bosschage bestaande uit voornamelijk zomereik.
Figuur 4
De loods met een golfplaten dak en zonnepanelen.
Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.
19
Stap 4b. Is er sprake van een wettelijk belang? Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4b).
Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5b).
20
Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2).
21