13. AP 6a. Bijlagen bij de toelichting Bijlage 10 Nader ecologisch onderzoek woonwijk
Tekst van het document
Aanvullend onderzoek ecologie ’t Hul te Nunspeet Aanvullend onderzoek naar marterachtingen, foerageergebied van vleermuizen, sleedoornpage, roofvogels en uilen in het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon Status:
Definitief
Project:
2023-0038
Datum:
11 januari 2024 [Revisie]
Samensteller:
ing. M.M.G. Vincken
Collegiale toets:
ir. T.W.D. Schrader
Opdrachtgever:
Buro SRO Oost B.V.
Contactpersoon:
L. Arends
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud 1 Inleiding
4
1.1
Aanleiding
4
1.2
Doel
4
1.3
Beschrijving plangebied
5
1.4
Voorgenomen werkzaamheden
5
1.5
Mogelijk aanwezige soorten
6
1.6
Kader Wet natuurbescherming
7
2 Methode onderzoek
8
2.1
Theoretisch kader
8
2.2
Praktische uitvoering
9
2.3
Veldbezoeken
13
2.4
Specifieke omstandigheden
14
3 Resultaten
15
3.1
Marterachtigen
15
3.2
Vleermuizen
16
3.3
Sleedoornpage
17
3.4
Roofvogels
18
3.5
Uilen
20
3.6
Overige soorten
23
4 Conclusie
24
4.1
Marterachtigen
24
4.2
Vleermuizen
24
4.3
Sleedoornpage
24
4.4
Roofvogels
24
4.5
Uilen
25
4.6
Overige vogels
25
4.7
Samenvatting
25
4.8
Vervolgstappen
25
1 Inleiding 1.1
Aanleiding Aan ’t Hul Noord te Nunspeet zijn diverse agrarische percelen en een schuur gesitueerd (figuur 1.1). De percelen bestaan uit (begraasd) grasland, gescheiden van elkaar door enkele afwateringssloten en houtsingels, bestaande uit bomen en struiken. Op de percelen is één schuur aanwezig die zeer waarschijnlijk gesloopt zal worden. De gemeente Nunspeet is voornemens de percelen op de planlocatie samen te voegen ten behoeve van het realiseren van een nieuwbouwwijk met circa 500 tot 600 woningen.
Figuur 1.1
De planlocatie is gelegen te Nunspeet.
Gezien de beoogde ingreep mogelijk leidt tot de aantasting van natuurwaarden beschermd onder de Wet natuurbescherming (Wnb) is een quickscan Wnb uitgevoerd naar de potentie van het plangebied en mogelijke negatieve effecten ten gevolge van de beoogde werkzaamheden (Straathof, 2023). Op basis van de quickscan Wnb kon de aanwezigheid van nestlocaties, verblijfplaatsen of essentieel leefgebied van marterachtigen (bunzing. hermelijn, steenmarter en wezel), vleermuizen (foerageergebied), sleedoornpage, roofvogels (buizerd, havik, sperwer) en uilen (ransuil, kerkuil en steenuil) niet uitgesloten worden (zie tabel 1.1). Om vast te stellen of het plangebied daadwerkelijk een functie heeft voor vorengenoemde soorten dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Buro SRO Oost B.V. heeft Blom Ecologie verzocht dit aanvullend onderzoek uit te voeren. In voorliggende rapportage worden de bevindingen beschreven.
1.2
Doel In dit aanvullende ecologische onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Zijn marterachtigen (bunzing. hermelijn, steenmarter en wezel), vleermuizen (foerageergebied), sleedoornpage, roofvogels (buizerd, havik, sperwer) en uilen (ransuil, kerkuil en steenuil) aanwezig in het onderzoeksgebied? • Op welke wijze maken vorengenoemde soorten gebruik van het onderzoeksgebied? Zijn in het onderzoeksgebied jaarrond beschermde nestlocaties, voortplantingsplaatsen of essentiële onderdelen van het leefgebied aanwezig?
4
• Resulteert de voorgenomen ingreep in het beschadigen of wegnemen van jaarrond beschermde nestlocaties, voortplantingsplaatsen of essentiële onderdelen van het leefgebied? Is een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk voor de voorgenomen ingreep uitgevoerd kan worden?
1.3
Beschrijving plangebied De planlocatie bestaat uit agrarische percelen en een schuur te ’t Hul Noord te Nunspeet (figuur 1.1). Een uitgebreide beschrijving van de planlocatie en de directe omgeving hiervan is te vinden in de quickscan Wnb (Straathof, 2023).
Figuur 1.2 De bebouwing binnen de planlocatie betreft een schuur.
1.4
Voorgenomen werkzaamheden Gemeente Nunspeet is voornemens om op de planlocatie een nieuwe woonwijk te realiseren. De ingreep zal indicatief op hoofdlijnen bestaan uit de volgende werkzaamheden: • slopen van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; • kappen en rooien van bomen: kap- en rooiwerkzaamheden; • dempen of vergraven van de watergang(en) en/of uitgraven van nieuwe watergangen: graaf- en dempwerkzaamheden; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
5
1.5
Mogelijk aanwezige soorten Uit de quickscan Wnb (Straathof, 2023) is gebleken dat binnen de planlocatie mogelijk jaarrond beschermde nestlocaties, voortplantingsplaatsen en/of essentieel leefgebied aanwezig zijn (tabel 1.1). Tabel 1.1
Overzicht van de potentie van de planlocatie voor beschermde soorten (Straathof, 2023). Bescherming Wnb
Soortspecifiek onderzoek
Grondgebonden zoogdieren Bunzing Hermelijn Steenmarter Wezel
art. 3.10
Ja Ja Ja Ja Ja
Vaste rust- en voortplantingsplaats Vaste rust- en voortplantingsplaats Vaste rust- en voortplantingsplaats Vaste rust- en voortplantingsplaats
Vleermuizen
art. 3.5
Ja
Foerageergebied
art. 3.10
Ja
Voortplantingsplaatsen
art. 3.1
Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja
Nestlocaties/foerageergebied Nestlocaties/foerageergebied Nestlocaties/foerageergebied Nestlocaties/foerageergebied Foerageergebied Foerageergebied
Soortgroep
Mogelijke functie planlocatie
Planten
Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Sleedoornpage Vogels (cat. 1 t/m 4) Buizerd Havik Sperwer Ransuil Kerkuil Steenuil Vogels (Algemeen en cat. 5)
6
1.6
Kader Wet natuurbescherming De soortenbescherming van de Wet natuurbescherming valt op grond van internationale verdragen en nationaal beschermde soorten uiteen in drie verschillende beschermingsregimes. Deze beschermingsregimes betreffen de Vogelrichtlijn (art. 3.1), Habitatrichtlijn (art. 3.5) en de nationaal beschermde soorten (art. 3.10). De bescherming van de roofvogels (buizerd, havik, sperwer) en uilen (ransuil, kerkuil en steenuil) valt onder de Vogelrichtlijn, de bescherming van vleermuizen (foerageergebied) valt onder de Habitatrichtlijn en de marterachtigen (bunzing. hermelijn, steenmarter en wezel) en sleedoornpage valt onder de Nationaal beschermde soorten. Binnen de Vogelrichtlijn wordt onderscheid gemaakt tussen soorten waarvan het leefgebied en de nestplaats jaarrond beschermd zijn en overige broedvogels waarvan de nestplaats en het leefgebied enkel beschermd zijn tijdens de broedperiode. Naar aanleiding van de beoogde werkzaamheden kan overtreding van de volgende verbodsbepalingen optreden: Wnb, art. 3.1 (Vogelrichtlijnsoorten) Lid 2: Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Lid 4: Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Wnb, art.
3.5 (Habitatrichtlijnsoorten) Lid 2: Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren Lid 4: Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. Wet nb, art 3.10 lid 1 (b) (Nationaal beschermde soorten) Lid 1: Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Voorliggend onderzoek en rapportage zijn uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming. Over het algemeen heeft een aanvullend onderzoek Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen. Per 1 januari 2024 treedt de Omgevingswet in werking. Binnen de Omgevingswet blijven de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn onverminderd van kracht. Uitvoeringskaders, termijnen en processen vinden binnen de Omgevingswet op andere wijze plaats. Implementatie en wijze van uitvoering zijn vooralsnog niet vastgesteld.
7
2 Methode onderzoek 2.1
Theoretisch kader Ten behoeve van ecologische onderzoek naar een aantal beschermde soorten in Nederland zijn door experts richtlijnen opgesteld. Deze richtlijnen zijn in zekere mate juridische kaders gaan vormen bij de toetsing van onderzoeken op juistheid en volledigheid. Voor de vleermuizen, steenuil, kerkuil en buizerd zijn deze richtlijnen vastgelegd in de Kennisdocumenten (BIJ12, 2017), hierin wordt er verwezen naar de Soortinventarisatieprotocollen (NGB, 2017). De Handleiding veldonderzoek roofvogels door dhr. R.G. Bijlsma 1998 is als richtlijn gebruikt voor de havik, ransuil en sperwer. Voor kleine marterachtigen is de ‘Handreiking Kleine Marters’ gemaakt (Bouwens, 2017) welke in dit onderzoek als leidraad is gebruikt voor de marterachtigen. Voor de sleedoornpage is als richtlijn gebruik gemaakt van het boek De dagvlinders van Nederland (Bos et al., 2006). De richtlijnen worden door de opstellers geëvalueerd en indien noodzakelijk aangepast. De uitgangspunten zoals deze zijn geformuleerd in de richtlijnen vormen de basis voor het soortspecifieke onderzoek wat wordt uitgevoerd door Blom Ecologie. In tabel 2.1 wordt voor de desbetreffende beschermde gebouwbewonende soorten beknopt weergeven wat de onderzoeksperioden en methode zijn.
Voor de veldbezoeken wordt een minimale tussenliggende periode aangehouden voor een goede spreiding over de onderzoeksperiode, conform de relevante Kennisdocumenten en het meest actuele Vleermuisprotocol. Tabel 2.1
Samenvatting van de uitgangspunten ten behoeve van het aanvullend ecologisch onderzoek zoals geformuleerd in de relevante Kennisdocumenten en/of NGB soorteninventarisatieprotocollen.
Soort
Type
Periode
Omschrijving
Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel)
Functioneel leefgebied
maart-aug.
Minimaal 6 weken inventariseren middels marterboxen, cameravallen, sporenbuizen en sporenonderzoek.
Steenmarter
Functioneel leefgebied
maart – aug.
Minimaal 6 weken inventariseren middels cameravallen, sporenbuizen en sporenonderzoek.
Vleermuis leefgebied
Foerageergebied
15 apr. tot 1 okt.
Minimaal 2 veldbezoeken.
Sleedoornpage
Voortplantingsplaatsen
jan.- april
1 veldbezoek waarbij gezocht wordt naar eieren
maart - half mei
4 veldbezoeken in de ochtend, met een tussenperiode van minimaal 10 dagen.
feb. t/m aug.
Minimaal 4 veldbezoeken.
20 feb. t/m 20 juli
3 veldbezoeken in de avondschemer
Buizerd
Nest Foerageergebied
Havik
Nest
Sperwer
Foerageergebied
Ransuil
Nest Foerageergebied
Kerkuil
Foerageergebied
1 feb. t/m 15 okt.
3 veldbezoeken verspreid in de periode feb. t/m 15 okt. na zonsondergang.
Steenuil
Foerageergebied
1 feb. t/m 30 april
3 veldbezoeken met tussen het 1e en 3e bezoek minimaal 1 maand.
Cat. 5 vogels Algemene broedvogels
Nest
De nesten van cat. 5 soorten en andere algemene broedvogels worden meegenomen gedurende de overige veldbezoeken.
8
2.2 Praktische uitvoering Kleine marterachtigen en steenmarter Op basis van de te verwachten soorten en de relatieve potentie voor deze soorten binnen de planlocatie is het aanvullend onderzoek ingericht. Voorafgaand aan de daadwerkelijke uitvoering wordt bekeken vanaf welke posities de planlocatie het meest efficiënt (strategisch) kan worden onderzocht. De strategische locaties van het plaatsen van de camera’s en het zoeken naar sporen zijn afhankelijk van de aanwezigheid van groenstructuren, watergangen, verlichting en diverse typen van bebouwing. Om de aan- of afwezigheid van kleine marterachtigen en steenmarter vast te stellen zijn 3 marterboxen, 3 cameravallen ingezet (figuur 2.1). De onderzoeksmethoden zijn geplaatst op ‘kansrijke’ locaties als wissels, tussen de bramenstruiken, begroeide oevers en in de bosschage (figuur 2.2). Het onderzoek heeft plaatsgevonden in de periode van april 2023 t/m juni 2023, gedurende een aaneengesloten periode van 6 weken. Naast het plaatsen van wildcamera’s en marterboxen is tijdens elk veldbezoek specifiek een sporenonderzoek uitgevoerd. Hierbij is gezocht naar sporen die duiden op de aanwezigheid van marterachtigen en/of verblijfplaatsen. Dit betreffen sporen als graafsporen, latrines met uitwerpselen, prooiresten, prenten en vraatsporen.
Figuur 2.1 Overzicht van de locaties van de marterboxen en cameravallen.
9
Figuur 2.2 De marterboxen (links) en cameraval (rechts). Vleermuizen (foerageergebied) Binnen de kaders van de relevante Kennisdocumenten en het Vleermuisprotocol (tabel 2.1) is de onderzoekswijze vormvrij. Afhankelijk van omstandigheden zoals de relatieve potentie, ervaring, moment van onderzoek het aantal onderzoekers, en dergelijke, worden door de diverse onderzoeksbureaus op verschillende wijze onderzoek uitgevoerd. Aangezien de te onderzoeken soorten veelal voorkeur hebben voor bepaalde type leefgebied wordt door Blom Ecologie reactief onderzoek uitgevoerd. Dit type onderzoek houdt vast aan strategische punten, looproutes en zichtlijnen waarbij het geobserveerde gedrag van de te onderzoeken soort en de lokale omstandigheden leidend zijn voor de keuze van de strategische punten of looproute en de verblijfsduur per punt. De strategische punten worden bepaald op locatie voorafgaand aan de start van een onderzoek door een visuele beoordeling op de actuele potentie voor de soort in kwestie. Deze punten kenmerken zich door goed overzicht binnen het onderzoeksgebied en zicht op zoveel mogelijk potentiële in- of uitvliegopeningen. Voor de onderzoeken geldt tevens dat tijdens de rondes de keuze van strategische punten en/of looproutes beïnvloed worden door veranderende omstandigheden.
Dit kan zijn een plotselinge verandering van windrichting, sterke toename of afname van windkracht, defecte straatverlichting en andere omstandigheden. Het aantal factoren dat bepaalt waarom een onderzoeker juist de ene richting meer op kijkt dan de andere of er juist voor kiest af te wijken van een gebruikelijke route zijn niet of nauwelijks definieerbaar. De wijze van onderzoek verschilt, met in achtneming van de randvoorwaarden van de relevante Kennisdocumenten en het meest actuele Vleermuisprotocol, dus per datum, per loopronde en per moment. Er is derhalve geen sprake van vaste transecten maar veel eerder van diverse looproutes naar strategische punten waarbij de frequentie van stilstaan en beweging afhankelijk zijn van de omstandigheden op dat moment.
10
De personele inzet van ieder veldbezoek is afhankelijk van het type onderzoek, de ervaring van de waarnemers en de potentie van het plangebied. Alle veldwerkers van Blom Ecologie zijn bedreven en ervaren in onderzoeken in urbaan gebied. Het onderzoek is er niet op gericht om met volledige zekerheid alle mogelijke functionele structuren te vinden of de aanwezigheid hiervan volledig uit te sluiten. Hiervoor zou een onderzoeksinspanning geleverd moeten worden die de onderzoeksprotocollen ver overstijgt. Van de geleverde onderzoeksinspanning wordt beoordeeld dat deze voldoende is zoals dat redelijkerwijs van een initiatiefnemer gevraagd kan worden. Met het uitgevoerde onderzoek worden derhalve resultaten geleverd die een goed beeld bieden van de aantallen individuen en de actieve nesten en/of verblijfplaatsen op die momenten binnen het onderzoeksgebied. Sleedoornpage De sleedoornpage is sterk afhankelijk van zijn waardplant, de sleedoorn en enkele andere Prunussoorten. De vlinders zijn vrij onopvallend en leven vrij verborgen, waardoor de aanwezigheid van de sleedoornpage het best kan worden vastgesteld door de eitjes van de soort te zoeken. De eieren zijn het beste in de winter of het vroege voorjaar te vinden, wanneer nog geen blad aanwezig is.
De eieren worden gelegd in oude sleedoorns die zonnige staan, op de grens van oud en jong hout in de oksels van sleedoorntakken tussen 50 en 170 cm van de grond (Bos et al., 2006). Roofvogels Tijdens het aanvullend onderzoek roofvogels wordt met name gebruik gemaakt van strategische punten. Deze strategische punten worden gekozen op basis van overzicht van het onderzoeksgebied, relatieve potentie, sporen van nesten en in latere rondes de gegevens van de eerdere bezoeken. De wisseling van de strategische punten is een reactie op het gedrag van de roofvogel, de waarnemer verandert van strategisch punt als er sprake is van een laagvliegend en roepend dier in een bepaald deel van het onderzoeksgebied. Buizerd De buizerd bouwt in principe elk jaar een nieuw nest, meestal op een ander bestaand. Zodoende ontstaat er een jaarlijks een groter nest. Duidelijke kenmerken voor aanwezigheid van de soorten zijn plukplaatsen, prooiresten en poepstrepen. Nesten worden in het broedseizoen verdedigd door het broedpaar, waarbij ze al kekkerend vliegen door het perceel of vlakbij gaan zitten en roepen. In de jongen fase wordt circa 6-10x per dag prooi naar het nest gebracht. En uitgevlogen jongen blijven minstens enkele weken in de nestomgeving (Bijlsma, 1998). In het kennisdocument wordt benoemd dat het aantonen van een nest/ rustplaats gedaan kan worden doormiddel van 4 gerichte veldbezoeken.
Tijdens de onderzoek rondes zijn op al het vorengenoemde kenmerken gelet. De periode maart-mei, bij voorkeur in de ochtend, is de beste inventarisatieperiode voor de soort. Havik Inventarisatie van de havik is mogelijk door het zoeken van nesten in combinatie met karting van territorium- en nestindicerende waarnemingen. Nesten kunnen gevonden worden door voor half april geschikte bossen uit te kammen. Nesten zijn doorgaans groot en tegen een hoofdstam gebouwd, op de helfte of tweederde van de totale hoogte. Nieuwe nesten zijn half april voltooid en oude nesten worden opgehoogd. Bewoonde nesten zijn herkendbaar aan verse takken, ruiveren in de omgeving en pluisjes op de nestrand. De broedende sperwer is meestal niet zichtbaar. Een nest vertrekkende sperwer vliegt rechtlijnig weg. Territorium- en nestindicerende waarnemingen: •
• •
roep: al vanaf nawinter veelvuldig kekkeren bij nestplaats, in tweede helft maart vaak vlakbij nest. Geluid over vele honderden meters te horen (pas op voor imiterende Gaai, kan perfect geluid nadoen maar let op bijgeluiden)! Minder gehoorde geluiden, maar evenzeer nestindicerend: kort 'kek' en langgerekte bedelhuil (lijkt op dat van uitgevlogen jong); baltsende paren bij mooi weer in februari-maart; stuiterende vlucht of vertraagde vlucht met opgezette witte onderstaart ('vlaggen'); kan echter tot op 1 km van nest plaatsvinden; copulatie (frequent vanaf half februari tot start eileg), op of vlakbij nest met luid sjirpend geroep;
11
• • •
prooiaanvoer; vrouwtje wordt door mannetje gevoed tijdens eileg. Gaat gepaard met hardnekkige 'kek' roepen van mannetje; concentraties ruiveren, prooiresten in omgeving van nest; alarm; vaak fel reagerend bij nest op mensen, kraaien en andere roofvogels.
Sperwer De nadruk van een onderzoek naar sperwer ligt op het zoeken van (clusters van) nesten en nestindicerend gedrag. De soort bouwt jaarlijks een nieuw nest, vaak in de directe omgeving van oudere nesten, zodat clusters van nesten een duidelijke aanwijzing zijn. Nesten aanzienlijk kleiner dan bij havik en buizerd en soms lastig van fors houtduivennest te onderscheiden. Verse nesten met doorschijnende rand. Bezette nesten in donker bos lastig te ontdekken; hierbij dient vooral naar de grond te worden gekeken en te worden gelet op de aanwezigheid van witte poepstrepen, concentraties plukresten van zangvogels, en geruide veren (nest dan doorgaans binnen 30 m). Grote nestjongen vanaf de grond vaak zichtbaar, blijven enkele weken na uitvliegen in omgeving van het nest en vliegen bedelend door nestbos. Territorium- en nestindicerende waarnemingen: • Roep: kekkerende roep (hoger, zachter en sneller dan Havik) op de broedplaats (pas op voor imiterende gaai, kan geluid perfect nadoen maar let op bijgeluiden). Herhaald kort 'kjiew,' eveneens territoriumindicerend.
• Baltsende paren bij mooi weer in tweede helft maart en april; stuitervlucht (maar vlakker dan havik) of rustige vlucht met vertraagde vleugelslag boven territorium met uitstaande witte onderstaart ('vlaggen'); kan zowel laag als zeer hoog plaatsvinden (hoge vogels moeilijk aan bepaalde plek toe te wijzen) • Prooiaanvoer; aanvankelijk door mannetje, als de jongen groter worden ook door vrouwtje. Rechtlijnige vlucht naar nest (dat echter op grote afstand van de waarnemingsplaats kan liggen). • Concentraties ruiveren, prooiresten (vooral kleine tot middelgrote vogels, mezen, mussen, vinken, Spreeuwen, lijsters) in omgeving van nest • Alarm; vaak fel reagerend bij nest op mensen, kraaien en andere roofvogels (kekkerend rondvliegen). Broedend wijfje kan echter doodstil op nest blijven zitten als ze zich veilig voelt. Uilen Kerkuil De kerkuil reageert, in tegenstelling tot de steenuil, niet op de roep van soortgenoten. Gezien kerkuilen voornamelijk nachtjagers zijn en de kerkuil vanaf een uur na zonsondergang zijn roestplaats verlaat om te jagen, dienen de veldbezoeken rond dit tijdstip plaats te vinden. Voor het vaststellen van een vaste rust- en voortplantingsplaats geldt derhalve zichtwaarnemingen, alsmede het aantreffen van verse braakballen, (rui)veren en kruitsporen.
De kerkuil jaagt laagvliegend via vaste routes en vanaf zitplekken zoals hekpalen of kilometerpaaltjes langs wegen. Bij braakballen en/of krijtsporen naast dergelijke plekken kan ervan uitgegaan dat het een foerageergebied (c.q. territorium) betreft. Derhalve dient tenminste één van de bezoeken ook voor zonsondergang plaats te vinden. Tevens wordt er aanvullend gebruik gemaakt van een warmtebeeldcamera (type Pulsar Helion XP28 of type AGM ASP TM-384) om bewegingen van kerkuilen te lokaliseren en te volgen. De uilen worden hierbij niet verstoord wat wel zou gebeuren wanneer men met zaklampen werkt. Ransuil Tijdens een territoriumkartering voor de ransuil worden het aantal roepende mannetjes in kaart gebracht. Onder de aanname dat elk roepend mannetje een broedpaar vertegenwoordigd wordt zo een beeld van het aantal territoria verkregen. Een belangrijk hulpmiddel hierbij is een smartphone en bluetooth JBL Clip 3 speaker, waarmee de roep wordt afgespeeld indien er geen actieve roepende individuen zich binnen het onderzoeksgebied bevinden. Vaak zal de afgespeelde roep binnen een halfuur beantwoord worden. Daarnaast geven zichtwaarnemingen inzicht in de mogelijke aanwezigheid van een broedpaar. Tevens wordt er aanvullend gebruik gemaakt van een warmtebeeldcamera (type Pulsar Helion XP28 of type AGM ASP TM-384) om bewegingen van ransuilen te lokaliseren en te volgen.
De uilen worden hierbij niet verstoord wat wel zou gebeuren wanneer men met zaklampen werkt. Als laatste wordt er (bij daglicht, voor start van een onderzoeksronde) gelet op verse braakballen, (rui)veren
12
en krijtsporen onder de te onderzoeken bomen. Deze sporen geven een indicatie dat ransuil (of ransuilen) vaak naar deze locatie terugkomt c.q. terugkomen. Wanneer er sporen worden aangetroffen, worden deze weggehaald zodat er bij de volgende onderzoekronde vastgesteld kan worden of het verse sporen betrof, en of er nieuwe sporen bij zijn gekomen. Rustplaatsen kán men vinden door overdag de te onderzoeken bomen vanuit alle mogelijke windrichtingen goed te bestuderen. De uilen kunnen namelijk erg goed verstopt zitten tussen het loof waardoor men exemplaren kan missen (Wijnandts, 2019). Steenuil Tijdens een territoriumkartering van de steenuil worden het aantal roepende mannetjes in kaart gebracht. Onder de aanname dat elk roepend mannetje een broedpaar vertegenwoordigd wordt zo een beeld van het aantal territoria verkregen. Een belangrijk hulpmiddel hierbij is een smartphone en bluetooth JBL Clip 3 speaker, waardoor de roep wordt afgespeeld. Een steenuil beschermt zijn territorium door te antwoorden met een (balts)roep. Daarnaast geven zichtwaarnemingen inzicht in de mogelijke aanwezigheid van een broedpaar. Als laatste wordt er gelet op verse braakballen, (rui)veren en krijtsporen binnen de stallen en eventuele paaltjes van hekwerk, indien aanwezig. Deze sporen geven een indicatie dat een steenuil(paar) vaak naar deze locatie terugkomt.
De kerkuil reageert, in tegenstelling tot de steenuil, niet op roep van soortgenoten. Gezien kerkuilen voornamelijk nachtjagers zijn en vanaf een uur na zonsondergang de kerkuil zijn roestplaats verlaat om te jagen, dienen de veldbezoeken rond dit tijdstip plaats te vinden. Voor het vaststellen van een vaste rust- en rustplaats geldt derhalve zichtwaarnemingen, alsmede het aantreffen van verse braakballen, (rui)veren en krijtsporen. De kerkuil jaagt laagvliegend via vaste routes en vanaf zitplekken zoals hekpalen of kilometerpaaltjes langs wegen. Bij braakballen en/of krijtsporen naast dergelijke plekken, kan ervan uit worden gegaan dat het een foerageergebied (c.q. territorium) betreft. Derhalve dient tenminste één van de bezoeken ook voor zonsondergang plaats te vinden.
2.3 Veldbezoeken Het onderzoeksgebied is geïnventariseerd door ter zake deskundig ecologen van Blom Ecologie of externe ter zake deskundig ecologen onder verantwoordelijkheid van Blom Ecologie. De relevante omstandigheden ten tijde van de veldbezoeken zijn opgenomen in onderstaande tabel (tabel 2.2). Tabel 2.2
Uitgevoerde veldbezoeken gedurende het aanvullend onderzoek. Aantal
Datum
Zon
Tijd
Weersomstandig -heden
2
21-03-2023
21.50
22.15-00.50
3/8, droog, 2 Bft, 11˚C
Nest + leefgebied Voortplantingsplaatsen
1
23-03-2023
06.36
06.40-08.40
7/8, droog, 3 Bft, 11˚C
Uilen
Leefgebied
2
14-04-2023
20.32
20.35-23.35
1/8, droog, 2 Bft, 10˚C
Marterachtigen
Camera’s uitzetten / sporen zoeken
3
25-04-2023
20.56
18.30-20.30
3/8, droog, 2 Bft, 10˚C
Veldbezoek
Functie
Uilen
Leefgebied
Roofvogels Sleedoornpage
Roofvogels
pers.
Nest + leefgebied
Uilen
Leefgebied
2
25-04-2023
20.56
21.00-00.00
3/8, droog, 1 Bft, 6˚C
Roofvogels
Nest + leefgebied
1
01-05-2023
06.10
06.10 – 08.10
7/8, droog, 1 Bft, 11˚C
Roofvogels
Nest + leefgebied
Marterachtigen
SD kaarten en batterijen wisselen / sporen onderzoeken
2
15-05-2023
05.44
05.45-09.45
3/8, droog, 2 Bft, 13˚C
13
Roofvogels
Nest + leefgebied
Marterachtigen
SD kaarten en batterijen wisselen / sporen onderzoeken
2
01-06-2023
21.48
11.30-15.30
8/8, droog, 2 Bft, 14˚C
Vleermuizen
Foerageergebied
3
07-06-2023
21:54
21.45 -00.30
1/8, droog, 3 Bft, 18˚C
Marterachtigen
Camera’s ophalen / sporen zoeken
2
26-06-2023
n.v.t.
n.v.t.
4/8, droog, 1 Bft, 16 ˚C
Vleermuizen
Foerageergebied
3
28-08-2023
20.35
20.30-23.05
1/8, droog, 1 Bft, 16˚C
2.4 Specifieke omstandigheden Tijdens de uitvoering van het onderzoek kan er sprake zijn van dusdanig omstandigheden dat er mogelijk een vertekend beeld optreedt van de verzamelde resultaten. Hiermee wordt niet bedoeld het gemotiveerd afwijken van uitgangspunten zoals geformuleerd in de Kennisdocumenten. Tijdens het onderzoek was er, voor zover de onderzoekers hebben kunnen nagaan, geen sprake van omstandigheden die mogelijk effect sorteren op de onderzoeksresultaten.
14
3 Resultaten 3.1
Marterachtigen Waarnemingen en aantallen Tijdens de onderzoekrondes zijn in géén van de marterboxen waarnemingen van marterachtigen gedaan. Op één van de wildcamera’s is op 20 juni 2023 één keer een steenmarter waargenomen (figuur 3.1) (figuur 2.1 – Locatie 2.). Dit betreft waarschijnlijk een sporadisch aanwezig individu. Er zijn geen andere marterachtigen waargenomen. Er is nabij deze wildcamera één plukplaats van een duif waargenomen. Echter waren de veren niet afgebeten waardoor de verwachting is dat het een plukplaats van een roofvogel betreft. Rust- en voortplantingsplaatsen Gedurende het onderzoek zijn geen rust- of voortplantingsplaatsen gevonden of sporen als latrines, uitwerpselen, prooiresten of prenten, die wijzen op de aanwezigheid hiervan. Wegens de eenmalige waarneming van de soort en de afwezigheid van sporen is er momenteel geen sprake van een rusten/of voortplantingsplaats binnen het plangebied. Functioneel leefgebied Binnen het plangebied is momenteel tevens geen sprake van essentieel leefgebied en/of migratieroute van marterachtigen door infrequent visueel bewijs op de wildcamera’s én de afwezigheid van sporen (c.q. prenten of wisselsporen) binnen het plangebied.
Figuur 3.1 Waargenomen steenmarter op een wildcamera binnen het plangebied.
15
3.2 Vleermuizen Tijdens de onderzoeksrondes zijn in totaal een viertal soorten waargenomen in het onderzoeksgebied (tabel 3.1). Waargenomen soorten betreffen de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis. De meest waargenomen soort betrof de gewone dwergvleermuis. Tabel 3.1
Waarnemingen en aantallen van vleermuizen gedurende de veldbezoeken in het onderzoeksgebied. Een verblijfplaats kan bij meerdere veldbezoeken zijn vastgesteld, het totaal aantal verblijfplaatsen wordt weergegeven in tabel 3.4 en figuur 3.5.
Veldbezoek
Locatie (figuur 3.2)
Soort Gewone dwergvleermuis
Foeragerend
Gewone dwergvleermuis
1
Overvliegend
Laatvlieger
2
Foeragerend
Laatvlieger
1
Overvliegend
Rosse vleermuis
5
Foeragerend
Ruige dwergvleermuis
1
Foeragerend
Gewone dwergvleermuis
8
Foeragerend
Gewone dwergvleermuis
2
Overvliegend
Gewone dwergvleermuis
4
Overvliegend
Gewone dwergvleermuis
4
Foeragerend
Gewone dwergvleermuis
4
Overvliegend
Rosse vleermuis
1
Foeragerend
Gewone dwergvleermuis
2
Foeragerend
Gewone dwergvleermuis
1
Foeragerend
Laatvlieger
2
Overvliegend
Gewone dwergvleermuis
4
Foeragerend
Laatvlieger
1
Foeragerend
Ruige dwergvleermuis
1
Foeragerend
Gewone dwergvleermuis
3
Foeragerend
Gewone dwergvleermuis
3
Overvliegend
Ruige dwergvleermuis
2
Overvliegend
Gewone dwergvleermuis
3
Foeragerend
Rosse vleermuis
3
Overvliegend
Laatvlieger
1
Overvliegend
Gewone dwergvleermuis
2
Overvliegend
Laatvlieger
3
Foeragerend
Ruige dwergvleermuis
2
Overvliegend
3
Gewone dwergvleermuis
2
Foeragerend
5
Gewone dwergvleermuis
1
Foeragerend
6
Gewone dwergvleermuis
1
Foeragerend
2
Gewone dwergvleermuis
4
Foeragerend
2 3 4
(07-06-2023) 5 6
7
8
1
Vleermuis 2 (28-8-2023)
Tijdens uilenonderzoek
Gedrag en verblijfplaatsen
7
1
Vleermuis 1
Aantal individuen
2
(14-04-2023)
16
Gedurende het vleermuisonderzoek zijn geen vleermuisverblijfplaatsen vastgesteld. Er zijn voornamelijk buiten het plangebied foeragerende en overvliegende vleermuizen waargenomen (figuur 3.2). De groenstructuren aan de Hullerweg ten zuiden van het plangebied vormen een belangrijke verbinding van het oosten naar het westen. Ook de groenstructuren aan de watergang aan de Oude Zeeweg vormen een belangrijke verbinding van het zuiden naar het noorden. De groenstructuren aan de Hullerweg ten oosten van het plangebied hebben geen essentiële functie, omdat de groenstructuren aan de naastgelegen Molenweg ook dienst kunnen doen als verbinding van het zuiden naar het noorden. De groenstructuren aan de Kolmansweg en het aangrenzende agrarische perceel werden tijdens het onderzoek frequent gebruikt als foerageergebied en vliegroute. De groenstructuren aan de Kolmansweg hebben een essentiële functie en dienen als verbinding voor vleermuizen van het oosten naar het westen. Ook werd er sporadisch gefoerageerd bij de groenstructuren in het midden van het plangebied. De groenstructuren binnen het onderzoeksgebied zijn daarmee samengenomen een essentieel onderdeel van het leefgebied voor vleermuizen. Individuele bomen of groenstructuren mogen verwijderd worden, maar de functie moet behouden blijven voor vleermuizen.
Ook dient lichtverstoring als gevolg van de beoogde ontwikkeling op deze groenstructuren voorkomen te worden. Het plangebied heeft daarnaast potentie om als verbinding van het zuiden naar het noorden te dienen indien er aaneengesloten singels en houtwallen van zuid naar noord worden gerealiseerd. In dat geval wordt de verbinding van verblijfplaatsen naar foerageergebied voor vleermuizen verbeterd.
Figuur 3.2 Overzicht van de aangetroffen foerageerplaatsen en vliegroutes.
3.3 Sleedoornpage Binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn enkele sleedoorns aangetroffen (figuur 3.3). Tijdens het onderzoek zijn geen eitjes, rupsen of exemplaren van de sleedoornpage waargenomen, derhalve zijn er momenteel geen voortplantingsplaatsen van de sleedoornpage binnen het plangebied vastgesteld.
17
Figuur 3.3 Overzicht van de aangetroffen sleedoorns.
3.4 Roofvogels Buizerd Tijdens het onderzoek zijn meerdere waarnemingen van de buizerd gedaan (figuur 3.4). Daarnaast zijn er enkele (grote) nesten aangetroffen (figuur 3.9). Geen van de nesten bleken na uitvoering van de onderzoeksrondes bezet door buizerds. De aangetroffen buizerds zijn voornamelijk overvliegend waargenomen boven de open delen binnen het plangebied. In de bosschage in het noorden van het plangebied zijn tijdens twee veldbezoeken buizerds uit de bosschage opgevlogen. In deze bosschages is geen nest aanwezig en zijn geen sporen aangetroffen. Daarnaast is er geen nestindicatief gedrag waargenomen binnen het plangebied. Er zijn derhalve geen nestlocaties van de buizerd waargenomen binnen het plangebied. Ook in de directe omgeving van het plangebied zijn geen indicaties aangetroffen van de aanwezigheid van een buizerdnest. De buizerd heeft een jachtterritorium van enkele kilometers rondom het nest. Er zijn territoria vastgesteld op circa 2,5 kilometer in het bosrijke gebied ten zuiden van het plangebied en ten noordoosten van het plangebied (NDFF, 2023). Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 38 ha en beslaat daarmee een klein oppervlakte ten opzichte van het territorium van de buizerd. Daarnaast zijn er in de directe omgeving van het plangebied veel vergelijkbare agrarische percelen aanwezig.
Door de afwezigheid van een nestlocatie binnen het plangebied en de aanwezigheid van alternatief foerageergebied in de directe omgeving kan worden uitgesloten dat het plangebied momenteel een essentiële functie voor de buizerd heeft.
18
Figuur 3.4 Overzicht van de locaties waar buizerd zijn waargenomen. Havik Tijdens het onderzoek zijn geen waarnemingen van de havik gedaan, derhalve kan de aanwezigheid van nestlocatie en leefgebied van deze soort worden uitgesloten. Sperwer Tijdens het onderzoek is één waarneming van de sperwer gedaan. Eén vrouwelijke sperwer vloog tijdens het veldbezoek op 23 maart 2023 weg uit de bosschage in het zuiden van het plangebied (figuur 3.5). In deze bosschage is op circa 8 meter in een eik een nest waargenomen. Echter is de sperwer tijdens de andere veldbezoeken niet waargenomen, is er geen nestindicerend gedrag waargenomen en zijn er geen sporen aangetroffen in de directe omgeving van het nest. Derhalve kan momenteel worden vastgesteld dat binnen het plangebied geen nestlocatie van de sperwer aanwezig is.
19
Figuur 3.5 Locatie van de waarneming van de sperwer binnen het plangebied.
3.5 Uilen Kerkuil Tijdens het onderzoek zijn geen waarnemingen van de kerkuil gedaan, derhalve kan de aanwezigheid van leefgebied van deze soort worden uitgesloten. Steenuil Tijdens het onderzoek zijn meerdere waarnemingen van de steenuil gedaan (figuur 3.6). Er zijn geen nestlocaties, nestindicerend gedrag of sporen waargenomen van steenuilen binnen het plangebied. Ook buiten het plangebied zijn geen nestlocaties vastgesteld. De steenuil is voornamelijk ten noorden van het plangebied waargenomen. Hier zijn alleen roepende steenuilen gehoord. De waarnemingen betroffen in de meeste gevallen steenuilen die gedurende de hele avond roepend waargenomen werden. De fusie afstand van steenuilen bedraagt circa 500 meter. De verwachting is daarom dat ten noorden van het plangebied twee territoria van steenuilen aanwezig zijn. Aan de Molenweg 82 is één steenuil roepend vanaf de nok van de woning waargenomen, waarna deze wegvloog. Op deze locatie is alleen tijdens één veldbezoek een steenuil waargenomen, waardoor niet uitgegaan wordt van een nestlocatie in deze bebouwing. Binnen het plangebied is tijdens vier verschillende veldbezoeken één steenuil kort gehoord, dit was voornamelijk als reactie op een afgespeelde lokroep. Ook is tijdens het veldbezoek op 21 maart 2023 één steenuil, jagend vanaf de paaltjes aan de Kolmansweg, binnen het plangebied waargenomen.
Vanwege de sporadische en korte waarnemingen van de steenuil binnen het plangebied en het vermoeden van een territorium en nestlocatie ten noorden van het plangebied wordt niet verwacht dat er een territorium aanwezig is binnen het plangebied. Het plangebied wordt wel gebruikt als foerageergebied, maar omdat dit maar een enkele keer is waargenomen en er diverse agrarische percelen aanwezig zijn in de directe omgeving van het plangebied, kan momenteel uitgesloten worden dat het plangebied onderdeel uitmaakt van essentieel leefgebied van de steenuil.
20
Figuur 3.6
Overzicht van de waargenomen steenuil (auditief of visueel) en het waargenomen foerageergebied. De waarnemingen ten noorden van het plangebied betreffen in de meeste gevallen steenuilen die gedurende de hele avond roepend waargenomen werden.
Ransuil Tijdens het onderzoek zijn meerdere waarnemingen van de ransuil gedaan (figuur 3.7). De ransuil is niet waargenomen binnen het plangebied. Nabij de woning aan de Oude Zeeweg 25 is de bedelroep van drie jongen van de ransuil gehoord. Tijdens een ander veldbezoek is de ransuil waargenomen op deze locatie en is een nest, met de vorm van een eksternest, waargenomen. Op deze locatie is vermoedelijk een nestlocatie van een ransuil aanwezig. De beoogde ontwikkeling zorgt niet voor het wegnemen of verstoren van deze nestlocatie. Achter de woning aan de Kolmansweg 15 is tijdens één veldbezoek een ransuil roepend vanuit de top van een zwarte els waargenomen. In deze zwarte els is een nest aanwezig (figuur 3.8). De ransuil werd tijdens hetzelfde veldbezoek ook overvliegend en roepend waargenomen nabij de Kolmansweg 15. Tijdens een ander veldbezoek is de ransuil ook overvliegend waargenomen nabij de Kolmansweg 15. Door de aanwezigheid van een geschikt nest en de waarneming van een ransuil op meerdere momenten kan niet uitgesloten worden dat er een nestlocatie aanwezig is in de zwarte els in de tuin van de Kolmansweg 15. Deze nestlocatie blijft behouden, echter kan er wel verstoring optreden door de beoogde werkzaamheden, waardoor de nestlocatie ongeschikt wordt. Er dienen maatregelen getroffen te worden om verstoring van de nestlocatie te voorkomen.
Er mag buiten een zone van 50 meter gebouwd worden. Indien er werkzaamheden binnen een zone van 50 meter worden uitgevoerd moeten deze buiten de kwetsbare periode van de ransuil worden uitgevoerd.
21
Figuur 3.7 Overzicht van de waarnemingen en nestlocaties van de ransuil.
Figuur 3.8 Nest in de zwarte els op het perceel van de Kolmansweg 15.
22
3.6 Overige soorten Naast de te onderzoeken soorten waarvoor het voorliggend onderzoek is uitgevoerd zijn tijdens de veldbezoeken waarnemingen van overige soorten gedaan. De volgende vogelsoorten zijn gedurende de veldbezoeken waargenomen: ekster, merel, ooievaar, wilde eend, zanglijster en zwarte kraai. Deze waarnemingen bestaan met name uit overvliegende, rustende of foeragerende vogels. In enkele gevallen zijn nesten of verblijfplaatsen van deze soorten waargenomen. De vindplaats van deze nestlocaties wordt weergegeven in figuur 3.9. Nesten van algemene broedvogels zijn beschermd gedurende het broedseizoen. Het broedseizoen loopt indicatief van 15 maart t/m 15 juli. Werkzaamheden die mogelijk nesten van algemene broedvogels aantasten dienen uitgevoerd te worden buiten het broedseizoen. In de planlocatie is sprake van nesten van cat. 5 vogels die worden weggenomen. Dit betreft één nest van de ekster en één nest van de zwarte kraai. Gezien er sprake is van relatief lage aantallen nesten, er voldoende uitwijkmogelijkheden zijn, de soorten in een gunstige staat van instandhouding verkeren (SOVON, 2023) en er voldoende nestlocaties van de soorten lokaal behouden blijven is er geen sprake van ecologisch zwaarwegende redenen van cat. 5 vogels.
Figuur 3.9 Overzicht van de aangetroffen nestlocaties van algemene broedvogels en vogels die vallen onder cat. 5.
23
4 Conclusie 4.1
Marterachtigen In de periode april - juni 2023 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) en de steenmarter in het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in de handreiking kleine marterachtigen (Bouwens, 2017). Tijdens het onderzoek zijn geen individuen en/of sporen van kleine marterachtigen en één steenmarter aangetroffen binnen het plangebied. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 1.
4.2 Vleermuizen In juni en augustus 2023 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van foerageergebied van vleermuizen in het plangebied aan ‘t Hul te Nunspeet. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het meest actuele Vleermuisprotocol (NGB, 2021). Tijdens het onderzoek zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld. De groenstructuren binnen het onderzoeksgebied zijn samengenomen een essentieel onderdeel van het leefgebied voor vleermuizen. Individuele bomen of groenstructuren mogen verwijderd worden, maar de functie moet behouden blijven voor vleermuizen. Ook dient lichtverstoring als gevolg van de beoogde ontwikkeling op deze groenstructuren voorkomen te worden. De beoogde ingreep leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art. 3.5, lid 2 (verstoren vleermuizen) en lid 4 (wegnemen verblijfplaatsen).
4.3 Sleedoornpage In maart 2023 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van voortplantingsplaatsen van de sleedoornpage. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in de handreiking Nederlandse Fauna 7 - De dagvlinders van Nederland (Bos et al., 2006). Er zijn geen eitjes of exemplaren van de sleedoornpage waargenomen binnen het plangebied. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 1.
4.4 Roofvogels In de periode maart – juni 2023 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van nesten en foerageergebied van buizerd, havik en sperwer. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het Kennisdocument buizerd (BIJ12, 2017) en de Handleiding veldonderzoek roofvogels (Bijlsma 1998). Tijdens het onderzoek zijn geen bezette nesten van buizerd, havik en/of sperwer gevonden. Gezien de waarnemingen kan cumulatief gesteld worden dat er geen sprake is van een broedgeval binnen het plangebied. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art 3.1, lid 2.
24
4.5 Uilen In de periode maart - april 2023 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van nesten, rustplaatsen en foerageergebied van kerkuil, steenuil en ransuil. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het Kennisdocument Kerkuil en Steenuil (BIJ12, 2017) en de Vogelatlas van Nederland (Wijnandts, 2019). Tijdens het onderzoek zijn geen nesten, rustplaatsen en/of essentiële foerageergebieden van de kerkuil en steenuil geconstateerd. In een boom op het perceel van de Kolmansweg 15 aan de rand van het plangebied is een nestlocatie van de ransuil aanwezig. Deze nestlocatie blijft behouden, maar de beoogde werkzaamheden leiden tot verstoring. Door vorengenoemde dient er een bufferzone, waarbinnen niet gebouwd mag worden, van minimaal 50 meter aangehouden te worden vanaf de nestlocatie en dienen werkzaamheden binnen 50 meter tot het nest buiten de kwetsbare periode uitgevoerd te worden.
4.6 Overige vogels Het onderzoek beperkte zich in beginsel tot marterachtigen, vleermuizen, sleedoornpage, roofvogels en uilen. Tijdens het onderzoek is tevens gelet op individuen, nesten en/of verblijflocaties van andere soorten in de planlocatie. Er zijn in totaal 4 nesten aangetroffen binnen het plangebied, waarvan twee nesten bewoond zijn door zwarte kraaien en eksters. Er is voor cat. 5 vogelsoorten geen sprake van ecologische zwaarwegende redenen en derhalve ook geen ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Zoals beschreven staat in de Vogelrichtlijn zijn alle vogels in Nederland beschermd tijdens het broedseizoen. Indicatief betreft het broedseizoen de periode 15 maart t/m 15 juli. Om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen werkzaamheden die mogelijk leiden tot verstoring of aantasting van nesten buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden.
4.7 Samenvatting Tabel 4.1
Samenvatting van de aangetroffen individuen en verblijfplaatsen in het onderzoeksgebied.
Soort Marterachtigen
Type Voortplantingsplaatsen Functioneel leefgebied
Aantal wegnemen
Aantal behouden
Bescherming Wnb
Ontheffing nodig
0
0
Art. 3.10
Nee
Vleermuizen
Essentieel foerageergebied
0
4
Art. 3.5
Maatregelen
Sleedoornpage
Voorplantingsplaatsen
0
0
Art. 3.10
Nee
Buizerd
Nest + leefgebied
0
0
Art. 3.1
Nee
Havik
Nest + leefgebied
0
0
Art. 3.1
Nee
Sperwer
Nest + leefgebied
0
0
Art. 3.1
Nee
Ransuil
Nest + leefgebied
0
2
Art. 3.1
Maatregelen
Kerkuil
Foerageergebied
0
0
Art. 3.1
Nee
Steenuil
Foerageergebied
0
2
Art. 3.1
Nee
Ekster
1
3
Zwarte kraai
1
0
Art. 3.1
Nee
Spreeuw
0
1
Nesten broedvogels en cat. 5 vogels
4.8 Vervolgstappen Op basis van de huidige onderzoeksresultaten is voor de uitvoering van de ingreep geen ontheffing Wnb nodig (tabel 4.1). 25
Bronvermelding Straathof, E.M.C., 2023. Quickscan Wnb aan ’t Hul Noord te Nunspeet. Oriënterend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming. Blom Ecologie B.V., Waardenburg. NGB, Zoogdiervereniging en Gegevensautoriteit Natuur, 2021. Vleermuisprotocol, versie januari 2021. Bijlsma, R.G. 1998. Handleiding veldonderzoek roofvogels. KNVV Uitgeverij. Utrecht. Bos, F., Bosveld, M., Groenendijk, D. van Swaay, C., Wynhoff, I. (2006). Sleedoornpage Thecla betulae. In: Nederlandse Fauna 7 - De dagvlinders van Nederland. KNNV uitgeverij, blz. 148-151. Bouwens, S., 2017. Handreiking kleine marterachtige. Provincie Noord-Brabant, ’s-Hertogenbosch. Wijnandts, H., 2019. Ransuil Asio otus, Pp 348-349 in: Sovon Vogelonderzoek Nederland 2019, Vogelatlas van Nederland. Kosmos Uitgevers, Utrecht/Antwerpen.
Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Buizerd (Buteo buteo) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Kerkuil (Tyto alba) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Kennisdocument Steenuil (Athene noctua)
26
Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288
blomecologie.nl 27