CConstaterende datNunspeet
Koppel je AI →
Document · PDF

12. AP 6a. Bijlagen bij de toelichting Bijlage 9 Quick scan flora en fauna woonwijk

Commissie Ruimte en Wonen 8 april 2024, gemeente NunspeetBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 't Hul Noord en exploitatieplan 't Hul Noord.9.169 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan Wet natuurbescherming ’t Hul Noord te Nunspeet Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming

Colofon

Status:

Definitief

Project:

2023-0037

Datum:

16 maart 2023

Samensteller:

E.M.C. Straathof MSc

Projectleider:

ir. T.W.D. Schrader

Opdrachtgever:

Buro SRO Oost B.V.

Contactpersoon:

S. Hesp

Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.

Inhoud 1 Inleiding

4

1.1

Planlocatie

5

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep

7

2 Methode

10

2.1

Uitvoering onderzoek

10

2.2

Soortenbescherming

10

2.3

Gebiedsbescherming

12

2.4

Houtopstanden

13

2.5

Houdbaarheid en toepassing

13

3 Beoordeling

14

3.1

Soortenbescherming

14

3.2

Gebiedsbescherming

23

3.3

Houtopstanden

25

4 Samenvatting

26

4.1

Soortenbescherming

26

4.2

Gebiedsbescherming

26

4.3

Houtopstanden

27

5 Conclusie

28

5.1

Conclusie

28

5.2

Uitvoerbaarheid

28

5.3

Vervolgstappen

28

5.4

Te treffen maatregelen

29

1 Inleiding Aan de ’t Hul Noord te Nunspeet zijn diverse agrarische percelen en een schuur gesitueerd. De gemeente Nunspeet is voornemens de percelen op de planlocatie samen te voegen ten behoeve van het realiseren van een nieuwbouwwijk met circa 500 tot 600 woningen. De exacte invulling is hiervan niet definitief. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve te worden gewijzigd van ‘Agrarisch’ naar ‘Wonen’. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Buro SRO Oost B.V. begeleidt heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid. Onderzoeksdoelen • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art.

3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?

Figuur 1.1

De planlocatie is gelegen tussen de Hullerweg, Oude Zeeweg en Kolmansweg. Hier de agrarische percelen bezien vanaf de Kolmansweg.

4

1.1

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de ’t Hul Noord te Nunspeet (figuur 1.2 en figuur 1.3). De planlocatie bestaat uit diverse agrarische percelen. De percelen bestaan uit (begraasd) grasland, gescheiden van elkaar door enkele afwateringssloten en houtsingels, bestaande uit bomen en struiken. Op de percelen is één schuur aanwezig die zeer waarschijnlijk gesloopt zal worden (figuur 1.4). In figuur 1.5 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de ’t Hul Noord te Nunspeet, waarbij de te slopen schuur aangeduid is met A.

Figuur 1.3 Luchtfoto van de planlocatie.

5

De directe omgeving van de planlocatie ligt in het buitengebied van Nunspeet en bestaat uit agrarisch graslandschap afgewisseld met diverse recreatieterreinen. De planlocatie grenst aan de westzijde van de wijk Molenbeek te Nunspeet. De bebouwing beperkt zich tot een, waarschijnlijk te slopen, schuur op een van de percelen. Op 2,5 km ten noordwesten ligt het Veluwemeer. Snelweg de A28 ligt op 3 km ten zuiden van de planlocatie.

Figuur 1.4 Op de planlocatie is men voornemens om bovenstaande schuur te slopen.

Figuur 1.5 Fotografische indruk van de omgeving van de planlocatie.

6

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van een nieuwe woonwijk. Voor de planlocatie zijn verschillende structuurmodellen opgesteld, waarbij de keuze is gevallen op structuurmodel ‘Land van Wessinge’ (figuur 1.6). Voor de effectbeoordeling is van belang, dat wordt uitgegaan dat (mogelijk) aanwezige beschermde natuurwaarden in een ‘worst case’-scenario verloren gaan.

Figuur 1.6 Structuurmodel ‘Land van Wessinge’ (bron: Buro SRO Oost B.V.).

7

De functie van het perceel dient te wijzigen van ‘Agrarisch’ naar ‘Wonen’. Onderstaand volgt een korte opsomming van de meest aannemelijke ingrepen en effecten: • • • •

slopen van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; kappen van bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; dempen van sloten: graaf- en dempwerkzaamheden; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

Figuur 1.7

Visuele representatie van de beoogde situatie I (bron: Buro SRO).

8

Figuur 1.8 Visuele representatie van de beoogde situatie II (bron: Buro SRO).

9

2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.

2.1

Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 1 februari 2023 en is uitgevoerd door E.M.C Straathof MSc en ing. D. Bogers. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 8/8 bewolkt, 6 Celsius en windkracht 5 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.

10

5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of

bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Vogelrichtlijn Onder de Vogelrichtlijn zijn alle in gebruik zijnde nesten en broedgevallen van vogels beschermd. Het is van alle vogelsoorten verboden om nesten te beschadigen of te vernielen. Daarnaast gelden onder provinciale aanwijzingen categorieën waarin de nesten en rustplaatsen van specifieke vogelsoorten jaarrond bescherming genieten, dus ook in de periode dat deze niet in gebruik zijn. Rustplaatsen zijn conform de Richtsnoeren van de Europese Commissie gedefinieerd als zijnde essentiële zones voor het bestaan van een dier of groep van dieren wanneer ze niet-actief zijn.

Tabel 2.1

Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd. Vogelsoorten onder categorie 5: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd, indien er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen.

Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4 Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart

Havik Huismus Kerkuil Oehoe

Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk

Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw

Kleine bonte specht Kleine vliegenvanger Koolmees Kortsnavelboomkruiper Oeverzwaluw Pimpelmees Raaf Ruigpootuil Spreeuw

Tapuit Torenvalk Zeearend Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht

Vogelsoorten onder categorie 5 Blauwe reiger Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosuil Brilduiker Draaihals Eidereend

Ekster Gekraagde roodstaart Glanskop Grauwe vliegenvanger Groene Specht Grote bonte specht Hop Huiszwaluw IJsvogel

Provinciale vrijstelling Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11). Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen.

11

In de Omgevingsverordening van de Provincie Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.2

Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland.

Vrijgestelde soorten Aardmuis

Gewone bosspitsmuis

Ondergrondse woelmuis

Bastaardkikker

Gewone pad

Ree

Bosmuis

Haas

Rosse woelmuis

Bruine kikker

Huisspitsmuis

Tweekleurige bosspitsmuis

Dwergmuis

Kleine watersalamander

Veldmuis

Dwergspitsmuis

Konijn

Vos

Egel

Meerkikker

Woelrat

2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Gelders Natuurnetwerk Binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang van het Gelders Natuurnetwerk aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven zijn. Bij aantasting van de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang geldt een compensatieplicht.

Groene Ontwikkelingszone Een nieuwe ontwikkeling in de Groene Ontwikkelingszone is toegestaan als uit onderzoek blijkt dat de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt en de samenhang niet verloren gaat. Deze onderbouwing dient te worden vastgelegd in een versterkingsplan. Weidevogelgebied Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op weidevogelgebied laat de realisatie van een nieuwe windturbine of nieuw zonneveld niet toe. Een andere nieuwe activiteit of ontwikkeling is enkel toegestaan als deze geen nadelige gevolgen heeft voor de functie als broedgebied voor weidevogels. Ganzenrustgebied Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een ganzenrustgebied laat een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als uit onderzoek blijkt dat deze activiteit of ontwikkeling wordt uitgevoerd op een locatie waar de nadelige gevolgen voor de functie als rustgebied voor overwinterende ganzen zoveel mogelijk worden beperkt, en na uitvoering minimaal 500 hectare in het betreffende ganzenrustgebied overblijft.

12

Beschermingszone natte landnatuur Natte landnatuur is natuur die direct afhankelijk is van de grondwatersituatie ter plaatse. Een bestemmingsplan voor gronden gelegen in een beschermingszone natte landnatuur maakt geen functies mogelijk die significant nadelige effecten kunnen hebben op de instandhouding van de natte landnatuur. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven zijn.

2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art.

4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.

13

3 Beoordeling 3.1

Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2013-2023). De planlocatie bestaat uit meerdere agrarische percelen, die in gebruik zijn als grasweides ten behoeve van vee begrazing. Door zowel het vee als agrarische voertuigen worden de percelen intensief gebruikt/onderhouden. De greppels en sloten zijn niet natuurvriendelijk en dichtbegroeid. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: berk, eik, eikvaren, fluitenkruid, hulst, jacobskruiskruid, klimop, paardenbloem, paarse dovennetel, raaigras, ridderzuring en vogelmuur. Op de muren van de geïnspecteerde schuur is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen.

De houtsingels bestaan hoofdzakelijk uit eik en berk, met een ondergroei van hulst en verscheidene varens. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, voor zover deze zichtbaar zijn gedurende de winterperiode. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, bosmuis, bunzing, das, egel, haas, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rode eekhoorn, rosse woelmuis, steenmarter, vos, wezel, woelrat en wolf (NDFF 2013-2023). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, bunzing, das, rode eekhoorn, steenmarter, wezel en wolf. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. Langs het Veluwemeer op een afstand van circa 2,5 km zijn enkele waarnemingen van bevers bekend.

De bever leeft in het overgangsgebied tussen water en land: moerassen, beken, rivieren en meren. De aanwezigheid van goed bereikbare bomen en struiken op de oever is een vereiste voor deze soort. Op de planlocatie ontbreekt het aan deze noodzakelijke habitatvoorwaarden. Derhalve wordt aanwezigheid van de bever op de planlocatie uitgesloten. Kleine marterachtigen zoals de bunzing en de wezel hebben een voorkeur voor een kleinschalig landschap met voldoende dekking en schuilgelegenheid. Daarbij heeft de bunzing een voorkeur voor waterrijke gebieden. De bunzing en wezel worden ook wel in bebouwde omgevingen met voldoende groen aangetroffen (Zoogdiervereniging handleiding kleine marters, 2017). Voor kleine marterachtigen zijn drie zaken van belang: dekking, verbinding en rustplaats. Gezien deze soorten kwetsbaar zijn tijdens het foerageren maken ze veel gebruik van elementen die de soort dekking geven. Voorbeelden hiervan zijn laanvormige bosschages, braamstruwelen, ruige vegetatie, takkenhopen en stenenstapels. Op de planlocatie zijn enkele houtsingels aanwezig welke kleine marterachtigen dergelijke dekking kunnen bieden (zie figuur 3.1).

14

Rust- en verblijfplaatsen voor de bunzing en wezel betreffen voornamelijk oude holen van muizen, ratten en konijnen. Door de grootte van de planlocatie en de dichte begroeiing kan de aanwezigheid van dergelijke holen, en daarmee de aanwezigheid van geschikte rust- en verblijfplaatsen voor de bunzing, niet worden uitgesloten.

Figuur 3.1 Houtsingels (haaks op de Kolmansweg) kunnen beschutting bieden aan marterachtigen. De steenmarter geeft de voorkeur aan kleinschalig parklandschap. De soort wordt met name aangetroffen in, en nabij steden, dorpen en boerderijen. In het bijzonder heeft de steenmarter een voorkeur voor steenachtige biotopen en schuilplaatsen, zoals steengroeven, rotsige hellingen en gebouwen. Daarbij is de aanwezigheid van elementen als groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen die kunnen dienen als foerageer- en jachtgebied van belang. Er is voldoende dekking in de vorm van struiken en takkenhopen voor een mogelijke vaste rustplaats of voorplantingsplaats voor de bunzing, steenmarter en wezel in bovengenoemde houtsingels. Hierdoor kan het voorkomen van de bunzing, steenmarter en wezel en de aanwezigheid van essentieel leefgebied voor kleine marterachtigen niet uitgesloten worden. Er dient aanvullend onderzoek plaats te vinden in de vorm van wildcamera’s en marterboxen in de houtsingels naar het voorkomen van de bunzing, steenmarter en wezel en de functie van de planlocatie (zie H5.3). Het leefgebied van de das bestaat uit hooggelegen en laaggelegen gronden die op korte afstand van elkaar liggen. Dit zijn veelal kleinschalige akker- en weidelandschappen met voldoende bosjes, houtwallen, singels en heggen. Er dient voldoende voedselaanbod en vergraafbare grond aanwezig te zijn.

Daarnaast is een voorwaarde dat het gebied weinig wordt verstoord. De planlocatie betreft diverse grote, intensief gebruikte agrarische percelen die grenzen aan stedelijk gebied. In de afgelopen tien jaar heeft er één waarneming van een das plaatsgevonden in 2018, circa 1,5 km ten zuidwesten van de planlocatie in een meer beschutte omgeving (NDFF 2013-2023). De houtsingels betreffen slechts lichte verhogingen en zijn te smal voor een dassenburcht, hier is ook geen goed vergraafbare grond aanwezige. Hierdoor, en in combinatie met het feit dat er op de planlocatie geen sporen zijn aangetroffen van dassen, wordt geconcludeerd dat de planlocatie geen essentiële gebiedsfuncties heeft voor de das.

15

In de woonwijken rondom de planlocatie zijn rode eekhoorns regelmatig waargenomen (NDFF 20132023). Het voedsel van de rode eekhoorn bestaat met name uit eikels, noten en kegels van naaldbomen. De soort bouwt nesten in bomen. Mits er genoeg voedsel beschikbaar is, komen zij ook voor in de bebouwde omgeving (Zoogdierenvereniging, 2023). Op de planlocatie zelf bieden enkel de houtsingels onvoldoende functioneel leefgebied voor de rode eekhoorn. Het is wel mogelijk dat deze soort bij gelegenheid gebruikt maakt van de houtsingels op de agrarische percelen. Doordat de houtsingels geen verbinding vormen met elkaar, zouden eekhoorns bij het gebruik van het agrarisch gebied, grote gedeelten over de onbeschutte grond moeten verplaatsen. Dit verhoogt het risico op predatie door katten en roofvogels. De beoogde ruimtelijke plannen tasten derhalve geen essentieel leefgebied van de rode eekhoorn aan met het uitvoeren van de beoogde ruimtelijke plannen. Wolven leven in roedels en hebben territorium van 150 tot 350 vierkante kilometer nodig, waar zij jagen op voornamelijk herten en reeën. Wolven zijn zeer gevoelig voor verstoring. Door de afwezigheid van geschikt en onverstoord leefgebied is het voorkomen van leefgebied van de wolf op de planlocatie uitgesloten. Naast bovengenoemde soorten heeft de planlocatie mogelijk ook een functie voor algemene soorten.

Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art. 3.10). Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: bosvleermuis, gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis (NDFF 2013-2023). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4).

Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten, loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats. In de bomen op en nabij de planlocatie zijn geen boomholten of andere potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen aangetroffen. Mogelijk worden (delen van) de houtsingels aangetast bij de ruimtelijke ontwikkeling, maar deze ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. De te slopen loods is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. De gevel en het dak van de loods is gecontroleerd op eventuele openingen en kierende daklijsten die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De loods is opgetrokken uit damwanden en een golfplaten dak.

16

Figuur 3.2 Zijaanzicht van de schuur. Er zijn geen geschikte verblijfplaatsen zoals een open luchtspouw of gevelbetimmering aanwezig. De schuur bestaat uit een gemetselde muur (geen aanwijzingen van een spouwmuur gevonden), en is rondom vrijwel helemaal afgewerkt met metalen damwandplaten. Het dak bestaat uit golfplaten. Vleermuizen hebben ruwe ondergrond nodig om in en uit hun verblijfplaats te kruipen. Door de gladde materiaalkeuze biedt de schuur hiervoor onvoldoende grip aan vleermuizen. Het is daarom uit te sluiten dat de bebouwing op de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Op de planlocatie zijn geen waarnemingen van vleermuizen bekend (NDFF 2013-2023). De aanwezige houtsingels worden onderbroken, waardoor dit geen doorlopende lineaire structuren in het landschap zijn. Van aantasting van essentiële vliegroutes is derhalve geen sprake. De houtsingels en de graslanden bieden wel geschikte foerageermogelijkheden voor vleermuizen. Gezien de grote oppervlakte van de beoogde ontwikkeling kan op voorhand negatieve effecten op vleermuizen niet uitgesloten worden.

In een dergelijk agrarisch landschap wordt de aanwezigheid van gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis verwacht. Derhalve wordt geadviseerd om aanvullend onderzoek naar foerageeractiviteiten van deze soorten vleermuizen uit te voeren (zie H5.3). Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en rugstreeppad (NDFF 2013-2023). Voor de volgende soort geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: de rugstreeppad. Amfibieën leven zowel in een aquatisch als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. De planlocatie bestaat uit agrarische percelen met grasland waar vee op graast. De weilanden worden doorkruist door dichtbegroeide sloten met steile oevers (zie figuur 3.3) en er zijn enkele houtsingels aanwezig. Er treedt verstoring op in de vorm van begrazing van het vee en het gebruik van agrarische voertuigen.

17

Figuur 3.3 Afwateringssloten gelegen binnen de planlocatie. Nabij de planlocatie is er één waarneming van de rugstreeppad bekend in de afgelopen 10 jaar (NDFF 2013-2023). Deze waarneming stamt uit 2020 en ligt circa 2 km ten zuiden van de planlocatie. Momenteel wordt het voorkomen van rugstreeppad op de planlocatie niet verwacht, wegens het ontbreken van functioneel leefgebied in de vorm van vergraafbaar zand, ondiepe poeltjes of geschikte overwinteringslocaties. Door graaf- en bouwwerkzaamheden tijdens het bouwrijp maken van het gebied kunnen er zandige terreinen ontstaan die mogelijk wel geschikt zijn. Echter, gezien de locatie van de waarneming van de rugstreeppad zou deze soort het hele dorp Nunspeet moeten doorkruisen om bij de planlocatie te komen. Op deze route liggen diverse obstakels in de vorm van een dicht wegennetwerk, waaronder de provinciale weg N310, en een spoorlijn. Onder de huidige bekende verspreidingsgegevens wordt kolonisatie door rugstreeppadden niet verwacht. Desondanks wordt, gezien de grootte van de ontwikkeling, geadviseerd om bouwterreinen ongeschikt als voortplantingswater of overwinteringshabitat voor rugstreeppadden te houden. Hiervoor dient het ontstaan van kleine plassen en grote zanddepots te worden voorkomen, dan wel onbereikbaar gemaakt. Kolonisatie van de rugstreeppad gedurende de werkzaamheden wordt dan ook uitgesloten.

Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van de volgende inheemse reptielen bekend: hazelworm en levendbarende hagedis (NDFF 2013-2023). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Van zowel de hazelworm als de levendbarende hagedis geldt dat er in de afgelopen tien jaar één waarneming heeft plaatsgevonden, respectievelijk in 2022 en 2021 (NDFF 2-13-2023). Deze waarnemingen lagen circa 2 km van ten zuiden van de planlocatie. Levendbarende hagedissen komen voor in open bossen, ruige graslanden, bermen en duinen. Ze worden met name aangetroffen op structuurrijke overgangen van droge naar vochtige terreindelen/oevers. Een structuurrijke habitat met daarbinnen zonnige, snel opwarmende plekken in de nabijheid van voldoende dekkingsmogelijkheden is daarbij van belang.

De vaste verblijfplaatsen en functionele leefomgeving bestaat uit een overwinteringshabitat en een zomer/voortplantingshabitat.

18

Levendbarende hagedissen overwinteren boven het grondwaterniveau in onder andere grote graspollen, oude zoogdierholen en onder boomstronken. In de zomer hebben schraal begroeide, naar het zuiden gerichte, en daarmee snel opwarmende, hellingen de voorkeur. Een bodem of bodemlaag met een losse structuur, waarin veel holen gaten zitten, heeft de voorkeur. De hazelworm geeft de voorkeur aan vochtige, dichtbegroeide gebieden. De soort komt onder andere voor in open bossen, bosranden, heide en spoorbermen. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. De planlocatie bestaat voornamelijk uit weilanden in gebruik voor begrazing voor vee, waarop haaks enkele houtsingels staan. Deze houtsingels zijn gefragmenteerd en zijn niet direct verbonden met andere, voor reptielen essentiële leefgebieden. Door de weilanden lopen diverse, sterk begroeide sloten met steile oevers die louter een waterkerende functie hebben. Door de mate van verstoring door vee en agrarische voertuigen en het gebrek aan geschikte, onverstoorde leefgebieden, is het voorkomen van beschermde reptielen op binnen het plangebied uitgesloten. Aantasting van functioneel leefgebied van de levendbarende hagedis en hazelworm op de planlocatie wordt daarom uitgesloten.

Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 20132023). Bij de beoogde dempingswerkzaamheden dienen enkele maatregelen getroffen te worden, zie H5.4. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: grote weerschijnvlinder, sleedoornpage en vliegend hert (NDFF 2013-2023). De teunisbloempijlstaart is niet waargenomen binnen een straal van 2 km in de afgelopen 10 jaar. Echter is de soort de laatste jaren flink in opmars en reikt zijn verspreidingsgebied inmiddels ten zuidoosten van de lijn Rotterdam – Zwolle. Het betreft een zwervende soort waardoor deze lastig waar te nemen is en waarnemingen in de NDFF aannemelijk ontbreken. Derhalve wordt deze soort ook meegenomen in de beoordeling. De teunisbloempijlstaart is voor zijn levenscyclus afhankelijk van onder andere teunisbloemsoorten, met name middelste teunisbloem. Deze planten groeien op zonnige en droge plekken, het liefst op recent omgewerkte bodem.

Doordat de planlocatie voornamelijk bestaat uit intensief gebruikt grasland en enkele dichtbegroeide houtsingels, zijn dergelijke groeiplaatsen op de planlocatie niet aanwezig. Het is derhalve uitgesloten dat de beoogde ruimtelijke ingreep negatieve effecten heeft op de teunisbloempijlstaart. De grote weerschijnvlinder komt met name voor in oudere, vochtige loofbossen en wilgenbroekbossen met waardplanten voor deze soort zoals de boswilg en grauwe wilg. Dergelijk habitat is niet aangetroffen op de planlocatie. Daarnaast is de grote weerschijnvlinder slechts eenmaal waargenomen in 2013 (NDFF, 2013-2023). Aanwezigheid van de grote weerschijnvlinder op de planlocatie wordt daarom uitgesloten. De sleedoornpage is weinig mobiel en vliegt zelden verder dan enkele honderden meters langs een bosrand of struweel. De waardplant van de sleedoornpage is de sleedoorn en enkele andere Prunussoorten. Mogelijk worden (delen van) de houtsingels aangetast bij de ruimtelijke ontwikkeling. Er is geen sleedoorn waargenomen ten tijde van het veldbezoek. Daarbij dient echter opgemerkt te worden, dat niet alle houtsingels toegankelijk en inspecteerbaar waren ten tijde van het veldbezoek. Daarnaast zijn er in een straal van 2 km meerdere waarnemingen van sleedoorn bekend, waarvan de dichtstbijzijnde waarneming op minder dan 200 m ten zuiden van de planlocatie ligt (NDFF 2013–2023).

Door bovenstaande kan niet worden uitgesloten dat er sleedoorn, en mogelijke voortplantingslocaties van sleedoornpage, aanwezig is op de planlocatie. Dit houdt in dat ook de aan- of afwezigheid van geschikt habitat en ei-afzetplaatsen van de sleedoornpage niet kan worden uitgesloten. Derhalve dient

19

voorafgaande aan de beoogde ingreep aanvullend onderzoek plaats te vinden naar de aan- of afwezigheid van de sleedoornpage (zie H5.3). Het vliegend hert is de grootste kever van Nederland. Deze soort wordt voornamelijk waargenomen op de Veluwe, Zuid-Limburg en noord Twente. Voor de ontwikkeling van haar larven, is het vliegend hert afhankelijk van door schimmels aangetast rottend eikenhout. De aanwezigheid van oude, wegkwijnende eiken is daardoor belangrijk voor de soort. Op de planlocatie zijn dergelijke bomen niet aangetroffen. Het voorkomen van het vliegend hert binnen de planlocatie is daardoor uitgesloten. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen, voor zover deze plantensoorten gedurende de winterperiode zichtbaar zijn. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: ekster, heggenmus, kokmeeuw, koolmees, merel, roodborst en spreeuw.

Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels bekend, in de vorm van een recente waarneming uit 2023 van een parende buizerd (NDFF 2013-2023). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing. Voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk van wat de mens hem al dan niet bewust biedt. Deze voedselbron moet continu aanwezig zijn. De huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied. Op plekken waar menselijke bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen zijn meer huismussen dan op plekken waar geen groen aanwezig is (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2022). De enige vorm van bebouwing op de planlocatie betreft een schuur. Deze is gelegen in een sterk onderhouden grasland, zonder geschikte groenstructuren in de directe nabijheid. Huismussen zijn afhankelijk van goede beschutting nabij hun nestlocatie, in verband met predatie door onder andere roofvogels en huiskatten. Door het gebrek aan dergelijke groenstructuren rondom de schuur, kan worden uitgesloten dat deze als nestlocatie wordt gebruikt door de huismus.

Het voorkomen van nestlocaties van huismus op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt mogelijk tot aantasting van (delen van) de houtsingels. Rondom de directe omgeving van de planlocatie zijn echter meer dan voldoende uitwijkmogelijkheden. Aantasting van de houtsingels resulteert derhalve niet in afname van essentieel leefgebied. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Doordat de soort niet direct vanuit zijn nest kan opstijgen, moet hij zich naar beneden kunnen laten vallen. Het nest dient hierdoor een vrije aanvliegroute van minimaal 1 meter breed, en minimaal 3 meter onder de nestopening te bevatten. Hierbij dienen zo min mogelijk belemmerende elementen, zoals bomen, aanwezig te zijn. Voedselvluchten kunnen op vele kilometers (tot wel 1000 km) van het nest plaatsvinden, waardoor het foerageergebied niet nader te definiëren is. Bovenstaande schuur biedt geen geschikte invliegopeningen van voldoende grootte voor de gierzwaluw. Daarnaast is de bebouwing in agrarisch gebied gesitueerd.

Hierdoor kan de aanwezigheid van nestlocaties van de gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden.

20

Figuur 3.4 Te slopen schuur aan de Molenweg. Gedurende het veldbezoek is er een roepende buizerd waargenomen en zijn er mogelijke nesten en sporen aangetroffen van roofvogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied (zie figuur 3.5), waaronder de buizerd, havik en ransuil. Door het open karakter van de planlocatie zijn deze houtsingels aannemelijk voor de sperwer ongeschikt, in verband met predatie door andere roofvogels. De sperwer komt voornamelijk voor in kleinere en jonge bosjes. Echter, er hebben in de afgelopen drie jaar meerdere sperwer waarnemingen plaatsgevonden rondom de planlocatie, waaronder een jagende sperwer (NDFF, 2013-2023). Door bovenstaande maakt de planlocatie mogelijk deel uit van functioneel leefgebied, in de vorm van nest- en rustplaatsen en foerageergebied van roofvogelsoorten. Derhalve dient voorafgaand middels aanvullend onderzoek vastgesteld te worden welke functie de planlocatie heeft voor de volgende in bomen broedende jaarrond beschermde roofvogelsoorten; buizerd, havik, ransuil en sperwer (zie H5.3).

Figuur 3.5 Locatie: houtsingel ter hoogte van de Molenweg. Links: prooirestanten van een duif. Rechts: mogelijk roofvogelnest. In de bebouwing zijn geen sporen van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Daarnaast zijn er ook geen horsten aangetroffen in de bomen op de planlocatie. Echter, er zijn diverse agrarische erven gesitueerd langs de zuidrand van de planlocatie. Gezien het agrarische landschap, en dus voldoende foerageermogelijkheden, op en rondom de planlocatie is er geschikt leefgebied van uilen aanwezig. Op de agrarische erven rondom het plangebied kan sprake zijn van vaste rustplaatsen en nestlocaties. Bij dergelijke locaties is het leefgebied rondom de rustplaats en/of nestplaats van essentieel belang in het functioneren van de rust- of nestplaats. De beoogde ontwikkeling kan door de toevoeging van woongebieden en de afname van agrarisch graslandschap 21

resulteren in het afnemen van leefgebied van uilen. Hierdoor kan de afname van leefgebied mogelijk resulteren in het ongeschikt raken van rustplaatsen of nestplaatsen. Derhalve wordt geadviseerd aanvullend onderzoek uit te voeren om vast te stellen waar rustplaatsen en/of nestplaatsen en het functioneel leefgebied van kerkuil en steenuil aanwezig zijn (zie H5.3). Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Tijdens het veldbezoek zijn enkele kleinere nesten aangetroffen, vooral van houtduif en merel (zie figuur 3.6).

Figuur 3.6 Er zijn kleine nesten aangetroffen binnen de planlocatie. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen kap- en sloopwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

22

3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 2,2 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Veluwerandmeren’ en op een afstand van circa 1,5 km ligt het Natura 2000gebied ‘Veluwe’ (figuur 3.7).

Figuur 3.7 De planlocatie ligt op een afstand van circa 2,2 km tot het Natura 2000-gebied ‘Veluwerandmeren’ en op een afstand van circa 1,5 km tot het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van een woonwijk. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de bouwfase kan er een tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. Per 2 november 2022 geldt dat de algemene bouwvrijstelling onbruikbaar is en dat activiteiten van de bouwsector onderdeel moeten zijn van de beoordeling.

Gezien de geringe afstand (1,5 km) tussen het plangebied en de Natura 2000-gebied ‘Veluwe’, de omvang van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling en de stikstofgevoeligheid van het Veluwegebied, wordt geadviseerd om een berekening met de AERIUS-Calculator uit te voeren. Hiermee kan inzichtelijk gemaakt worden of er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Gelders Natuurnetwerk, Groene Ontwikkelingszone, Weidevogelgebied, Ganzenrustgebied of Beschermingszone natte landnatuur. Op een afstand van circa 1,3 km ligt het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 450 m ligt de Groene Ontwikkelingszone (figuur 3.8). Op een afstand van circa 1 km ligt Weidevogelgebied (figuur 3.9). Ganzenrustgebied is gelegen op een afstand van circa 9,5 km van de 23

planlocatie (geen kaartmateriaal vervaardigd). Op een afstand van circa 3,5 km ligt de Beschermingszone natte landnatuur (geen kaartmateriaal vervaardigd). Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.

Figuur 3.8 De planlocatie ligt op een afstand van circa 450 m tot de Groene Ontwikkelingszone en 1,3 km tot de Groene Ontwikkelingszone (bron: gldanders.planoview.nl).

Figuur 3.9 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1 km tot het weidevogelgebied (bron: gldanders.planoview.nl).

24

3.3 Houtopstanden Wet natuurbescherming In de beoogde ingreep zijn mogelijke kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht en herplantplicht in het kader van Wnb is derhalve noodzakelijk. Algemene Plaatselijke Verordening Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.

25

4 Samenvatting 4.1

Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de volgende soorten of soortgroepen: jaarrond beschermde in bomen broedende roofvogels (buizerd, havik en ransuil), uilen (kerkuil en steenuil), marterachtigen (bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel) en sleedoornpage. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tabel 4.1

Overzicht van de Soortenbescherming.

Soortgroep

Bescherming Wnb

Soortspecifiek onderzoek

art. 3.10

Ja

Mogelijke functie planlocatie

Planten Grondgebonden zoogdieren Bunzing

Ja

Vaste rust- en voortplantingsplaats

Hermelijn

Ja

Vaste rust- en voortplantingsplaats

Steenmarter

Ja

Vaste rust- en voortplantingsplaats

Wezel Vleermuizen

Ja

Vaste rust- en voortplantingsplaats

art. 3.5

Ja

Foerageergebied

art. 3.10

Ja

Voortplantingsplaatsen

Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Sleedoornpage Vogels (cat. 1 t/m 4)

Ja

Buizerd

Ja

Nestlocaties/foerageergebied

Ja

Nestlocaties/foerageergebied

Sperwer

Ja

Nestlocaties/foerageergebied

Ransuil

Ja

Nestlocaties/foerageergebied

Kerkuil

Ja

Foerageergebied

Steenuil

Ja

Foerageergebied

Havik

art. 3.1

Vogels (Algemeen en cat. 5)

4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden. Dit kan middels de AERIUS-Calculator. Tabel 4.2

Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.

Gebiedsbescherming

Afstand

Mogelijke effecten

Nader onderzoek

Natura 2000 Gelders Natuurnetwerk Groene Ontwikkelingszone Belangrijk weidevogelgebied Ganzenrustgebied Beschermingszone natte landnatuur

1,5 km 1,3 km 450 m 1 km 9,5 km 3,5 km

Stikstof Geen Geen Geen Geen Geen

AERIUS N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t.

26

4.3 Houtopstanden Op de planlocatie zijn houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

27

5 Conclusie 5.1

Conclusie De beoogde realisatie van een woonwijk aan ’t Hul Noord te Nunspeet is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

5.2 Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Er dienen enkele algemene maatregelen te worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de planlocatie een relevante functie heeft voor roofvogels (soortenbescherming), uilen, marterachtigen en sleedoornpage. Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Wegens het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.

Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een berekening door middel van de AERIUS-Calculator uitgevoerd te worden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.

5.3 Vervolgstappen • Er dient aanvullend onderzoek naar marterachtigen uitgevoerd te worden om vast te stellen of het plangebied deel uitmaakt van het functioneel leefgebied. Ten aanzien van de bunzing en steenmarter wordt het gebruik van cameravallen geadviseerd. Voor kleinere marterachtigen als hermelijn en wezel wordt geadviseerd om een cameraval te plaatsen in een marterbox. Ten tijde van de actieve periode, respectievelijk maart – augustus, dienen de cameravallen minsten zes weken in het gebied te worden geplaatst. Buiten de actieve periode dienen de cameravallen minsten twaalf weken geplaatst te worden. • Er dient aanvullend onderzoek naar foerageergebieden van vleermuizen uitgevoerd te worden om vast te stellen of mogelijke aantasting van groenstructuren resulteren in het beschadigen van vleermuisverblijfplaatsen. Dit kan worden uitgevoerd door middel van twee veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september. • Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient aanvullend onderzoek naar de volgende jaarrond beschermd in bomen broedende vogels uitgevoerd te worden: buizerd, havik, ransuil en sperwer. Dit kan middels vier veldbezoeken in de periode februari tot en met augustus. • Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd naar de steenuil en de kerkuil.

Dit kan worden uitgevoerd door middel van drie veldbezoeken in de periode februari tot en met april. • Ten aanzien van de sleedoornpage dient aanvullend onderzoek plaats te vinden middels het zoeken naar eieren in de periode januari-april.

28

• Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Dit kan middels de AERIUS-Calculator.

5.4 Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De beoogde dempwerkzaamheden leiden niet tot aantasting van functioneel leefgebied van beschermde vissoorten. Tijdens de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met de Algemene zorgplicht.

De dempwerkzaamheden dienen in één werkrichting worden uitgevoerd om aanwezige vissen voldoende uitwijkmogelijkheden te bieden. • De kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.

29

Bronvermelding Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Bever (Castor fiber) Kennisdocument Buizerd (Buteo buteo) Kennisdocument Das (Meles meles) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) Kennisdocument Levendbarende hagedis (Zootoca vivipara) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.gelderland.maps.arcgis.com www.gldanders.planoview.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.pzh.maps.arcgis.com www.ravon.nl www.vlinderstichting.nl www.zoogdiervereniging.nl

Bijlage 1 Bijlage 2

Fotografische impressie Vervolgstappen Wet natuurbescherming soortenbescherming

30

Bijlage 1

Fotografische impressie

Figuur 1

De planlocatie (bezien vanaf de Molenweg) is gelegen aan ’t Hul Noord te Nunspeet en bestaat uit diverse agrarische percelen. De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van een nieuwe woonwijk.

Figuur 2

De planlocatie bezien vanaf de Hullerweg.

31

Figuur 3

Zicht op een van de houtsingels.

Figuur 4

De weilanden worden van elkaar gescheiden door diverse afwateringssloten (I).

32

Figuur 5

De weilanden worden van elkaar gescheiden door diverse afwateringssloten (II).

Figuur 6

Bomenrij op een van de weilanden ter hoogte van de Hullerweg. 33

Figuur 7

Zicht op een van de boerderijen aan de zuidkant van de planlocatie.

Figuur 8

Weiland, begraasd door schapen.

34

Figuur 9

Nabij de planlocatie ligt de lokale landwinkel.

Figuur 10

Zicht op de Kolmansweg in westelijke richting.

35

Bijlage 2 Vervolgstappen Wnb Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.

36

Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De voorwaarden zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4). Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a) er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b) zij is nodig: 1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora of fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of 6. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; c) de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13929727/1