10. AP 6 Bijlagen bij de toelichting Bijlage 7 M.e.r.-beoordelingsnotitie
Tekst van het document
M.e.r.-beoordelingsnotitie ’t Hul Noord, Nunspeet Gemeente Nunspeet
M.e.r.-beoordelingsnotitie ’t Hul Noord, Nunspeet
1
Gegevens over het document: Documentnaam: Datum: Projectnummer Buro SRO:
M.e.r.-beoordelingsnotitie ’t Hul Noord, Nunspeet 13-2-2024 24.10.25
Gegevens projectbetrokkenen: Opdrachtgever:
Gemeente Nunspeet
Gegevens Buro SRO: Projectleider Buro SRO: Bezoekadres vestiging Arnhem Telefoon E-mail: Internet:
Dhr. L. Arends Sweerts de Landasstraat 50 6814 DG te Arnhem 026 – 35 23 125 arnhem@buro-sro.nl www.Buro-SRO.nl
M.e.r.-beoordelingsnotitie ’t Hul Noord, Nunspeet
2
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1
Inleiding ................................................................................................................................. 5
1.1
Aanleiding .............................................................................................................................................. 5
1.2
Ligging plangebied ................................................................................................................................. 5
1.3
Leeswijzer .............................................................................................................................................. 5
Hoofdstuk 2
Wettelijk kader ...................................................................................................................... 6
2.1
Algemeen ............................................................................................................................................... 6
2.2
Toetsing Besluit milieueffectrapportage ............................................................................................... 7
2.3
Algemeen beoordelingskader ................................................................................................................ 7
Hoofdstuk 3
Beschrijving potentiele effecten .............................................................................................. 8
3.1
Algemeen ............................................................................................................................................... 8
3.2
Bodemkwaliteit...................................................................................................................................... 8
3.3
Luchtkwaliteit ........................................................................................................................................ 8
3.4
Geluidhinder .......................................................................................................................................... 8
3.5
Externe veiligheid .................................................................................................................................. 8
3.6
Milieuzonering ....................................................................................................................................... 8
3.7
Geur ....................................................................................................................................................... 9
3.8
Water ..................................................................................................................................................... 9
3.8
Ecologische waarden ............................................................................................................................. 9
3.9
Cultuurhistorische en archeologische waarden .................................................................................... 9
Hoofdstuk 4
M.e.r.-beoordeling ................................................................................................................ 11
4.1
Beoordeling ......................................................................................................................................... 11
4.2
Conclusie.............................................................................................................................................. 11
M.e.r.-beoordelingsnotitie ’t Hul Noord, Nunspeet
3
M.e.r.-beoordelingsnotitie ’t Hul Noord, Nunspeet
4
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
De vraag naar woningbouw is de afgelopen jaren toegenomen, zo ook in de gemeente Nunspeet. Om een bijdrage te leveren aan het invullen van de woonbehoefte is in de Structuurvisie 't Hul Noord, die op 27 mei 2021 is vastgesteld, de locatie 't Hul-Noord is aangewezen om tot woongebied te ontwikkelen. Het voornemen van de gemeente is om maximaal 750 woningen, een school en ondersteunende voorzieningen te realiseren. Het nieuwe woongebied zal ontsloten worden door een nieuwe bovenlokale ontsluiting via de Bovenweg. Voor deze ontwikkeling wordt een bestemmingsplan opgesteld. Dit plan blijft (ver) onder de drempel van 100 hectare en 2000 woningen (Besluit m.e.r. bijlage D11.2) en een wegtracé van 5 km (Besluit m.e.r. bijlage D1.2). Dit plan betreft een besluit dat de ontwikkeling mogelijk maakt van een stedelijk ontwikkelingsproject inclusief een wegverlegging dat wordt genoemd in bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) waardoor in het kader van de Wet milieubeheer dient te worden beoordeeld of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen zijn. Voorliggende m.e.r.-beoordelingsnotitie beschrijft de effecten van het initiatief op het milieu en geeft aan of er belangrijke nadelige milieugevolgen op (kunnen) treden.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied wordt begrensd door de wegen Kolmansweg, Hullerweg/Molenweg en Oude Zeeweg. Daarnaast is een deel van de Bovenweg onderdeel van het plangebied. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.
Ligging plangebied (bron: openstreetmaps.org)
1.3
Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk is in hoofdstuk 2 het wettelijk kader gegeven en wordt het plan getoetst aan het Besluit m.e.r.. Vervolgens worden in hoofdstuk 3 de mogelijke effecten van de ontwikkeling op het milieu beschreven. In hoofdstuk 4 is vervolgens de m.e.r.-beoordeling opgenomen.
M.e.r.-beoordelingsnotitie ’t Hul Noord, Nunspeet
5
Hoofdstuk 2 2.1
Wettelijk kader
Algemeen
Voor activiteiten die belangrijke milieugevolgen kunnen hebben, is het verplicht een milieueffectrapportage (m.e.r.) uit te voeren en een Milieu Effect Rapport (MER) te maken op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Hiermee krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. De m.e.r. onderzoekt de milieugevolgen van een plan of een besluit en (milieuvriendelijker) alternatieven. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wm. Naast de Wm is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Een plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig in een van de volgende situaties: in het Besluit milieueffectrapportage, artikel 7.4 bijlagen C en D zijn activiteiten aangewezen waarvoor direct een m.e.r.-plicht geldt; een m.e.r.-plicht kan volgen uit een passende beoordeling in het kader van de Wet Natuurbescherming; op grond van de provinciale milieuverordening kunnen aanvullend op het Besluit m.e.r. activiteiten worden aangewezen waarvoor een m.e.r.-plicht geldt. Een m.e.r.-plicht kan dus ontstaan alleen op grond van het feit dat er een passende beoordeling moet worden gemaakt, ongeacht de uitkomst daarvan.
Dit kan ertoe leiden dat een milieueffectrapportage gemaakt moet worden voor een plan waarvan uit een voorafgaande passende beoordeling al is gebleken dat aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten. Omdat dit ongewenst is, is er in artikel 7.2a lid 2 Wm een uitzondering opgenomen, namelijk voor categorieën van gevallen waarin sprake is van kleine gebieden en kleine wijzigingen die geen aanzienlijke milieueffecten hebben. Deze uitzondering is uitgewerkt in een nieuw artikel 3 van het Besluit milieueffectrapportage (per 1812-2020). Hierin wordt de mogelijkheid gecreëerd om voor twee specifieke situaties door middel van een m.e.r.-beoordeling te concluderen dat geen plan-m.e.r. hoeft te worden opgesteld. De eerste situatie betreft een plan dat het gebruik bepaalt van een klein gebied. Hiervoor moet dan worden voldaan aan drie eisen: gemeente moet bevoegd gezag zijn; het plan moet zien op een omvang van het grondgebied van de gemeente dat klein is in verhouding tot het totale grondgebied van de gemeente; het bevoegd gezag heeft beoordeeld of het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.
De tweede situatie betreft kleine wijzigingen van een plan waarvan het bevoegd gezag heeft beoordeeld dat die geen aanzienlijke milieueffecten hebben (dit moet worden bezien in de context van het plan en ook moet de mate van waarschijnlijkheid dat de wijziging leidt tot aanzienlijke effecten worden betrokken). Bij het uitvoeren van de m.e.r.-beoordeling kan de informatie over natuur gebruikt worden of worden verwezen naar de passende beoordeling. Als uit de m.e.r.-beoordeling volgt dat er geen aanzienlijk milieueffecten zijn, vervalt de plan-m.e.r.-plicht (uiteraard alleen als er op andere aspecten ook geen nadelige effecten zijn). Het bestemmingsplan kan met passende beoordeling en zonder plan-m.e.r. worden vastgesteld. Als aanzienlijk milieueffecten niet zijn uitgesloten volgt een plan-m.e.r. en moet er een milieueffectrapportage (MER) worden gemaakt.
M.e.r.-beoordelingsnotitie ’t Hul Noord, Nunspeet
6
2.2
Toetsing Besluit milieueffectrapportage
Een aantal activiteiten op kleinere schaal zijn m.e.r.-beoordelingsplichtig als een indicatieve drempelwaarde uit bijlage D wordt overschreden. Ook als de drempelwaarden niet worden overschreden kan in overleg worden bekeken of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling, omdat er mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: 1. het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; 2. het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht waarna het dan m.e.r.-beoordelingsplichtig is. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht maar direct de (plan-)m.e.r.-plicht; 3. het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een kaderstellend plan).
Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; 4. de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
2.3
Algemeen beoordelingskader
In lijn met 'Bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten' dient bij de beoordeling van de milieueffecten ingegaan te worden op: Kenmerken van het project. Bij een overweging van de kenmerken van het project zijn de volgende criteria van belang: de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten, gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder, het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering en risico's voor de menselijke gezondheid. Plaats van het project De mate van kwetsbaarheid van het milieu van gebieden waarop het project invloed heeft is afhankelijk van de volgende criteria: het bestaande grondgebruik, relatieve rijkdom aan de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied en het opnamevermogen van het natuurlijke milieu met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden op basis van ecologie, landschappelijke, archeologische en cultuurhistorische waarden en wateraspecten. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Kenmerken van de potentiële effecten.
De potentiële effecten van het project worden bepaald door de kenmerken en plaats van het project, in samenhang met de volgende criteria: de orde van grootte, het ruimtelijk bereik, de aard, het grensoverschrijdend karakter, de intensiteit en complexiteit, de waarschijnlijkheid en de verwachte duur, frequentie en omkeerbaarheid van de effecten. Daarnaast kunnen ook de cumulatie van effecten met effecten van andere projecten en de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen in overweging worden genomen.
M.e.r.-beoordelingsnotitie ’t Hul Noord, Nunspeet
7
Hoofdstuk 3 3.1
Beschrijving potentiele effecten
Algemeen
Om het plan te beoordelen zoals het bestemmingsplan dat mogelijk maakt, wordt in lijn met het kader als beschreven in par. 2.3 in deze paragraaf ingegaan op de verschillende milieuaspecten die van belang zijn voor de m.e.r.-beoordeling.
3.2
Bodemkwaliteit
Het bestemmingsplan maakt geen functies mogelijk die een potentieel risico voor de bodemkwaliteit ter plaatse en/of de omgeving kan vormen. Ten behoeve van de bouwwerkzaamheden zal conform de eisen van het Besluit Bodemkwaliteit gewerkt worden waarmee alleen grond met de juiste milieuhygiënische kwaliteit wordt gebruikt. Negatieve effecten op de bodemkwaliteit als gevolg van het plan zijn dan ook uit te sluiten.
3.3
Luchtkwaliteit
Het bestemmingsplan maakt de realisatie van maximaal 750 woningen, een school en kleinschalige buurtfuncties mogelijk. Daarnaast wordt de Bovenweg gereconstrueerd. Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%, 1.500 woningen). 1.500 woningen zorgen gezamenlijk (uitgaande van gemiddeld 8 verkeersbewegingen per dag per woning) voor 12.000 verkeersbewegingen per dag, terwijl de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt conform het uitgevoerde verkeersonderzoek (bijlage bij de toelichting van het bestemmingsplan) zorgt voor 5.300 extra verkeersbewegingen per weekdag en 5.800 per werkdag. Daarmee is op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project te concluderen dat dit project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De herstructurering van de Bovenweg zorgt er voor dat verkeersstromen anders gaan rijden, echter niet in dermate grote aantallen/afstanden dat dit zorgt voor een bijdrage aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Significante effecten op de luchtkwaliteit in het plangebied en de omgeving zijn dan ook uit te sluiten.
3.4
Geluidhinder
In het kader van het bestemmingsplan is onderzocht of de toename van verkeersbewegingen vanwege het initiatief en de verlegging van de Bovenweg leidt tot geluidhinder op bestaande omliggende woningen. In het onderzoek (bijlage bij de toelichting van het bestemmingsplan) is geconcludeerd dat de toename van geluidhinder door wegverkeer op één woning te hoog is. Deze woning krijgt echter via een aparte procedure een andere bestemming voor een niet-geluidsgevoelige functie. Voor enkele andere omliggende woningen is geconcludeerd dat de toename van geluidhinder door wegverkeer weliswaar aanwezig is, maar dat deze toename als niet significant beoordeeld wordt. Hiermee is er geen sprake van significant negatieve effecten voor de omgeving wat betreft geluidhinder.
3.5
Externe veiligheid
Het plan maakt geen risicobronnen mogelijk die extra risico op rampen/ongevallen voor de omgeving met zich mee kunnen brengen.
3.6
Milieuzonering
Met het bestemmingsplan wordt het oprichten van een inrichting volgens de Wm mogelijk gemaakt (de school). Voor de school geeft de VNG een richtafstand van 30 meter op basis van het aspect geluid. Voor de ondersteunende wijkfuncties die binnen hetzelfde bestemmingsvlak Maatschappelijk zijn toegestaan wordt geen grotere richtafstand gegeven. Binnen 30 meter van het bestemmingsvlak Maatschappelijk zijn geen bestaande woningen aanwezig. De buurtfuncties die dit plan mogelijk maakt vallen onder milieucategorie 1, waarvoor de VNG een richtafstand van 10 meter geeft. De buurtfuncties liggen middenin de nieuwe wijk en daarmee op ruim voldoende afstand van bestaande woningen.
M.e.r.-beoordelingsnotitie ’t Hul Noord, Nunspeet
8
De horecafunctie valt ook onder milieucategorie 1 met een bijbehorende richtafstand van 10 meter. Binnen 10 meter van de locatie waar horeca is toegestaan zijn geen bestaande woningen aanwezig.
3.7
Geur
Onderdeel van het plan is het stoppen van de veehouderij aan de Oude Zeeweg 2, wat zorgt voor een positief effect op de geurbelasting in het plangebied en de omgeving. Het plan maakt geen nieuwe functies mogelijk die voor geurbelasting voor de omgeving zorgen.
3.8
Water
In het plangebied bevindt zich in de huidige situatie een beduikerde watergang (de Hullerbeek). Met voorliggend plan wordt weer zichtbaar gemaakt. Hemelwater wordt binnen het plan geborgen. Door het natuurlijke verloop van water en met behulp van de watergang wordt het water in de landschapszone aan de noordzijde van het plan geborgen. Op deze manier veroorzaakt het plan geen wateroverlast de omgeving. Op basis van voorstaande kan geconcludeerd worden dat het effect van het plan op de waterhuishouding beperkt is.
3.8
Ecologische waarden
Gebiedsbescherming In de omgeving van het plangebied is het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Veluwe'. Dit gebied ligt aan de zuidzijde van het plangebied op circa 1,5 kilometer afstand van het plangebied. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een Quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd (bijlage bij de toelichting van het bestemmingsplan), waarin is ingegaan op de effecten op beschermde natuurgebieden. Gezien de omvang van de ontwikkeling en de afstand van de toekomstige nieuwe functies tot het te beschermen gebied, kan het optreden van significante negatieve effecten op het gebied van licht, trillingshinder, geluid, etc. worden uitgesloten. Om het effect van stikstofuitstoot door het plan te bepalen is een voortoets stikstofdepositie uitgevoerd (bijlage bij de toelichting van het bestemmingsplan). Hieruit blijkt dat er na intern salderen geen sprake is van een bijdrage aan stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/j op Natura 2000-gebied. Daarmee is er ook wat betreft stikstof geen sprake van negatieve effecten op Natura 2000-gebied. Soortenbescherming Er zijn als gevolg van het initiatief geen wezenlijke effecten op beschermde soorten in de omgeving of het plangebied te verwachten. In een boom op het perceel Kolmansweg 15, aan de rand van het plangebied, is een nestlocatie van de ransuil aangetroffen.
Als binnen 50 meter van de nestlocatie niet wordt gebouwd is er geen sprake van verstoring voor de ransuil en is geen ontheffing Wnb nodig. Om te borgen dat binnen 50 meter van de nestlocatie niet wordt gebouwd is in de regels van het bestemmingsplan een bouwverbod opgenomen in deze zone. Uit de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat voor geen van de aangetroffen of te verwachten soorten negatieve effecten te verwachten zijn. Voor de uitvoering van het plan is geen ontheffing in het kader van de Wnb noodzakelijk.
3.9
Cultuurhistorische en archeologische waarden
Het plangebied bevindt zich binnen een molenbiotoop. Ten noordoosten van het plangebied is op korte afstand Molen de Duif aanwezig. Om de windvang van de molen te waarborgen, is er regelgeving van kracht die de hoogtes bepaalt van nieuw op te richten bebouwing in de omgeving van de molen. In het bestemmingsplan zijn regels opgenomen waarmee het voldoen aan de maximale bouwhoogte vanwege de molenbiotoop is geborgd. Daarmee is de windvang van de molen en daarmee cultuurhistorische waarde gewaarborgd. De Rug van Wessinge ligt ten noorden van het plangebied en is een fraai voorbeeld van een lengteduin uit de laatste koude periode, gelegen aan de rand van de Veluwe. Deze wordt met voorliggend plan niet aangetast. In het ontwerp van het plan is bovendien rekening gehouden met het cultuurhistorische landschap van broekontginningen en strookkampen in het plangebied.
M.e.r.-beoordelingsnotitie ’t Hul Noord, Nunspeet
9
Verder zijn er in de omgeving van het plangebied geen andere cultuurhistorisch waardevolle objecten en/of gebieden aanwezig waar het plan een effect op kan hebben.
M.e.r.-beoordelingsnotitie ’t Hul Noord, Nunspeet
10
Hoofdstuk 4 4.1
M.e.r.-beoordeling
Beoordeling
Op basis van de beoordeling van de verschillende haalbaarheidsaspecten in relatie tot dit project zoals opgenomen in de voorgaande paragraaf, kan een conclusie worden getrokken over de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten. Kenmerken van het project Het betreft een plan met een beperkte omvang. Dit gezien de schaal en oppervlakte van het plan in relatie tot de omvang van de kern en de gemeente Nunspeet. Cumulatie met andere projecten is niet aan de orde, in de omgeving van het plangebied zijn geen ontwikkelingen bekend die een dusdanige omvang hebben dat ze in cumulatie met dit plan een mogelijk negatief effect kunnen hebben op het milieu. In het plangebied zijn geen natuurlijke hulpbronnen aanwezig die door het plan beperkt of aangetast worden Het plan leidt enkel huishoudelijk afval en bedrijfsafval vanuit de school. Het produceren van bijzondere afvalstoffen die kunnen leiden tot een milieueffect is niet aan de orde, dit geldt ook voor verontreinigingen en hinder zoals deze in hoofdstuk 3 zijn behandeld. Ook is er gezien de aard van het plan geen verhoogd risico voor de menselijke gezondheid omdat het plan het gebruik van risicovolle stoffen en/of technologieën niet mogelijk maakt. Plaats van het project Op dit moment wordt het plangebied gebruikt als agrarische grond, een agrarisch bedrijf, groenstroken en een weg.
Het gehele plangebied wordt intensief gebruikt en/of beheerd. Er is geen sprake van bestaande natuurlijke hulpbronnen in het plangebied die worden aangetast. Zoals beschreven in hoofdstuk 3 ligt het plangebied buiten gebieden met gevoelige ecologische, archeologische waarden. Het plangebied bevindt zich wel binnen de invloedssfeer van een molen, de zogenoemde molenbiotoop. Binnen het plan is hiermee rekening gehouden door het opnemen van maximale bouwhoogtes, waarmee de cultuurhistorische waarden (voldoende windvang) behouden blijven. Daarmee wordt uitgesloten dat negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden optreden. Daarnaast zijn er gevoelige landschappelijke waarden in het plangebied en de omgeving aanwezig (Rug van Wessinge, broekontginningen en strookkampen), echter is het plan zo ontworpen dat er geen sprake is van significant negatieve effecten op deze landschapswaarden. Kenmerken van de potentiële effecten Met het plan worden woningen, een school en buurtfuncties mogelijk gemaakt, deze worden voor permanent gebruik gerealiseerd en zijn niet van tijdelijke aard. Hetzelfde geldt voor de reconstructie van de Bovenweg. Het betreffen hier functies met een zeer beperkte uitstraling naar de omgeving. Zoals uit hoofdstuk 3 blijkt hebben deze functies geen significant negatief effect op het milieu en de aanwezige waarden in het gebied en de omgeving.
Belangrijke nadelige effecten voor het milieu kunnen daarmee worden uitgesloten.
4.2
Conclusie
Uit het voorgaande beoordeling blijkt dat het plan een beperkte omvang, niet in een kwetsbaar gebied ligt en geen ontwikkeling mogelijk maakt waarbij belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Verder onderzoek in het kader van het Besluit milieueffectrapportage is niet nodig: er wordt afgezien van het doorlopen van een Plan-m.e.r. procedure. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Verder onderzoek in het kader van het Besluit milieueffectrapportage is niet nodig: het plan is niet m.e.r.-plichtig.
M.e.r.-beoordelingsnotitie ’t Hul Noord, Nunspeet
11
M.e.r.-beoordelingsnotitie ’t Hul Noord, Nunspeet
12
M.e.r.-beoordelingsnotitie ’t Hul Noord, Nunspeet
13
M.e.r.-beoordelingsnotitie ’t Hul Noord, Nunspeet
14