Wettenseind ong - Bijlage Toelichting 7 Archeologisch veldonderzoek
Tekst van het document
Deze grondverbeteringslaag (S.1500; op circa 15,10 cm +NAP) bevindt zich direct boven het dekzand. Bovenop de grondverbeteringslaag ligt de moderne bouwvoor (S.1000; op circa 15,30 cm +NAP). De bodem ter hoogte van de overgang van de grondverbeteringslaag naar het dekzand te zijn omgespit (figuur 4). Dit kan zijn veroorzaakt door de grondverbeteringsactiviteiten in het plangebied. In werkput 2 is de bodemopbouw vrijwel identiek aan die van werkput 1. De grondverbeteringslaag is hier echter sporadisch aanwezig: de bouwvoor ligt hier dikwijls direct op het dekzand. De verstoring is met name aan de oostkant van de put gesitueerd. Hier is een kijkgat gemaakt (14,10 cm +NAP), waarna kon worden geconcludeerd dat de verstoring (de moderne bouwvoor die hier door de gehele bodem is geroerd) erg diep reikt; tot onder de maximale diepte van het kijkgat. Deze verstoringen kunnen wellicht worden verklaard door de functie van het plangebied in de jaren ’20 als boomgaard. Het planten en rooien van bomen kan hebben geleid tot bodemverstoringen. De wortels van de groeiende bomen roeren de bodem (bioturbatie) en het daaropvolgende rooien van de bomen zorgt ervoor dat delen van de bodem worden verplaatst en geroerd. De gehele westelijke helft van werkput 3 is verstoord, maar de bodemopbouw in het oosten van werkput 3 is intact.
Net als in de voorgaande twee werkputten bestaat de top van de bodemopbouw hier uit een moderne bouwvoor, met daaronder een grondverbeteringslaag bovenop het dekzand. Hier loopt enkel een forse (sub)recente sloot (S.999) door de put. Deze sloot is waarschijnlijk ingegraven in een oudere sloot (S.8). In de recente sloot zijn stukken keramiek gevonden uit de jaren ’30 van de 20e eeuw. Zie bijlage 4 voor de veldtekeningen en bijlage 5 voor de uitgebreide beschrijving van de lagen. 3.
Wat is de aard, diepteligging, samenhang en spreiding van de aanwezige archeologische resten, grondsporen en structuren (horizontaal en verticaal)? Tijdens het proefsleuvenonderzoek is één vlak aangelegd in de top van het dekzand. De paal- en kuilsporen zijn allen aangetroffen in het vlak. Ook is in dit vlak de recente sloot (S.999) en de oudere greppel (S.8) zichtbaar. De kuilsporen en greppel bevinden zich in het noordwesten van het plangebied, en de paalsporen zijn aangetroffen in het oosten. Van het vondstmateriaal kan alleen het Elmpt-aardewerk enigszins nauwkeurig worden gedateerd. Het aantreffen van Elmpt-aardewerk zou kunnen betekenen dat het plangebied teruggaat tot de eerste historische vermeldingen van Opwetten, in het begin van de 14e eeuw, of misschien zelfs daarvoor. Tevens zou het plangebied op basis van de aard van de sporen en vondsten onderdeel kunnen zijn geweest van het erf van de Opwettense watermolen. De bodem in het plangebied is echter zodanig verstoord dat op basis van het 37
proefsleuvenonderzoek geen eenduidig beeld van de opbouw, het gebruik en de datering van dit erf kan worden geschetst. 4.
Wat is de datering van de archeologische resten op basis van (chrono-)stratigrafie en typochronologie? En in hoeverre is er sprake van (dis-)continuïteit in gebruik/bewoning? De archeologische resten kunnen worden gedateerd van de Late Middeleeuwen tot de Nieuwe tijd (zie hierboven). Tussen de fragmenten Elmpt-aardewerk en de overige keramiekfragmenten zit een grote chronologische breuk. Op basis hiervan kan (voorzichtig) worden gesteld dat het plangebied in gebruik was tussen de 12e en 14e eeuw, waarna het pas weer werd gebruikt/bewoond in de 18e eeuw – na de bouw van de Opwettense watermolen. De sporen zijn echter zodanig gering dat op basis hiervan geen uitspraak kan worden gedaan over de (dis-)continuïteit in gebruik/bewoning van het plangebied. 5.
Welke categorieën vondstmateriaal zijn aanwezig en in welke mate (ook in relatie tot elkaar)? Wat zegt de aard en mate van voorkomen van het vondstmateriaal over het gebruik van het plangebied in het verleden? Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn in totaal 35 keramiekfragmenten aangetroffen. Er zijn geen vondsten uit andere categorieën verzameld. Van deze 35 fragmenten zijn er 5 afkomstig uit werkput 3, en 30 uit werkput 1. Werkput 2 heeft geen vondsten opgeleverd. Het grootste deel van het aardewerk dat is verzameld tijdens het proefsleuvenonderzoek is aangetroffen in de grondverbeteringslaag (S.1500). In totaal zijn er drie fragmenten industrieel wit aangetroffen. Het betreft 1 groot fragment van een bord (VNR6), afkomstig uit S.999 van werkput 3. Het stempel op de onderzijde is nog zichtbaar en leest: “P. Regout Maastricht, Anno 1836”. De twee andere fragmenten zijn aangetroffen in S.1000 van werkput 1 en zijn afkomstig van hetzelfde stuk aardewerk. De fragmenten zijn gedecoreerd met een patroon van rode en groene lijnen (VNR3). Al deze scherven dateren uit de Nieuwe tijd. De overige vier fragmenten uit werkput 3 zijn aangetroffen in de sporen. Zo zijn er drie fragmenten Elmptaardewerk verzameld uit S.8 (VNR5; figuur 9). De fragmenten passen aan elkaar en vormen samen de bodem van een grote pot of kom met een zogenaamde ‘Wellenfuβ’ of ‘knijpvoet’.
Wellenfuβen zijn dikwijls onderdeel van steengoedaardewerk (Verhoeven 1998). De Wellenfuβ-fragmenten kunnen daarom in de latere productiefasen van Elmpt-aardewerk worden gedateerd. De fragmenten zijn redelijk verweerd en vertonen sporen van ijzeraanslag – afkomstig uit de bodem. Elmpt-aardewerk werd geproduceerd tussen 1050 en 1350 (Lüdtke 2001). S.8 kan hiermee worden gedateerd in de Late Middeleeuwen. In S.3 is ten slotte een fragment roodbakkend geglazuurd aardewerk aangetroffen (VNR4). Dit fragment vertoont een deel van een ooraanzet aan de buitenzijde en is (vrij royaal) geglazuurd aan de binnenzijde. Dit fragment kan worden gedateerd in de Late Middeleeuwen of de Nieuwe tijd (Klijn 1995). Ook in werkput 1 zijn fragmenten Elmpt-aardewerk aangetroffen. Het betreft 21 fragmenten die zijn verzameld uit S.1500 (VNR1; figuur 10). Zo zijn er naast de Elmpt-fragmenten ook zes scherven steengoed verzameld uit S.1500 (VNR1 en 2; figuur 11). Drie fragmenten zijn paarsrood gekleurd met mangaan en vertonen een laagje zoutglazuur. De overige drie fragmenten zijn bruin van kleur, licht beblost en geglazuurd. Al deze steengoedfragmenten dateren uit de Nieuwe tijd (Hurst 1986). In S.1500 is tevens een fragment spaarzaam geglazuurd aardewerk aangetroffen (VNR1). Het aardewerk is roodbakkend, licht van kleur en is onderdeel van de platte bodem van een kom of kan.
Het fragment dateert vermoedelijk uit de 14e eeuw. Het vondstmateriaal bevestigt dan ook dat de grondverbeteringslaag (S.1500) een geroerde context is. 6.
Welke depositionele en post-depositionele processen zijn te onderscheiden en in hoeverre hebben deze invloed gehad op de bewoningsgeschiedenis en vondstcontexten?
N.v.t. 7.
Hoe verhouden de onderzoeksresultaten zich tot de resultaten uit het vooronderzoek? 38
De hoge verwachting op archeologische resten uit op archeologische resten uit de Late Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd kon tijdens het proefsleuvenonderzoek worden bevestigd. Hoogstwaarschijnlijk kunnen de aangetroffen sporen en vondsten worden gerelateerd aan een historisch erf rond de Opwettense watermolen die circa 50 m ten zuiden van het plangebied stond en staat. De middelhoge verwachting voor de periode IJzertijd tot en met de Vroege Middeleeuwen en de lage verwachting op archeologische resten in situ uit de periode Laat-Paleolithicum tot en met de Bronstijd is met dit onderzoek uitgebleven. 8. Wat is de relatie met omliggende historische/archeologische resten? Aan de hand van de sporen en vondsten kan het plangebied dus mogelijk worden geïdentificeerd als onderdeel van het erf van de Opwettense watermolen, die teruggaat tot de Late Middeleeuwen. Het aantreffen van Elmpt-aardewerk in S.8 zou zelfs kunnen betekenen dat het plangebied dateert uit de eerste historische vermeldingen van Opwetten: in het begin van de 14e eeuw. Echter is het wegens de verstoorde aard van het plangebied is het lastig om de ruimtelijke relatie tussen de zowel de sporen onderling als de relatie tussen de sporen en de vondsten te achterhalen. 9.
Kunnen de aanwezige sporen/vondsten worden verklaard a.d.h.v. de aanwezigheid van de nabijgelegen Opwettense Molen? Zo ja, hoe? Aan de hand van de sporen en vondsten kan het plangebied dus mogelijk worden geïdentificeerd als onderdeel van het erf van de Opwettense watermolen, die teruggaat tot de Late Middeleeuwen. De grondsporen die deel uitmaken van de vindplaats bestaan uit een greppel, paal- en kuilsporen. Dit zijn erfgerelateerde sporen. Het aantreffen van Elmpt-aardewerk in S.8 zou zelfs kunnen betekenen dat het plangebied dateert uit de eerste historische vermeldingen van Opwetten: in het begin van de 14e eeuw. Echter is het wegens de verstoorde aard van het plangebied is het lastig om de ruimtelijke relatie tussen de zowel de sporen onderling als de relatie tussen de sporen en de vondsten te achterhalen. Hoewel de archeologische resten in het plangebied dus in theorie kunnen worden verklaard a.d.h.v. de aanwezigheid van de nabijgelegen Opwettense watermolen, is dit allesbehalve zeker. Deze uitspraak moet dus in alle voorzichtigheid worden gedaan. 10.
Wat is de fysieke en inhoudelijke kwaliteit van de aangetroffen archeologische resten (gaafheid en conserveringsgraad)? Is sprake van (een) behoudenswaardige archeologische vindplaats(en)? (Maak voor het beantwoorden van deze vraag gebruik van de KNA-waarderingssystematiek). De vindplaats scoort voor wat betreft de fysieke kwaliteit laag met twee punten. Op geen van de inhoudelijke criteria wordt een hoge (maximale) score behaald, zodat de vindplaats op grond hiervan niet als behoudenswaardig valt aan te merken. De bodemopbouw in het plangebied is grotendeels verstoord. De verstoringen hangen waarschijnlijk samen met het gebruik van het plangebied als boomgaard in de jaren twintig van de vorige eeuw. Het planten en rooien van bomen heeft geleid tot bodemverstoringen. De paalsporen in werkput 1 zijn waarschijnlijk afgetopt, gezien de (on)diepte van de sporen. De paalsporen en kuilsporen hebben geen tot zeer weinig vondstmateriaal opgeleverd en kunnen daarom niet nauwkeuriger worden gedateerd dan tussen de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd. Greppel S.8 is verstoord door het ingraven van de 20e-eeuwse sloot. Aan de hand van de sporen kan het plangebied mogelijk wel worden geïdentificeerd als onderdeel van het erf van de Opwettense watermolen, die teruggaat tot 1764. Het aantreffen van Elmpt-aardewerk in het plangebied is een significante vondst.
Dit zou namelijk kunnen betekenen dat menselijke aanwezigheid in het plangebied teruggaat tot de eerste historische vermeldingen van Opwetten, in het begin van de 14e eeuw, of zelfs daarvoor. Helaas zijn de vondsten die toebehoren aan de vindplaats echter niet uitzonderlijk goed geconserveerd. Het aardewerk is gefragmenteerd en bevat slechts enkele diagnostische fragmenten. De knijpvoetfragmenten zijn verweerd en vertonen sporen van ijzeraanslag, afkomstig uit de bodem. De keramiekfragmenten zijn daarom lastig nauwkeurig te typeren en dateren. Concluderend kan worden gesteld dat het wegens de verstoorde aard van het plangebied lastig is om de ruimtelijke relatie tussen zowel de sporen onderling als de relatie tussen de sporen en de vondsten te 39
achterhalen. Er kan geen complextype worden geïdentificeerd, waardoor de vindplaats qua fysieke kwaliteit laag scoort. Inhoudelijk scoren de aangetroffen resten middelhoog met drie punten. Op geen van de inhoudelijke criteria wordt een hoge (maximale) score behaald, zodat de vindplaats op grond hiervan niet als behoudenswaardig is aan te merken. De sporen en vondsten daterend tussen de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd zijn niet uniek voor de archeoregio. In de directe omgeving van het plangebied zijn tal van vergelijkbare vindplaatsen van goede fysieke kwaliteit uit dezelfde periode. Zo zijn tijdens een archeologische begeleiding in 2010 in Opwetten verschillende vondsten en sporen uit de Nieuwe tijd aangetroffen in de buurt van de Opwettense watermolen (zaakidentificatie: 2322889100). Een ander onderzoek in Opwetten heeft (bouw)keramiek uit de Middeleeuwen tot de Nieuwe tijd aangetroffen. Ook zijn hier onderdelen van de versterking van het kasteel te Opwetten gevonden (zaakidentificatie: 3241452100). Tevens is in Nuenen aan de Vorsterdijk de gracht van ’t Slotje opgegraven tijdens een archeologische begeleiding. Deze gracht dateert uit de Late Middeleeuwen. Ook zijn hier vondsten uit de Nieuwe tijd aangetroffen (zaakidentificatie: 2456247100). Wel scoort de vindplaats middelhoog qua informatiewaarde. Zoals eerder genoemd is het Elmpt-aardewerk een significante vondst.
Aangezien Elmpt-aardewerk voornamelijk werd geproduceerd tussen 1050 en 1350, zou het aantreffen van Elmpt-fragmenten in het plangebied de eerste bewoning van Opwetten in theorie uiterlijk 200 jaar terug in de tijd kunnen plaatsen. De vindplaats zou daarmee een lacune in het geschreven bronmateriaal dichten. De informatiewaarde van de vindplaats wordt echter genuanceerd door het feit dat de scherven niet goed genoeg zijn geconserveerd om nauwkeurig te dateren en uitsluitsel te geven over de daadwerkelijke ouderdom van de vindplaats. 11.
Kan op basis van de resultaten een advies geformuleerd worden t.a.v. het vervolg in de archeologische monumentenzorg (vrijgeven/behoud in situ/opgraven). Zo ja, hoe luidt deze? Aan de hand van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek kan worden geconcludeerd dat in het plangebied een archeologische vindplaats is aangetroffen. De vindplaats bestaat uit twee paalsporen, vijf kuilen, één greppel en 24 keramiekfragmenten, en kan worden gedateerd tussen de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd. Het plangebied was mogelijk onderdeel van het erf van de Opwettense watermolen, maar wegens de bodemverstoringen in het plangebied is het lastig om de ruimtelijke relatie tussen zowel de sporen onderling als de sporen en de vondsten te achterhalen. Hoewel op basis van het proefsleuvenonderzoek kan worden gesteld dat het plangebied op veel plekken is verstoord en de conserveringsgraad van het vondsmateriaal matig is, heeft het plangebied in potentie een hoge informatiewaarde. Het aantreffen van Elmpt-aardewerk zou de eerste bewoning van Opwetten namelijk zo’n 200 jaar voor de eerste historische vermelding van de nederzetting kunnen plaatsen. Op basis hiervan wordt geadviseerd om de bouwwerkzaamheden in het plangebied archeologisch te begeleiden. De sporen die werden aangetroffen in werkput 3 lopen namelijk tot buiten de grenzen van de proefsleuf.
Werkput 3 overlapt met de plek waarop uiteindelijk de nieuwbouw zal worden gerealiseerd. De locatie van het bouwvlak heeft een hoge verwachting op het aantreffen van sporen en vondsten met een hoge informatiewaarde. 12.
Zijn er vanuit de toestand van de archeologische resten, bodemcondities en toekomstig gebruik mogelijkheden voor behoud in situ?
N.v.t. 13.
Bij afwezigheid van een vindplaats; wat is hier de verklaring voor (verstoord, ander landschap dan verwacht, e.d.)?
N.v.t. Vragen bij het aantreffen van archeologische resten gekoppeld aan het historische erf rond de Opwettense Watermolen 40
14.
Wat voor archeologische resten zijn er aangetroffen die te koppelen zijn aan het historische erf rond de Opwettense Watermolen? De grondsporen die deel uitmaken van de vindplaats bestaan uit een greppel, paal- en kuilsporen. Dit zijn allen erfgerelateerde sporen. De sporen kunnen echter niet nauwkeurig worden gedateerd door het gefragmenteerde beeld dat is achtergelaten door de verstoringen in het plangebied. Het vondstmateriaal bestaat volledig uit keramiek. Het grootste van de scherven kan worden gedateerd in de Late Middeleeuwen tot de Nieuwe tijd. Het oudste vondstmateriaal bestaat uit fragmenten Elmpt-aardewerk. Elmpt-aardewerk werd geproduceerd tussen 1175 en 1350. Het plangebied kan dus in theorie onderdeel zijn geweest van de oudste fase van Opwetten, of zelfs nog daarvoor 15.
Wat zeggen de aard en aantal van de vondsten over de omgeving c.q. het gebruik van het plangebied in het verleden? De grondsporen die deel uitmaken van de vindplaats bestaan uit een greppel, paal- en kuilsporen. Dit zijn allen erfgerelateerde sporen. Het vondstmateriaal bestaat volledig uit keramiek. Het betreft onderdelen van kook-, eet- en drinkgerei. Ook deze archeologische resten zouden kunnen wijzen op het gebruik van het plangebied als erf in het verleden – misschien wel het erf dat toebehoorde tot de Opwettense watermolen. 16. Wat is de omvang en datering van de watermolen? Op basis van het proefsleuvenonderzoek kan geen toereikend antwoord op deze vraag worden geformuleerd.
41