Wettenseind ong - Bijlage Toelichting 5 Archeologisch onderzoek
Tekst van het document
Dit blijkt uit vondsten uit de IJzertijd tot en met de Vroege-Middeleeuwen die binnen de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten op de oostflank van het beekdal van de Kleine Dommel zijn gedaan. Ook binnen onderhavig plangebied lijkt sprake van een fasering van overstromingsfasen. In boring 1 (in het noordwesten) is de bodemopbouw relatief het best intact te noemen. De invloed van zowel het opbrengen van de humeuze ophogingslaag (en hiermee gepaard gaande aftopping van de ondergrond) als van beekoverstromingen is hier het meest beperkt gebleven. Dit deel van het plangebied heeft op basis van de boringen het hoogst in het landschap gelegen. Er is sprake van een onverspoelde Cr-horizont van jong dekzand. Toen dit deel van het plangebied tijdens het Holoceen buiten het bereik van de overstromingen kwam te liggen, is op dit deel van de flank tijdens latere verstuivingsfasen (jong) dekzand afgezet. Het zwaartepunt van de archeologische verwachting op in situ resten uit perioden vroeger dan de Late-Middeleeuwen ligt dan ook in dit (noordelijk) deel van het plangebied. In boring 2 (in het noordoosten) is in de top van het verspoeld dekzand een mogelijk spoor aanwezig.
Hoewel de datering van het spoor door het ontbreken van vondstmateriaal niet kan worden bevestigd, hangt het spoor mogelijk samen met het historische erf waarvan het plangebied vanaf mogelijk reeds de 11e eeuw deel uitmaakte. Door de hoge ligging op de beekdalflank is echter ook niet uit te sluiten dat het spoor ouder is (vanaf circa de IJzertijd).
24
11. Beantwoording onderzoeksvragen 1.
Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? De boringen in het plangebied laten een wisselend beeld zien van de opbouw en de intactheid van de ondergrond in het plangebied. De verschillen in de opbouw hangen samen met de ligging op de flank van een beekdal. Op basis van de boringen heeft het plangebied relatief hoog op de beekdalflank gelegen. Op het dekzand zijn geen beekafzettingen (klei) afgezet, maar het aanwezige dekzand is voor een deel wel verspoeld geraakt.
2.
Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante niveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? De top van het dekzand is het archeologisch relevante niveau voor de periode LaatPaleolithicum – Late-Middeleeuwen. Deze is aangetroffen op een diepte van 50 à 85 cm -Mv (circa 15,60-15,31 m +NAP).
3.
In hoeverre zijn de archeologisch relevante niveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)? De top van het dekzand is in het plangebied grotendeels verspoeld door activiteit van de Kleine Dommel. De verspoeling vond plaats vanaf het pleistoceen. Naar verloop van tijd heeft de beek (vanaf het Holoceen) zich echter in westelijke richting ingesneden, waardoor het oostelijk deel van het plangebied steeds verder buiten het bereik van overstromingen is komen te liggen. Tot wanneer in het plangebied precies verspoeling heeft plaatsgevonden, is niet bekend. Vermoedelijk is dit echter gebeurd voorafgaande aan de oprichting van de Opwettense Watermolen, ten zuiden van het plangebied – dus vóór de 11e eeuw. In deze periode zal de waterstand in de Dommel vermoedelijk nog minder goed zijn gereguleerd.
4.
Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog? Aan de hand van de verspoelingen geldt in het plangebied een lage verwachting op in situ archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum tot en met de Bronstijd. De aanwezigheid van in situ archeologische resten uit de periode IJzertijd tot en met de VroegeMiddeleeuwen in natuurlijke opvullingslagen van de beek kan op basis van onderzoeken in de omgeving niet geheel worden uitgesloten. In perioden van stilstand in de overstromingsfasen kan men het landschap op de beekdalhelling in gebruik hebben genomen. Dit blijkt uit vondsten uit de IJzertijd tot en met de Vroege-Middeleeuwen die binnen de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten op de oostflank van het beekdal van de Kleine Dommel zijn gedaan. Ook binnen onderhavig plangebied lijkt sprake van een fasering van overstromingsfasen. Het plangebied ligt verder op een relatief hoog deel van de beekdalflank, waardoor het mogelijk al vrij vroeg buiten het bereik van overstromingen kwam te liggen. De verwachting voor de periode Late-Middeleeuwen/Nieuwe tijd blijft in het plangebied onverminderd hoog door de ligging op een historisch erf. De aanwezigheid van een dikkere ophogingslaag in het westen van het plangebied bevestigt deze ligging.
Verder is in het noordoosten van het plangebied een mogelijk grondspoor aangetroffen. Het spoor kan door het ontbreken van vondsten niet nader worden gedateerd dan de IJzertijd – Nieuwe tijd.
25
12. Conclusie en Advies Conclusie • Op basis van het bureauonderzoek geldt voor het plangebied een middelhoge verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum tot en met de Bronstijd en een hoge verwachting voor de periode IJzertijd tot en met de Nieuwe tijd. Het plangebied ligt namelijk op de oostelijke hoge flank van het beekdal van de Kleine Dommel. Op de flank is theoretisch gezien bewoning mogelijk geweest vanaf het Laat-Paleolithicum. In de omgeving van het plangebied (vooral in het benedenstrooms gebied) zijn op de oostelijke beekdalzijde van de Dommel tal van archeologische vondsten gedaan uit met name de periode IJzertijd tot en met Late-Middeleeuwen. Het zwaartepunt van de archeologische verwachting ligt dan ook op deze perioden (de IJzertijd tot en met LateMiddeleeuwen). Voor de Nieuwe tijd geldt een hoge verwachting op erf-gerelateerde resten en sporen van landgebruik door de ligging op een historisch erf. Dit erf behoorde bij de Opwettense Watermolen, die in de 11e eeuw circa 50 m ten zuiden van het plangebied is gebouwd. •
Tijdens het booronderzoek is bevestigd dat het plangebied ligt op de oostelijke hoge flank van een beekdal. In de onderkant van de boringen is verspoeld dekzand aangetroffen. Dit bestaat uit sterk siltig en lemig zand met grind. De afwisseling van sediment duidt daarbij op het voorkomen van fasen van sterke stroomsnelheden, enerzijds, en stilstandsfasen in de overstromingen, anderzijds. In de twee meest noordelijke boringen is het verspoelde sediment afgedekt met een dunne laag onverspoeld dekzand. Deze ‘toplaag’ kon waarschijnlijk afgezet worden op het moment dat het noordelijk deel van het plangebied buiten het bereik van overstromingen van de beek is komen te liggen. Het beekdal van de Kleine Dommel heeft zich naar verloop van tijd verder ingesneden in (zuid)westelijke richting, waardoor de oostflank voor de mens steeds beter bereikbaar werd.
•
Het dekzand in het plangebied is archeologisch gezien intact te noemen. Als het gevolg van de verspoeling geldt echter een lage verwachting op archeologische resten in situ uit de periode LaatPaleolithicum tot en met de Bronstijd. De aanwezigheid van in situ archeologische resten uit de periode IJzertijd tot en met de Vroege-Middeleeuwen in natuurlijke opvullingslagen van de beek kan op basis van onderzoeken in de omgeving niet geheel worden uitgesloten. In perioden van stilstand in de overstromingsfasen kan men het landschap op de beekdalhelling in gebruik hebben genomen. Dit blijkt uit vondsten uit de IJzertijd tot en met de Vroege-Middeleeuwen die binnen de gemeente op de oostflank van het beekdal van de Kleine Dommel zijn gedaan. Ook binnen onderhavig plangebied lijkt sprake van een fasering van overstromingsfasen. Het plangebied ligt verder op een relatief hoog deel van de beekdalflank, waardoor het mogelijk al vroeg buiten het bereik van overstromingen kwam te liggen.
•
Het dekzand is in het plangebied afgedekt met een 50 à 90 cm dikke, donker gekleurde, humeuze ophogingslaag. Vanwege de dikte (> 50 cm) wordt de ophogingslaag ook wel geclassificeerd als ‘esdek’. Het esdek heeft het eronder gelegen dekzand beschermd tegen verstoringen. De verwachting voor de periode Late-Middeleeuwen/Nieuwe tijd blijft in het plangebied onverminderd hoog door de ligging op een historisch erf. Verder is in het noordoosten van het plangebied een mogelijk grondspoor aangetroffen. Het spoor kan door het ontbreken van vondsten niet nader worden gedateerd dan de IJzertijd – Nieuwe tijd.
Advies In het plangebied vindt een bestemmingsplanwijziging plaats om woningbouw mogelijk te maken. Het archeologisch vooronderzoek heeft echter uitgewezen dat in het plangebied een hoge verwachting bestaat op archeologische resten uit de Late-Middeleeuwen/Nieuwe tijd. Specifiek worden archeologische sporen en vondsten verwacht die relateren aan het historische erf rond de Opwettense Watermolen – die circa 50 m ten zuiden van het plangebied stond en staat. 26
Archeologische resten uit de periode Late-Middeleeuwen/Nieuwe tijd kunnen al direct vanaf maaiveld, in de historische ophogingslaag, worden aangetroffen. Verder kunnen in de top van het dekzand – onder de ophogingslaag - resten uit de periode IJzertijd tot en met Vroege-Middeleeuwen worden aangetroffen. De top van het dekzand ligt op 50-90 cm -Mv. Transect b.v. adviseert dan ook om voorafgaande aan grondwerkzaamheden een archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren bij grondwerkzaamheden vanaf maaiveld. Dit onderzoek kan – gezien de verwachting op grondsporen – het beste bestaan uit een archeologisch proefsleuvenonderzoek. Voor een gravend archeologisch onderzoek, zoals een proefsleuvenonderzoek, moet voor de veldwerkzaamheden een Programma van Eisen (PvE) worden opgesteld. Dit PvE moet, voorafgaande aan het veldwerk, zijn getoetst en goedgekeurd door de bevoegde overheid (de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten). Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal het bevoegd gezag (de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten) een selectiebesluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied. .
27
13. Geraadpleegde bronnen Archeologische kaarten en databestanden • Archeologische Monumenten Kaart (AMK), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2007. • Archeologisch Informatie Systeem III (Archis3), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2016. • Beleidskaart van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten • www.ahn.nl • www.ruimtelijkeplannen.nl • www.bodemloket.nl • bagviewer.kadaster.nl • www.dinoloket.nl • Ontgrondingenkaart Noord Brabant • www.topotijdreis.nl • www.vergeltungswaffen.nl • www.tracesofwar.nl • www.bunkerinfo.nl • www.ikme.nl Literatuur • Alma, X.J.F., 2015. Nuenen – Kasteelterrein ’t Slotje. Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van proefsleuven. Amersfoort: ADC-ArcheoProjecten 3733. • Alterra, 2015. De bodemkaart voor Nederland. 1 : 50 000. Wageningen: Universiteit Wageningen. • Bakker, H. de, 1966. De subgroepen van het systeem voor bodemclassificatie voor Nederland. In: Boor en Spade. • Berendsen, H.J.A., 2005. Landschappelijk Nederland. Assen (Fysische Geografie van Nederland). Derde, geheel herziene druk. • Bussel, A.T.L.E. van, 2022. Plan van Aanpak. Inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Nuenen, Wettenseind ong. Nieuwegein: Transect b.v. • Doesburg, J. van, M. de Boer, J. Deeben, B.J. Groenwoudt & T. de Groot (red.), 2007. Essen in zicht. Essen en plaggendekken in Nederland: onderzoek en beleid.
NAR 34, Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten. Amersfoort. • Eimermann, E., B. Brugman en S. Nederpelt, 2010. Waterdoelen Dommeldal, Eindhoven en Urkhovense Zeggen. Archeologische en cultuurhistorische inventarisatie, Deelrapport 2. Amersfoort: Vestigia b.v. Archeologie en Cultuurhistorie/DHV-Royal Haskoning (DHV dossier C7137-01-006). • Eimermann, E. en J.J. van Ams, 2011. Een archeologische begeleiding aan de Opwettenseweg te Opwetten. Groningen: ARC-rapport 2010-261. • Jacobs, E., 2013. Kasteel Opwetten gemeente Nuenen. Een bureauonderzoek. Amersfoort: ADCArcheoProjecten rapport 3470. • Maas, G.J., W.M. van der Meij, S.P.J. van Delft en A.H. Heidema, 2019. Toelichting bij de legenda Geomorfologische kaart van Nederland 1 : 50 000 (2019). Wageningen: Wageningen Environmental Research ( • Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhof, en T.E. Wong (red.), 2003. De ondergrond van Nederland. Groningen/Houten. • Oude Rengerink, H. en L. van der Meij, 2006. Bureauonderzoek Nuenen-West. Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten. Oosterhout: Oranjewoud archeologisch rapport 2006/53.
28
• Schokker, J., 2003. Pqtterns and processes in a Pleistocene fluvio-aeolian environment (Roer Graben, south-eastern Netherlands). Utrecht: Universiteit Utrecht (Thesis, Nederlandse Geografische Studies 314). • Stouthamer, E., K.M. Cohen en W.Z. Hoek, 2015. De vorming van het Land. Utrecht. • Vansweevelt, J. en M.P.J. Janssens, 2016. Inrichtingswerken in het dal van de Kleine Dommel te Nuenen en Eindhoven, gemeenten Nuenen en Eindhoven; archeologisch onderzoek: een archeologische begeleiding. Weesp: RAAP-rapport 3158. • Vos, P., M. van der Meulen, H. Weerts en J. Bazelmans, 2018. Atlas van Nederland in het Holoceen. Landschap en bewoning vanaf de laatste IJstijd tot nu. Amsterdam: Prometheus. Figurenlijst Figuur 1: Ligging van het plangebied (met rode lijnen aangegeven). Bron: PDOK; www.pdok.nl. ........... 4 Figuur 2. De ligging van het plangebied (rood omlijnd) op een uitsnede uit het Kadastrale Minuutplan van 1811-1832 (bron kaart: www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl). ....................................................... 15 Figuur 3. De ligging van het plangebied op een historisch-topografische kaart van 1900 (bron kaart: www.topotijdreis.nl). .............................................................................................................................. 16 Figuur 4.
De ligging van het plangebied op een historisch-topografische kaart uit 1940 (bron kaart: www.topotijdreis.nl). .............................................................................................................................. 16 Figuur 5. De ligging van het plangebied op een topografische kaart uit 1970 (bron kaart: www.topotijdreis.nl). .............................................................................................................................. 17 Figuur 6. De ligging van het plangebied op een topografische kaart uit 1990 (bron kaart: www.topotijdreis.nl). .............................................................................................................................. 17 Figuur 7. De ligging van het plangebied op een actuele luchtfoto (bron foto: www.pdok.nl, HR foto 2021). ...................................................................................................................................................... 18 Figuur 8. Foto's van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek (23-03-2022). ............................. 22
29
Bijlage 1: Luchtfoto
30
Bijlage 2: Toekomstige situatie
In geel: de positie van de toekomstige geluidswerende voorziening In blauw: de bestaande rooilijn op 8,5 m van de weg het Wettenseind
31
Bijlage 3: Gemeentelijke archeologische beleidskaart
32
Bijlage 4: Geomorfologische kaart
33
Bijlage 5: Maaiveldhoogte
34
35
Bijlage 6: Geologische kaart
36
Bijlage 7: Bodemkaart
37
Bijlage 8: Archeologische waarden en onderzoeken
38
Bijlage 9: Boorpuntenkaart
39
Bijlage 10: Foto’s van de boringen Hieronder volgen foto’s van enkele boringen. De boorkernen op onderstaande foto’s zijn per blok van 50 cm van links naar rechts uitgelegd, waarbij het diepste punt naar boven wijst (per 50 cm).
Boring 1, tot 110 cm -Mv / 15,11 m +NAP.
Boring 2, tot 140 cm -Mv / 14,70 m +NAP.
40
Bijlage 11: Boorbeschrijvingen
41
boring: 211263-1 beschrijver: JR, datum: 23-2-2022, X: 164.958, Y: 385.673, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 51G, hoogte: 16,21, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 en guts-3 cm, doel boring: archeologie - verkenning, landgebruik: grasland, vondstzichtbaarheid: goed, provincie: Noord-Brabant, gemeente: Nuenen, Gerwen en Nederwetten, plaatsnaam: Opwetten, opdrachtgever: AROM, uitvoerder: Transect b.v.
0 cm -Mv / 16,21 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, matig humeus, donkergrijsbruin, matig fijn, spoor plantenresten Bodemkundig: A-horizont bestaand uit opgebracht pakket, oxidatie en reductie verschijnselen, interpretatie: esdek Opmerking: zeer los en nat door storm, grondwater op 70 cm -Mv
85 cm -Mv / 15,36 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, grijs, matig fijn, interpretatie: dekzand Litho-stratigrafie: Formatie van Boxtel Bodemkundig: geheel gereduceerde C-horizont, volledig gereduceerd Opmerking: loopt uit boor, niet verspoeld
Einde boring op 110 cm -Mv / 15,11 m +NAP
boring: 211263-2 beschrijver: JR, datum: 23-2-2022, X: 164.978, Y: 385.658, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 51G, hoogte: 16,10, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 en guts-3 cm, doel boring: archeologie - verkenning, landgebruik: grasland, vondstzichtbaarheid: goed, provincie: Noord-Brabant, gemeente: Nuenen, Gerwen en Nederwetten, plaatsnaam: Opwetten, opdrachtgever: AROM, uitvoerder: Transect b.v.
0 cm -Mv / 16,10 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, matig humeus, donkergrijsbruin, matig fijn, spoor plantenresten Bodemkundig: A-horizont bestaand uit opgebracht pakket, oxidatie en reductie verschijnselen, interpretatie: esdek Opmerking: zeer los en nat, storm
50 cm -Mv / 15,60 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, matig humeus, bruingrijs, zandbrokken, matig fijn, spoor plantenresten, interpretatie: verspoeld dekzand Litho-stratigrafie: Formatie van Boxtel Bodemkundig: regelmatig geploegd/bewerkte A-horizont, volledig gereduceerd, interpretatie: menglaag Opmerking: brokken grijs en bruin zand, menglaag of mogelijk spoor
80 cm -Mv / 15,30 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, lichtbruingrijs, matig fijn, spoor plantenresten, interpretatie: verspoeld dekzand Litho-stratigrafie: Formatie van Boxtel Bodemkundig: geheel gereduceerde C-horizont, volledig gereduceerd, interpretatie: menglaag Opmerking: kleine hoeveelheid grind en leembrokjes, vuilig, bruin
115 cm -Mv / 14,95 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, matig grindig, grijs, zeer grof, interpretatie: dekzand Litho-stratigrafie: Formatie van Boxtel Bodemkundig: volledig gereduceerd Opmerking: beekbeddingafzettingen
Einde boring op 140 cm -Mv / 14,70 m +NAP
boring: 211263-3 beschrijver: JR, datum: 23-2-2022, X: 164.961, Y: 385.656, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 51G, hoogte: 16,05, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 en guts-3 cm, doel boring: archeologie - verkenning, landgebruik: grasland, vondstzichtbaarheid: goed, provincie: Noord-Brabant, gemeente: Nuenen, Gerwen en Nederwetten, plaatsnaam: Opwetten, opdrachtgever: AROM, uitvoerder: Transect b.v.
0 cm -Mv / 16,05 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, matig humeus, donkergrijsbruin, los (alleen zand en veen), matig fijn, spoor plantenresten Bodemkundig: A-horizont bestaand uit opgebracht pakket, volledig geoxideerd, interpretatie: esdek Opmerking: zeer los en nat, storm
60 cm -Mv / 15,45 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, matig humeus, grijsbruin, matig fijn, spoor plantenresten, interpretatie: verspoeld dekzand Litho-stratigrafie: Formatie van Boxtel Bodemkundig: volledig gereduceerd, interpretatie: menglaag Opmerking: zand- en leembrokken, grondwater op 50 à 60 cm -Mv, loopt uit boor
Einde boring op 100 cm -Mv / 15,05 m +NAP
boring: 211263-4 beschrijver: JR, datum: 23-2-2022, X: 164.946, Y: 385.654, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 51G, hoogte: 15,92, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 en guts-3 cm, doel boring: archeologie - verkenning, landgebruik: grasland, vondstzichtbaarheid: goed, provincie: Noord-Brabant, gemeente: Nuenen, Gerwen en Nederwetten, plaatsnaam: Opwetten, opdrachtgever: AROM, uitvoerder: Transect b.v.
0 cm -Mv / 15,92 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, matig humeus, donkergrijsbruin, los (alleen zand en veen), matig fijn, spoor plantenresten Bodemkundig: A-horizont bestaand uit opgebracht pakket, volledig geoxideerd, interpretatie: esdek Opmerking: zeer nat, storm
90 cm -Mv / 15,02 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, matig grindig, grijs, zeer grof, interpretatie: dekzand Litho-stratigrafie: Formatie van Boxtel Bodemkundig: volledig gereduceerd Opmerking: beekbeddingafzettingen
Einde boring op 120 cm -Mv / 14,72 m +NAP
boring: 211263-5 beschrijver: JR, datum: 23-2-2022, X: 164.960, Y: 385.638, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 51G, hoogte: 16,01, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 en guts-3 cm, doel boring: archeologie - verkenning, landgebruik: grasland, vondstzichtbaarheid: goed, provincie: Noord-Brabant, gemeente: Nuenen, Gerwen en Nederwetten, plaatsnaam: Opwetten, opdrachtgever: AROM, uitvoerder: Transect b.v.
0 cm -Mv / 16,01 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, matig humeus, donkergrijsbruin, matig fijn, spoor plantenresten Bodemkundig: A-horizont bestaand uit opgebracht pakket, volledig geoxideerd, interpretatie: esdek Opmerking: zeer nat door storm
70 cm -Mv / 15,31 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, lichtbruingrijs, matig fijn, spoor plantenresten, interpretatie: verspoeld dekzand Litho-stratigrafie: Formatie van Boxtel Bodemkundig: verploegd tot in C-horizont, volledig gereduceerd Opmerking: met matige hoeveelheid grindbrokjes en leembrokjes, vuilig, bruin
120 cm -Mv / 14,81 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, matig grindig, grijs, zeer grof, interpretatie: dekzand Litho-stratigrafie: Formatie van Boxtel Bodemkundig: volledig gereduceerd Opmerking: beekbeddingafzettingen
Einde boring op 140 cm -Mv / 14,61 m +NAP