CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Was wordt tabel Verordening maatregelen Pw, IOAW en IOAZ - Gemeente Nuenen 2025

Gemeenteraad 19 december 2024, gemeente NuenenBij agendapunt: Verordening maatregelen Pw, IOAW en IOAZ - Gemeente Nuenen 20256.363 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Verordening maatregelen Pw, IOAW en IOAZ gemeente Nuenen 2020

Verordening maatregelen Participatiewet, IOAW, IOAZ en Wi2021 gemeente Nuenen 2025 Artikel 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet 1. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en de Algemene wet bestuursrecht gewezen zelfstandigen (IOAZ), de Wet Inburgering 2021 (Wi2021) en (Awb). de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2. In deze verordening wordt verstaan onder: 2. In deze verordening wordt verstaan onder: a. de wet: de Participatiewet; a. de wet: de Participatiewet; b. college: college van burgemeester en wethouders; b. de inburgeringswet: de Wet inburgering 2021; c. raad: de gemeenteraad; c. college: college van burgemeester en wethouders; d. uitkeringsnorm: toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in d. raad: de gemeenteraad; e.

uitkeringsnorm: toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c van de wet of artikel 5 lid 4 artikel 5, onderdeel c van de wet of artikel 5 lid 4 IOAW/IOAZ IOAW/IOAZ; en artikel 12 van de wet; e. uitkering: algemene of bijzondere bijstand op grond van de Pw of een uitkering op grond van de IOAW/IOAZ; f. uitkering: algemene of bijzondere bijstand op grond van de f. uitkeringsgerechtigde: de persoon die een uitkering wet of een uitkering op grond van de IOAW/IOAZ; g. uitkeringsgerechtigde: de persoon die een uitkering ontvangt ontvangt of recht heeft op grond van de Pw, IOAW of IOAZ; of recht heeft op grond van de wet, IOAW of IOAZ; g. UWV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. h. UWV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. i. boete: bestuurlijke boete op basis van artikelen 22 tot en met 27 van de inburgeringswet; j. PIP: het Persoonlijk plan Inburgering en Participatie, als bedoeld in artikel 15 van de inburgeringswet; k. MAP: de Module Arbeidsmarkt en Participatie, als bedoeld in artikel 6, eerste lid onder b van de inburgeringswet; l. PVT: het Participatieverklaringstraject, als bedoeld in artikel 6, eerste lid onder a van de inburgeringswet. Toelichting: De toevoeging van artikel 12 van de Participatiewet geeft het college de mogelijkheid om de bijzondere bijstand voor levensonderhoud van jongeren te korten.

Dit wordt gezien als een passende maatregel omdat de gehele uitkeringsnorm van meerderjarigen ook in aanmerking genomen wordt,

dit voorkomt ongelijkheid. Er is ook een tekstuele aanpassing gedaan, PW is vervangen door ‘de wet’ om de definitie gelijk te houden. Daarnaast is de definiëring van een aantal termen die betrekking hebben op Wi2021 toegevoegd aan dit artikel. Artikel 2. Het verlagen van de uitkering 1. Als de belanghebbende de in de wet opgenomen verplichtingen naar het oordeel van het college niet of in onvoldoende mate nakomt, wordt de uitkering verlaagd. 2. De verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de bijzondere persoonlijke omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert.

Artikel 2. Het verlagen van de uitkering 1. Het college legt een maatregel op in de volgende gevallen: a. als belanghebbende verplichtingen uit de wet niet nakomt als bedoeld in artikel 18, lid 2 en lid 4 van de wet artikel 9a lid 12 van de wet, artikel 38 lid 12 van de IOAW, artikel 20 lid 2 van de IOAW, of artikel 20 lid 1 van de IOAZ, artikel 38 lid 12 van de IOAZ dan wel; b. als belanghebbende tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft betoond voor de voorziening in de kosten van het bestaan dan wel; c. als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de wet. 2. Het opleggen van de maatregel is gebaseerd op het handelen of nalaten van belanghebbende en wordt ten uitvoer gelegd op de norm zoals die geldt voor de belanghebbende(n) en/of de bijzondere bijstand die wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de wet. 3. Het college stemt de maatregel af op de ernst van de gedraging en de omstandigheden van de belanghebbende. 4. Het college legt een bestuurlijke boete op als belanghebbende verplichtingen uit de inburgeringswet niet nakomt als bedoeld in artikel 22 tot en met 25 van de inburgeringswet.

Toelichting: De herziening van artikel 2 is gericht op het verduidelijken van de voorwaarden voor het opleggen van een maatregel. Door specifieke situaties en wettelijke bepalingen te noemen waarbij een maatregel kan worden opgelegd, wordt de toepassing ervan concreter. Dit biedt helderheid aan de inwoner over de mogelijke gevolgen van hun gedrag en de daaruit voortvloeiende sancties. Artikel 3. Horen van belanghebbende 1. Voordat een maatregel of een boete wordt opgelegd wordt een belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. 2. Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als: a. de vereiste spoed zich daartegen verzet; b. b. belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; c. het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid, of d. belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken. 3. Indien op grond van de Inburgeringswet een boete wordt opgelegd van meer dan € 340, geldt de hoorplicht zoals bedoeld in dit artikel. 4. Indien op grond van de Inburgeringswet een boete wordt opgelegd van minder dan € 340, geldt geen hoorplicht. Toelichting: In de Verordening maatregelen 2020 was geen hoorplicht opgenomen.

De toevoeging van de hoorplicht in de Verordening maatregelen Participatiewet 2025 verzekert dat belanghebbenden de gelegenheid krijgen om hun zienswijze naar voren te brengen alvorens maatregelen of boetes opgelegd worden, wat de beginselen van hoor en wederhoor waarborgt. Deze wijziging illustreert de erkenning van de belangen van individuen in lijn met de geest van het wetsvoorstel Participatiewet in Balans, en draagt bij aan de rechtvaardigheid en transparantie van het bestuurlijk proces. Het biedt een

gelegenheid voor belanghebbenden om relevante feiten en omstandigheden aan te voeren die van invloed kunnen zijn op de besluitvorming, en bevordert aldus een rechtmatige en billijke uitkomst in overeenstemming met de fundamentele rechtsbeginselen. De bepalingen komen overeen met de bepalingen over de hoorplicht in de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 3. Berekeningsgrondslag 1. De verlaging wordt opgelegd op de voor de uitkeringsgerechtigde van toepassing zijnde uitkeringsnorm. 2. Een verlaging kan worden toegepast op bijzondere bijstand als: a. aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de wet; b. de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand, verleend op grond van artikel 35 van de wet, daartoe aanleiding geeft. 3. Indien het tweede lid, aanhef en onder a van toepassing is, moet in de hoofdstukken 2, 3 en 4 ‘uitkeringsnorm’ worden gelezen als ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12 van de wet verleende bijstand’. 4. Indien het tweede lid, aanhef en onder b van toepassing is, moet in de hoofdstukken 2, 3 en 4 ‘uitkeringsnorm’ worden gelezen als de ‘verleende bijzondere bijstand’.

Verwijderd

Toelichting: de berekeningsgrondslag is opgenomen in artikel 2 lid 2 van de Verordening maatregelen Participatiewet 2025. Artikel 3 uit de Verordening maatregelen 2020 is daardoor overbodig geworden en verwijderd. Artikel 4. Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging 1. Een verlaging wordt toegepast op de uitkering over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de verlaging aan een belanghebbende is bekendgemaakt. De geldende uitkeringsnorm heeft betrekking op de maand waarin het besluit wordt opgelegd. 2. Een verlaging kan met terugwerkende kracht worden toegepast op de uitkering, als een verlaging overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is, omdat de uitkering is beëindigd of ingetrokken.

Artikel 4. Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging 1. Een verlaging wordt toegepast op de uitkering vanaf de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de verlaging aan een belanghebbende is bekendgemaakt. De geldende uitkeringsnorm heeft betrekking op de maand waarin het besluit wordt opgelegd. 2. Een verlaging kan met terugwerkende kracht worden toegepast op de uitkering, als een verlaging overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is, omdat de uitkering is beëindigd of ingetrokken.

3. Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, wordt de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog opgelegd of verder ten uitvoer gelegd als belanghebbende binnen zes maanden na beëindiging of intrekking van de uitkering opnieuw een uitkering gaat ontvangen. 4. De duur van de verlaging bedraagt de termijnen die in deze verordening worden vermeld.

3. Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, wordt de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog opgelegd of verder ten uitvoer gelegd als belanghebbende binnen zes maanden na beëindiging of intrekking van de uitkering opnieuw een uitkering gaat ontvangen. 4. De duur van de verlaging bedraagt de termijnen die in deze verordening worden vermeld.

Toelichting: De wijziging in de formulering van artikel 4 is ingegeven door de behoefte om duidelijkheid te scheppen over de periode waarin een verlaging van een uitkering van kracht wordt. De aanpassing benadrukt dat een maatregel, indien van toepassing, vanaf de daaropvolgende maand wordt opgelegd na bekendmaking van het besluit, waardoor belanghebbenden tijd hebben om zich hierop voor te bereiden. Deze verandering is nodig omdat een maatregel in sommige gevallen voor meer dan één maand kan gelden, en het essentieel is dat belanghebbenden tijdig op de hoogte zijn van de wijzigingen in hun uitkeringssituatie. Artikel 5. Het besluit tot opleggen van een verlaging In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering wordt in ieder geval vermeld: a. de reden van de verlaging; b. de duur van de verlaging; c. het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd; en d. de reden van afwijken indien wordt afgeweken van de in deze verordening genoemde percentages en/of duur van de verlaging.

Artikel 5. Het besluit tot opleggen van een maatregel In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering wordt in ieder geval vermeld: a. de reden van de maatregel; b. de duur van de maatregel; c. het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd; en d. de reden van afwijken indien wordt afgeweken van de in deze verordening genoemde percentages en/of duur van de maatregel. e. de voorwaarden voor inkeer of herziening van de maatregel.

Toelichting: De toevoeging van punt e aan artikel 5 is bedoeld om de transparantie aan de belanghebbende te vergroten. Door de voorwaarden voor inkeer of herziening van de maatregel expliciet op te nemen in de beschikking, worden de betrokkenen volledig geïnformeerd over hun rechten en mogelijkheden. Dit kan leiden tot een verhoogde bewustwording bij de belanghebbenden en mogelijk vaker tot het indienen van een beroep op deze voorwaarden. Het doel is om de communicatie tussen de overheid en de burger te verbeteren en de betrokkenen meer grip te geven op hun uitkeringssituatie. Daarnaast is in dit artikel de term verlaging vervangen voor maatregel.

Artikel 6. Afzien van de verlaging 1. Het college ziet af van een verlaging als: a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of b. zij daarvoor dringende redenen aanwezig acht; of c. de gedraging meer dan één jaar voor constatering daarvan door het college heeft plaatsgevonden; of d. de gedraging meer dan één jaar geleden door het college is geconstateerd en naar aanleiding van deze gedraging nog geen besluit door het college heeft plaatsgevonden. 2. Als het college afziet van een verlaging, wordt de belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.

Artikel 6. Afzien van de maatregel 1. Het college ziet af van een maatregel als: a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of b. zij daarvoor dringende redenen aanwezig acht; of c. de gedraging meer dan één jaar voor constatering daarvan door het college heeft plaatsgevonden; of d. de gedraging meer dan één jaar geleden door het college is geconstateerd en naar aanleiding van deze gedraging nog geen besluit door het college heeft plaatsgevonden. 2. Als het college afziet van een maatregel, wordt de belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.

Toelichting: In dit artikel is de term verlaging vervangen voor maatregel. Artikel 7. Waarschuwing Bij een eerste maatregelwaardige gedraging kan het college besluiten een waarschuwing te geven. Deze waarschuwing telt mee bij de vaststelling van recidive. De mogelijkheid om te volstaan met het geven van een waarschuwing geldt niet bij schending van geüniformeerde verplichtingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid de wet. Toelichting: De toevoeging van artikel 7, waarin de mogelijkheid van een waarschuwing wordt opgenomen, is bedoeld om meer ruimte te bieden voor maatwerk in het handhavingsbeleid. Door een waarschuwing als optie toe te voegen bij de eerste maatregelwaardige gedraging, kan het college een preventieve benadering hanteren en de betrokkenen bewust maken van mogelijke consequenties zonder direct een zware sanctie op te leggen. Dit kan de effectiviteit van het handhavingsbeleid vergroten en bijdragen aan een meer constructieve relatie tussen de overheid en de burger. Artikel 7. Gedragingen Participatiewet (niet-geüniformeerde verplichtingen) Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van artikel 9, 9a, 17 en 55 van de wet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:

Artikel 8. Gedragingen Participatiewet (niet-geüniformeerde verplichtingen) Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van artikel 9, 9a, 17 en 55 van de wet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:

a. eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV; b. tweede categorie: 1. het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de wet; 2. het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de wet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid van de wet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid van de wet; 3. het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b van de wet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 9a, eerste lid van de wet; 4. het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c van de wet; c. derde categorie: het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de wet.

1. eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV; 2. tweede categorie: a. het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de wet; b. het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de wet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid van de wet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid van de wet; c. het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b van de wet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 9a, eerste lid van de wet; d. het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c van de wet; 3. derde categorie: het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de wet. Toelichting: De nummer is technisch aangepast (van a. onder 1, 2, 3 naar 1 onder a, b, c.).

Inhoudelijk geen wijzigingen. Artikel 8. Gedragingen IOAW en IOAZ Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 IOAW/IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: a. eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV;

Artikel 9. Gedragingen IOAW en IOAZ Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 IOAW/IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: 1. eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV;

b. tweede categorie: 1. het niet of onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; 2. het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, sub e IOAW/IOAZ, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of voortijdige beëindiging van die voorziening; 3. het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, sub e IOAW/IOAZ niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid IOAW/IOAZ; 4. het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, sub f IOAW/IOAZ; c. derde categorie: 1. het niet of onvoldoende naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; 2. het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; 3. het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; 4. het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorzieningen, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling en het niet of in onvoldoende mate mee werken aan onderzoeken naar zijn of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

2. tweede categorie: a. het niet of onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; b. het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, sub e IOAW/IOAZ, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of voortijdige beëindiging van die voorziening; c. het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, sub e IOAW/IOAZ niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid IOAW/IOAZ; d. het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, sub f IOAW/IOAZ; 3. derde categorie: a. het niet of onvoldoende naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; b. het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; c. het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; d. het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorzieningen, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling en het niet of in onvoldoende mate mee werken aan onderzoeken naar zijn of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

Toelichting: De nummer is technisch aangepast (van a. onder 1, 2, 3 naar 1 onder a, b, c.). Inhoudelijk geen wijzigingen.

Artikel 9. Hoogte en duur van de verlaging De verlaging, bij gedragingen als bedoeld artikelen 7 en 8, wordt vastgesteld op: a. 10% van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie; b. 40% van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie; c. 100% van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de derde categorie.

Artikel 10. Hoogte en duur van de maatregel De maatregel, bij gedragingen als bedoeld artikelen 8 en 9, wordt vastgesteld op: a. 5% van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie; b. 20% van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie; c. 100% van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de derde categorie.

Toelichting: De wijziging in artikel 10, waarbij de percentages voor de maatregel worden aangepast, is ingegeven door de perceptie dat de verlagingen in de Verordening maatregelen 2020 door de uitvoering als te streng worden beschouwd. Door mildere bedragen te hanteren, blijft er nog steeds een stimulans voor de uitkeringsgerechtigde om aan zijn verplichtingen te voldoen, maar wordt de impact op de bestaanszekerheid kleiner. Daarnaast is de term verlaging vervangen voor maatregel. Artikel 10. Duur verlaging bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de wet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100% van de uitkeringsnorm gedurende: 1. Eén maand, bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdeel b, f en g van de wet; 2. Twee maanden, bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdeel a, c, d, e en h van de wet.

Artikel 11. Duur maatregel bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de wet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de maatregel 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand.

Toelichting: De aanpassing in artikel 11, waarbij de duur van de maatregel bij schending van de geüniformeerde arbeidsverplichting wordt gestandaardiseerd op één maand, is ingegeven door jurisprudentie die aangeeft dat geen onderscheid mag worden gemaakt in de strafmaat voor verschillende overtredingen van artikel 18 lid 4 van de Participatiewet. Om conform deze jurisprudentie te handelen, is het onderscheid verwijderd en is gekozen voor de laagste strafmaat uit het artikel van de Verordening maatregelen 2020. Dit voorkomt een verzwarende straf voor overtredingen onder onderdeel b, f en g, wat gunstiger is voor de betrokkene. Daarnaast is de term verlaging vervangen voor maatregel.

Artikel 11. Verrekenen verlaging Het college kan de verlaging op grond van artikel 10 verrekenen over maximaal drie maanden, als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen, waarbij over de eerste maand ten minste 1/3 van het bedrag van de verlaging wordt verrekend. 1. Als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde lid, onderdeel a, van de wet, vindt geen verrekening plaats. 2. Het verzoek tot herziening op grond van artikel 18, elfde lid van de wet, dient door belanghebbende schriftelijk ingediend te worden bij het college en kan enkel in gevallen dat de duur van opgelegde verlaging langer dan één maand is. 3. Herziening van de verlaging kan niet plaatsvinden met terugwerkende kracht.

Artikel 12. Verrekenen maatregel Het college kan de maatregel op grond van artikel 11 verrekenen over maximaal drie maanden, als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen, waarbij over de eerste maand ten minste 1/3 van het bedrag van de maatregel wordt verrekend. 1. Als sprake is van een maatregel op grond van artikel 18, vierde lid, onderdeel a, van de wet, vindt geen verrekening plaats. 2. Het verzoek tot herziening op grond van artikel 18, elfde lid van de wet, dient door belanghebbende schriftelijk ingediend te worden bij het college en kan enkel in gevallen dat de duur van opgelegde maatregel langer dan één maand is. 3. Herziening van de maatregel kan niet plaatsvinden met terugwerkende kracht.

Toelichting: In dit artikel is de term verlaging vervangen voor maatregel. Artikel 12. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1. Indien belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft getoond, wordt een maatregel van 40% van de norm opgelegd die wordt afgestemd op de periode dat belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht heeft op bijstand of uitkering. 2. De maatregel wordt op de volgende wijze vastgesteld: a. bij een periode van drie maanden of korter wordt de maatregel gedurende een maand opgelegd; b. bij een periode van drie tot zes maanden wordt de maatregel gedurende twee maanden opgelegd; c. bij een periode van zes maanden en langer wordt de maatregel gedurende drie maanden opgelegd; 3. Bij een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid bij een aanvraag voor bijzondere bijstand wordt een maatregel opgelegd ter hoogte van de aangevraagde bijzondere bijstand.

Artikel 13. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1. Indien belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft getoond, wordt een maatregel van 40% van de norm opgelegd die wordt afgestemd op de periode dat belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht heeft op bijstand of uitkering. 2. De maatregel wordt op de volgende wijze vastgesteld: a. bij een periode van drie maanden of korter wordt de maatregel gedurende een maand opgelegd; b. bij een periode van drie tot zes maanden wordt de maatregel gedurende twee maanden opgelegd; c. bij een periode van zes maanden en langer wordt de maatregel gedurende drie maanden opgelegd; 3. Bij een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid bij een aanvraag voor bijzondere bijstand wordt een maatregel opgelegd ter hoogte van de aangevraagde bijzondere bijstand.

Artikel 13. Zeer ernstige misdragingen Als een belanghebbende of diens vertegenwoordiger zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de wet wordt een verlaging opgelegd gedurende twee maanden, ter hoogte van: a. 50% van de uitkeringsnorm bij verbaal geweld; en b. 100% van de uitkeringsnorm bij fysiek geweld (mens- of zaakgericht).

Artikel 14. Zeer ernstige misdragingen Als een belanghebbende of diens vertegenwoordiger zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de wet wordt een maatregel opgelegd gedurende twee maanden, ter hoogte van: a. 50% van de uitkeringsnorm bij verbaal geweld; en b. 100% van de uitkeringsnorm bij fysiek geweld (mens- of zaakgericht).

Toelichting: In dit artikel is de term verlaging vervangen voor maatregel. Artikel 14. Niet nakomen van overige verplichtingen Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de wet niet of onvoldoende nakomt, wordt een maatregel van 40% van de norm opgelegd die wordt afgestemd op de periode dat belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht heeft op bijstand of uitkering. De maatregel wordt op de volgende wijze vastgesteld: a) bij een periode van drie maanden of korter wordt de maatregel gedurende een maand opgelegd; b) bij een periode van drie tot zes maanden wordt de maatregel gedurende twee maanden opgelegd; en c) bij een periode van zes maanden en langer wordt de maatregel gedurende drie maanden opgelegd.

Artikel 15. Niet nakomen van overige verplichtingen Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de wet niet of onvoldoende nakomt, wordt een maatregel van 40% van de norm opgelegd die wordt afgestemd op de periode dat belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht heeft op bijstand of uitkering. De maatregel wordt op de volgende wijze vastgesteld: a. bij een periode van drie maanden of korter wordt de maatregel gedurende een maand opgelegd; b. bij een periode van drie tot zes maanden wordt de maatregel gedurende twee maanden opgelegd; en c. bij een periode van zes maanden en langer wordt de maatregel gedurende drie maanden opgelegd. Artikel 16. Verrekening boete Wet Inburgering 2021 met uitkering Participatiewet 1. Het college kan de bestuurlijke boete die het op grond van de inburgeringswet aan de inburgeringsplichtige heeft opgelegd, verrekenen met de algemene bijstand. 2. Onder verrekenen wordt in dit artikel verstaan verrekenen zoals geregeld in artikel 4:93 van de Awb.

Commented [MB1]: Moet dit niet het college zijn?

Toelichting: Artikel 16 maakt het mogelijk om boetes op grond van de inburgeringswet te verrekenen met de algemene bijstand. Dit is voorwaardelijk voor een uitvoerbaar handhavingsbeleid. Het verrekenen van boetes met de algemene bijstand is namelijk efficiënter dan het innen van de boete via een betaling. Artikel 17. Handhaving Wet Inburgering 2021 1. De inburgeringsplichtige is verplicht om: a. na de oproep te verschijnen bij de brede intake en hieraan mee te werken; b. de afspraken in het PIP na te komen, waaronder deelname aan voortgangsgesprekken en aan activiteiten in het kader van de MAP en het PVT. 2. De asielstatushouder is daarnaast ook verplicht deel te nemen aan de taallessen en andere activiteiten van de gevolgde leerroute. Toelichting: Artikel 17 vervangt artikel 15 van de Verordening Inburgering 2022. Bij inwerkingtreding van de Verordening Maatregelen Participatiewet 2025 wordt de Verordening Inburgering 2022 ingetrokken. Artikel 18. Handhaving verplichtingen bij de brede intake 1. Wanneer de inburgeringsplichtige na de eerste oproep voor de brede intake niet verschijnt of onvoldoende meewerkt, geeft het college een schriftelijke waarschuwing. Het college wijst daarbij op de gevolgen voor de inburgeringsplichtige als hij of zij opnieuw niet verschijnt na een oproep of als hij of zij op een andere manier onvoldoende meewerkt aan de brede intake.

Het college nodigt de inburgeringsplichtige opnieuw uit om te verschijnen binnen 8 weken. 2. Wanneer de inburgeringsplichtige na deze volgende oproep niet verschijnt of onvoldoende meewerkt, legt het college de inburgeringsplichtige een boete op. De hoogte van de boete is vastgesteld in artikel 26 van de inburgeringswet. 3. Het college legt geen boete op wanneer aannemelijk is dat iedere verwijtbaarheid ontbreekt. 4. Het college legt een lagere boete op dan vastgesteld in artikel 26 van de inburgeringswet als op basis van de reactie van de

inburgeringsplichtige aannemelijk is dat de boete vanwege bijzondere omstandigheden te hoog is. 5. In de beschikking waarmee de boete wordt opgelegd, nodigt het college de inburgeringsplichtige opnieuw uit om binnen 8 weken alsnog te verschijnen of mee te werken. Wanneer de inburgeringsplichtige hieraan weer niet voldoet, legt het college opnieuw een boete op met inachtneming van artikel 26 van de inburgeringswet. Toelichting: Artikel 18 vervangt artikel 16 van de Verordening Inburgering 2022. Bij inwerkingtreding van de Verordening Maatregelen Participatiewet 2025 wordt de Verordening Inburgering 2022 ingetrokken. Artikel 19. Handhaving tijdens het inburgeringstraject 1. Het college legt een boete op als de inburgeringsplichtige de afspraken in het PIP tijdens het inburgeringstraject verwijtbaar niet of onvoldoende nakomt. 2. Het college legt de asielstatushouder een boete op als hij verwijtbaar niet of onvoldoende deelneemt aan de activiteiten van de gekozen leerroute. 3. Voordat het college een boete oplegt, wordt onderzocht waarom de afspraken in het PIP of de afspraken over de activiteiten bij de gekozen leerroute niet zijn nagekomen. De inburgeringsplichtige krijgt in een gesprek hierover de gelegenheid een verklaring te geven. 4.

Wanneer de inburgeringsplichtige niet verschijnt bij dit gesprek, biedt het college hem of haar de gelegenheid zijn of haar zienswijze binnen 4 weken per brief of digitaal kenbaar te maken. 5. Op basis van het gesprek met de inburgeringsplichtige dan wel zijn of haar schriftelijke zienswijze bepaalt het college de mate van verwijtbaarheid. Als er sprake is van opzet, van grove schuld, van normale verwijtbaarheid of van verminderde verwijtbaarheid stemt het college de hoogte van de boete daarop af met inachtneming van artikel 26 van de inburgeringswet.

6. Het college legt geen boete op wanneer aannemelijk is dat iedere verwijtbaarheid ontbreekt. Toelichting: Artikel 19 vervangt artikel 17 van de Verordening Inburgering 2022. Bij inwerkingtreding van de Verordening Maatregelen Participatiewet 2025 wordt de Verordening Inburgering 2022 ingetrokken. Artikel 15. Samenloop van gedragingen 1. Als er sprake is van één gedraging die een schending oplevert van meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid van de wet genoemde verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld. 2. Als er sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid van de wet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is. 3.

Als er sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid van de wet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid van de wet of artikel 13 eerste lid IOAW/IOAZ genoemde verplichting, wordt geen verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd. 4. Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid van de wet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid van de wet of artikel 13 eerste lid IOAW/IOAZ genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt naast de boete voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is.

Artikel 20. Samenloop van gedragingen Participatiewet 1. Als sprake is van één gedraging die een schending oplevert van meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de wet genoemde verplichtingen, wordt één maatregel opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de maatregel wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld. 2. Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de wet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke maatregel opgelegd. Deze maatregelen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is. 3. Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de wet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de wet genoemde verplichting, wordt geen maatregel opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd. 4.

Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de wet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de wet genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke maatregel opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is.

Commented [MB2]: De nummering klopt hier niet

Toelichting: Gedragingen die betrekking hebben op de verplichtingen op grond van de IOAW en IOAZ zijn in dit artikel verwijderd en zijn opgenomen in artikel 22 van deze verordening. Artikel 21. Samenloop van gedragingen Participatiewet en Wi2021 1. Wanneer een inburgeringsplichtige een bijstandsuitkering op grond van de wet ontvangt en zich niet houdt aan verplichtingen en afspraken uit het PIP, waarin de nadruk ligt op het bevorderen van participatie en het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt, vindt bij voorkeur maatregel op de uitkering plaats op grond van artikel 18 van de wet en de verordening zoals bedoeld in artikel 8 eerste lid onder a van de wet. Het gaat hierbij om verplichtingen en afspraken anders dan in het aanbod in de MAP. Het college legt voor dezelfde gedraging dan geen bestuurlijke boete op grond van de inburgeringswet op. 2. Wanneer een inburgeringsplichtige die een bijstandsuitkering ontvangt zich niet houdt aan verplichtingen en afspraken in het PIP, waarin de nadruk ligt op het vergroten van de taalbeheersing en aan overige afspraken en verplichtingen in het PIP, legt het college bij voorkeur een boete op grond van de inburgeringswet op. 3.

Bij de keuze tussen i) handhaving op grond van de wet door een maatregel op de uitkering en ii) handhaving op grond van de inburgeringswet via een boete weegt het college ook af welke wijze van handhaving, rekening houdend met de gevolgen hiervan voor de inburgeringsplichtige, naar haar oordeel het best bijdraagt aan het beoogde effect, te weten het succesvol voltooien van het inburgeringstraject. 4. In de beschikking aan de inburgeringsplichtige vermeldt het college of er een boete op grond van de inburgeringswet wordt opgelegd of dat de uitkering wordt verlaagd op grond van de wet. Artikel 22. Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ Als het college de uitkering op grond van artikel 20 eerste lid IOAW of artikel 20 tweede lid IOAZ blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze

weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een maatregel zou kunnen leiden, blijft een maatregel ter zake van die gedraging achterwege. Toelichting: Dit artikel is toegevoegd om een heldere scheiding te maken tussen gedragingen die leiden tot weigering van uitkering op basis van de IOAW/IOAZ. Daarnaast is de term verlaging vervangen voor maatregel. Artikel 16. Recidive Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging: a. op grond van deze verordening is opgelegd opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. b. is opgelegd als bedoeld in artikel 18, vijfde lid van de wet, opnieuw een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid van de wet niet nakomt, bedraagt de verlaging 100% van de uitkeringsnorm gedurende drie maanden.

Artikel 23. Recidive Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een maatregel: a. op grond van deze verordening is opgelegd opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt de duur van de oorspronkelijke maatregel verdubbeld. b. is opgelegd als bedoeld in artikel 18, vijfde lid van de wet, opnieuw een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid van de wet niet nakomt, bedraagt de maatregel 100% van de uitkeringsnorm gedurende drie maanden.

Toelichting: In dit artikel is de term verlaging vervangen voor maatregel. Artikel 18. Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatregelen Pw, IOAW en IOAZ gemeente Nuenen 2020.

Artikel 25. Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatregelen Participatiewet, IOAW, IOAZ en WI2021 gemeente Nuenen 2025.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14825588/1