Technische vragen - Voor- en vroegschoolse educatie - Antwoord
Tekst van het document
Nuenen 06-05-2026 Van: Theo van der Linden
Technische vraag over de voor- en vroegschoolse-opvang van de oordeelsvormende vergadering van 21-5-2026 De bestuurlijke LEA heeft de volgende resultaatafspraken vastgesteld:
1. In 2026 maakt minimaal 90% van alle (geïndiceerde) peuters gebruik van voorschoolse educatie en zij nemen het gewenst aantal uren af (960 uur in 1,5 jaar). 2. In 2025 werken kinderopvang en primair en voortgezet onderwijs aan een gezamenlijk afgestemd plan voor de doorgaande lijn eventueel afgestemd op de locatie- of wijk specifieke situatie.
Vraag: Het doel voor 2026 is dat minimaal 90% van de geïndiceerde peuters optimaal gebruik maakt van de voorschoolse educatie. We zijn nu bijna op de helft van 2026. Is dat doel in de eerste maanden gehaald? Is het aannemelijk dat het doel eind van het jaar wordt gehaald? Antwoord: Wij monitoren de deelname van het aantal geïndiceerde peuters via de Peutermonitor. De meest recente rapportage gaat over het eerste kwartaal van 2026. Het deelnamepercentage was toen 69%. Of het doel wordt gehaald is afhankelijk van de keuze die ouders maken om hun kind al dan niet te laten deelnemen aan voorschoolse educatie. Wij streven naar een deelnamepercentage van 90% om inhoudelijke redenen, echter dit is geen wettelijke eis en de gemeente kan ouders hier niet toe verplichten. 10 % van de geïndiceerde peuters blijft buiten beschouwing. Wat wordt er voor hen georganiseerd? Antwoord: De gemeente biedt een dekkend aanbod voorschoolse opvang, dit betekent dat voor 100% van de peuters met een indicatie ook aanbod beschikbaar is. Omdat het een keuze van ouders is om hun kind te laten deelnemen, is een bereik van 100% vrijwel niet haalbaar.
Bij punt 2 wordt gezegd dat in 2025 er gewerkt wordt aan een gezamenlijk afgestemd plan. Waarom wordt dat als afspraak voor 2026 opgenomen? Als dat plan niet is gerealiseerd, Wat was dan de reden en wat moet er nu extra worden gedaan om het wel voor elkaar te krijgen? Wie is er verantwoordelijk voor de realisatie van dit plan? Antwoord: De LEA is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de partners: kinderopvang, onderwijs en gemeente. De gemeente heeft hierbij een regierol. In 2025 is gestart met een inspiratiesessie voor de werkgroep LEA genaamd ‘het belang van de doorgaande lijn’. Hierbij sloten niet alleen de aanbieders van voorschoolse educatie en scholen aan, maar ook de andere kinderopvangaanbieders. In het bestuurlijke LEA-overleg van april 2026 is het overdrachtsformulier van voorschoolse voorzieningen naar het basisonderwijs vastgesteld, na voorbereiding door de eerste subwerkgroep. Daarnaast werkt de tweede subwerkgroep verder aan de overdracht van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs. De twee subwerkgroepen dragen de verantwoordelijkheid en de gemeente faciliteert en/of monitort deze afstemmmingsbijeenkomsten.