RV Herstelbesluit Bp Buitengebied Rullen Bijlagen bij de toelichting - Bijlage 4 Verkennend en aanvullend bodemonderzoek
Tekst van het document
Verkennend- en aanvullend bodemonderzoek Rullen 7 te Nuenen (2003/016/KB-01, versie A)
documentkenmerk: 2003/016/KB-01, versie A
Verkennend- en aanvullend bodemonderzoek
in opdracht van Ruimte voor Ruimte Ontwikkelingsmaatschappij De heer G. Kersten Brabantlaan 3 5201 AB S’HERTOGENBOSCH betreffende locatie Rullen 7 te Nuenen documentkenmerk 2003/016/KB-01 versie A vestiging Nuenen datum 23 april 2021
opgesteld door:
gecontroleerd door:
K. Belemans
T.J.J. Buijs
Projectleider bodem
Projectleider bodem
Dit document is digitaal gegenereerd en derhalve niet voorzien van een handtekening. De inhoud is aantoonbaar gecontroleerd en vrijgegeven. Het document mag uitsluitend in zijn geheel worden gereproduceerd. Door derden aangebrachte wijzigingen en/of toevoegingen dan wel oneigenlijk gebruik van het document vallen niet onder de verantwoording van Tritium Advies.
Tritium Advies B.V. Adviseurs in bouwen, milieu en veiligheid
Tritium Advies is gevestigd in:
T.
088 44 02 900
E.
info@tritium.nl
Arkel >> Neer >> Nuenen >>
I.
www.tritium.nl
Prinsenbeek >> Rijkevoort
Kvk-nr.
17108024
documentkenmerk: 2003/016/KB-01, versie A
Samenvatting In opdracht van Ruimte voor Ruimte Ontwikkelingsmaatschappij te ‘s-Hertogenbosch heeft Tritium Advies een verkennend- en aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Rullen 7 te Nuenen. Aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen herontwikkeling van de locatie. De doelstellingen van het onderzoek zijn als volgt: •
bodem
:
vaststellen van de kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) om te bepalen of er op de locatie sprake is van bodemverontreiniging en een indicatieve uitspraak doen over het asbestgehalte in de bodem.
•
funderingslaag
:
indicatief bepalen van de hergebruiksmogelijkheden (inclusief asbest).
Op basis van het vooronderzoek zijn de volgende deellocaties onderscheiden: •
deellocatie A :
opstallen met asbestverdachte dakbedekking zonder dakgoot;
•
deellocatie B :
landbouwgrond;
•
deellocatie C :
agrarisch erf met opstallen.
Uit de resultaten van het onderzoek blijkt het volgende. deellocatie A: opstallen met asbestverdachte dakbedekking zonder dakgoot In de grond is plaatselijk een maximaal gewogen asbestgehalte aangetoond van 86 mg/kg d.s. Nader onderzoek hiernaar wordt noodzakelijk geacht voor het vaststellen van het daadwerkelijke asbestgehalte in de grond. In de aanwezige puinlaag onder de dakranden is een maximaal gewogen asbestgehalte aangetoond van 48 mg/kg d.s. Nader onderzoek hiernaar wordt niet noodzakelijk geacht. deellocatie B: landbouwgrond In de grond is zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetoond. Derhalve mag worden geconcludeerd dat de grond niet verontreinigd is met asbest. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond plaatselijk sterk verontreinigd is met koper, lood en zink. Deze laag is tevens licht verontreinigd met cadmium, kobalt, PAK en PCB. Naar aanleiding hiervan zijn met behulp van de HXRF-meter aanvullende boringen geplaatst ter inkadering van deze sterke grondverontreiniging. De aard en omvang van de verontreiniging in de grond zijn door middel van dit aanvullend onderzoek afdoende vastgesteld. De sterke grondverontreiniging met koper, lood en zink is aanwezig over een oppervlakte van circa 30 m2 en heeft een omvang van circa 7,5 m3.
De aangetroffen gehaltes aan zware metalen hangen vermoedelijk samen met de bijmengingen in de grond met kolengruis. Voor de onderhavige onderzoekslocatie is de oorzaak van de bodemverontreiniging niet bekend. Er is echter geen aanleiding om te veronderstellen dat de verontreiniging na 1987 is ontstaan. Gezien de mate en omvang (circa 7,5 m3) van de verontreiniging in de grond kan worden afgeleid dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
documentkenmerk: 2003/016/KB-01, versie A
Verder is de bovengrond plaatselijk licht verontreinigd met enkele zware metalen en is de ondergrond plaatselijk licht verontreinigd met minerale olie. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Nader onderzoek hiernaar wordt niet noodzakelijk geacht. deellocatie C: agrarisch erf met opstallen Zintuiglijk zijn plaatselijk in de bovengrond en de ondergrond bijmengingen aangetroffen met puin, kolengruis, baksteen en asfalt. Op de noordoostzijde van het perceel is een asfaltverharding aanwezig. Over de locatie ligt een met puin verhard toegangspad. Tijdens eerder uitgevoerd verkennend onderzoek [1] is vastgesteld dat er ter plaatse van dit toegangspad een verhoogd asbestgehalte aanwezig is en dat er een nader asbestonderzoek plaats dient te vinden. Tevens dient de kwaliteit van de puinverharding tijdens het nader onderzoek vastgesteld te worden. Uit onderhavig onderzoek blijkt dat de ondergrond niet verontreinigd is met de onderzochte stoffen. Plaatselijk is onder de beton- en asfaltverharding een puinfundering aanwezig op de onderzoekslocatie. Zintuiglijk is ter plaatse geen asbestverdacht plaatmateriaal aangetroffen. Analytisch is in de funderingslaag onder de asfaltverharding een maximaal gewogen asbestgehalte van 30 mg/kg d.s. aangetoond. Nader onderzoek hiernaar wordt niet noodzakelijk geacht.
Analytisch is in de funderingslaag onder de betonverharding geen asbest aangetoond. De aanwezige puinfunderingen voldoen op basis van de analyseresultaten van de milieuhygiënische parameters indicatief aan de klasse “N-bouwstof”. Op de locatie is een gronddepot aanwezig. Zintuiglijk zijn puinbijmengingen aangetroffen. Uit de analyseresultaten blijkt dat het gronddepot niet verontreinigd is met de onderzochte stoffen. Er is zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetroffen. Er mag derhalve worden aangenomen dat de grond niet verontreinigd is met asbest. Op het noord/noordwestelijk terreindeel (naast het gronddepot) is een stookplaats aangetroffen. De bovengrond blijkt niet verontreinigd te zijn met de onderzochte stoffen. sterke grondverontreiniging met zink Uit de analyseresultaten blijkt dat de ondergrond plaatselijk sterk verontreinigd is met zink. De omliggende puinhoudende grond is tevens licht tot matig verontreinigd met zware metalen, PAK en minerale olie. De aard en omvang van de verontreiniging in de grond zijn door middel van dit aanvullend onderzoek afdoende vastgesteld. De sterke grondverontreiniging met zink is aanwezig over een oppervlakte van circa 43 m2 en heeft een omvang van circa 21,5 m3. De aangetroffen gehaltes aan zink hangen vermoedelijk samen met de bijmengingen in de grond met puin, kolengruis, asfalt en baksteen.
Voor de onderhavige onderzoekslocatie is de oorzaak van de bodemverontreiniging niet bekend. Er is echter geen aanleiding om te veronderstellen dat de verontreiniging na 1987 is ontstaan. Gezien de mate en omvang (circa 21,5 m3) van de verontreiniging in de grond kan worden afgeleid dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. overig terrein deellocatie C Uit de analyseresultaten blijkt dat de puinhoudende bovengrond licht verontreinigd is met zware metalen en PAK. De ondergrond is plaatselijk licht verontreinigd met zink. Het grondwater blijkt licht verontreinigd te zijn met barium en naftaleen. Het grondwater ter plaatse van de bovengrondse brandstoftank blijkt niet verontreinigd te zijn met de onderzochte stoffen. Nader onderzoek hiernaar wordt niet noodzakelijk geacht.
documentkenmerk: 2003/016/KB-01, versie A
PFAS De concentratie aan PFAS van de gehele locatie is niet verhoogd ten opzichte van de risicogrenswaarden. Bij eventueel hergebruik van de grond, dient er rekening mee gehouden te worden dat niet alle grond zondermeer herbruikbaar is. Op basis van een indicatieve toetsing blijkt dat zowel de boven- als de ondergrond voldoet aan de toepassingsnormen voor functieklasse “landbouw/natuur”. De resultaten zijn tevens getoetst aan de normen uit de ‘Handreiking toepassing PFAS houdende grond en baggerspecie Noord-Brabant’ van 2 december 2019. Hieruit blijkt dat zowel de boven- als ondergrond in aanmerking komen voor hergebruik binnen de deelnemende gemeenten. Resumé Voor het bepalen van de formele asbestconcentratie en de eventuele omvang van een asbestverontreiniging in de grond ter plaatse van de gaten A07 en A08 (deellocatie A) en het met puin verharde toegangspad ter plaatse van deellocatie C is een nader asbestonderzoek noodzakelijk. Indien tijdens het nader asbestonderzoek een asbestverontreiniging wordt aangetoond, dan levert dit beperkingen op ten aanzien van eventuele toekomstige graafwerkzaamheden of het gebruik van de locatie. De aangetroffen grondverontreinigingen met koper, lood en zink leveren beperkingen op ten aanzien van eventuele toekomstige graafwerkzaamheden of de herontwikkeling van de locatie.
Geadviseerd wordt om de sterke grondverontreinigingen met koper, lood en zink voorafgaand aan de herontwikkeling van de locatie te saneren. Hiertoe dient een BUS-melding of saneringsplan te worden opgesteld, welke goedgekeurd moet worden door het bevoegd gezag. De sanering dient uitgevoerd te worden onder milieukundige begeleiding door een gecertificeerde aannemer. De overige onderzoeksresultaten (van de deellocaties A, B, C en van PFAS) leveren geen beperkingen op ten aanzien van het huidige en voorgenomen gebruik van de locatie en vormen naar mening van Tritium Advies geen belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling van de onderzoekslocatie. Indien grond wordt afgegraven (bijvoorbeeld bij bouwwerkzaamheden) en van de locatie wordt afgevoerd, dient er rekening mee te worden gehouden dat deze grond elders niet zonder meer toepasbaar is. Met betrekking tot het elders hergebruiken van grond zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing, die doorgaans een grotere onderzoeksinspanning vereisen.
documentkenmerk: 2003/016/KB-01, versie A
Inhoudsopgave pagina Samenvatting 1.
Inleiding
1
2.
Vooronderzoek
2
2.1
Locatiegegevens
3
2.2
Eerder uitgevoerd onderzoek
4
2.3
Bodemopbouw
5
2.4
Terreinverkenning
6
2.5
Conclusies vooronderzoek
6
3.
Onderzoeksstrategie
8
4.
Uitvoering
11
4.1
Kwalibo
11
4.2
Maaiveldinspectie
11
4.3
Inspectiegaten en boorwerk
12
4.4
Bemonstering grondwater
13
4.5
Analyses
14
5.
Analyseresultaten
17
5.1
Toetsingskader
17
5.2
Asbest
20
5.3
Samenstelling en uitloging
21
5.4
Overige parameters grond
22
5.5
Grondwater
24
6.
Verontreinigingssituatie
25
6.1
Grond
25
6.2
Oorzaak en gevalsdefinitie
26
7.
Conclusie en aanbevelingen
27
documentkenmerk: 2003/016/KB-01, versie A
Bijlagen aantal pagina's (excl. voorblad) 1.
kadastrale kaart
1
2.
situatietekening
2
3.
profielbeschrijvingen
11
4.
analyseresultaten asbest
43
5.
analyseresultaten samenstelling en uitloging puinlagen
8
6.
analyseresultaten overige parameters grond
52
7.
analyseresultaten grondwater
11
8.
toetsingstabellen samenstelling en uitloging puinlagen
2
9.
toetsingstabellen grond
11
10.
toetsingstabellen grondwater
2
11.
indicatieve toetsing HXRF-metingen
1
12.
foto’s onderzoekslocatie
3
13.
tekening verontreinigingssituatie
1
documentkenmerk: 2003/016/KB-01, versie A
1. Inleiding Verkennend bodemonderzoek In opdracht van Ruimte voor Ruimte Ontwikkelingsmaatschappij te ‘s-Hertogenbosch heeft Tritium Advies een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Rullen 7 te Nuenen. Aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen herontwikkeling van de locatie. De doelstellingen van het onderzoek zijn als volgt: •
bodem
:
vaststellen van de kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) om te bepalen of er op de locatie sprake is van bodemverontreiniging en een indicatieve uitspraak doen over het asbestgehalte in de bodem.
•
funderingslaag
:
indicatief bepalen van de hergebruiksmogelijkheden (inclusief asbest).
Aanvullend bodemonderzoek deellocaties B en C Naar aanleiding van de resultaten van het verkennend onderzoek is direct een aanvullend onderzoek uitgevoerd ter plaatse van twee deellocaties (deellocatie B en C). Doel van het aanvullend onderzoek ter plaatse van deellocatie B is het bepalen van de aard en omvang van een aangetroffen grondverontreiniging met koper, lood en zink. Doel van het aanvullend onderzoek ter plaatse van deellocatie C is het bepalen van de aard en omvang van een aangetroffen grondverontreiniging met zink. Tritium Advies heeft geen binding met de opdrachtgever en de onderzoekslocatie anders dan als onafhankelijk onderzoeksbureau. Kwalibo Op een deel van de werkzaamheden die in het voorliggende rapport worden beschreven is het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Onder de naam Kwalibo regelt het Besluit de kwaliteitsborging in het bodembeheer. Voor deze kwaliteitsborging zijn onderdelen van het onderzoek onder Kwalibo uitgevoerd. Indien dit het geval is, dan is dit bij het betreffende onderdeel expliciet vermeld. Onderdelen zonder vermelding van Kwalibo, zijn niet onder Kwalibo uitgevoerd.
pagina 1 van 30
documentkenmerk: 2003/016/KB-01, versie A
2. Vooronderzoek Het vooronderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5725 (oktober 2017). Voor het vooronderzoek is gebruik gemaakt van de gegevens die zijn aangeleverd door de opdrachtgever. De overige geraadpleegde bronnen zijn weergegeven in tabel 2.1. Tabel 2.1: overzicht geraadpleegde bronnen tijdens vooronderzoek vooronderzoek type
“aanleiding A” opstellen hypothese milieuhygiënische bodemkwaliteit ten behoeve van bodemonderzoek
categorie
bron
geraadpleegd datum
contactpersoon
03-03-2020
n.v.t.
13-03-2020
de heer P. van Bergen
internet kadastrale gegevens
kadastralekaart.com
actuele terreinsituatie
BAG Viewer - Kadaster Google Maps
historische gegevens
Topotijdreis
bodeminformatie
Actueel Hoogte Bestand Bodemloket DINOloket Omgevingsrapportage Noord-Brabant
archieven gemeente Nuenen bodeminformatie
bodeminformatiesysteem
historische gegevens
bouwvergunningen
(gemeente Nuenen)
tankenbestand Hinderwet-/milieuarchief/Wabo overig algemene informatie
opdrachtgever
27-02-2020
de heer G. Kersten
De terreinverkenning is voorafgaand aan het veldwerk uitgevoerd. De resultaten van de terreinverkenning zijn weergegeven in paragraaf 2.4.
pagina 2 van 30
documentkenmerk: 2003/016/KB-01, versie A
2.1 Locatiegegevens Een overzicht van de locatiegegevens is weergegeven in tabel 2.2. Tabel 2.2: overzicht onderzoekslocatie actuele locatiegegevens adres straat
Rullen
huisnummer
7
plaats
Nuenen
kadastraal gemeente
Nuenen
sectie
B
nummer(s)
5166
locatie oppervlak
12.900 m2
bebouwd circa 1.640 m2
huidig gebruik
boerderij met erf en bijgebouwen, agrarisch gebied
voormalig gebruik
Tot omstreeks 1900 kende de onderzoekslocatie een agrarisch/natuurlijk gebruik. Vanaf circa 1900 is er bebouwing aanwezig op de onderzoekslocatie. Omstreeks 1952, 1963 en 1993 is er meer bebouwing gerealiseerd op de onderzoekslocatie. Het meest westelijk gelegen deel van de onderzoekslocatie is voor zover bekend altijd onbebouwd en agrarisch gebied geweest.
toekomstig gebruik
wonen met tuin
dempingen, ophogingen,
Uit eerder uitgevoerd verkennend bodemonderzoek [1] op de locatie blijkt dat er
bijmengingen met puin
bijmengingen met baksteen, glas, beton en asfalt zijn aangetoond. Tevens is er een halfverharding van puin aangetroffen.
bodembedreigende activiteiten
agrarische bedrijfsactiviteiten, opstallen met asbestverdachte dakbedekking,
en calamiteiten
bovengrondse brandstoftank
PFAS
Op 8 juli 2019 heeft de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat het ‘tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie’ van toepassing verklaard. Door het wijdverbreide gebruik en door emissies en incidenten worden poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) inmiddels in Nederland (en breder in de wereld), niet alleen bij puntbronnen, maar ook als diffuse verontreinigingen in bodem, grondwater en oppervlaktewater aangetoond. Derhalve zijn de bovengrond (tot 1,0 mmv) en geroerde bodems verdacht op PFAS.
kabels en leidingen
Gegevens over mogelijk aanwezige kabels en leidingen zijn niet bekend. Voorafgaand aan
bodemkwaliteitskaart
•
de veldwerkzaamheden wordt door Tritium Advies een KLIC-melding uitgevoerd. bron: Actualisatie bodemkwaliteitskaart gemeente Nuenen
•
datum: 6 mei 2015
•
ontgravingskaart boven- en ondergrond: ‘achtergrondwaarde’
•
toepassingskaart boven- en ondergrond: ‘achtergrondwaarde’
asbestaspecten jaartallen
toepassing
opstallen
bouwjaar omstreeks 1952 en 1963
terrein
aanleg rond 1900
Van de locatie is bekend dat de bebouwing voorzien is van een asbesthoudend dak zonder dakgoten. Het terrein rondom een gedeelte van de bebouwing is gedeeltelijk onverhard.
terreinsituatie bebouwing
boerderij met bijgebouwen
maaiveld
tuin, braak, verhard, puin
verhardingen
bebouwing:
beton
overig:
tegels, asfalt, beton, halfverharding van puin/asfaltgranulaat
installaties
bovengrondse brandstoftank (diesel) in lekbak
pagina 3 van 30
documentkenmerk: 2003/016/KB-01, versie A
omgeving gebruik belendende percelen
wonen met tuin, bedrijven, openbare weg, agrarisch
De kadastrale kaart van de onderzoekslocatie zijn weergegeven in bijlage 1. Een situatietekening is weergegeven in bijlage 2. Foto’s van de onderzoekslocatie zijn toegevoegd in bijlage 12. De ligging van de locatie is weergegeven in figuur 2.1. Figuur 2.1: luchtfoto onderzoekslocatie
2.2 Eerder uitgevoerd onderzoek Op de onderzoekslocatie is eerder het in de navolgende tabel vermelde bodemonderzoek uitgevoerd. Voor zover relevant voor deze offerte zijn de gegevens weergegeven in dit hoofdstuk. Van de directe omgeving zijn geen bodemonderzoeken bekend. Tabel 2.3: eerder uitgevoerd onderzoek nr.
titel
locatie
opgesteld door
kenmerk
datum
Rullen 7
Lankelma
1801032
12-06-2018
onderzoekslocatie 1.
verkennend onderzoek
Ad 1 Bij dit onderzoek is een gedeelte van de onderhavige onderzoekslocatie onderzocht. Aanleiding voor het onderzoek was de voorgenomen grondtransactie van de locatie. Doel van het onderzoek was het vaststellen van de bodemkwaliteit en de kwaliteit van de aanwezige funderingslaag. Tevens was het doel bepalen of de bodem verdacht was op een asbestverontreiniging.
pagina 4 van 30
documentkenmerk: 2003/016/KB-01, versie A
Zintuiglijk zijn tijdens het plaatsen van de boringen bijmengingen aangetroffen met baksteen, glas, beton en asfalt. Tevens werd een puinverharding aangetroffen. De grond ter plaatse van de bovengrondse tank bleek niet verontreinigd te zijn met de onderzochte stoffen. Het grondwater ter plaatse van de bovengrondse tank bleek licht verontreinigd te zijn met barium, koper, zink, xylenen en naftaleen. In de grond ter plaatse van het overige gebied zijn lichte verontreinigingen aangetoond met cadmium, zink en PAK. De ondergrond bleek niet verontreinigd te zijn met de onderzochte stoffen. Het grondwater ter plaatse van het overige gebied werd niet onderzocht. In de grond van de gehele locatie is een maximaal gewogen asbestgehalte aangetoond van 2,28 mg/kg d.s. In de puinverharding is een maximaal gewogen asbestgehalte aangetoond van 210 mg/kg d.s. Het asbest betrof voornamelijk golfplaat en vloerzeil dat 0,1 tot 30% hechtgebonden en niet-hechtgebonden chrysotiel en crocidoliet bevatte. Geconcludeerd werd dat de resultaten van het onderzoek aanleiding gaven tot het uitvoeren van nader onderzoek ter plaatse van de puinverharding. De overige resultaten gaven geen aanleiding tot het uitvoeren van nader onderzoek.
Door Tritium Advies wordt opgemerkt dat tijdens het eerder uitgevoerde onderzoek [1] niet het voorgeschreven aantal boringen en analyses zoals voorgeschreven in de NEN 5740 is uitgevoerd. Tevens is de grond onder de asbestverdachte dakranden zonder dakgoot niet als een separate deellocatie onderzocht. Dit dient alsnog te worden gedaan. De deellocatie met de bovengrondse brandstoftank is wel afdoende onderzocht.
2.3 Bodemopbouw Tabel 2.4: bodemopbouw en geohydrologie bodemopbouw maaiveldhoogte
15 m+NAP
deklaag
dikte
26 m
samenstelling
zeer fijn tot zeer grof zand, lokaal kleiig, grindig of humeus
doorlatendheid
matig
dikte
18 m
samenstelling
matig grof tot uiterst grof zand, lokaal grindig
doorlatendheid
goed
stijghoogte
14,5 m+NAP
stromingsrichting
westelijk
onbekend
westelijk
1e watervoerende pakket
geohydrologie freatisch grondwater 1e watervoerende pakket waterhuishouding oppervlaktewater
Direct ten zuiden en ten westen liggen kleine waterlopen (sloten).
grondwaterbeschermingsbied
De locatie is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied.
grondwateronttrekking
Op de onderzoekslocatie vindt geen grondwateronttrekking plaats. Van de omgeving zijn geen gegevens bekend.
boringvrije zone
De onderzoekslocatie is niet gelegen in een boringsvrije zone.
pagina 5 van 30
documentkenmerk: 2003/016/KB-01, versie A
2.4
Terreinverkenning
Voorafgaand aan de monstername is een terreinverkenning uitgevoerd. Tijdens de terreinverkenning is er op de locatie een gronddepot aangetroffen van onbekende herkomst. Op verzoek van de opdrachtgever is deze partij grond indicatief gekeurd. Tevens is een stookplaats aangetroffen. Ter plaatse is boring C04 geplaatst. Naar aanleiding van de terreinverkenning is een gedeelte van de locatie uitgebreid met vier asbestinspectiegaten. Op de noordoostzijde van het perceel is een asfaltverharding aanwezig van circa 72 m2. De asfaltverharding heeft een omvang van circa 4 m3. Gezien de geringe omvang is het asfalt niet onderzocht. Ter plaatse van het westelijk terreindeel is een betonverharding aanwezig.
2.5 Conclusies vooronderzoek Op basis van het vooronderzoek kunnen de in de navolgende tabel weergegeven deellocaties worden onderscheiden. De aanwezige puinverharding wordt in een ander kader onderzocht en maakt derhalve geen onderdeel uit van onderhavig onderzoek. De grond onder de puinverharding wordt wel onderzocht ter plaatse van deellocatie C. Ter plaatse van deellocatie C is een bovengrondse brandstoftank aanwezig in een lekbak. De brandstoftank is tijdens eerder uitgevoerd onderzoek [1] reeds voldoende onderzocht. Tabel 2.5: deellocaties deel-
omschrijving
afmeting
hypothese
motivatie
locatie A
verdachte stoffen
opstallen met asbestverdachte
3 zijdes, circa
dakbedekking zonder dakgoot
102 meter lang
verdacht
ontbreken van dakgoten,
asbest
mogelijk asbest in de bodem als gevolg van eroderende dakbedekking
B
landbouwgrond
circa 5.200 m2
onverdacht
geen aanwijzing voor
geen
verontreiniging C
agrarisch erf met opstallen
circa 7.700 m2
verdacht
agrarisch bedrijfsactiviteiten,
NEN-pakket
grond onder puinverharding Opmerkingen bij de tabel: NENpakket
:
pakket NEN 5740 voor grondparameters (9 metalen, PAK, PCB en minerale olie) pakket NEN 5740 voor grondwaterparameters (9 metalen, vluchtige aromatische koolwaterstoffen en naftaleen, vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen en minerale olie).
PFAS De bovengrond en geroerde bodems in heel Nederland zijn verdacht op het (diffuus) voorkomen van PFAS (poly- en perfluoralkylstoffen). Deze verbindingen zijn chemische stoffen die van nature niet in het milieu voorkomen. De stoffen zijn door mensen gemaakt vanwege hun specifieke eigenschappen, zoals brandwerendheid en vuil- en waterafstotendheid. Zij worden al decennia gebruikt in industriële processen en in vele producten. Ze worden gebruikt in allerlei alledaagse toepassingen, zoals verf, blusschuim, pannen, kleding en cosmetica.
pagina 6 van 30
documentkenmerk: 2003/016/KB-01, versie A
Aangenomen kan worden dat verontreinigingen met PFAS welke veroorzaakt zijn door diffuse verspreiding over het algemeen geen risico’s met zich meebrengen (uitgaande van de risicogrenzen zoals opgenomen in de rapportage ‘risicogrenzen PFOA voor grond en grondwater’ met kenmerk 2018-0060 van het RIVM). Voor hergebruik van grond zijn in het geactualiseerde ‘Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie’ (d.d. 2 juli 2020) striktere regels opgesteld waardoor voorafgaand aan hergebruik van grond wel onderzoek nodig is. Derhalve is onderzoek naar PFAS in de bodem meegenomen in het onderhavig onderzoek.
pagina 7 van 30
documentkenmerk: 2003/016/KB-01, versie A
3. Onderzoeksstrategie Het verkennend bodemonderzoek wordt uitgevoerd conform de NEN 5707+C2 (december 2017) en de NEN 5740+A1 (april 2016). De te volgen strategie is weergegeven in de navolgende tabel. Tabel 3.1: strategie verkennend bodemonderzoek strategie 1)
analyses 2)
veldwerkzaamheden maaiveld-
inspectie-
boringen
inspectie
gaten
(diepte in
(diepte in
m-mv)
peilbuizen
asfalt- of
grond
grondwater
betonboringen
m-mv)
(diameter)
deellocatie A: opstallen met asbestverdachte dakbedekking zonder dakgoot (3 zijdes, circa 102 meter lang) VEP
2 richtingen,
6 x (0,1)
-
-
-
3 x asb-g
-
12 x (0,5)
1
-
4 x NEN-g
1 x NEN-gw
3 x ø 12 cm 5)
6 x NEN-g 6)
2 x NEN-gw
stroken 1,5 m deellocatie B: landbouwgrond (circa 5.200 m2) ONV-NL
2 richtingen,
-
stroken 1,5 m
3 x (2,0)
deellocatie C: agrarisch erf met opstallen (circa 7.700 m2) VED-HE-NL / VED-HO-NL
2 richtingen steekproef
17 x (0,5) 4 x (o.v.l.)
3)
17 x (0,5)
1 en 1 x
5 x (2,0)
4)
pb B1
4 x asb-g
(PFAS)
1 x asb-m 3 x PFAS (30)
Opmerkingen bij de tabel: 1)
verklaring strategie: ONV-NL
:
onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie, niet lijnvormig;
VEP
:
onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie met een plaatselijke bodembelasting met een
VED-HO-NL
:
duidelijke verontreinigingskern; onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie, diffuse bodembelasting, homogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig; VED-HE-NL
:
onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig.
2)
verklaring analyses: asb-g
:
asbest in grond NEN 5898;
asb-m
:
asbest in materiaal(verzamelmonster);
NEN-g
:
pakket NEN 5740 voor grondparameters (organische stof en lutum, 9 metalen, PAK, PCB en minerale olie);
NEN-gw
:
pakket NEN 5740 voor grondwaterparameters (9 metalen, vluchtige aromatische koolwaterstoffen en naftaleen, vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen en minerale olie);
PFAS (30)
:
uitgebreid analysepakket met 30 perfluorverbindingen volgens de advieslijst d.d. 12 juli 2019 van het Tijdelijk handelingskader.
3)
o.v.l.
:
onderzijde verdachte laag (de gaten worden uitgevoerd tot aan de onderzijde van de verdachte laag met een maximum van 2 meter. Indien blijkt dat vanaf een bepaalde diepte het graven van gaten niet meer mogelijk is, worden boringen uitgevoerd met een diameter van tenminste 12 cm).
4) 5)
omdat een bestaande peilbuis wordt bemonsterd wordt een extra boring tot 2,0 m-mv geplaatst. om tevens een uitspraak te kunnen doen over de bodemkwaliteit onder de aanwezige beton- en asfaltverharding zijn drie beton-/asfaltboringen opgenomen.
6)
conform de strategie voor een verdachte locatie, dienen 4 analyses van de verdachte laag te worden uitgevoerd. Om ook een uitspraak te kunnen doen over de ‘onverdachte’ ondergrond zijn twee extra analyses opgenomen.
pagina 8 van 30
documentkenmerk: 2003/016/KB-01, versie A
Tijdens de uitvoering van het veldwerk bleek dat er onder de aanwezige asfaltverharding (boring C26) en de betonverharding (boring C02 en C03) een funderingslaag aanwezig was. De samenstelling van deze afgedekte funderingslagen was anders dan die van de aangrenzende puinverharding. Derhalve worden ter plaatse aanvullende gaten/boringen gegraven/gezet om de kwaliteit van deze puinfundering vast te stellen. De funderingslaag onder de beton- en asfaltverharding wordt onderzocht op samenstelling (incl. asbest) en uitloging. Het asbestonderzoek wordt uitgevoerd conform de NEN 5897+C2 (december 2017). De uit te voeren werkzaamheden zijn weergegeven in de navolgende tabel. Tabel 3.2: strategie indicatief onderzoek funderingslaag locatie
betonverharding deellocatie C
strategie 1)
asfaltboringen
fundering
K-FUND
3 x ø 0,35 m
3 x (0,3 x 0,3 m)
1 x org. parameters + uitloog
(tot onderzijde
1 x asb-p
(circa 100 m2)
inspectiegaten
analyses 2)
funderingslaag) asfaltverharding deellocatie C
K-FUND
3 x ø 0,35 m
(circa 72 m2)
3 x (0,3 x 0,3 m)
1 x org. parameters + uitloog
(tot onderzijde
1 x asb-p
funderingslaag) Opmerkingen bij de tabel: 1)
verklaring analyses: K-FUND
2)
:
onderzoeksstrategie volgens NEN 5897+C2 voor een kleinschalige afgedekte funderingslaag.
verklaring analyses: org. parameters
:
de organische parameters PAK, PCB en minerale olie;
uitloog
:
schudproef met een eluaatanalyse op 15 metalen en 4 anionen;
asb-p
:
asbest in puin NEN 5898.
Naar aanleiding van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek is er een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd om een sterke grondverontreiniging met koper, lood en zink (ter plaatse van boring B13) en een sterke grondverontreiniging met zink (ter plaatse van boring C26) op de onderzoekslocatie in te kaderen. Derhalve worden hier met behulp van de HXRF-meter vijf aanvullende boringen (B100 t/m B104) geplaatst om de omvang van de verontreiniging met koper, lood en zink in kaart te brengen. Tevens worden er met behulp van de HXRF-meter vier aanvullende boringen (C100 t/m C103) geplaatst om de omvang van de zink-verontreiniging in kaart te brengen. De onderzoeksstrategie daarvoor is weergegeven in de navolgende tabel. Tabel 3.3: strategie aanvullend bodemonderzoek strategie 1)
analyses 2)
boorwerk (diepte in m-mv) boringen
peilbuizen
deellocatie B: ter plaatse van boring B13 MW
5 x (1,5)
n.v.t.
5 x met-9
n.v.t.
4 x zink
deellocatie C: ter plaatse van boring C26 MW
4 x (1,5)
Opmerkingen bij de tabel: 1)
verklaring strategie: MW
2)
:
de onderzoeksstrategie betreft maatwerk.
:
standaardpakket met 9 zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, lood, kwik,
verklaring analyses: met-9
molybdeen, nikkel en zink).
pagina 9 van 30
documentkenmerk: 2003/016/KB-01, versie A
Gelet op het type verontreiniging dat aanwezig is (zware metalen), wordt bij de uitvoering van het onderzoek gebruik gemaakt van de “Handheld Röntgen Fluorescentie Spectrometer” (HXRF), een apparaat dat in het veld indicatief de gehaltes aan zink, koper, lood en arseen kan meten. Op deze manier kunnen tijdens het onderzoek efficiënter en gerichter analyses worden uitgevoerd. Alle metingen met behulp van de HXRF worden uitgevoerd volgens de vigerende Praktijkrichtlijn “Handheld Röntgen Fluorescentie Spectrometrie”. De analyses worden door een geaccrediteerd laboratorium uitgevoerd. De monsters worden voor zover mogelijk conform AS3000 voorbewerkt.
pagina 10 van 30
documentkenmerk: 2003/016/KB-01, versie A
4. Uitvoering 4.1 Kwalibo Op de veldwerkzaamheden is het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Onder de naam Kwalibo regelt het Besluit de kwaliteitsborging in het bodembeheer. Voor dit onderzoek zijn de werkzaamheden uitgevoerd onder certificaat op grond van BRL SIKB 2000 (versie 6.0, 1 februari 2018) conform protocollen 2001 (versie 6.0, 1 februari 2018), 2002 (versie 6.0, 1 februari 2018) en 2018 (versie 6.0, 1 februari 2018) van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer. Opgemerkt wordt dat wanneer meer dan 50% bodemvreemde materialen worden aangetroffen, het protocol 2018 niet van toepassing is. Dit heeft geen invloed op de onderzoeksstrategie en de resultaten van het onderzoek. In de navolgende tabel zijn de namen van de erkende veldwerkers weergegeven, die voor onderhavig onderzoek het veldwerk hebben uitgevoerd. Tabel 4.1: erkende veldwerkers Tritium Advies veldwerker
datum uitvoering
nummers
09-04-2020
maaiveld
09-04-2020
B01 t/m B16, C01 t/m C29
maaiveldinspectie Victor Loderus, Joris Mathijssen boorwerkzaamheden (protocol 2001) Victor Loderus, Joris Mathijssen
10-04-2020 05-06-2020
B100 t/m B105, C30 t/m C35, C100 t/m C103
09-04-2020
bestaande pb B01
05-06-2020
B01, C01
09-04-2020
A01 t/m A10
05-06-2020
A05a, A06a, A07a, A08a, AGB01 t/m AGB06
monstername grondwater (protocol 2002) Victor Loderus
inspectiegaten (protocol 2018) Victor Loderus, Joris Mathijssen
Conform BRL-SIKB 2000 zijn de veldwerkzaamheden getoetst op partijdigheid. De uitvoerder van het veldwerk voor milieuhygiënisch bodemonderzoek heeft geen binding met de opdrachtgever en de onderzoekslocatie anders dan als dat van een onafhankelijk onderzoeksbureau.
4.2 Maaiveldinspectie Het maaiveld van de locatie was tijdens de maaiveldinspectie plaatselijk bedekt met vegetatie (lang gras, onkruid) en plaatselijk verhard met klinkers, puin en beton. Vanwege de toestand van het maaiveld wordt de efficiëntie van de maaiveldinspectie geschat op 50 - 70 %. Tijdens de maaiveldinspectie zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld.
pagina 11 van 30
documentkenmerk: 2003/016/KB-01, versie A
4.3 Inspectiegaten en boorwerk De locaties van de inspectiegaten, boringen en peilbuizen zijn weergegeven in bijlage 2. Boring C02 diende gestaakt te worden in verband met een ondoordringbare puinlaag. Boring C102 bleek op een diepte van circa 1,0 m-mv ondoordringbaar te zijn. Tijdens de uitvoering van het bodemonderzoek zijn ter plaatse van boring B11 en B14 (bovengrond) bijmengingen met puin in de bodem aangetroffen. Puin waarvan de herkomst onbekend is dient als asbestverdacht te worden beschouwd. Derhalve is het verkennend bodemonderzoek uitgebreid met een verkennend asbestonderzoek ter plaatse van deze boringen. De bij de werkzaamheden vrijkomende grond is in het veld zintuiglijk beoordeeld. Hierbij zijn de in de navolgende tabel weergegeven waarnemingen gedaan die duiden op een mogelijke bodemverontreiniging. Voor de bodemopbouw wordt verwezen naar de profielbeschrijvingen in bijlage 3. Tabel 4.2: waarnemingen en bijzonderheden inspectiegat
traject
of boring
(m-mv)
asbestverdacht materiaal
overige waarnemingen en bijzonderheden
einddiepte (m-mv)
deellocatie A: opstallen met asbestverdachte dakbedekking zonder dakgoot A01
0,00 - 0,10
niet aangetroffen
volledig puin
0,10
A02
0,00 - 0,10
niet aangetroffen
volledig puin
0,10
A03
0,00 - 0,10
niet aangetroffen
volledig puin
0,10
A04
0,00 - 0,10
niet aangetroffen
volledig puin
0,10
A05
0,00 - 0,10
niet aangetroffen
sporen puin
0,10
A05a
0,00 - 0,10
niet aangetroffen
sporen puin
0,10
A06
0,00 - 0,10
niet aangetroffen
zwak puinhoudend
0,10
A06a
0,00 - 0,10
niet aangetroffen
zwak puinhoudend
0,10
A07
0,00 - 0,10
niet aangetroffen
sporen puin
0,10
A07a
0,00 - 0,10
niet aangetroffen
sporen puin
0,10
A08
0,00 - 0,10
niet aangetroffen
sporen puin
0,10
A08a
0,00 - 0,10
niet aangetroffen
sporen puin
0,10
A09
0,00 - 0,10
niet aangetroffen
volledig puin
0,10
A10
0,00 - 0,10
niet aangetroffen
volledig puin
0,10
deellocatie B: landbouwgrond B11
0,00 - 0,50
niet aangetroffen
sporen puin, sporen kolengruis
1,00
B13
0,25 - 0,55
niet aangetroffen
matig kolengruishoudend
2,00
B14
0,00 - 0,50
niet aangetroffen
sporen puin
1,00
niet aangetroffen
matig kolengruishoudend
1,50
aanvullend onderzoek B100
0,25 - 0,55
deellocatie C: agrarisch erf met opstallen C01
0,00 - 0,30
niet aangetroffen
sporen puin
3,20
C02
0,13 - 0,20
niet aangetroffen
sterk puinhoudend
0,45
0,20 - 0,45
niet aangetroffen
volledig puin, gestaakt
0,20 - 0,40
niet aangetroffen
zwak puinhoudend
0,40 - 0,70
niet aangetroffen
volledig puin
0,70 - 1,00
niet aangetroffen
sterk puinhoudend, matig
C05
0,00 - 0,35
niet aangetroffen
sporen puin
0,85
C06
0,00 - 0,50
niet aangetroffen
sporen puin
1,00
C03
1,50
kolengruishoudend
pagina 12 van 30
documentkenmerk: 2003/016/KB-01, versie A
Tabel 4.2, vervolg: waarnemingen en bijzonderheden inspectiegat
traject
of boring
(m-mv)
asbestverdacht materiaal
overige waarnemingen en
einddiepte
bijzonderheden
(m-mv)
deellocatie C: agrarisch erf met opstallen C07
0,00 - 0,40
niet aangetroffen
sporen puin
0,90
C08
0,00 - 0,35
niet aangetroffen
sporen puin
0,85
C09
0,00 - 0,35
niet aangetroffen
sporen puin
0,85
C10
0,00 - 0,80
5 stukjes asbestverdacht materiaal 1)
volledig puin
1,30
C11
0,00 - 0,80
5 stukjes asbestverdacht materiaal 1)
volledig puin
1,30
C12
0,00 - 0,50
niet aangetroffen
sporen puin
2,00
C13
0,00 - 0,30
niet aangetroffen
sporen puin
0,80
C14
0,15 - 0,50
niet aangetroffen
sporen puin
1,00
C15
0,00 - 0,50
niet aangetroffen
zwak puinhoudend
1,00
C16
0,00 - 0,20
niet aangetroffen
sporen puin
0,70
C17
0,00 - 0,60
5 stukjes asbestverdacht materiaal 1)
volledig puin
1,10
C18
0,00 - 0,60
niet aangetroffen
volledig puin
2,00
C22
0,00 - 0,50
niet aangetroffen
sporen puin
2,00
C23
0,00 - 0,50
niet aangetroffen
sporen puin
1,00
C24
0,00 - 0,50
niet aangetroffen
sporen puin
1,00
C25
0,00 - 0,50
niet aangetroffen
sporen puin
2,00
C26
0,05 - 0,50
niet aangetroffen
volledig puin
1,20
0,50 - 0,70
niet aangetroffen
matig baksteenhoudend, matig
C30
0,35 - 0,70
niet aangetroffen
volledig puin
0,70
C31
0,20 - 0,70
niet aangetroffen
volledig puin
1,20
C32
0,35 - 0,70
niet aangetroffen
volledig puin
1,20
C33
0,05 - 0,18
niet aangetroffen
sterk puinhoudend, matig asfalthoudend
1,00
0,18 - 0,30
niet aangetroffen
volledig puin, sterk baksteenhoudend
0,30 - 0,50
niet aangetroffen
sporen puin
0,05 - 0,25
niet aangetroffen
sterk puinhoudend, matig asfalthoudend
0,25 - 0,50
niet aangetroffen
volledig puin, sterk baksteenhoudend
0,05 - 0,25
niet aangetroffen
sterk puinhoudend, matig asfalthoudend
0,25 - 0,50
niet aangetroffen
volledig puin, sterk baksteenhoudend
kolengruishoudend
C34
C35
1,00
1,00
aanvullend onderzoek C100
0,40 - 0,80
niet aangetroffen
sterk baksteenhoudend
1,50
C101
0,08 - 0,50
niet aangetroffen
sterk baksteenhoudend
1,50
C102
0,08 - 0,20
niet aangetroffen
sterk baksteenhoudend
1,00
0,20 - 1,00
niet aangetroffen
zwak baksteenhoudend, hierna ondoordringbaar
aanvullend onderzoek C103
0,00 - 0,50
niet aangetroffen
volledig puin
1,50
Opmerkingen bij de tabel: 1)
In de betreffende laag is asbestverdacht plaatmateriaal aangetroffen. Omdat tijdens het eerder uitgevoerde onderzoek reeds is vastgesteld dat in de puinverharding een verhoogd asbestgehalte is aangetoond is het materiaal niet bemonsterd en geanalyseerd.
4.4 Bemonstering grondwater Tijdens de grondwatermonstername zijn in het veld de zuurgraad (pH), de troebelheid en de elektrische geleidbaarheid (Ec) van het grondwater bepaald. De peilbuisspecificaties en meetresultaten zijn weergegeven in de navolgende tabel. De plaats van de peilbuizen is weergegeven in bijlage 2.
pagina 13 van 30
documentkenmerk: 2003/016/KB-01, versie A
Tabel 4.3: peilbuisspecificaties peilbuis
datum
filtertraject
grondwaterstand
pH
Ec
troebelheid
bemonstering
(m-mv)
(m-mv)
(-)
(µS/cm)
(ntu)
belucht
1,30 - 2,30
0,95
7,0
1005
11
nee
deellocatie B: landbouwgrond B01
05-06-2020
deellocatie C: agrarisch erf met opstallen bestaande
09-04-2020
2,25 - 3,25
1,07
6,5
344
112
nee
05-06-2020
2,20 - 3,20
1,62
6,2
282
23
nee
pb B01 C01
Tijdens de bemonstering van het grondwater heeft zich de volgende afwijking op de NEN5744 voorgedaan: •
de troebelheid van het grondwater in alle peilbuizen is groter dan 10 ntu. Hierdoor kunnen concentraties van organische parameters hoger uitvallen.
Bij de interpretatie van de analyseresultaten van het grondwater wordt met de afwijking rekening gehouden. De betrouwbaarheid van de analyseresultaten wordt in hoofdstuk 5 besproken.
4.5 Analyses De monsters zijn volgens de navolgende tabel geanalyseerd. Naar aanleiding van de analyseresultaten zijn aanvullende analyses uitgevoerd. Bij de benaming van de eerste drie mengmonsters van deellocatie C is per abuis een A vermeld in plaats van een C. Op verzoek van de opdrachtgever is tevens het gronddepot geanalyseerd op een NEN-pakket en op asbest (in verband met de aanwezigheid van puinbijmengingen in het gronddepot). Tabel 4.4: geanalyseerde monsters (asbest, samenstelling en uitloging) vindplaats of
monster-
inspectiegat
code
traject
analyses 2)
toelichting
(m-mv) 1)
deellocatie A: opstallen met asbestverdachte dakbedekking zonder dakgoot A01, A02
mmA01
0,00 - 0,10
asb-p
verdachte toplaag, volledig puin
A03, A04
mmA02
0,00 - 0,10
asb-p
verdachte toplaag, volledig puin
A09, A10
mmA03
0,00 - 0,10
asb-p
verdachte toplaag, volledig puin
A05, A06
mmA04
0,00 - 0,10
asb-g
verdachte toplaag, sporen tot zwak puinhoudend
A07, A08
mmA05
0,00 - 0,10
asb-g
verdachte toplaag, sporen puinhoudend
A05a, A06a
mmA06
0,00 - 0,10
asb-g
i.v.m. aangetoonde gehaltes opnieuw bemonsterd
A07a, A08a
mmA07
0,00 - 0,10
asb-g
i.v.m. aangetoonde gehaltes opnieuw bemonsterd
0,00 - 0,50
asb-g
sporen puinhoudende bovengrond
deellocatie B: landbouwgrond AGB01 t/m
MMasbB01
AGB06 deellocatie C: agrarisch erf met opstallen C05, C06, C07,
MMasbA01
0,00 - 0,50
asb-g
sporen puinhoudende bovengrond
MMasbA02
0,00 - 0,50
asb-g
sporen tot zwak puinhoudende bovengrond
C23, C24, C25
MMasbA03
0,00 - 0,50
asb-g
sporen puinhoudende bovengrond
C33, C34, C35
MMasbC04
0,05 - 0,25
asb-g
sterk puin- en matig asfalthoudende bovengrond
C30, C31, C32
MMasbC05
0,20 - 0,70
asb-p
volledig puin
C33, C35
MMasbC06
0,18 - 0,50
asb-p
volledig puin, sterk baksteenhoudend
C34
C34-2asb
0,25 - 0,50
asb-p
volledig puin, sterk baksteenhoudend
C08, C09 C12, C13, C14, C15, C16
pagina 14 van 30
documentkenmerk: 2003/016/KB-01, versie A
Tabel 4.4: geanalyseerde monsters (asbest, samenstelling en uitloging) vindplaats of
monster-
inspectiegat
code
traject
analyses 2)
toelichting
(m-mv) 1)
deellocatie C: agrarisch erf met opstallen C30, C31, C32
mmC01 uitloog
0,20 - 0,70
uitloog + org. par.
volledig puin
C33, C34, C35
mmC02 uitloog
0,18 - 0,50
uitloog + org. par.
volledig puin
gronddepot
mm-partij-02
n.v.t.
asb-g
gronddepot met puinbijmengingen van onbekende herkomst en kwaliteit
Opmerkingen bij de tabel: 1)
in geval er sprake is van een monster dat samengesteld is uit deelmonsters, betreft het aangegeven traject de minimale en maximale diepte van de deelmonsters in het betreffende mengmonster.
2)
verklaring analyses: asb-g
:
asbest in grond NEN 5898;
asb-p
:
asbest in puin NEN 5898;
org. par.
:
de organische parameters PAK, PCB en minerale olie;
uitloog
:
schudproef met eluaatanalyse van 15 metalen en 4 anionen.
Tabel 4.5: geanalyseerde monsters (overig, grond) monstercode
traject
deelmonsters
analyses 2) toelichting
(m-mv) 1)
deellocatie B: landbouwgrond mmB01
0,00 - 0,50
B11 (0,00 - 0,50), B14 (0,00 - 0,50)
NEN-g
sporen puin- en kolengruishoudende
mmB02
0,00 - 0,50
B01 (0,00 - 0,50), B02 (0,00 - 0,50),
NEN-g
zintuiglijk schone bovengrond
bovengrond B03 (0,00 - 0,50), B05 (0,00 - 0,50), B06 (0,00 - 0,50), B08 (0,00 - 0,50), B09 (0,00 - 0,50), B10 (0,00 - 0,50), B12 (0,00 - 0,50), B16 (0,00 - 0,50) mmB03
0,70 - 1,60
B01 (1,10 - 1,60), B06 (0,70 - 1,20)
NEN-g
sterk houthoudende ondergrond
mmB04
0,50 - 1,05
B09 (0,50 - 0,70), B11 (0,50 - 1,00),
NEN-g
zintuiglijk schone ondergrond
B13 (0,25 - 0,55)
NEN-g
matig kolengruishoudende bovengrond
B13 (0,55 - 1,05), B14 (0,50 - 1,00) B13-2
0,25 - 0,55
aanvullend onderzoek B100-1
0,00 - 0,25
B100 (0,00 - 0,25)
met-9
verticale inkadering boring B13
B100-3
0,55 - 1,05
B100 (0,55 - 1,05)
met-9
verticale inkadering boring B13
B101-2
0,25 - 0,55
B101 (0,25 - 0,55)
met-9
horizontale inkadering boring B13
B102-2
0,30 - 0,80
B102 (0,30 - 0,80)
met-9
horizontale inkadering boring B13
B103-2
0,30 - 0,80
B103 (0,30 - 0,80)
met-9
horizontale inkadering boring B13
B104-1
0,00 - 0,50
B104 (0,00 - 0,50)
met-9
horizontale inkadering boring B13
NEN-g
sporen tot zwak puinhoudende bovengrond
NEN-g
sporen puinhoudende bovengrond
NEN-g
sporen tot zwak puinhoudende bovengrond
sterk puinhoudend, matig kolengruis- en
deellocatie C: agrarisch erf met opstallen mmC01
0,00 - 0,50
C03 (0,20 - 0,40), C06 (0,00 - 0,50), C07 (0,00 - 0,40), C25 (0,00 - 0,50)
mmC02
0,00 - 0,50
C12 (0,00 - 0,50), C13 (0,00 - 0,30), C23 (0,00 - 0,50), C24 (0,00 - 0,50)
mmC03
0,00 - 0,50
C14 (0,15 - 0,50), C15 (0,00 - 0,50), C16 (0,00 - 0,20), C22 (0,00 - 0,50)
mmC04
0,50 - 1,00
C03 (0,70 - 1,00), C26 (0,50 - 0,70)
NEN-g
mmC05
0,60 - 1,30
C10 (0,80 - 1,30), C11 (0,80 - 1,20),
NEN-g
zintuiglijk schone ondergrond
NEN-g
sterk puinhoudend, matig asfalthoudend
zink
uitsplitsing mengmonster mmC04
baksteenhoudende ondergrond C17 (0,60 - 1,10), C18 (0,60 - 1,10) mmC06
0,05 - 0,25
C33 (0,05 - 0,18), C34 (0,05 - 0,25), C35 (0,05 - 0,25)
C03-4
0,70 - 1,00
C03 (0,70 - 1,00)
pagina 15 van 30
documentkenmerk: 2003/016/KB-01, versie A
Tabel 4.5, vervolg: geanalyseerde monsters (overig, grond) monstercode
traject (m-mv)
analyses 2) toelichting
deelmonsters 1)
deellocatie C: agrarisch erf met opstallen C04-1
0,00 - 0,50
C04 (0,00 - 0,50)
NEN-g
verdachte toplaag ter plaatse van stookplaats
aanvullend onderzoek C26-2
0,50 - 0,70
C26 (0,50 - 0,70)
zink
uitsplitsing mengmonster mmC04
C26-3
0,70 - 1,20
C26 (0,70 - 1,20)
zink
verticale inkadering boring C26
C33-1
0,05 - 0,18
C33 (0,05 - 0,18)
zink
uitsplitsing mengmonster mmC06
C33-3
0,30 - 0,50
C33 (0,30 – 0,50)
met-9
horizontale inkadering boring C26
C34-1
0,05 - 0,25
C34 (0,05 - 0,25)
zink
uitsplitsing mengmonster mmC06
C34-3
0,50 - 1,00
C34 (0,50 – 1,00)
met-9
horizontale inkadering boring C26
C35-1
0,05 - 0,25
C35 (0,05 - 0,25)
zink
uitsplitsing mengmonster mmC06
C100-3
0,40 - 0,80
C100 (0,40 - 0,80)
met-9
horizontale inkadering boring C26
C102-2
0,20 - 0,70
C102 (0,20 - 0,70)
met-9
horizontale inkadering boring C26
-
NEN-g
gronddepot met puinbijmengingen van
mm-partij-
n.v.t.
01
onbekende herkomst en kwaliteit
PFAS-onderzoek mmPFAS01
0,00 - 0,50
B01 (0,00 - 0,50), B08 (0,00 - 0,50),
PFAS (30)
meest verdachte bovengrond
PFAS (30)
meest verdachte bovengrond
PFAS (30)
meest verdachte ondergrond
B10 (0,00 - 0,50), B14 (0,00 - 0,50) mmPFAS02
0,00 - 0,50
C01 (0,00 - 0,30), C13 (0,00 - 0,30), C19 (0,00 - 0,50), C24 (0,00 - 0,50)
mmPFAS03
0,50 - 1,10
B01 (0,60 - 1,10), B13 (0,55 - 1,05), C15 (0,50 - 1,00), C25 (0,50 - 1,00)
Opmerkingen bij de tabel: 1)
het aangegeven traject betreft de minimale en maximale diepte van de deelmonsters in het betreffende mengmonster.
2)
verklaring analyses: NEN-g
:
met-9
:
PFAS (30)
:
pakket NEN 5740 voor grondparameters (organische stof en lutum, 9 metalen, PAK, PCB en minerale olie); standaardpakket met 9 zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, lood, kwik, molybdeen, nikkel en zink); uitgebreid analysepakket met 30 perfluorverbindingen volgens de advieslijst d.d. 12 juli 2019 van het Tijdelijk handelingskader.
Tabel 4.6: geanalyseerde monsters (grondwater) peilbuis-
monster-
nummer
code
filtertraject
analyses 1)
motivatie
(m-mv)
deellocatie B: landbouwgrond B01
B01-1-1
1,30 - 2,30
NEN-gw
onderzoek grondwater
deellocatie C: agrarisch erf met opstallen bestaande pb B01
bestaande pb B01-1-1
2,25 - 3,25
NEN-gw
onderzoek grondwater
C01
C01-1-1
2,20 - 3,20
NEN-gw
onderzoek grondwater
Opmerkingen bij de tabel: 1)
verklaring analyses: NEN-gw
:
pakket NEN 5740 voor grondwaterparameters (9 metalen, vluchtige aromatische koolwaterstoffen en naftaleen, vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen en minerale olie).
pagina 16 van 30
documentkenmerk: 2003/016/KB-01, versie A
5. Analyseresultaten 5.1 Toetsingskader Wet bodembescherming (Wbb) De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn vergeleken met de toetsingstabel 'Streefwaarden grondwater en interventiewaarden grond en grondwater' uit de circulaire bodemsanering (Nederlandse Staatscourant, nr. 16675, 27 juni 2013). Asbest De interventiewaarde voor asbest is vastgesteld op 100 mg/kg d.s. gewogen asbest. Het te toetsen gehalte wordt berekend uit de som van het gewogen gehalte aan asbest in asbesthoudend materiaal (fractie >20 mm) en het gewogen gehalte aan asbest in de grond (fractie < 20 mm). Indien de resultaten van het verkennend bodemonderzoek leiden tot het vermoeden dat er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging dient nader onderzoek plaats te vinden. Conform de NEN 5707+C2 (december 2017) worden hiervoor de volgende criteria gehanteerd: • voor asbestinspectiegaten
:
• voor boringen
als het gewogen gehalte aan asbest groter is dan de helft van de interventiewaarde;
(0,3 x 0,3 m) :
(diameter < 0,35 m)
als in het opgeboorde materiaal uit minimaal één boring asbest wordt aangetoond.
Verder kan nader onderzoek worden aanbevolen als de analyseresultaten van de visuele inspectie van het maaiveld (gehalte aan asbest in de toplaag met een dikte van 2 cm) niet overeenkomen met de gehaltes in de inspectiegaten. Overige stoffen grond en grondwater Bij onderhavig onderzoek zijn van de grondmonsters het organische stof- en lutumgehalte analytisch bepaald en weergegeven op het analysecertificaat. Met behulp van de bodemtypecorrectieformules uit de Regeling bodemkwaliteit zijn de meetwaarden van de grond omgerekend naar waarden voor standaardbodem (met een lutum percentage van 25 % en een organische stof percentage van 10 %). Voor de grond en het grondwater worden respectievelijk de achtergrondwaarde en de streefwaarde beschouwd als het niveau waaronder sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. De interventiewaarde betreft het niveau waarboven voor zowel de grond als het grondwater sprake kan zijn van risico's voor het milieu en de volksgezondheid. Een sanering van de bodem kan dan noodzakelijk zijn. Normaliter wordt als criterium voor het uitvoeren van nader onderzoek de tussenwaarde gehanteerd. De tussenwaarde voor grond betreft het gemiddelde van de achtergrond- en de interventiewaarde en voor het grondwater het gemiddelde van de streef- en interventiewaarde. Opgemerkt wordt dat de tussenwaarde geen formele status heeft.
De aanduiding van de mate van verontreiniging in het rapport is weergegeven in de onderstaande tabel.
pagina 17 van 30
documentkenmerk: 2003/016/KB-01, versie A
Tabel 5.1: aanduiding mate van verontreiniging aanduiding in rapport
betekenis voor grond
-
=
niet verontreinigd
De toetsingswaarden worden niet overschreden.
betekenis voor grondwater
>AW of >S
=
licht verontreinigd
Het aangetoonde gehalte ligt tussen de
Het aangetoonde gehalte ligt tussen de
achtergrond- en tussenwaarde.
streef- en tussenwaarde.
>T
=
matig verontreinigd
Het aangetoonde gehalte ligt tussen de tussen- en interventiewaarde.
>I
=
sterk verontreinigd
Het aangetoonde gehalte ligt boven de interventiewaarde.
Besluit bodemkwaliteit (Bbk) Asbest In bijlage A van de Regeling bodemkwaliteit (Nederlandse Staatscourant, nr. 247, 20 december 2007 en de daaropvolgende wijzigingen) zijn de normen voor niet-vormgegeven bouwstoffen opgenomen. De maximale waarde voor hergebruik van puin met asbest is eveneens vastgesteld op 100 mg/kg d.s. gewogen asbest. Overige stoffen grond en grondwater Om een indicatie te verkrijgen van de hergebruiksmogelijkheden van de grond voor een toepassing als landbodem, zijn de analyseresultaten van de grondmonsters aanvullend vergeleken met de tabellen 1 en 2 in bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit (Nederlandse Staatscourant, nr. 247, 20 december 2007 en de daaropvolgende wijzigingen). De aanduiding van de milieuhygiënische classificering is weergegeven in de navolgende tabel. Tabel 5.2: aanduiding bodemkwaliteitsklasse aanduiding in rapport
betekenis
achtergrondwaarde (AW)
grond kan vrij worden toegepast bij elke bodemfunctie en elke bodemkwaliteit.
wonen (Wo)
grond kan binnen het algemene generieke toetsingskader worden toegepast bij de bodemfuncties en bodemkwaliteiten "wonen" of "industrie".
industrie (Ind)
grond kan binnen het algemene generieke toetsingskader enkel worden toegepast bij de bodemfunctie en bodemkwaliteit "industrie".
niet-toepasbaar (NT)
grond kan elders niet worden toegepast. Indien deze grond vrijkomt moet deze worden afgevoerd naar een erkende verwerker. Voor grond met asbest is deze grens gelijk aan de interventiewaarde (100 mg/kg d.s. gewogen).
De analyseresultaten van de puinlagen zijn vergeleken met tabellen 1 en 2 in bijlage B van de Regeling Bodemkwaliteit (Nederlandse Staatscourant, nr. 247, 20 december 2007 en daaropvolgende aanpassingen). In deze tabellen zijn normwaarden opgenomen ter beoordeling van de toepassing van bouwstoffen. Binnen het toetsingskader wordt voor het classificeren van een partij bouwstoffen één van de aanduidingen in de navolgende tabel gehanteerd. Tabel 5.3: aanduiding milieuhygiënische classificatie bouwstof (indicatief) aanduiding in rapport
betekenis
N-bouwstof
niet vormgegeven bouwstof die kan worden toegepast zonder aanvullende maatregelen.
IBC-bouwstof
niet vormgegeven bouwstof die alleen mag worden toegepast met isolatie-, beheers en
Niet toepasbare bouwstof
niet vormgegeven bouwstof die niet in aanmerking komt voor hergebruik elders en
(IBC-)controlemaatregelen. alleen mag worden ingenomen door een erkende verwerker.
pagina 18 van 30
documentkenmerk: 2003/016/KB-01, versie A
PFAS (toetsingskader Tijdelijk handelingskader) De resultaten (met bodemtypecorrectie bij een percentage organische stof > 10% d.s.) zijn getoetst aan de normen uit het geactualiseerde ‘Tijdelijke Handelingskader voor hergebruik PFAShoudende grond en baggerspecie’ van 2 juli 2020. In de volgende tabel is een overzicht weergegeven van de toetsingscriteria voor het toepassen van grond en baggerspecie op de landbodem boven het grondwaterniveau. Voor toepassingen in een grondwaterbeschermingsgebied, onder de grondwaterstand en in oppervlaktewater gelden andere normen. Voor deze normstellingen wordt verwezen naar het tijdelijk handelingskader. Voor een groot aantal toepassingslocaties is een lokaal bodembeleid opgesteld. Bij het toepassen van de partij dient hiermee rekening te worden gehouden. Opgemerkt wordt dat de toepassingsmogelijkheden mede afhankelijk zijn van de PFASconcentraties van de ontvangende bodem. Tabel 5.4: Toepassingsnormen voor toepassen van grond en baggerspecie op de landbodem boven grondwaterniveau - categorie 4.1 functieklasse in de zin van
PFOS (som)
PFOA (som)
overige PFAS
het Besluit bodemkwaliteit
(μg/kg d.s.)
(μg/kg d.s.)
(μg/kg d.s.)
1,4
1,9
1,4
landbouw/natuur, bij hogere
de gemeten
de gemeten
de gemeten
achtergrondwaarde dan 1,4 en
landbouw/natuur
achtergrondwaarde, ten
achtergrondwaarde, ten
achtergrondwaarde, ten
1,9 1)
hoogste 3,0
hoogste 7,0
hoogste 3,0
wonen
3,0
7,0
3,0
industrie Opmerkingen bij de tabel: 1)
regio afhankelijk.
PFAS, Noord-Brabant De resultaten zijn tevens getoetst aan de normen uit de ‘handreiking toepassing PFAS houdende grond en baggerspecie Noord-Brabant’ van 2 december 2019. Tabel 5.5: tijdelijke lokale achtergrondwaarden PFAS in de bodem en toepassingseisen PFOS (som)
PFOA (som)
overige PFAS
(μg/kg d.s.)
(μg/kg d.s.)
(μg/kg d.s.)
Brabant grond (0,0-0,5 m-mv)
0,9
1,1
0,3
Brabant grond (0,5-2,0 m-mv)
0,6
0,8
<0,1
toepassingseis 1)
0,9
1,1
0,8
Opmerkingen bij de tabel: 1)
als toepassingseis wordt de hoogste achtergrondwaarde aangehouden (landelijk dan wel Brabant).
Toetsingskader risicogrenzen De analyseresultaten worden tevens getoetst aan de door het RIVM opgestelde risicogrenzen. Zoals vermeld in het document ‘Risicogrenzen PFOA voor grond en grondwater’, met kenmerk 20180060. Hierin zijn de in de navolgende tabel weergegeven risicogrenzen afgeleid.
pagina 19 van 30
documentkenmerk: 2003/016/KB-01, versie A
Tabel 5.6: risicogrenzen PFOA humane risicogrenzen wonen met (moes) tuin
risicogrens grond
risicogrens grondwater
(µg/kg d.s.)
(µg/l)
Scenario ‘wonen met tuin’
900
130
Scenario ‘wonen met moestuin’
86
12
Humane risico’s, scenario wonen met siertuin’
3.100
449
Humane risico’s, scenario ‘ander groen, infrastructuur en industrie’
4.195
607
Humane risico’s, scenario groen met natuurwaarden
4.200
608
-
0,39
Levenslange consumptie van 2 liter ongezuiverd grondwater per dag
5.2 Asbest De analyseresultaten zijn weergegeven in bijlage 4. In de navolgende tabel zijn alleen de analyseresultaten weergegeven van de monsters waarin daadwerkelijk asbest is aangetoond. De berekening van het totale gewogen gehalte asbest is weergegeven in tabel 5.7. Omdat er sprake is van een verkennend onderzoek, is er conform NEN 5707 sprake van een indicatie. Tabel 5.7: analyseresultaten vindplaats of
monster-
traject
inspectiegat
code
(m-mv) 1)
monster- omschrijving
percen-
soort
hecht-
tage
asbest 3)
gebonden?
type 2)
(%)
(ja/nee)
deellocatie A: opstallen met asbestverdachte dakbedekking zonder dakgoot A01, A02
mmA01
0,00 - 0,10
p
losse vezels
onbekend
chrysotiel
nee
A03, A04
mmA02
0,00 - 0,10
p
losse vezels en board
onbekend
chrysotiel
nee
A09, A10
mmA03
0,00 - 0,10
p
plukken organische en
onbekend
chrysotiel
nee
nee
asbestvezels A05, A06
mmA04
0,00 - 0,10
g
board
onbekend
chrysotiel
A07, A08
mmA05
0,00 - 0,10
g
asbestcement
onbekend
chrysotiel
board A07a, A08a
mmA07
0,00 - 0,10
ja nee
g
vezelmassa
60-100
chrysotiel
nee
p
vlakke plaat, 5 stukjes,
7,5-12,5
chrysotiel
ja
17,5
chrysotiel
nee
3,5
amosiet
nee
deellocatie C: agrarisch erf met opstallen C33, C35
MMasbC06
0,18 - 0,50
10,55 gram C34
C34-2asb
0,25 - 0,50
p
board
Opmerkingen bij de tabel: 1)
in geval er sprake is van een monster dat samengesteld is uit deelmonsters, betreft het aangegeven traject de minimale en maximale diepte van de deelmonsters in het betreffende mengmonster.
2)
3)
verklaring monstertype: g
:
grond (fractie < 20 mm);
p
:
puin (fractie < 20 mm).
soorten asbest: •
chrysotiel (wit asbest);
:
serpentijnasbest;
•
amosiet (bruin asbest), crocidoliet (blauw asbest), tremoliet (grijs
:
amfiboolasbest.
asbest), actinoliet (groen asbest) of anthofyliet (geel asbest)
pagina 20 van 30
documentkenmerk: 2003/016/KB-01, versie A
Tabel 5.8: berekening gewogen gehalte vindplaats of
monster-
traject
inspectiegat
code
(m-mv)
omschrijving
gehalte asbest (mg/kg d.s.) fractie
fractie
totaal
< 20 mm 1)
> 20 mm
gewogen 2)
48
deellocatie A: opstallen met asbestverdachte dakbedekking zonder dakgoot A01, A02
mmA01
0,00 - 0,10
verdachte toplaag, volledig puin
48 3)
n.a.
A03, A04
mmA02
0,00 - 0,10
verdachte toplaag, volledig puin
4 3)
n.a.
4
A09, A10
mmA03
0,00 - 0,10
verdachte toplaag, volledig puin
40 3)
n.a.
40
A05, A06
mmA04
0,00 - 0,10
verdachte toplaag, sporen tot
< 1 3)
n.a.
<1
86 3)
n.a.
86
<1
n.a.
<1
2
n.a.
2
sporen puinhoudende bovengrond
<1
n.a.
<1
zwak puinhoudend A07, A08
mmA05
0,00 - 0,10
verdachte toplaag, sporen puinhoudend
A05a, A06a
mmA06
0,00 - 0,10
i.v.m. aangetoonde gehaltes opnieuw bemonsterd
A07a, A08a
mmA07
0,00 - 0,10
i.v.m. aangetoonde gehaltes opnieuw bemonsterd
deellocatie B: landbouwgrond AGB01 t/m AGB06
MMasbB01
0,00 - 0,50
deellocatie C: agrarisch erf met opstallen C05, C06, C07,
MMasbA01
0,00 - 0,50
sporen puinhoudende bovengrond
<2
n.a.
<2
MMasbA02
0,00 - 0,50
sporen tot zwak puinhoudende
<2
n.a.
<2
C08, C09 C12, C13, C14, C15, C16
bovengrond
C23, C24, C25
MMasbA03
0,00 - 0,50
sporen puinhoudende bovengrond
<2
n.a.
<2
C33, C34, C35
MMasbC04
0,05 - 0,25
sterk puin- en matig
<1
n.a.
<1
asfalthoudende bovengrond C30, C31, C32
MMasbC05
0,20 - 0,70
volledig puin
<2
n.a.
<2
C33, C35
MMasbC06
0,18 - 0,50
volledig puin, sterk
30
n.a.
30
0,9
n.a.
0,9
<1
n.a.
<1
baksteenhoudend C34
C34-2asb
0,25 - 0,50
volledig puin, sterk baksteenhoudend (andere samenstelling)
gronddepot
mm-partij-
n.v.t.
02
gronddepot met puinbijmengingen van onbekend herkomst en kwaliteit
Opmerkingen bij de tabel: 1)
gehalte op analysecertificaat.
2)
dit gehalte is bepaald op basis van een verkennend onderzoek en betreft derhalve een indicatieve waarde.
3)
bij deze monsters zijn tevens in de fractie < 0,5 mm met de optische lichtmicroscoop asbestverdachte vezels aangetoond. Voor de aangetoonde hoeveelheden wordt verwezen naar de analysecertificaten in bijlage 4.
n.a.:
niet aangetoond
5.3 Samenstelling en uitloging De analyseresultaten zijn weergegeven in bijlage 5. De indicatieve toetsing van de hergebruiksmogelijkheden zijn weergegeven in bijlage 8. Een samenvatting is weergegeven in de navolgende tabel.
pagina 21 van 30
documentkenmerk: 2003/016/KB-01, versie A
Tabel 5.9: samenvatting toetsingsresultaten indicatie kwaliteit puinfundering monstercode
traject (m-mv)
samenvatting toetsingsresultaten
classificatie
> N-bouwstof
> IBC-bouwstof
mmC01 uitloog
0,20 - 0,70
-
-
N-bouwstof
mmC02 uitloog
0,18 - 0,50
-
-
N-bouwstof
De aanwezige puinfunderingen voldoen op basis van de analyseresultaten van de milieuhygiënische parameters indicatief aan de klasse “N-bouwstof”. N-bouwstoffen zijn niet-vormgegeven bouwstoffen die zonder isolatie-, beheers- en controlemaatregelen mogen worden toegepast. Bouwstoffen, niet zijnde grond of bagger, moeten in een nuttig werk worden toegepast. Deze moeten zodanig worden toegepast, dat deze niet met de (water)bodem kunnen worden vermengd en te zijner tijd ook weer kunnen worden verwijderd. Bouwstoffen, niet zijnde grond en bagger, hoeven echter niet te worden verwijderd, als deze verwijdering tot een grotere aantasting van de bodem zou leiden dan het niet verwijderen (artikel 33 Bbk). Op verzoek van het bevoegd gezag moet degene die bouwstoffen gebruikt gegevens verstrekken van de bouwstoffen met betrekking tot de samenstelling en emissie, of, indien beschikbaar, een erkende kwaliteitsverklaring van die bouwstoffen.
5.4 Overige parameters grond De analyseresultaten van de grondmonsters zijn weergegeven in bijlage 6. De toetsingsresultaten zijn weergegeven in bijlage 9. Een samenvatting is weergegeven in de navolgende tabel. De indicatieve toetsingsresultaten van de HXRF-metingen zijn weergegeven in bijlage 11. Tabel 5.10: samenvatting toetsingsresultaten grond monster-
traject
code
(m-mv)
boringen
toetsingsresultaten Wbb 1)
motivatie
indicatie
> AW
>T
>I
Bbk 2)
-
-
-
AW
-
-
-
AW
m.o.
-
-
Ind
-
-
-
AW
-
koper
NT
deellocatie B: landbouwgrond mmB01
0,00 - 0,50
B11, B14
sporen puin- en kolengruishoudende bovengrond
mmB02
0,00 - 0,50
B01, B02, B03,
zintuiglijk schone
B05, B06, B08,
bovengrond
B09, B10, B12, B16 mmB03
0,70 - 1,60
B01, B06
sterk houthoudende ondergrond
mmB04
0,50 - 1,05
B09, B11, B13, B14
zintuiglijk schone ondergrond
B13-2
0,25 - 0,55
B13
matig kolengruishoudende PCB, kobalt, bovengrond
cadmium, PAK
zink lood
aanvullend onderzoek B100-1
B100-3
0,00 - 0,25
0,55 - 1,05
B100
B100
verticale inkadering
koper, cadmium,
boring B13
lood
verticale inkadering
zink
-
n.v.t
zink, lood
-
-
n.v.t.
zink, cadmium
-
-
n.v.t.
boring B13 B101-2
0,25 - 0,55
B101
horizontale inkadering boring B13
pagina 22 van 30
documentkenmerk: 2003/016/KB-01, versie A
Tabel 5.10, vervolg: samenvatting toetsingsresultaten grond monster-